← België

ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090623.14

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 23 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090623.14 Rolnummer: 2008-AR-2088 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2010-09-23 Raadplegingen: 92 - laatst gezien 2026-07-02 20:03 Fiche Tenzij de schuldeiser uitdrukkelijk zijn rechten tegen hen heeft voorbehouden, bevrijdt kwijtschelding ten voordele van één van de hoofdelijke wedeschuldenaars al de overigen. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BESLAG EN EXECUTIE - Algemeen (beslag en executie) Vrije woorden: Beslag - en executierecht - uitvoerbare titel- solidaire medeschuldenaars- kwijtschelding ten aanzien van één medeschuldenaar - gevolgen. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 14b Kamer ________ Terechtzitting van 23 juni 2009 ________ 2008/AR/2088 in de zaak van: V..................... M............, vrachtwagenbestuurder, wonende te ......................................................, appellant, hebbende als raadsman mr. DE TROYER Peter J.L., advocaat te 9506 IDEGEM, Neerstraat 36 tegen: L.............. J..........., kok, wonende te .........................., geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. BLOCKEEL Luc, advocaat te 9700 OUDENAARDE, Deinzestraat 1 Wijst het Hof volgend arrest: Het Hof nam kennis van de op 18 juni 2008 door de beslagrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde verleende beschikking, waartegen appellant, met zijn op 12 augustus 2008 ter griffie neergelegd verzoekschrift, tijdig en op regelmatige wijze hoger beroep heeft ingesteld. De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting en de neergelegde conclusies en stukken werden ingezien. Artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werd in acht genomen. I. Voorgaanden 1.

  1. Geïntimeerde heeft op 1 augustus 1998 samen met zijn vriend B............. S.............. in opdracht van zijn moeder V........L................. de wagen van de toenmalige echtgenoot van zijn moeder, de heer M............ V..................., huidige appellant, zwaar beschadigd. Voor deze feiten werd geïntimeerde samen met zijn moeder en voornoemde B.......... S..............., door de 10e kamer van de Correctionele rechtbank te Oudenaarde bij vonnis van 16 oktober 2000 solidair veroordeeld tot het betalen aan appellant ten titel van schadevergoeding de som van 223.938 oude Bef (hetzij 5.551,28 EUR), meer de vergoedende intresten en de kosten. Bij exploot van 18 december 2000 liet appellant het vonnis aan elk van de drie veroordeelde partijen betekenen met bevel tot betalen van voornoemd bedrag (stuk A1 geïntimeerde). Appellant ontving enkele afbetalingen en liet op 31 januari 2001 opnieuw een bevel tot betaling betekenen voor het integrale bedrag (stuk A2 geïntimeerde). In diezelfde periode leidden de echtelijke moeilijkheden tussen appellant en mevrouw V......... L.............. tot een echtscheiding door onderlinge toestemming. In de overeenkomst voorafgaand aan de echtscheiding door onderlinge toestemming dd.17 augustus 2001 werd uitdrukkelijk bedongen dat partijen aan elkaar niets meer verschuldigd zijn (stuk 1 appellant). Meer in het bijzonder werd in de overeenkomst expliciet bepaald dat partijen overeenkomen "dat zij niets meer verschuldigd zijn aan elkaar, ook niet op grond van het vonnis dd.16.10.2000 van de 10e Kamer der Rechtbank van Eerste Aanleg te Oudenaarde". 1.
