← België

ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090623.9

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 23 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090623.9 Rolnummer: 2008/AR/1669 Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2009-08-11 Raadplegingen: 98 - laatst gezien 2026-07-02 20:03 Fiche UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - VOORHEFFING EN BELASTINGKREDIET - Voorheffingen - Onroerende voorheffing Vrije woorden: Het begrip vakantiehuizen voor kinderen en gepensioneerden waarvoor belastingvrijstelling voorzien wordt in artikel 12 §1 en artikel 253, 1° WIB92 moet overeenkomstig de actuele maatschappelijke context worden uitgelegd. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 5e kamer ________ terechtzitting van 23-06-2009 BELASTINGEN Nr.2008/AR/1669 in de zaak van: HET VLAAMS GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering in de persoon van de Vlaamse minister voor Financiën, Begroting en Ruimtelijke Ordening, Koning Albert II laan 19 te 1210 BRUSSEL, appellante, ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. VANDEVIVER Filiep, advocaat te 9000 GENT, Zieklien 14-16 tegen:

  1. TOERISME VLAANDEREN, Intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid, met zetel te 1000 BRUSSEL, Grasmarkt 61, geïntimeerde, ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. VAN HOUTE Céline loco mr. DE MEYERE Luc, advocaat te 9000 GENT, Koning Albertlaan 165,
  2. CENTRUM VOOR JEUGDTOERISME V.Z.W., met zetel te 9820 MERELBEKE, Bergstraat 16; ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0409.153.027, gedaagde in hoger beroep, ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. VAN HOUTE Céline loco mr. DE MEYERE Luc, advocaat te 9000 GENT, Koning Albertlaan 165 spreekt het Hof het volgend arrest uit:
  3. Procedure Bij verzoekschrift van 24 juni 2008 heeft de appellante een beperkt hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent, zesde kamer, op 8 april 2008 werd uitgesproken. In het bestreden vonnis werd vastgesteld dat de oorspronkelijke tweede eiseres, namelijk de VZW Centrum voor Jeugdtoerisme, geen belastingplichtige was zodat haar vordering onontvankelijk was. De vorderingen van de oorspronkelijk eerste eiseres, de huidige geïntimeerde, werden ontvankelijk verklaard; haar vordering gericht tegen de directeursbeslissing van 26 oktober 2004 met referentie 9107/15/900.017.786.867/KST werd ongegrond verklaard maar de vordering gericht tegen de directeursbeslissing van 26 oktober 2004 met referentie 9055/31/002.422.726.762/BVI werd wel gegrond verklaard. Op die manier heeft de eerste rechter de aanslag in de onroerende voorheffing die op naam van de geïntimeerde gevestigd werd voor het aanslagjaar 2003 onder kohierartikel 203.002.929.506 vernietigd en de appellante veroordeeld tot terugbetaling van alle op grond van die vernietigde aanslag betaalde of geïnde bedragen, vermeerderd met de moratoriuminteresten voorzien in artikel 418 WIB
  4. De partijen werden elk in hun eigen gerechtskosten verwezen. Het hoger beroep strekt ertoe het bestreden vonnis deels teniet te doen en van het Hof te bekomen dat het de vordering van de geïntimeerde met betrekking tot de directeursbeslissing van 26 oktober 2004 met referentie 9055/31/002.422.726.762/BVI als ongegrond zou afwijzen en bijgevolg de aanslag in de onroerende voorheffing die op naam van de geïntimeerde gevestigd werd voor het aanslagjaar 2003 onder kohierartikel 203.002.929.506 zou bevestigen. De appellante vraagt aan het Hof ook om het te vellen arrest in de zin van artikel 1053 Ger.W. bindend te verklaren aan de VZW Centrum voor Jeugdtoerisme, gedaagde in hoger beroep. De appellante vraagt bovendien dat de geïntimeerde zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten van de beide aanleggen. De geïntimeerde en de gedaagde in hoger beroep vorderen beide de bevestiging van het bestreden vonnis. De geïntimeerde en de gedaagde in hoger beroep vragen tevens dat het Hof de appellante zou veroordelen tot het betalen van de gerechtskosten van de beide aanleggen. De partijen werden in openbare terechtzitting gehoord in hun middelen en conclusies.
