← België

ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090624.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 24 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090624.7 Rolnummer: 2009/RK/43 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2009-10-16 Raadplegingen: 155 - laatst gezien 2026-07-02 20:03 Fiche 1. Het belang is elk materieel of moreel voordeel dat wie een eis instelt of verweer voert, op het ogenblik van de rechtsingang mag verwachten en waardoor zijn huidige rechtstoestand gewijzigd en verbeterd kan worden . 2. De hoedanigheid is de band tussen de procespartij en het subjectieve recht waaromtrent zij in rechte treedt. In zover de eisers beweren titularis te zijn van de vordering, die zij tegen de verweerster instellen, hebben zij de vereiste hoedanigheid om hun vordering in te stellen, ook al wordt betwist dat zij dit recht kunnen uitoefenen. 3. Uit artikel 9 van het gerechtelijk wetboek vloeit voort dat de urgentie een wezenlijke component is van de materiële bevoegdheid van de kortgedingrechter. 4. Als bevoegdheidsvereiste houdt de urgentie in dat de eisende partij in de gedinginleidende akte omstandigheden moet aanvoeren waaruit kan worden afgeleid dat de zaak spoedeisend is. 5. De vraag of de aangevoerde omstandigheden in werkelijkheid aanwezig zijn en of de zaak derhalve werkelijk spoedeisend is, betreft de grond van de zaak. 6. Er is sprake van spoedeisendheid indien een onmiddellijke beslissing wenselijk is om schade van een bepaalde omvang te voorkomen, dan wel ernstige ongemakken te vermijden. Men kan aldus zijn toevlucht nemen tot het kort geding wanneer een ernstig nadeel te vrezen is indien de gewone procedure zou gevolgd worden of m.a.w. telkens wanneer de gewone rechtspleging niet bij machte is het geschil tijdig op te lossen. 7. De vraag of voldaan is aan de urgentie als gegrondheidsvereiste voor het kort geding, dient beoordeeld te worden op het ogenblik van de uitspraak . De eventuele nalatigheid van een procespartij bij het instellen van de vordering in kort geding, neemt 'op zich' het bestaan van onverwijlde spoed niet weg. Het is wel een omstandigheid waarmee rekening wordt gehouden bij de beoordeling van de urgentie. Aan de partij die te lang heeft gewacht met het instellen van de vordering of de toestand van spoed in het leven geroepen heeft, kan de gevorderde maatregel ontzegd worden. 8. De essentiële vraag is of er daadwerkelijk urgentie is op het ogenblik dat de kortgedingrechter de zaak behandelt. De urgentie als gegrondheidsvereiste moet immers beoordeeld worden op het ogenblik van de uitspraak. 9. De kortgedingrechter kan, mits belangenafweging, ingeval van onverwijlde spoed, voorlopig de uitvoering bevelen van een contractuele verbintenis, wanneer de aanspraken van de eisende partij in overeenstemming zijn met haar ogenschijnlijk recht. Daartoe is vereist dat de ingeroepen rechten niet op ernstige wijze (kunnen) worden betwist noch tegengesproken. Hierbij moet rekening gehouden worden met het feit dat een andersluidende beslissing van de rechter ten gronde de voorlopige maatregel en de gevolgen daarvan, zoals de eventueel verbeurde dwangsommen, niet kan teniet doen. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Rechtsvordering - Hoedanigheid GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Rechtsvordering - Belang GERECHTELIJK RECHT - KORT GEDING Vrije woorden: Ontvankelijkheid - voorwaarden - belang - hoedanigheid - kort geding - voorwaarden - urgentie - voorlopige uitvoering van contractuele verbintenissen. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 12 Kamer ________ Terechtzitting van 24 juni 2009 EINDARREST - In de zaak met het rolnummer 2009/RK/43 van: 1.- bvba BESTLEASE, met zetel te 8670 Koksijde, Goudbloemstraat 8, met ondernemingsnr. 0883.138.379, 2.- bvba WEBLICATIONS, met zetel te 8530 Harelbeke, Elfde-Julistraat 169, met ondernemingsnr. 0437.213.147, appellanten tegen de beschikking in kortgeding, door de Voorzitter van de rechtbank van koophandel te Kortrijk op tegenspraak gewezen dd. 2-2-2009, oorspronkelijk eisers, hebbende als raadsman mr. HERMANS Ben, advocaat te 1150 Brussel, Tervurenlaan 270 tegen : nv WEST-LEASE, met zetel te 8520 Kuurne, Brugsesteenweg 73, met ondernemingsnr. 0425.168.816, geïntimeerde, oorspronkelijk verweerster hebbende als raadslieden mr. CLAREMBAUX Nicolas en mr. VANDENDRIESSCHE Gerrit,beiden advocaat te 1000 Brussel, Havenlaan 86c bus 414 velt het hof het volgend arrest. De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting in hun middelen en conclusies en de door hen neergelegde stukken werden ingezien. Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit hof op 13 februari 2009, hebben de bvba Bestlease (hierna "Bestlease" genoemd) en de bvba Weblications (hierna "Weblications" genoemd) (beide voormelde partijen samen hierna "de appellanten" genoemd) hoger beroep ingesteld tegen de beschikking die op 2 februari 2009 tussen partijen werd gewezen door de voorzitter van de rechtbank van koophandel te Kortrijk, zetelend in kort geding. Antecedenten I. 1. De nv West-Lease (hierna "West-Lease" genoemd) heeft als activiteit het leasen van bedrijfswagens. De appellanten stellen dat Weblications sedert 1999 een softwarepakket ontwikkelde dat specifiek is toegespitst op de sector van de autoleasing en dat West-Lease de belangrijkste gebruiker was van dit pakket. Volgens West-Lease kwam in 1999 een mondelinge overeenkomst tot stand tussen haar en Weblications voor de ontwikkeling van een op de autoleasingactiviteiten van West-Lease afgestemd softwarepakket. Alle partijen bevestigen dat er tussen West-Lease en Weblications geschillen gerezen waren in verband met de tussen hen bestaande overeenkomst. Bestlease werd op 22 augustus 2006 opgericht door J. D. en zijn echtgenote. De heer D. werd aangesteld als statutair zaakvoerder van Bestlease. Hij is ook zaakvoerder van Weblications. 