  2. Na de echtscheiding van zijn moeder en appellant, welke werd uitgesproken op 15 januari 2002 en overgeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 26 februari 2002, heeft geïntimeerde nog enkele afbetalingen verricht van de schuld aan appellant. In oktober 2003 liet geïntimeerde evenwel aan de raadsman van appellant weten dat er niet meer verder zou afbetaald worden omwille van de uitdoving van de schuld. Hierop antwoordde de raadsman van appellant bij brief van 7 oktober 2003 dat geïntimeerde ingevolge de solidaire veroordeling nog steeds gehouden is tot het volledige bedrag van 223.938 BEF en dat bij afwezigheid van verdere betaling tot uitvoering zou worden overgegaan (stuk B geïntimeerde), standpunt dat herhaald werd in de brief van 13.10.2003 (stuk C geïntimeerde). Bij brief van 14 november 2003 liet de raadsman van geïntimeerde weten dat de vordering van appellant vervallen was (stuk D geïntimeerde). Bijna twee jaar later, bij brief van 2 augustus 2005 van de gerechtsdeurwaarder, werd opnieuw het integrale bedrag van 223.938 Bef of 5.5.51,28 EUR gevorderd, verminderd met een afbetaling van 61,97 EUR (stuk E geïntimeerde), waarop geïntimeerde bij brief van 30 augustus 2005 reageerde met de mededeling dat de titel van appellant vervallen was (stuk F geïntimeerde). Ten slotte liet appellant op 26 oktober 2006 overgaan tot uitvoerend beslag voor een bedrag in hoofdsom van 2/3 van de oorspronkelijke schuld, hetzij 3.700,85 EUR (stuk G geïntimeerde). Na dit beslag ontving de gerechtsdeurwaarder op 23 november 2006 een telefoontje van een zekere J............., waarover hij het volgende schrijft (stuk 4 appellant): "Op 23.11.2006 kregen we een telefoontje van een zekere J............... betreffende een afbetalingsplan in dossier onder rubriek. We deelden haar meer dat we konden toestaan dat de heer L......... J..............y het verschuldigde bedrag in drie keer afbetaalde. We verwachtten dan wel een eerste betaling van 1.900 EUR voor 01.12.
  3. We deelden haar ook nog mee dat ze voor kleinere afkortingen best rechtstreeks contact opnam met onze opdrachtgever. De volgende dag, op 24.11.2006, hebben we dan van de heer L.......... J............ een bedrag van 1.750,00 EUR ontvangen". Op diezelfde dag, 23 november 2006 tekende geïntimeerde verzet aan op grond van de overweging dat de schuldvordering van appellant volledig teniet is gegaan en dat hij in toepassing van artikel 1200 B.W. is bevrijd van zijn schuld doordat appellant in de akte E.O.T. kwijting van de volledige schuld heeft gegeven aan V......... L............., één van de drie solidaire medeschuldenaars. 1.
  4. Het verzet van geïntimeerde werd gegrond verklaard bij de thans bestreden beschikking. De eerste rechter verwees naar artikel 1200 B.W. en steunde zijn oordeel op de overweging dat de kwijtschelding van de schuld door de overeenkomst E.O.T. ten opzichte van V........ L........... is gebeurd voor de volledige schuld, zodat ook geïntimeerde als medeschuldenaar voor het geheel is bevrijd en niet voor een deel. De eerste rechter concludeerde dat door de kwijtschelding de uitvoerbare titel niet langer actueel is. Appellant vraagt in hoger beroep het bestreden vonnis teniet te doen en de oorspronkelijke vordering in verzet van geïntimeerde ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren en hem te veroordelen tot de kosten van het geding in beide aanleggen. Appellant werpt op dat hij noch met geïntimeerde, noch met B............ S............., de andere twee veroordeelden een regeling heeft getroffen en evenmin in de EOT-akte enige vermelding werd gemaakt omtrent het beweerdelijk bevrijd zijn van de andere veroordeelden. Hij stelt dat geïntimeerde van in het begin op de hoogte was van de echtscheiding tussen hemzelf en zijn moeder en van de inhoud van de E.O.T.-akte, doch desondanks verder een aantal afbetalingen bleef verrichten tot 23 oktober 2003, wat volgens appellant zou neerkomen op een erkenning van zijn aandeel van de schuld. III. Beoordeling 3.