  5. Feitelijke gegevens De geïntimeerde is eigenaar van een onroerend goed te Galmaarden aan de Molenstraat nummer 20, ten kadaster gekend als perceel met nummer A.0156H op de legger 03266 in de afdeling 23090; het domein staat bekend als De Carrousel. Het wordt geëxploiteerd door de gedaagde in hoger beroep die het gebruikt in het kader van haar statutair doel. In haar statuten staat dat zij tot doel heeft aan jeugdwerk te doen en het jeugdtoerisme te bevorderen. Op de webstek van de gedaagde in hoger beroep, www.decarrousel.be, wordt het litigieuze onroerend goed omschreven als een modern ingericht jeugdvakantiehuis midden in het pajottenland, geschikt voor personen met een handicap. Uit het werkingsverslag over het jaar 2003 van de gedaagde in hoger beroep blijkt dat meer dan 70% van de overnachtingen voor rekening komen van personen onder de 25 jaar, meer bepaald 4.397 van het totaal van 5.621 overnachtingen. Het betreffende centrum werd krachtens het Decreet van 3 maart 2004 houdende erkenning en subsidiëring van jeugdherbergen, jeugdcentra, ondersteuningsstructuren en de VZW Algemene Dienst voor Jeugdtoerisme, erkend als jeugdverblijfcentrum. In de brochure die de geïntimeerde voorlegt staat de volgende paragraaf over het gebruik van het onroerend goed: De Carrousel is speciaal ingericht voor personen met een handicap. Toch is elke groep welkom: scholen (bosklassen, plattelandsklassen, bezinningsdagen, stages, schoolreizen), kadervorming, jeugdgroeperingen, sportclubs, koren, muziekstages, socio-culturele verenigingen, familiegroepen,.... De kamers zijn bestemd voor 4 of 5 personen. Op 14 mei 2003 werd op naam van de geïntimeerde met betrekking tot dat onroerend goed voor het aanslagjaar 2003 de hoger genoemde aanslag in de onroerende voorheffing gevestigd onder artikelnummer 203.002.929.
  6. De gedaagde in hoger beroep diende tegen die aanslag een bezwaarschrift in. Er wordt niet langer betwist dat zij dat deed als mandataris van de geïntimeerde in hoger beroep. Het bezwaar was erop gericht om de aanslag te zien vernietigen op grond van de vrijstelling van onroerende voorheffing bedoeld in artikel 253, 1°, jo. artikel 12 §1 WIB
  7. In haar directeursbeslissing van 26 oktober 2004 wees de appellante het bezwaar af. Met een verzoekschrift van 25 januari 2005 stelden de geïntimeerde en de gedaagde in hoger beroep samen hun vordering in voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent. De zesde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent heeft in zijn vonnis van 8 april 2008 geoordeeld zoals hoger weergegeven. Het is tegen dat vonnis dat de appellante een beperkt hoger beroep heeft ingesteld. Er is geen incidenteel hoger beroep.
  8. Grieven en argumenten van de partijen 3.
  9. Standpunt van de appellante De appellante stelt dat de geïntimeerde geen aanspraak kan maken op een vrijstelling in de zin van artikel 253, 1° WIB92 omdat haar onroerend goed geen ‘vakantiehuis voor kinderen' zou zijn. Volgens de appellante veronderstelt dat begrip dat het onroerend goed uitsluitend dienst doet als vakantiehuis en uitsluitend voorbehouden wordt aan kinderen. Omdat het om een uitzondering gaat op de belastbaarheid, zou de betreffende wetsbepaling strikt moeten geïnterpreteerd worden. Daarom zou de eerste rechter ten onrechte geoordeeld hebben dat een ‘hoofdzakelijke' bestemming als vakantiehuis voor kinderen zou volstaan. Bovendien zou uit de overnachtingcijfers niet kunnen afgeleid worden dat het om een vakantiehuis voor ‘kinderen' gaat vermits daarin niet alleen kinderen maar ook jongeren boven de 18 jaar begrepen worden. In die zin zou ook de erkenning door de Vlaamse overheid niet relevant zijn. Bovendien zou het gaan om jeugdtoerisme en sociale activiteiten en dus niet alleen om vakantie. De appellante verwijst in dat verband naar de brochure van de gedaagde in hoger beroep. 3.