2. Op 20 juli 2007 werd een uitvoerig uitgewerkte overeenkomst ondertekend tussen West-Lease en Bestlease, in aanwezigheid van Weblications. De appellanten stellen dat deze overeenkomst tot stand kwam na ettelijke maanden moeizame onderhandelingen. In de preambule van deze overeenkomst werd melding gemaakt van de geschilpunten "onder meer met betrekking tot de wederzijdse verbintenissen, informatieverplichtingen, afwerking van de software, tarifering en facturatie, laattijdige betalingen, timing, draagwijdte van de rechten van de partijen op de software, het gebruik van vertrouwelijke informatie, toegang tot de source-code van de software en tot de structuur van de databanken, de oprichting door de heer D. in augustus 2006 van Bestlease, beweerdelijk gebrekkige informatie over de relatie tussen Weblications en Bestlease, de geografische ligging van de apparatuur (o.a. back-up servers), het gebruik van het teken Bestlease als handelsnaam, vennootschapsnaam en dienstenmerk, enz." De partijen constateerden dat, gelet op die geschilpunten, de ontwikkelde software door Bestlease onderhouden werd, doch niet verder werd afgewerkt of aangepast. Verder werd gesteld: "Partijen blijven bij hun standpunten doch hebben besloten om een aantal geschilpunten in der minne te regelen en verder samen te werken onder de hierna uiteengezette voorwaarden". Vervolgens werden in de overeenkomst bedingen uitgewerkt over: - de Source Code Inspectie: er werd een persoon aangewezen die voorafgaandelijk diende na te gaan of de source code of broncode, die was ontwikkeld, zich leende tot verdere ontwikkeling en bewerking door medewerkers van West-Lease; in bevestigend geval diende West-Lease 100.000,00 EUR te betalen en bestond er geen betwisting meer dat partijen mede-eigenaar waren van de software en de structuur van de databanken en dat West-Lease toegang had tot de source code; Bestlease diende de software dan verder af te werken en de vereiste kennisoverdracht te bewerkstelligen tegen 31 december 2009; - de verdere samenwerking: Bestlease zet vanaf 1 juli 2007 tot 31 december 2009 de ontwikkeling, het onderhoud en de actualisering van de software verder en West-Lease verbindt zich ertoe om tijdens die periode voor 400.000,00 EUR diensten af te nemen bij Bestlease; - de werkwijze: hierin werd gedetailleerd vastgelegd op welke wijze deze samenwerking zou gebeuren; er werd bedongen dat, in geval van onenigheid daarover, het probleem zou voorgelegd worden aan één of meer informaticadeskundigen; - de apparatuur; onderhoud en support; vorming en kennisoverdracht; door Bestlease te dragen kosten; - mede-eigendom van de software: in dit verband werd o.m. bepaald dat West-Lease alle aan de software verbonden rechten mocht uitoefenen, inclusief het reproductierecht en aanpassingsrecht, doch louter met het oog op de aanwending van de software voor eigen bedrijfsvoering of voor de bedrijfsvoering van vennootschappen waarover de holding, waaronder West-Lease ressorteert, controlebevoegdheid uitoefent en die actief zijn in het leasen of renten van voertuigen; West-Lease mocht de software in geen geval verdelen aan of ter beschikking stellen van derden; Bestlease mocht de ontwikkelde software zonder instemming van of vergoeding aan West-Lease commercialiseren en/of ter beschikking stellen van derden, zonder evenwel de informatie, data of gegevens te mogen vrijgeven waarvan West-Lease eigenaar is of die door West-Lease redelijkerwijze als vertrouwelijk konden beschouwd worden; - toegang tot source code: Bestlease diende de databanken, source code en de toebehoren ervan ter beschikking te stellen van West-Lease; de werknemers van West-Lease die toegang nodig hadden tot de source code dienden een afzonderlijke geheimhoudingsovereenkomst te ondertekenen met West-Lease, die de vertrouwelijkheid van de source code garandeerde en aan Bestlease het recht verleende om volledig autonoom op te treden tegen inbreuken op o.a. auteurs- en databankrechten; West-Lease mocht tijdens de duur van de overeenkomst wijzigingen die aangebracht werden aan de software op de productieserver plaatsen en laten draaien in de mate dat ze verband hielden met "sol server reporting (documenten) en het selecteren van gegevens uit de bestaande databanken"; elke uitgevoerde rapportwijziging diende schriftelijk te worden meegedeeld aan Bestlease; andere wijzigingen mochten niet zonder haar akkoord worden aangebracht; - facturatie: West-Lease garandeerde dat zij Bestlease prestaties zou laten verrichten van minstens 60.000,00 EUR in 2007, 180.000,00 EUR in 2008 en 160.000,00 EUR in 2009; indien West-Lease tegen het einde van de overeenkomst niet voor minstens 400.000,00 EUR diensten had afgenomen, mocht Bestlease het saldo factureren; - afstand van recht; splitsbaarheid van de overeenkomst; toepasselijk recht en bevoegde rechtbanken. 3. Uit de voorliggende stukken en de uiteenzetting van de partijen blijkt dat er, reeds korte tijd na de inwerkingtreding van deze overeenkomst, betwistingen ontstonden tussen West-Lease en Bestlease. Aldus gaven een aantal facturen voor prestaties, geleverd in november 2007, aanleiding tot een uitvoerig gemotiveerd protest van West-Lease met een e-mail van 3 december 2007, waarop een omstandig antwoord volgde van Bestlease met aanpassing van vijf facturen door het opstellen van creditnota's. In een bericht van 18 december 2007 maakte West-Lease melding van ernstige gebreken in verband met de wijze waarop het softwaresysteem de boekhouding aanstuurde. Zij wees op de urgentie van een oplossing, gelet op de nakende afsluiting van het boekjaar, en verweet Bestlease dat zij naliet onmiddellijk het nodige te doen. Op 10 januari 2008 liet Bestlease weten dat zij de niet essentiële dienstverlening zou reduceren, omdat West-Lease ten onrechte weigerde bepaalde prestaties te vergoeden. Zij stelde voor de geschillen ter beslechting voor te leggen aan een onafhankelijke derde. West-Lease formuleerde op 28 januari 2008 protest in verband met vijf facturen van 29 december 2007 en op 29 februari 2008 in verband met twee facturen van 28 januari 2008. Zij liet weten dat zij deze facturen zou betalen, doch onder voorbehoud "hopende dat er duidelijkheid zal komen betreffende de betwiste punten n.a.v. de op til staande procedure." Bestlease wees alle protest van de hand, maar herhaalde haar voorstel om het geschil voor te leggen aan een onafhankelijke deskundige, desgevallend in het kader van een arbitrage of via een vrijwillige verschijning voor de rechtbank. Uit verdere correspondentie, die dateert van de periode tussen februari en mei 2008, blijkt dat West-Lease facturen bleef protesteren en grieven formuleerde over de wijze waarop Bestlease haar verbintenissen uit de overeenkomst uitvoerde. Bestlease betwistte de geformuleerde grieven, maar bleef aandringen op een beslechting van de geschillen. Op 9 september 2008 protesteerde West-Lease facturen van augustus 2008, doch het blijkt niet dat Bestlease daarop reageerde. In een bericht van 18 september 2008 stelde West-Lease dan vast dat de problemen zich opstapelden en maande zij Bestlease aan om een aantal fouten in de werking van het programma recht te zetten binnen de 24 uren. In een antwoord van 22 september 2008 verweet Bestlease West-Lease met allerlei "verzinselen" de overeenkomst te willen "kelderen". Bestlease reageerde bovendien inhoudelijk op de door West-Lease ingeroepen fouten en stelde dat zij de problemen niet kon oplossen, aangezien West-Lease de toegang tot de servers had afgesloten. In een uitvoerig gemotiveerd e-mailbericht van 23 september 2008, waarin zij erop wees dat zij de servers pas afgesloten had na het verstrijken van de in haar vorig schrijven vermelde termijn van 24 uren, gaf West-Lease een overzicht van diverse beweerde ernstige tekortkomingen van Bestlease. Zij verklaarde: "Hierbij brengen wij u dan ook op de hoogte dat wij de mondelinge overeenkomst van 1999 tussen West-Lease en Weblications bvba (in zoverre