  5. De kern van het voorliggende geschil is de vraag wat het gevolg is van de kwijtschelding van schuld verleend door appellant aan V......... L.............Y in de akte voorafgaand aan hun echtscheiding door onderlinge toestemming, voor de uitvoerbare actualiteit van het vonnis dd.16.10.2000 van de 10e Kamer der Rechtbank van Eerste Aanleg te Oudenaarde, waarbij V.........L........... samen met haar zoon J........... en diens vriend B........ S............., solidair werden veroordeeld tot betaling aan appellant van een schadevergoeding van 5.551,28 EUR, meer intresten en kosten. Meer in het bijzonder moet worden nagegaan of ook geïntimeerde zich kan beroepen op deze kwijtschelding van schuld om zich te verzetten tegen de verdere gedwongen uitvoering van het vonnis door appellant, m.a.w. of de uitvoerbare titel ook ten aanzien van hem niet langer actueel is ten gevolge van de kwijtschelding van de schuld ten aanzien van een solidaire medeschuldenaar. Het Hof stelt vast dat appellant aanvankelijk in de brieven van zijn raadsman van 7 en 13 oktober 2003 en in het schrijven dd.2 augustus 2005 van de gerechtsdeurwaarder bij geïntimeerde nog aandrong op betaling van het volledige bedrag van de schuld, zonder rekening te houden met de kwijtschelding ten aanzien van V.......L............, doch op 26 oktober 2006 uiteindelijk is overgegaan tot uitvoerend beslag voor een bedrag van 2/3 van de oorspronkelijke schuld. Deze vermindering van het oorspronkelijke bedrag met 1/3 is blijkbaar ingegeven door de kwijtschelding die appellant in de akte E.O.T. heeft verleend aan V....... L..........Y, welke kwijtschel-ding evenwel blijkens de bewoordingen van deze akte niet werd beperkt tot 1/3 van de totale schuld van 5.551,28 EUR waartoe elk van de drie schuldenaars bij het vonnis van 16 oktober 2000 solidair werden veroordeeld. 3.
  6. Uit de bewoordingen van de E.O.T.-akte blijkt immers duidelijk dat appellant aan V........ L............ kwijtschelding van schuld heeft verleend voor hetgeen zij aan hem op grond van het vonnis dd.16.10.2000 van de 10e Kamer der Rechtbank van Eerste Aanleg te Oudenaarde verschuldigd was. Gelet op het solidair karakter van de veroordeling van de drie medeschulde-naars, betekent dit dat aan V......... L.......... ten aanzien van appellant kwijtschelding is verleend voor de totaliteit van de schuld en niet voor slechts één derde, in tegenstelling tot wat appellant thans voorhoudt. Krachtens artikel 1200 B.W. kan immers iedere hoofdelijke schuldenaar voor het geheel aangesproken worden. Appellant beroept zich ten onrechte op artikel 1210 B.W. teneinde zijn hoofdelijke vordering tegen de twee overige schuldenaars te behouden, onder aftrok van het aandeel van 1/3 van V.......L............. aan wie hij in de E.O.T.-akte kwijtschelding verleende. Krachtens deze bepaling behoudt de schuldeiser, die toestemt in de verdeling van de schuld ten aanzien van een van de medeschuldenaars, zijn hoofdelijke vordering tegen de overige schuldenaars, doch onder aftrek van het aandeel van de schuldenaar die hij van de hoofdelijkheid ontslagen heeft. Nergens echter blijkt uit de E.O.T.- akte dat appellant slechts zou hebben toegestemd in de verdeling van de schuld ten aanzien van één van de medeschuldenaars, zoals bedoeld in artikel 1210 B.W., en dat hij bij de kwijtschelding van V........ L............. de bedoeling had om zijn hoofdelijke vordering te behouden ten opzichte van de twee andere medeschuldenaars, onder aftrek van het aandeel dat door V......... L............. verschuldigd was. De bewering van appellant dat hij slechts in toepassing van artikel 1210 B.W. akkoord is gegaan om in de regelingsakte te stipuleren dat hij van V......... L.......... niets meer te vorderen heeft, en geen uitdrukkelijke afstand heeft gedaan van zijn hoofdelijke vordering ten aanzien van de andere medeschuldenaars zodat ten aanzien van hen de hoofdelijkheid voor 2/3 van de schuld blijft bestaan, vindt geen steun in de bewoordingen zelf van de clausule in de regelingsakte. Overeenkomstig artikel 1200 B.W. bestaat hoofdelijkheid tussen schuldenaars, wanneer zij verplicht zijn tot een en dezelfde zaak, zodat ieder voor het geheel kan worden aangesproken, en de betaling door een van hen gedaan, de overige schuldenaars jegens de schuldeisers bevrijdt. Het staat vast dat appellant volledige kwijtschelding heeft verleend van de volledige schuld aan één van de drie solidaire gehouden medeschuldenaars, meer bepaald aan V........ L............, in de regelingsakte voorafgaand aan de echtscheiding door onderlinge toestemming. 3.