  10. Standpunt van de geïntimeerde en de gedaagde in hoger beroep De geïntimeerde en de gedaagde in hoger beroep wijzen op de erkenning als jeugdverblijfcentrum, de werkingsverslagen met betrekking tot de bezettingen en overnachtingen en besluiten dat het vaststaat dat hun centrum een ‘vakantiehuis voor kinderen' is. De wet zou niet vereisen dat onder het begrip ‘kinderen' alleen minderjarigen verstaan worden en zou ook jongeren omvatten zoals in het begrip ‘kind ten laste'. Evenmin zou het begrip ‘vakantiehuis' zo beperkt moeten worden uitgelegd dat er alleen vakanties kunnen of mogen worden doorgebracht, waarbij de vakantie zou beperkt zijn tot de periodes waarin geen les gegeven wordt; de geïntimeerde en de gedaagde in hoger beroep wijzen erop dat anders het begrip ‘vakantiehuis voor gepensioneerden' zoals in hetzelfde wetsartikel voorzien, zijn betekenis zou verliezen. Een uitsluitend gebruik voor jongeren zou niet nodig zijn; het zou volstaan dat het onroerend goed hoofdzakelijk als vakantiehuis voor kinderen wordt gebruikt. De geïntimeerde en de gedaagde wijzen ook nog op de omzendbrief van de Vlaamse overheid waarin de vrijstelling van onroerende voorheffing voor onderwijs verduidelijkt wordt.
  11. Beoordeling De enige betwisting die tussen de partijen bestaat, gaat over de vraag of het betreffende onroerend goed beschouwd moet worden als een ‘vakantiehuis voor kinderen' zoals bedoeld in artikel 12 §1 WIB92 waarnaar artikel 253, 1° WIB92 verwijst. De vrijstelling van belasting op onroerende inkomsten met betrekking tot vakantiehuizen voor kinderen zoals voorzien in die wetsbepalingen is overgenomen uit artikel 8 WIB64 (KB van 26 februari 1964, B.S. 10 april 1964). Dat betrof een coördinatie waarin de bepalingen werden hernomen uit artikel 4 §2, 1° van de Wet van 20 november 1962 (B.S. 1 december 1962). In dat artikel 4 §2, 1° werd voor het eerst aan de vrijstelling van onroerende belasting de vacantietehuizen voor kinderen en gepensioneerden toegevoegd. Door die toevoeging luidde dat artikel 4 §2, 1° als volgt: §
  12. In afwijking van §1, 1°, a: 1° geniet belastingvrijdom het kadastraal inkomen van de onroerende goederen of delen van onroerende goederen welke een eigenaar die geen winstoogmerken nastreeft, zal hebben besteed voor de uitoefening van een openbare eredienst, voor onderwijsdoeleinden, voor de vestiging van hospitalen, godshuizen, klinieken, dispensaria, vacantietehuizen voor kinderen en gepensioneerden, of van andere soortgelijke weldadigheidsinstellingen; Deze toevoeging kwam er op amendement voorgesteld door de heer G. B. in de Kamer van Volksvertegenwoordigers. Aanvankelijk had hij een amendement voorgesteld dat ertoe strekte de volgende tekst aan artikel 4 §2, 1° toe te voegen: Alsmede van de eigendommen, toebehorend aan verenigingen zonder winstgevend doel en maatschappijen van onderlinge bijstand, die maximum zes maanden tijdens het jaar en uitsluitend worden aangewend als vacantiehuizen voor kinderen en ouderlingen. De indiener gaf de volgende verantwoording: Tal van verenigingen zonder winstgevend doel en maatschappijen van onderlinge bijstand hebben zich grote uitgaven getroost om gebouwen en speelpleinen op te richten met het enige doel er vacantieverblijven voor kinderen en ouderlingen te organiseren. Deze gebouwen worden slechts gedurende enkele maanden gebruikt en blijven voor de rest van het jaar gesloten. In het licht van de beperkte tijdspanne tijdens welke deze gebouwen worden gebruikt enerzijds en het verheven sociaal doel waarvoor ze werden opgericht anderzijds, oordelen ondergetekenden het ten zeerste verantwoord ze van grondbelasting vrij te stellen. (Gedr. St. Kamer, 1961-62, nr. 264/39 van 8 mei 1962, p. 2). Uit het verslag van de Commissie van 1 juni 1962 namens de Commissie voor de Financiën (Gedr. St. Kamer, 1961-62, nr. 264/42 van 1 juni 1962, p. 64-65) blijkt dat de regering en enkele commissieleden tegen dat aanvankelijk amendement bezwaar hadden. De regering vreesde misbruik dat erin zou bestaan de vorm van een VZW aan te nemen om aan de grondbelasting te ontsnappen. Leden wezen op