Bestlease deze overeenkomst overnam van Weblications bvba) en de overeenkomst dd. 20 juli 2007 tussen West-Lease en Bestlease in aanwezigheid van Weblications bvba, ex nunc ontbinden ten laste van Bestlease (wat betreft de overeenkomst van 20 juli 2007 en desgevallend de mondelinge overeenkomst van 1999) en ten laste van Weblications bvba (desgevallend wat de mondelinge overeenkomst van 1999 betreft)". West-Lease stelde bovendien dat zij schade had geleden, die zij begrootte op 1.209.660,00 EUR. Zij vroeg betaling van deze som. Met brieven van 2 oktober 2008 protesteerde West-Lease vijf facturen die zij nog ontvangen had van Bestlease en verweet zij Bestlease gepoogd te hebben nog twee bedragen via domiciliëring van haar bankrekening af te halen. Bestlease protesteerde op haar beurt op 7 oktober 2008 de inhoud van de correspondentie van 23 september 2008 en 2 oktober 2008. Zij verweet West-Lease de in de overeenkomst voorziene geschillenbeslechting niet te hebben toegepast en maande haar aan de openstaande facturen te betalen. II. 1. Bij dagvaarding van 7 november 2008 leidden de appellanten een kort geding in. Daarin vorderden zij uiteindelijk dat de kortgeding-rechter de werking van de eenzijdige ontbindingsverklaring opschortte totdat de bodemrechter zich heeft uitgesproken over de ontbinding van de litigieuze overeenkomst van 20 juli 2007 met inbegrip van de betalingsverplichtingen in hoofde van West-Lease (waaronder van de voorschottenregeling op grond van art. 11.6), de geheimhoudings-verplichtingen en de gebruiksbeperkingen van de litigieuze software. Zij vorderden dat West-Lease provisioneel veroordeeld werd tot betaling van alle uitstaande facturen ten belope van 21.272,44 EUR en 20.006,50 EUR. Bovendien vorderden de appellanten dat, conform de contractuele bepalingen, een onafhankelijke informaticadeskundige werd aangesteld om bindend advies te verlenen inzake de door West-Lease aangevoerde beweerde contractuele tekortkomingen van Bestlease. Verder vorderden de appellanten dat voor alle contractuele verplichtingen, andere dan deze tot betaling van een geldsom, een dwangsom werd opgelegd van 1.000,00 EUR per dag en per inbreuk vanaf de betekening van het tussen te komen "vonnis". Ten slotte vroegen zij dat West-Lease veroordeeld werd tot de gedingkosten. 2. West-Lease vroeg in hoofdorde dat de procedure geschorst werd bij toepassing van artikel 736 van het gerechtelijk wetboek en in afwachting van de in staat stelling van en de uitspraak in een kort geding met hetzelfde voorwerp, dat de appellanten voor dezelfde voorzitter ingeleid hadden bij dagvaarding op 3 november 2008. In ondergeschikte orde vroeg zij dat de zaak samengevoegd werd met deze, ingeleid bij dagvaarding van 3 november 2008. Verder besloot West-Lease tot de onontvankelijkheid van de vordering van Weblications wegens gebrek aan belang, minstens tot de ongegrondheid daarvan, en tot de ongegrondheid van de vordering van Bestlease. Ten slotte vorderde zij dat Bestlease en West-Lease veroordeeld werden tot de gedingkosten. 3. De eerste rechter verklaarde de vordering ontvankelijk, doch ongegrond, en veroordeelde de appellanten tot de gedingkosten. Aangezien de appellanten uitdrukkelijk de hoogdringendheid aanvoerden in de inleidende dagvaarding, achtte hij zich als kortgedingrechter bevoegd. Bovendien nam hij aan dat voldaan was aan de urgentie als gegrondheidsvereiste, omdat de continuïteit van de appellanten bedreigd werd door het feit dat West-Lease haar engagementen volgens de overeenkomst van 20 juli 2007 niet meer nakwam, inzonderheid op het vlak van de betalingen die voorzien waren voor de diensten die West-Lease zou afnemen. Hij overwoog dat Weblications deed blijken van het vereiste belang en dat de vraag of zij al dan niet een contractuele band had met West-Lease de grond van de zaak betrof, die in een bodemgeschil diende opgelost te worden. De eerste rechter stelde dat de gevorderde maatregelen, in zover zij ertoe strekten West-Lease te verplichten om de (betalings)ver-plichtingen uit de overeenkomst van 20 juli 2007 na te leven, geen louter bewarend karakter had. Hij overwoog dat de kortgedingrechter de voorlopige uitvoering van een contractuele verbintenis maar kan bevelen, indien de ingeroepen rechten niet voor ernstige betwisting vatbaar zijn. Hij stelde, in het kader van het summier onderzoek waaraan hij de rechten van de partijen onderwierp, dat er een onvoldoende schijn van rechten was, zodat hij de gevorderde maatregelen niet kon uitspreken zonder de perken van het kort geding te buiten te gaan. Verder overwoog de eerste rechter nog dat de eenzijdige verbreking van de overeenkomst onherroepelijk het tenietgaan ervan meebracht. Hij stelde dat de bodemrechter de beëindiging van de overeenkomst niet kon schorsen of ongedaan maken, zodat de kortgedingrechter dit a fortiori niet kon. Weliswaar kon hij, ten bewarende titel, de uitwerking van de ontbindingsbeslissing voorlopig schorsen, doch hij verklaarde niet in te zien op welke gronden zulke beslissing kon gemotiveerd worden, nog daargelaten de vraag of zulke maatregel zonder méér de appellanten enig soelaas zou kunnen brengen. III. 1. In hoger beroep vorderen de appellanten dat het hof de bestreden beschikking deels vernietigt en de werking van de eenzijdige ontbindingsbeslissing integraal opschort tot de bodemrechter zich heeft uitgesproken over de ontbinding van de overeenkomst van 20 juli 2007. Ondergeschikt vragen zij dat het hof minstens de gedeeltelijke voortzetting van de overeenkomst beveelt, "inzonderheid de artikelen 9 en 10 van de overeenkomst inzake de aan West-Lease contractueel opgelegde (gebruiks)beperkingen van de litigieuze software met inbegrip van de distributie en de mededeling ervan aan derden en de wijziging van de broncode en de regeling ter bescherming van de vertrouwelijke bedrijfsgegevens van de appellanten met inbegrip van de broncode van de software, op straffe van een dwangsom van 10.000,00 EUR per inbreuk en per dag vanaf de betekening van het tussen te komen arrest." Zij vorderen dat West-Lease veroordeeld wordt tot de gedingkosten, ondergeschikt dat de kosten bij de grond van de zaak worden gevoegd, dan wel dat de beslissing inzake de kosten wordt aangehouden tot de uitspraak van de bodemrechter. Meest ondergeschikt vorderen de appellanten dat de bestreden beschikking hervormd wordt en de toegekende rechtsplegingsvergoeding gereduceerd wordt tot 1.200,00 EUR. In hun zeer uitvoerige conclusies argumenteren de appellanten dat hun vordering ontvankelijk is, ook in zover zij ingesteld werd door Weblications en dat er urgentie is om de gevorderde maatregel toe te kennen. Zij verwijten de eerste rechter dat hij de vaststaande rechtspraak inzake de opzegging van een overeenkomst van onbepaalde duur ten onrechte toegepast heeft op de eenzijdige buitengerechtelijke ontbinding van een overeenkomst van bepaalde duur die geen uitdrukkelijk ontbindend beding bevat. Zij