  7. De vraag is evenwel of geïntimeerde zich kan beroepen op deze kwijtschelding, vastgesteld in een overeenkomst waarbij hijzelf geen partij is en of appellant zich terecht beroept op de toepassing van: - artikel 1134 B.W., volgens hetwelk een overeenkomst enkel de partijen tot wet strekt en enkel gevolgen teweegbrengt tussen de contracterende partijen, en de E.O.T.-akte in toepassing hiervan enkel tot doel had de wederzijdse vorderingen tussen appellant en V.......L........... te regelen, zonder dat ooit appellant de bedoeling had om alle hoofdelijke medeschuldenaars te ontslaan van betaling; - artikel 1165 B.W. volgens hetwelk overeenkomsten alleen gevolgen teweegbrengen tussen de contracterende partijen; - artikel 1121 B.W. op grond waarvan geïntimeerde zich enkel zou kunnen beroepen op de E.O.T.-akte indien dit een beding ten behoeve van een derde zou bevatten, hetgeen niet het geval is; 3.
  8. Het is volledig correct - zoals appellant voorhoudt- dat wanneer twee hoofdelijk gehouden medeschuldenaars in hun onderlinge verhouding overeenkomen dat slechts één van hen een gemeenschappelijke schuldeiser zal afbetalen, de schuldeiser niet gebonden is door deze overeenkomst en elk van beide schuldenaars kan blijven aanspreken in betaling van de volledige schuld. De situatie die aan de orde is in onderhavig geschil, is echter van een geheel andere orde. In de zaak die thans voorligt aan het Hof heeft een schuldeiser (appellant), die krachtens een vonnis ten aanzien van elk van de drie solidaire veroordeelde medeschuldenaars in principe de betaling kan eisen van het geheel van de schuld, door middel van een dading kwijtschelding van de volledige schuld verleend ten aanzien van slechts één van hen, met name V....... L.......... Appellant meent dat hij door deze onderlinge afspraak met V........ L.........., die enkel geldt inter partes, geen afstand deed van zijn recht om volledige betaling te eisen van het geheel van de schuld (in het exploot van bevel beperkt tot 2/3) van de twee overgebleven solidaire schuldenaars, nu de werking van deze overeenkomst krachtens artikel 1134 B.W. en 1165 B.W. beperkt is tot de contracterende partijen en een derde zoals geïntimeerde aan deze overeenkomst geen rechten kan ontlenen en dus niet uit de akte kan afleiden dat er een kwijtschelding is geweest die alle hoofdelijke medeschuldenaars bevrijd zou hebben van hun verplichtingen. 3.
  9. Het is juist dat de E.O.T.-akte geen beding bevat ten behoeve van een derde, zodat artikel 1121 B.W. geen toepassing kan vinden. Maar anderzijds bevat de E.O.T.-akte wél een clausule die kan gekwalificeerd worden als een dading tussen appellant en V........L........, omdat daarin expliciet wordt bepaald dat partijen overeenkomen "dat zij niets meer verschuldigd zijn aan elkaar, ook niet op grond van het vonnis dd.16.10.2000 van de 10e Kamer der Rechtbank van Eerste Aanleg te Oudenaarde". In tegenstelling tot wat de eerste rechter oordeelde heeft een dading bij hoofdelijke aansprakelijkheid niet hetzelfde effect als een betaling, die bevrijdend werkt voor de overige schuldenaren. Overeenkomstig artikel 1285 B.W. bevrijdt kwijtschelding of ontslag bij overeenkomst ten voordele van een van de hoofdelijke medeschuldenaars evenwel al de overigen, tenzij de schuldeiser zich uitdrukkelijk zijn rechten tegen hen heeft voorbehouden. Deze regel lijkt ook van toepassing op de dading (zie Cass.18 september 1941, Pas. 1941, I, 343; B.T.........., I.C..........., Ch.C........ en L........ K., A.P.R., tw. Dading, blz.500, nr.1046). Hoewel een dading in principe enkel tussen partijen werkt, kan een dading tussen de schuldeiser en één van zijn hoofdelijke schuldenaren effect sorteren. Artikel 1285 B.W. houdt een afwijking in van artikel 1165 B.W. Indien een schuldeiser met een hoofdelijke medeschuldenaar een dading met kwijtschelding sluit, kan hij geen verdere aanspraken doen gelden tegen de overige hoofdelijke medeschuldenaars, tenzij hij zich dit recht uitdrukkelijk heeft voorbehouden. De schuldeiser moet zijn wil om dergelijk voorbehoud te maken, duidelijk en uitdrukkelijk tot uiting brengen. Een stilzwijgende wilsuiting is niet voldoende. In casu heeft appellant zich echter dit recht niet expliciet voorbehouden in de dading die hij met V......... L............. in de E.O.T.