(1)het feit dat bij het bepalen van het kadastraal inkomen met de duur van het gebruik wordt rekening gehouden,
(2)het feit dat de vakantiehuizen die het hele jaar door ‘ten dienste van de hulpbehoevende ouderlingen staan' van de vrijstelling zouden uitgesloten zijn,
(3)het feit dat vakantiehuizen die tot scholen behoren al vrijstelling genieten maar andere niet zodat er een einde aan die discriminatie moest gesteld worden,
(4)dat de vrees voor misbruiken de Commissie er niet toe mocht brengen om ‘onsociale stellingen te verdedigen'. Een voorstel om de betreffende vakantiehuizen meer te specificeren werd door een lid afgekeurd omdat daarmee de privé-initiatieven ten onrechte zouden uitgesloten worden. De minister stelde voor alleen vakantiehuizen voor kinderen vrij te stellen; hij vond het niet opportuun de vrijstelling uit te breiden tot de sector van de gepensioneerden wegens het te grote gevaar voor misbruik. De heer B. achtte die oplossing niet sociaal en diende een nieuw amendement in (Gedr. St. Kamer, 1961-62, nr. 264/41 van 22 mei 1962, p. 3) waarin hij voorstelde de tekst aan te nemen zoals die uiteindelijk in de Wet van 20 november 1962 zou komen (zie hoger). De verantwoording was nu als volgt: Artikel 4 §3, van de gecoördineerde wetten op de inkomstenbelasting voorziet reeds thans in de vrijstelling van belasting van het kadastrale inkomen van een aantal onroerende goederen die voor culturele en sociale doeleinden worden gebruikt. Tot nog toe genoten de vakantiehuizen voor kinderen en gepensioneerden echter nog niet dezelfde voordelen. Het handhaven van elke discriminatie ter zake in het nadeel van de vakantietehuizen die generlei winstoogmerk nastreven, en die naast kinderen, werknemers met een lange beroepsloopbaan opnemen, schijnt onverenigbaar te zijn met het voeren van een sociaal- en gezinsbeleid van een vooruitstrevende Staat. De Commissie nam dat amendement aan met 12 stemmen voor en 9 onthoudingen. Het verslag vermeldt ter afsluiting van de bespreking: Na de stemming verklaart de Minister dat het nodig zal zijn de tekst zodanig te interpreteren, dat elk misbruik wordt voorkomen. De Commissie is het hiermede eens. In de verdere werkzaamheden in de Kamer en Senaat werd op dat punt geen enkele wijziging meer voorgesteld, noch besproken. Deze wetshistoriek leert dat de wetgever met ‘vakantietehuizen voor kinderen en gepensioneerden' instellingen bedoeld heeft met een sociaal en cultureel doel. Het valt op dat in de verantwoording van het amendement dat uiteindelijk werd goedgekeurd uitdrukkelijk sprake is van vakantietehuizen die zowel kinderen als gepensioneerden ‘opnamen'. De woordkeuze is duidelijk gemaakt binnen de maatschappelijke context die bestond in
  1. De rechtspraak moet de wet uitleggen op een wijze dat wordt rekening gehouden met de maatschappelijke evolutie. De vacantietehuizen voor kinderen en gepensioneerden die de wetgever op het oog had, zijn ondertussen verdwenen (althans in de zin dat ze zowel kinderen en gepensioneerden opnamen). In die tijd was het sociale leven veel minder uitgewerkt en zeker voor een belangrijk deel van de bevolking minder toegankelijk. De leerplicht gold slechts tot 14 jaar en er werd nog op zaterdag gewerkt en naar school gegaan. Tegen die achtergrond was ‘vakantie voor kinderen' in wezen een wijze om de schoolgaande jeugd de mogelijkheid te bieden zich elders dan in school en thuis of zelfs op het werk te ontspannen. Het was een middel om iets anders te doen dan op school, op het werk of thuis. Vakantie in de bedoelde tehuizen was vakantie in groep (samen met anderen) en had dus een sociaal doel, terwijl er ook oog was voor cultuur (bijv. toneel, film, enz.). De heer B. kaderde het zelfs in het ‘gezinsbeleid' wat allicht verwees naar het feit dat er toen veel grote gezinnen waren die meestal niet de middelen hadden om samen op vakantie te gaan. In 1962 bestond voor wie behoorde tot de leeftijd van de schoolgaande jeugd geen of nauwelijks ontspanning in de week, verlengde weekends, competitiesport, popfestivals, enz. De wetgever was duidelijk bezorgd om de discriminatie die bestond tussen instellingen met een sociaal en cultureel doel omdat sommigen wel vrijstelling