benadrukken dat de rechter in kort geding een eenzijdige ontbindingsbeslissing kan schorsen en argumenteren dat de motivering van de bestreden beschikking tegenstrijdig is, waar de eerste rechter enerzijds het bestaan van urgentie aanneemt en anderzijds stelt dat de gevorderde maatregel geen soelaas zal brengen. Zij wijzen erop dat de resterende looptijd van de overeenkomst volstaat voor West-Lease om tegen de contractueel vastgestelde tarieven het resterende bedrag van 240.065,76 EUR aan diensten op te nemen. Verder stellen de appellanten dat zij de in de overeenkomst bedongen geheimhoudingsverplichting verder wensen af te dwingen en zich ervan verzekerd willen zien dat West-Lease geen handelingen stelt die strijdig zijn met de contractuele beperkingen inzake haar auteursrechten op de software. Volgens de appellanten kan er geen betwisting bestaan over het wederrechtelijk karakter van de ontbindingsverklaring van West-Lease, die nalaat ze ter beoordeling aan de rechter voor te leggen. Zij stellen dat de door West-Lease ingeroepen beweerde tekortkomingen aantonen dat het er haar enkel om te doen was te ontsnappen aan haar betalingsverplichtingen en dat deze redenen de buitengerechtelijke ontbinding van de overeenkomst niet konden verantwoorden. 2. West-Lease vraagt voorafgaandelijk dat het hof de "beroepsbesluiten" van Bestlease en Weblications uit de debatten weert, zoniet ze nietig verklaart. Verder vraagt zij dat het hoger beroep van de appellanten onontvankelijk wordt verklaard, minstens ongegrond. Zij stelt incidenteel hoger beroep in dat er in hoofdorde toe strekt de procedure op te schorten tot er uitspraak gedaan is in het kort geding dat bij de voorzitter van de rechtbank van koophandel te Kortrijk gekend is onder het rolnummer C/08/0045. In ondergeschikte orde vraagt zij dat de vordering van Bestlease en Weblications onontvankelijk wordt verklaard, in meer ondergeschikte orde dat ze als ongegrond wordt afgewezen. In nog meer ondergeschikte orde vraagt West-Lease dat het hof de bestreden beschikking bevestigt. In elk geval vordert West-Lease dat de appellanten veroordeeld worden tot de gedingkosten, begroot op 2.500,00 EUR rechtsplegingsvergoeding. Beoordeling I. 1. Vooraleer zij bij dagvaarding van 7 november 2008 het kort geding inleidden voor de voorzitter van de rechtbank van koophandel te Kortrijk in de zaak met rolnummer 47/2008/RK waarin de bestreden beschikking werd verleend, hadden de appellanten reeds op 3 november 2008 aan West-Lease een dagvaarding laten betekenen met hetzelfde voorwerp en om te verschijnen voor dezelfde kortgedingrechter. Deze zaak is gekend onder het rolnummer 45/2008/RK. In hun conclusies in de zaak nr. 47/2008/RK zetten de appellanten uiteen dat, door een fout van de gerechtsdeurwaarder, de eerste dagvaarding als inleidingsdatum 10 november 2008 om 10 uur vermeldde, terwijl dit 9.30 uur diende te zijn. De appellanten vroegen de voeging van beide zaken, aangezien zij een identiek voorwerp hadden. West-Lease verklaarde dat de zaak nr. 47/2008/RK diende geschorst te worden tot de zaak nr. 45/2008/RK in staat was gesteld en er uitspraak over gedaan was. In haar syntheseconclusie voor de eerste rechter verklaarde zij zich niet te verzetten tegen een voeging van beide zaken. 2. De vaststelling dat de eerste rechter nagelaten heeft uitspraak te doen over deze exceptie, laat niet toe te besluiten dat huidig kort geding in hoger beroep zou dienen geschorst te worden tot de zaak nr. 45/2008/RK, die in eerste aanleg een identieke vordering tussen dezelfde partijen tot voorwerp heeft, in staat is gesteld en er uitspraak over is gedaan. West-Lease kan haar verzoek tot schorsing van de procedure in dit geding niet steunen op de regels inzake samenhang, die het bestaan veronderstelt van verschillende rechtsvorderingen, die onderling zo nauw verbonden zijn dat het wenselijk is ze samen te behandelen en te berechten, teneinde oplossingen te vermijden die onverenigbaar kunnen zijn wanneer de zaken afzonderlijk worden behandeld (artikel 30 van het gerechtelijk wetboek). Evenmin is er sprake van aanhangigheid in de zin van artikel 29 van het gerechtelijk wetboek. Deze bestaat immers enkel wanneer vorderingen met hetzelfde voorwerp en wegens dezelfde oorzaak worden ingesteld, tussen dezelfde partijen die in dezelfde hoedanig-heid optreden voor verschillende rechtbanken, bevoegd om daarvan kennis te nemen en geroepen om in eerste aanleg uitspraak te doen (art. 29 Ger.W.). Wanneer dezelfde vordering tussen dezelfde partijen in dezelfde hoedanigheid tegelijkertijd hangend is in eerste aanleg en in beroep, is er geen aanleiding tot toepassing van de regels inzake aanhangigheid (vgl. CAMBIER, C., Droit Judiciaire Privé, La Compétence, p. 119 en voetnoot 81). West-Lease haalt geen andere rechtsgrond aan ter staving van haar verzoek tot schorsing van de onderhavige procedure, terwijl daarvoor evenmin een redelijke verantwoording kan bestaan. Beschikkingen in kort geding hebben weliswaar geen gezag van gewijsde voor de bodemrechter, doch zij binden wel een andere - of dezelfde - kortgedingrechter die gevat wordt om dezelfde maatregel te bevelen. Deze zal enkel een andere beslissing kunnen nemen in geval van gewijzigde omstandigheden (vgl. TAELMAN, P., Het gezag van het rechterlijk gewijsde. Een begrippenstudie, nr. 514 e.v.; CASTERMANS, M., Gerechtelijk Privaatrecht, nr. 84, p. 50). 3. Evenmin bestaat er enige wettelijke grondslag om de beschikking van de eerste rechter nietig te verklaren, omdat hij uitspraak deed in de zaak nr. 47/2008/RK, terwijl enkele dagen eerder de zaak nr. 45/2008/RK met een identieke vordering tussen dezelfde partijen voor hem was ingeleid. II. 1. West-Lease vraagt dat de beroepsconclusies van de appellanten van 11 mei 2009, minstens de daarin aangehaalde nieuwe argumenten, uit de debatten worden geweerd, zoniet worden nietigverklaard. Zij verwijt de appellanten een deloyale proceshouding door

  1. a)bij iedere akte van rechtspleging de vordering fundamenteel te wijzigen;
  2. b)voortdurend het geweer van schouder te veranderen in hun argumentatie;
  3. c)na te laten stukken tijdig mede te delen;
  4. d)in hoger beroep conclusies neer te leggen die 29 bladzijden langer zijn dan in eerste aanleg, alhoewel zij op de inleidingszitting hadden benadrukt dat alle argumenten reeds uitgewerkt waren voor de eerste rechter;