-akte heeft aangegaan. Een uitdrukkelijk derdenbeding lijkt niet vereist opdat een andere hoofdelijke medeschuldenaar zich op de dading zou kunnen beroepen. Tenzij de schuldeiser uitdrukkelijk zijn rechten tegen hen heeft voorbehouden, bevrijdt kwijtschelding ten voordele van één van de hoofdelijke medeschuldenaars al de overigen (zie Cass.15 december 2000, Arr.Cass. 2000, nr.694; R.W. 2002-2003, 816). Het principe van de doorwerking van de kwijtschelding van een schuld verleend aan één van de hoofdelijke medeschuldenaars door middel van een dading vindt haar uiteindelijke wettelijke grondslag in artikel 1285 B.W. Geïntimeerde kan zich beroepen op de toepassing van deze bepaling om te zeggen voor recht dat de kwijtschelding van schuld verleend aan één van de hoofdelijke medeschuldenaars doorwerkt ten aanzien van hem. Uit de tekst zelf van de E.O.T.-akte blijkt dat appellant aan een van de hoofdelijke medeschuldenaars integrale kwijtschelding van schuld heeft verleend. Hierdoor wordt geen afbreuk gedaan aan artikel 1134 of 1165 B.W. De stelling dat het enkel de bedoeling was geweest van appellant om het aandeel van V......... L......... in de totale schuld kwijt te schelden, wordt tegengesproken door de tekst zelf van de dadingsclausule die een algemene strekking heeft en betrekking heeft op de volledige gehoudenheid van V........L.............. ten aanzien van appellant voor het volledige bedrag van de schuld. Appellant erkent trouwens zelf in zijn syntheseconclusie (p.15) dat de gehoudenheid van V.......... L............... tegenover hem gold voor het geheel van de schuld, en tussen de schuldenaars onderling voor 1/
  10. Nergens brengt appellant het bewijs bij van zijn stelling dat het bij het opstellen van de E.O.T.-akte de bedoeling zou geweest zijn van partijen voor de berekening van de wederzijdse vergoedingen slechts met één derde rekening te houden en vast te stellen dat zij haar derde van de schuld had betaald en voor het overige door appellant met rust zou worden gelaten. Nergens kan uit de akte worden afgeleid dat de schuld ten aanzien van de hoofdelijke medeschuldenaars werd verdeeld en dat appellant ten aanzien van V............. L.............. genoegen nam met de betaling van 1/3 van de schuld. Nergens heeft appellant zich uitdrukkelijk het recht voorbehouden om tegenover de overige medeschuldenaars - van wie er intussen reeds één is overleden- het saldo van de schuld uit te voeren. 3.
  11. Ten onrechte stelt appellant dat de betaling van 1.750,00 EUR die geïntimeerde nog heeft verricht op 23 november 2006, d.i. de dag waarop hij verzet aantekende tegen het beslag, neerkomt op een erkenning van de schuld. Niet alleen werd de betaling verricht onder druk van de gedwongen tenuitvoerlegging, waartoe appellant was overgegaan, bovendien betaalde appellant slechts een gedeelte van de door hem uitdrukkelijk betwiste schuld daags nadat hij tegen de gedwongen uitvoering verzet aantekende, zodat deze betaling geenszins als een schuldbekentenis kan worden beschouwd. Het hoger beroep van appellant is ongegrond. Wat betreft de rechtsplegingsvergoeding, is het Hof van oordeel dat bij de bepaling van de rechtsplegingsvergoedingen de basisbedragen toepassing vinden, in voege vanaf 1 januari 2008 als gevolg van het K.B. van 26 oktober 2007 ter uitvoering van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van kosten en erelonen van advocaten. OM DEZE REDENEN HET HOF Verklaart het hoger beroep toelaatbaar, doch ongegrond; Bevestigt de bestreden beschikking, zij het op andere gronden; Veroordeelt appellant tot de kosten van het geding, aan zijn zijde niet nader te begroten en aan de zijde van appellant begroot als volgt: - rolrecht: 185,00 EUR - rechtsplegingsvergoeding 1.200,00 EUR Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, VEERTIENDE bis KAMER, zitting houdende in burgerlijke zaken, van 23 juni 2009 Aanwezig: Karen Broeckx, Raadsheer wn. Voorzitter Carine Sonneville, griffier Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.