van grondbelasting genoten en andere niet. De verwijzing naar ‘soortgelijke weldadigheidsinstellingen' bleef gewoon staan zodat het overigens niet de bedoeling van de wetgever kan geweest zijn om de toegevoegde bestemming zeer strikt uit te leggen. Door de toevoeging gold de vrijstelling voortaan dus ook voor ‘vakantietehuizen voor kinderen en gepensioneerden en soortgelijke instellingen'. Het valt ook op dat de wetgever uitdrukkelijk de voorwaarde die betrekking had op een beperkt gebruik van het onroerend goed in de tijd, namelijk niet gedurende het hele jaar, niet heeft willen opleggen. Bovendien werd de aanvankelijke keuze om uitdrukkelijk te voorzien dat het om gebouwen gaat die ‘uitsluitend' worden aangewend als vakantiehuizen voor kinderen en gepensioneerden, bij het uiteindelijk aangenomen amendement weggelaten. In het licht van de bedoeling van de vrijstelling is duidelijk dat het onroerend goed minstens hoofdzakelijk moet gebruikt worden voor de bestemming als ‘vakantiehuis voor kinderen'. Rekening houdend met de hoger vermelde socio-historische aspecten, moet het begrip ‘kinderen' niet eng geïnterpreteerd worden maar is bedoeld ‘de jeugd uit de leeftijdsgroep van de schoolgaanden'. Ook het begrip ‘vakantie' moet breder worden uitgelegd dan alleen de periode waarin er geen school is. Of de wettelijke voorwaarden vervuld zijn, moet van geval tot geval bekeken worden. Dat de gebouwen ook voor bosklassen, plattelandsklassen, bezinningsdagen, stages en schoolreizen kan worden afgehuurd is geen beletsel ook al gaat het in dat geval om gebruik tijdens de lesuren in het schooljaar; hoewel dergelijke meerdaagse activiteiten met klassen kaderen in het pedagogisch project, is de ongedwongen sfeer die er heerst essentieel: de leerlingen zijn weg van school. De Carrousel blijkt zich hoofdzakelijk te richten op personen met een handicap. Dat er in de brochure activiteiten worden genoemd die niet altijd of zelfs niet (kadervormingen) voor jongeren zijn, is op zich geen beletsel voor de vrijstelling nu blijkt dat de gebruikers van het onroerend goed hoofdzakelijk jongeren zijn. De appellante toont immers met objectieve cijfers (documenten die nodig zijn voor de erkenning en subsidiëring door de Vlaamse overheid) aan dat 70% van de overnachtingen door jongeren tot 25 jaar gebeurden. Nu voor gehandicapten nog moet rekening gehouden worden met de begeleiders die meestal ouder zijn dan 25 jaar, bewijst de geïntimeerde afdoende dat zij zich op de doelgroep richt die voor de betreffende vrijstelling nodig is. De geïntimeerde kan dan ook aanspraak maken op de vrijstelling van onroerende voorheffing. Het hoger beroep is ongegrond.
  2. De gerechtskosten De appellante wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten van het hoger beroep dragen. Voor de vaststelling van de rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger.W., vervangen bij wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat en uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007, moeten, bij gebrek aan verzoek en reden tot afwijking ervan, de basisbedragen gehanteerd worden. Vermits de waarde van de vorderingen, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger.W. zich in de schijf van 2.500,01 tot 5.000,00 euro bevindt, is het basisbedrag van 650,00 euro toepasselijk. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak; gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; verklaart het hoger beroep ontvankelijk maar wijst het af als ongegrond; bevestigt het bestreden vonnis. veroordeelt de appellante tot het betalen van de gerechtskosten van het hoger beroep, vastgesteld als volgt: - aan de kant van de appellante: • rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 650,00 EUR - aan de kant van de geïntimeerde: • rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 650,00 EUR Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, recht doende in fiscale zaken, op DRIEËNTWINTIG JUNI TWEEDUIZEND EN NEGEN. Aanwezig de Heren: A. De Meue, Kamervoorzitter, Voorzitter, G. Tillekaerts en D. Vandeputte, Raadsheren, M. Vanderbeeken, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.