  5. e)pas in hun laatste conclusies in hoger beroep de argumentatie in verband met het auteursrecht te ontwikkelen. 2. Bij beschikking van 11 maart 2009 werden de door de partijen onderling afgesproken conclusietermijnen bekrachtigd. Alle conclusies werden binnen deze termijnen neergelegd. De partijen in een geding kunnen hun vorderingen wijzigen binnen de grenzen van hetgeen bepaald is in de artikelen 807 en 808 van het gerechtelijk wetboek. Wanneer West-Lease van oordeel is dat deze bepalingen geschonden zijn, dan kan zij daaruit een middel putten in verband met de toelaatbaarheid of ontvankelijkheid van de gewijzigde vordering, maar is dit geen grond voor het weren uit het debat of nietig verklaren van de conclusie, waarin deze gewijzigde vordering wordt gesteld. Verder staat het een partij vrij om andere en/of bijkomende argumenten te ontwikkelen in de loop van het geding. Dit geldt des te meer voor de partij die hoger beroep instelt tegen een vonnis of beschikking, waarin haar vordering werd afgewezen. Ook in dit verband toont West-Lease niet aan dat de appellanten zich als een deloyale procespartij zou hebben gedragen. Wanneer een partij van oordeel is dat haar wederpartij kennelijk onredelijke middelen of argumenten aanvoert, dan is de sanctie niet dat de conclusie van deze wederpartij uit de debatten dient geweerd te worden of nietig verklaard dient te worden, maar dan staat het aan de partij die zich daardoor gegriefd voelt vrij een vordering wegens tergend en roekeloos geding ter beoordeling aan de rechter voor te leggen. Het blijkt niet dat de appellanten, in het kader van dit kort geding in hoger beroep, gebruik maken van stukken die niet tegelijk met de conclusies zijn overgelegd. Dit is enkel anders voor de dagvaarding ten gronde van 16 juni 2008, die op de pleitzitting van 17 juni 2009 evenwel met het akkoord van beide partijen werd neergelegd. Ten slotte getuigt ook de omstandigheid, dat de appellanten voor het eerst in hun - enige - beroepsconclusie bijkomende argumenten hebben ontwikkeld die verband houden met de auteursrechten, niet van een deloyale proceshouding. Bovendien werden de rechten van verdediging van West-Lease daardoor niet geschonden, aangezien zij de gelegenheid heeft gehad daarop - en op de andere middelen en argumenten van de appellanten - te antwoorden in haar syntheseconclusie. Zij heeft daar trouwens ruimschoots gebruik van gemaakt. Het hof stelt vast dat haar syntheseconclusie (in dit kort geding) 70 bladzijden telt. Dit is 28 bladzijden meer dan haar eerste conclusie in hoger beroep. Er is dan ook geen enkele reden om de beroepsconclusie van de appellanten uit het debat te weren of nietig te verklaren. III. 1. Er ligt geen exploot van betekening van de bestreden beschikking voor en de partijen houden niet voor dat ze betekend werd. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld en is regelmatig naar de vorm. De beide appellanten zijn procesbekwaam. Bovendien beschikken zij over belang en hoedanigheid om hoger beroep in te stellen tegen de beschikking van de eerste rechter, die hun aanspraken heeft afgewezen. Dit belang en deze hoedanigheid waren bovendien in hoofde van de beide appellanten ook voorhanden voor het instellen van hun vorderingen. Het belang is elk materieel of moreel voordeel dat wie een eis instelt of verweer voert, op het ogenblik van de rechtsingang mag verwachten en waardoor zijn huidige rechtstoestand gewijzigd en verbeterd kan worden (LAENENS, J., BROECKX, K., SCHEERS, D. en THIRIAR, P., Handboek Gerechtelijk Recht, tweede editie, 2008, nr. 131, p. 83). Bestlease mag een materieel voordeel verwachten bij het instellen van haar vordering tegen West-Lease, die ertoe strekt dat een overeenkomst, waaruit zij aanzienlijke inkomsten kan verwerven, wordt uitgevoerd. Hetzelfde geldt voor Weblications, die voorhoudt dat zij, in het kader van deze overeenkomst, als onderaannemer voor Bestlease optreedt. De hoedanigheid is de band tussen de procespartij en het subjectieve recht waaromtrent zij in rechte treedt. In zover Bestlease en Weblications beweren titularis te zijn van de vordering, die zij tegen West-Lease instellen, hebben zij de vereiste hoedanigheid om hun vordering in te stellen, ook al wordt betwist dat zij dit recht kunnen uitoefenen. Het onderzoek naar het bestaan of de draagwijdte van het subjectief recht dat wordt ingeroepen, betreft immers niet de toelaatbaarheid of ontvankelijkheid, maar de gegrondheid van de vordering (vgl. CASS. 2 april 2004, Eur. Vervoerr. 2004, 417; CASS., 28 september 2007, www.cass.be). 2. West-Lease kan niet bijgetreden worden waar zij voorhoudt dat het hoger beroep van de appellanten, minstens hun vordering, onontvankelijk dient verklaard te worden, omdat zij te kwader trouw zouden zijn door
  6. a)geprobeerd te hebben eigenrichting toe te passen,
  7. b)na te laten een procedure ten gronde in te leiden,
  8. c)een deloyale proceshouding te hebben aangenomen,
  9. d)een dubbelzinnige proceshouding te hebben aangenomen,
  10. e)het hof en de voorzitter van de rechtbank van koophandel te hebben misleid. Het feit dat de appellanten gepoogd hebben betaling te bekomen van facturen in het kader van de litigieuze overeenkomst, tast hun rechtmatig belang om de verdere uitvoering van deze overeenkomst te vorderen niet aan. De vaststelling dat de appellanten lang gewacht hebben met het aanhangig maken van een geding ten gronde, is één van de elementen waarmee desgevallend rekening kan gehouden worden bij de beoordeling van de urgentie. Evenwel is de urgentie geen toelaatbaarheids- of ontvankelijkheidsvereiste van het kort geding, maar een bevoegdheidsvereiste en een gegrondheidsvereiste. Zoals hoger reeds werd gesteld kan een beweerde deloyale en/of dubbelzinnige proceshouding van een partij leiden tot gebeurlijke schadevergoedingen, maar niet tot de ontoelaatbaarheid of onontvankelijkheid van de vordering. Wanneer een partij belangrijke informatie verzwijgt voor de rechter -zoals West-Lease ten aanzien van de appellanten voorhoudt - zijn er twee mogelijkheden: ofwel brengt de andere partij de rechter daarvan op de hoogte en dan zal hij met volledige kennis van zaken kunnen oordelen; ofwel doet de rechter uitspraak zonder kennis te hebben van deze informatie. In geen van beide gevallen leidt dit evenwel tot de onontvankelijkheid van de vordering. 3. West-Lease besluit tot de onontvankelijkheid van de door de appellanten in ondergeschikte orde gevorderde maatregel, die strekt tot de verdere uitvoering van de artikelen 9 en 10 van de overeenkomst van 20 juli 2007, wegens schending van artikel 807 van het gerechtelijk wetboek. Krachtens deze bepaling kan een vordering die tussen bepaalde partijen voor de rechter aanhangig is, uitgebreid of gewijzigd worden in de verhouding tussen diezelfde partijen. De nieuwe, op tegenspraak genomen conclusies, moeten berusten op een feit of op een handeling, in de gedinginleidende akte aangevoerd. Artikel 807 Ger.W. is van toepassing ten aanzien van de oorspronkelijke eiser en dit doorheen het hele procedureverloop. In hoger beroep kan hij, krachtens artikel 1042 Ger.W., in dezelfde mate zijn vordering uitbreiden of wijzigen (vgl.: CASS., 29 november 2002, R.W., 2002-2003, 1299). In hun inleidende dagvaarding vorderden de appellanten de voortzetting van de overeenkomst van 20 juli 2007. Wanneer zij, in hoger beroep, in ondergeschikte orde, de voortzetting vorderen van dezelfde overeenkomst "inzonderheid de artikelen 9 en 10 van de overeenkomst inzake de aan West-Lease contractueel opgelegde (gebruiks)beperkingen van de litigieuze software met inbegrip van de distributie en de mededeling ervan aan derden en de wijziging van de broncode en de regeling ter bescherming van de vertrouwelijke bedrijfsgegevens van de appellanten met inbegrip van de broncode van de software, op straffe van een dwangsom van 10.000,00 EUR per inbreuk en per dag vanaf de betekening van het tussen te komen arrest", betreft dit geen uitbreiding van de vordering. Het gaat om een - weliswaar in ondergeschikte orde geformuleerde - beperking van het oorspronkelijk gevorderde - dat de uitvoering van de gehele overeenkomst betrof - tot twee artikelen uit deze overeenkomst. Deze ondergeschikte vordering was dan ook reeds inbegrepen in de oorspronkelijke vordering, zodat er geen sprake kan zijn van schending van artikel 807 Ger.W.. Zij heeft bovendien dezelfde oorzaak als de oorspronkelijke vordering, namelijk de beëindiging van de overeenkomst en de daaruit voortspruitende vrees in hoofde van de appellanten dat West-Lease haar (auteursrechtelijke) verbintenissen uit de artikelen 9 en 10 van de overeenkomsten niet meer zou naleven. Wanneer West-Lease voorhoudt dat de appellanten deze ondergeschikte vordering tot voortzetting van de artikelen 9 en 10 van de overeenkomst te ruim omschreven hebben, dan betreft dit een betwisting ten gronde. 4. West-Lease roept de exceptie van gewijsde in met betrekking tot de voormelde ondergeschikte vordering van de appellanten. Zij legt een beschikking d.d. 23 april 2009 voor van de voorzitter van de rechtbank van koophandel te Brussel, gewezen ingevolge een verzoekschrift tot beslag inzake namaak, dat door de appellanten werd neergelegd. Met deze beschikking verleende de voorzitter toelating aan de appellanten tot een beschrijvend beslag bij o.m. West-Lease volgens de modaliteiten zoals bepaald in de beschikking en stelde daartoe Ir. Luc Golvers als deskundige aan. In deze beschikking wordt bovendien de volgende maatregel bevolen: "Leggen verbod op aan de N.V. WEST-LEASE, alsmede alle houders van de beweerdelijk inbreukmakende software met inbegrip van de B.V.B.A. MESSIO, bij wijze van bijkomende maatregel op grond van art. 1369bis/1 §4 Ger.W., de door verzoeksters ontwikkelde software uit handen te geven aan derden of de broncode van deze software te wijzigen, onder verbeurte van een dwangsom van 10.000 euro per inbreuk vanaf de betekening van de huidige beschikking." West-Lease heeft weliswaar op 22 mei 2009 een dagvaarding in derdenverzet laten betekenen tegen deze beschikking, doch het blijkt niet dat zij inmiddels geheel of gedeeltelijk ongedaan zou zijn gemaakt. De appellanten kunnen in het onderhavig kort geding niet dezelfde maatregel vorderen, zoals hij reeds bevolen werd in de voormelde beschikking van de voorzitter van de rechtbank van koophandel. 5. Uit het verzoekschrift tot beslag inzake namaak, waarin de appellanten herhaaldelijk verwijzen naar de ontbindingsverklaring van West-Lease, blijkt volgens West-Lease dat de appellanten afstand gedaan hebben van hun recht om de verdere uitvoering van de overeenkomst te vorderen. West-Lease toont niet aan dat de appellanten op enig ogenblik uitdrukkelijk afstand hebben gedaan van hun recht om de voortzetting van de overeenkomst te vorderen, terwijl een stilzwijgende afstand van recht niet wordt vermoed en enkel kan blijken uit feiten en handelingen die voor geen andere interpretatie vatbaar zijn (vgl.: CASS. 19 september 1997, Arr. Cass., 1997, 840; CASS. 13 januari 1994, Arr. Cass., 1994, nr. 17, p. 33). Het feit dat de appellanten een verzoekschrift tot beslag inzake namaak neerlegden en, ter verantwoording van de gevorderde maatregel, de gevolgen van de ontbindingsverklaring van West-Lease inriepen, is in de gegeven omstandigheden geen feit of handeling die enkel zou kunnen geïnterpreteerd worden als een afstand van het recht om de voortzetting van de overeenkomst te vorderen. Vooreerst dient er op gewezen te worden dat de appellanten, in tegenstelling tot wat West-Lease voorhoudt, in hun verzoekschrift voor de voorzitter van de rechtbank van koophandel te Brussel geenszins verklaarden dat de ontbinding van de overeenkomst onomkeerbaar was. Bovendien bleven de appellanten na de neerlegging van dit verzoekschrift, hun vordering in het onderhavige kort geding benaarstigen door op 11 mei 2009 uitvoerige conclusies neer te leggen. Het neerleggen van een verzoekschrift tot beslag inzake namaak kan redelijkerwijze verklaard worden door de wil van de appellanten om, nadat hun vordering in kort geding door de eerste rechter was afgewezen en gelet op de overeengekomen conclusietermijnen en vastgestelde rechtsdag in hoger beroep, via een andere weg en binnen een zeer korte termijn een voorlopige maatregel te bekomen. IV. 1. Op grond van artikel 584 Ger.W. doet de kortgedingrechter, in de gevallen die hij spoedeisend acht, bij voorraad uitspraak. De rechtsmacht van de kortgedingrechter is aldus aan twee voorwaarden onderworpen, namelijk de spoedeisende aard van de gevorderde maatregel en het feit dat deze maatregel geen nadeel mag toebrengen aan de zaak zelf. 1.1. De urgentie is enerzijds een bevoegdheidsvereiste en anderzijds een gegrondheidsvereiste van het kort geding (BEERNAERT, S., Algemene principes van het civiele kort geding, R.W., 2001-2002, 1341). Uit artikel 9 van het gerechtelijk wetboek vloeit voort dat de urgentie een wezenlijke component is van de materiële bevoegdheid van de kortgedingrechter (FETTWEIS, A., Bevoegdheid, p. 253, nr. 468; LAENENS, J., BROECKX, K., SCHEERS, D. en THIRIAR, P., Handboek Gerechtelijk Recht, tweede editie, 2008, nr. 452, p. 244) Als bevoegdheidsvereiste houdt de urgentie in dat de eisende partij in de gedinginleidende akte omstandigheden moet aanvoeren waaruit kan worden afgeleid dat de zaak spoedeisend is. (CASS. 11 mei 1990, R.W. 1990-91, 987). De vraag of de aangevoerde omstandigheden in werkelijkheid aanwezig zijn en of de zaak derhalve werkelijk spoedeisend is, betreft de grond van de zaak (LAENENS J. e.a., a.w., nr. 452, p. 245; CASS. 10 april 2003, Arr. Cass. 2003, 956). Er is sprake van spoedeisendheid indien een onmiddellijke beslissing wenselijk is om schade van een bepaalde omvang te voorkomen, dan wel ernstige ongemakken te vermijden (vgl. CASS. 21 mei 1987, R.W. 1987-88, 1425). Men kan aldus zijn toevlucht nemen tot het kort geding wanneer een ernstig nadeel te vrezen is indien de gewone procedure zou gevolgd worden of m.a.w. telkens wanneer de gewone rechtspleging niet bij machte is het geschil tijdig op te lossen (vgl. CASS. 17 maart 1995, Arr. Cass. 1995, 320). De vraag of voldaan is aan de urgentie als gegrondheidsvereiste voor het kort geding, dient beoordeeld te worden op het ogenblik van de uitspraak (CASS., 4 november 1976, Pas. 1977, I, 261). De eventuele nalatigheid van een procespartij bij het instellen van de vordering in kort geding, neemt "op zich" het bestaan van onverwijlde spoed niet weg (VAN LENNEP, Het kort geding, nr. 13). Het is wel een omstandigheid waarmee rekening wordt gehouden bij de beoordeling van de urgentie. Aan de partij die te lang heeft gewacht met het instellen van de vordering of de toestand van spoed in het leven geroepen heeft, kan de gevorderde maatregel ontzegd worden (LINDEMANS, A.P.R., Het kort geding, nr. 115, p. 81). De houding van de eiser schept in dat geval een soort vermoeden dat er geen urgentie is. Doch dit vermoeden is weerlegbaar. De essentiële vraag is of er daadwerkelijk urgentie is op het ogenblik dat de kortgedingrechter de zaak behandelt (VEROUGSTRAETE, I., Het kort geding. Recente trends, T.P.R., 1980, 264). De urgentie als gegrondheidsvereiste moet immers beoordeeld worden op het ogenblik van de uitspraak (CASS. 11 mei 1998, Pas. 1998, I, 231; cfr. LAENENS, J., Overzicht van Rechtspraak De bevoegdheid (1979-1992), T.P.R., 1994, nr. 70, p. 1526). 1.2. De kortgedingrechter doet uitspraak bij voorraad. Artikel 1039 van het gerechtelijk wetboek, dat bepaalt dat de beschikkingen in kort geding geen nadeel mogen toebrengen aan de zaak zelf, belet de kortgedingrechter niet de rechten van de partijen te onderzoeken. Alleen mag hij geen maatregelen bevelen die deze rechten op een definitieve en onherroepelijke wijze aantasten (vgl. CASS. 31 januari 1997, Arr. Cass., 1997, 140). De kortgedingrechter kan, mits belangenafweging, ingeval van onverwijlde spoed, voorlopig de uitvoering bevelen van een contractuele verbintenis, wanneer de aanspraken van de eisende partij in overeenstemming zijn met haar ogenschijnlijk recht (vgl.: CASS., 22 februari 1991, T.B.H., 1991, 672; CASS. 13 mei 1991, Arr. Cass., 1990-91, 910). Daartoe is vereist dat de ingeroepen rechten niet op ernstige wijze (kunnen) worden betwist noch tegengesproken. Hierbij moet rekening gehouden worden met het feit dat een andersluidende beslissing van de rechter ten gronde de voorlopige maatregel en de gevolgen daarvan, zoals de eventueel verbeurde dwangsommen, niet kan teniet doen (vgl.: VAN OEVELEN A. en LINDEMANS, J., Het kort geding. Herstel en schade bij andersluidende beslissing van de bodemrechter, T.P.R., 1985, p. 1053, nr. 4). De partij die in kort geding veroordeeld wordt, maar ten gronde voldoening krijgt, zal niet meer kunnen bekomen dan het doen verdwijnen vanaf de beslissing door de bodemrechter van de voordien in kort geding genomen maatregel. Voor de schade die voortvloeit uit de nakoming van het in kort geding opgelegd bevel, zal deze partij slechts een vergoedingsaanspraak kunnen laten gelden bij de tenuitvoerlegging van een "kennelijk" onjuiste beslissing in kort geding. Dit betekent dat de kortgedingrechter door middel van een "summier" onderzoek van de zaak, eigen aan de behandeling in kort geding, een beslissing neemt die door de bodemrechter niet meer kan worden vernietigd, ook niet impliciet, wat de kortgedingrechter tot grote waakzaamheid moet aanzetten in kort gedingen waarvan het voorwerp in feite hetzelfde is als dit van de rechter ten gronde. Hoe verregaander de gevorderde maatregel, des te duidelijker de rechten van de partijen moeten vaststaan (BEERNAERT, S., Algemene principes van het civiele kort geding, R.W., 2001-2002, 1348). 2. De appellanten hebben in hun inleidende dagvaarding onder meer overwogen: "Concreet kijken beide vennootschappen op korte termijn aan tegen discontinuïteit (met ontslag van de twee werknemers van Weblications) wegens de contractuele wanprestatie van de gedaagde". Er is bijgevolg voldaan aan de urgentie als bevoegdheidsvereiste. 3. De appellanten vorderen in hoofdorde de werking van de "eenzijdige ontbindingsverklaring" van West-Lease integraal op te schorten tot de bodemrechter zich heeft uitgesproken over de ontbinding van de litigieuze overeenkomst van 20 juli 2007. De gevorderde maatregel komt er in feite op neer dat de appellanten de verdere uitvoering in natura vorderen van de betreffende overeenkomst. Waar bij een overeenkomst van bepaalde duur geen opzeggingsmogelijkheid is bedongen, heeft een poging tot vroegtijdige opzegging in beginsel geen uitwerking (vgl. STIJNS, S., De beëindiging van de kredietovereenkomst, macht en onmacht van de (kort geding-)rechter, T.B.H., 1996, p. 156, nr. 63 en p. 163, nr. 71). De wederpartij die met een dergelijke "opzegging" of "ontbindingsverklaring" geconfronteerd wordt zal desgevallend vaststellen dat de partij die "opgezegd" heeft een wanprestatie begaat indien zij zich gedraagt alsof de verbintenis werd beëindigd en daardoor nalaat ze uit te voeren. De "opgezegde" partij kan dan ofwel de uitvoering in natura vorderen - als dit mogelijk is - ofwel de ontbinding van de overeenkomst. De uitvoering in natura is de normale wijze van gedwongen uitvoering zowel van de verbintenissen om iets te doen als van die om iets niet te doen. Wanneer die uitvoering in natura niet of niet meer mogelijk is moet de uitvoering bij equivalent geschieden. De partij die de gedwongen uitvoering vordert, mag zich niet schuldig maken aan rechtsmisbruik, dat beoordeeld wordt, rekening houdend met alle omstandigheden van de zaak (vgl. CASS. 30 januari 2003, R.W. 2005-2006, 1219). 4. Door in kort geding de verdere uitvoering te vorderen van de overeenkomst tot er een uitspraak is van de bodemrechter, vragen de appellanten, gelet op de concrete omstandigheden van de zaak, een maatregel die in feite definitief is. De litigieuze overeenkomst werd immers afgesloten voor een bepaalde duur, die eindigt op 31 december 2009. Bovendien hebben de appellanten hun vordering ten gronde pas ingeleid bij dagvaarding van 16 juni 2009. Het mag bijgevolg uitgesloten worden geacht dat de bodemrechter zich zal hebben uitgesproken vooraleer de overeenkomst is beëindigd. Voor zover de kort geding rechter een dergelijke, verregaande, maatregel zou kunnen bevelen aan de hand van een summier onderzoek van het geschil tussen de partijen, zou dit alleszins alleen mogelijk zijn wanneer er geen enkele ernstige betwisting mogelijk is over de schijnbare rechten van de appellanten. Uit de hoger aangehaalde feitelijke gegevens (zie Antecedenten, I) zoals ze blijken uit de stukken waarvan het hof kennis heeft en uit de uitvoerige uiteenzetting van de partijen in hun conclusies, komt naar voor dat er, zowel tussen West-Lease en Weblications voorafgaandelijk aan het sluiten van de overeenkomst van 20 juli 2007, als tussen West-Lease en Bestlease tijdens de duur van deze overeenkomst, voortdurend ernstige betwistingen zijn gerezen over de respectieve verbintenissen van de partijen en de uitvoering ervan. Deze betwistingen waren van die aard dat, op het ogenblik waarop West-Lease te kennen gaf dat zij de overeenkomst "opzegde", de uitvoering van de wederzijdse verbintenissen reeds gedurende maanden het voorwerp uitmaakte van wederzijdse verwijten dat de andere partij ernstig tekortschoot aan haar verplichtingen. Bestlease had zelfs reeds herhaaldelijk voorgesteld de betwistingen aan het oordeel van een deskundige voor te leggen. Het hof kan zich in het kader van een summier onderzoek niet uitspreken over de gegrondheid van de door West-Lease geformu-leerde klachten, doch constateert prima facie dat ze niet van meet af aan van alle grond ontbloot blijken te zijn. In ieder geval maakten zij de samenwerking tussen Bestlease en West Lease zo goed als onwerkbaar. Zonder zich hierover ten gronde uit te spreken, stelt het hof dan ook vast dat er minstens ernstige vragen kunnen gesteld worden over de mogelijkheid om in de gegeven omstandigheden nog verder uitvoering te geven aan de overeenkomst. In die zin dient de bedenking van de eerste rechter bijgetreden te worden, waar hij zich afvraagt of de gevraagde maatregel de appellanten enig soelaas zou kunnen brengen. Een gebeurlijk bevel om de overeenkomst verder uit te voeren tot aan haar einddatum lost immers de gerezen betwistingen, waarvan Bestlease het bestaan als zodanig niet betwist en die een normale uitvoering van de overeenkomst ernstig hypothekeren, niet op. Rekening gehouden daarmee is het hof van oordeel dat er onvoldoende zekerheid is dat de gevorderde maatregel met de schijnbare rechten van de appellanten overeenstemt. 5. Bovendien zou de kortgedingrechter deze maatregel hoe dan ook slechts kunnen bevelen indien voldaan is aan de urgentie als gegrondheidsvoorwaarde. De appellanten riepen voor de eerste rechter in dat hun continuïteit op korte termijn bedreigd was indien de voortzetting van de overeenkomst niet bevolen werd. Ter staving daarvan legden zij toen een verslag voor, dat op 30 oktober 2008 was opgesteld door Grant Thornton Accountancy bvba, en waarvan het besluit luidde "dat WEBLICATIONS BVBA en BESTLEASE BVBA een extreem hoge graad van afhankelijkheid vertonen wat de samenstelling van de klantenportefeuille betreft waardoor het voortbestaan en de continuïteit van beide vennootschappen op korte tijd in het gedrang kan komen door het wegvallen van de inkomstenstroom van klant WEST LEASE NV." Ook in hoger beroep halen zij, ter verantwoording van hun stelling dat de zaak spoedeisend is, nog steeds aan dat er op korte termijn discontinuïteit dreigt. Zij leggen ter staving daarvan geen andere stukken voor dan deze, geproduceerd voor de eerste rechter. Het hof stelt vast dat, waar volgens de verklaring van de door haar aangestelde accountant, de beide appellanten in oktober 2008 op korte termijn in discontinuïteit dreigden te komen, er thans - bijna 8 maanden later - geen concrete elementen voorliggen waaruit blijkt dat dit risico zich heeft verwezenlijkt, noch dat het op heden (nog steeds) bestaat. Ten slotte blijft de vaststelling dat, zelfs indien de appellanten zouden aantonen dat hun continuïteit op korte termijn bedreigd is, daaruit nog niet kan besloten worden dat de gevorderde maatregel daaraan zal verhelpen. Een voortzetting van de overeenkomst garandeert, gelet op de bestaande ernstige betwistingen over de respectieve verbintenissen van de partijen bij de overeenkomst, immers geenszins dat West-Lease de door Bestlease gefactureerde sommen daadwerkelijk zal betalen. Overigens tonen de appellanten niet aan dat, wanneer het hof thans de gevorderde maatregel niet toekent, zij onherstelbare schade zullen lijden die zij niet kunnen recupereren in het kader van een geding ten gronde. 6. Waar uit de voorafgaande overwegingen blijkt dat de in hoofdorde gevorderde maatregel niet kan toegekend worden in kort geding, geldt hetzelfde voor de vordering in ondergeschikte orde, die ertoe strekt aan West-Lease te horen bevelen de artikelen 9 en 10 van de overeenkomst van 20 juli 2007, die betrekking hebben op de rechten op de software en op de source code, na te leven, onder de modaliteiten die daarin worden omschreven en onder verbeurte van een dwangsom. De voorzitter van de rechtbank van koophandel te Brussel heeft in de beschikking van 23 april 2009, gewezen ingevolge het verzoek van de appellanten tot beslag inzake namaak, verbod opgelegd aan West-Lease om de door Bestlease ontwikkelde software uit handen te geven aan derden of de broncode van deze software te wijzigen, onder verbeurte van een dwangsom. De maatregel, die de appellanten in ondergeschikte orde vorderen, maakt aldus deels dubbel gebruik uit met wat in het kader van het beslag inzake namaak werd beslist. Waar hij voor het meerdere strekt tot de volledige verdere uitvoering van de artikelen 9 en 10 van de overeenkomst, gelden met betrekking tot deze maatregel dezelfde overwegingen als in verband met de door de appellanten in hoofdorde gevorderde maatregel. Ook de in ondergeschikte orde gevorderde maatregel kan bijgevolg niet toegekend worden. V. 1. Rekening houdend met de ongegrondheid van de vordering heeft de eerste rechter de gedingkosten ten laste gelegd van de appellanten. Hij heeft daarbij op passende wijze de rechtsplegingsvergoeding begroot op 2.500,00 EUR. Dit is de basisvergoeding voor vorderingen tussen 40.000,01 EUR en 60.000,00 EUR. Voor de eerste rechter vorderden de appellanten niet enkel dat de werking van de eenzijdige ontbindingsverklaring werd opgeschort, maar ook dat West-Lease veroordeeld werd tot betaling van facturen voor 21.272,44 EUR en 20.006,50 EUR. 2. Gelet op de ongegrondheid van het hoger beroep van de appellanten en op de afwijzing van de door hen in ondergeschikte orde gestelde vordering, evenals van het incidenteel hoger beroep van West-Lease, worden de gerechtskosten in hoger beroep ten laste gelegd van de partij die ze gemaakt heeft en worden de wederzijdse rechtsplegingsvergoedingen gecompenseerd. Aangezien de appellanten in hoger beroep hun vordering tot betaling van facturen niet hebben hernomen, zijn er nog enkel niet waardeerbare vorderingen in het geding en bedraagt de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep 1.200,00 EUR. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak en in kort geding; Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep van de bvba Bestlease en de bvba Weblications en het incidenteel hoger beroep van de nv West-Lease ontvankelijk, doch ongegrond; Bevestigt de bestreden beschikking, zij het deels op andere gronden; Wijst de voor het eerst in hoger beroep gestelde ondergeschikte vordering van de bvba Bestlease en de bvba Weblications af; Zegt voor recht dat de gerechtskosten in hoger beroep ten laste blijven van de partij die ze heeft gemaakt en dat de wederzijdse rechtsplegingsvergoedingen in hoger beroep, zowel aan de zijde van de bvba Bestlease en de bvba Weblications als aan de zijde van de nv West-Lease begroot op 1.200,00 EUR, elkaar compenseren. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van Beroep te Gent, TWAALFDE KAMER, zetelend in burgerlijke zaken, op heden 24-6-2009. Aanwezig: - A. Van de Putte, raadsheer, wn. voorzitter; - E. Dursin, raadsheer; - G. Danneels, raadsheer; - B. De Wilde, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.