id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 25 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBG
§1, eerste lid B.W.
vallen. Buitencontractuele rechtsvorderingen met betrekking tot fouten die slechts naar aanleiding van de uitvoering van de opdracht gepleegd zijn worden echter beheerst door de gemeenrechtelijke verjaringstermijnen. Met betrekking tot rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid geldt thans art. 2262 bis §1, tweede lid B.W. sinds de invoeging in het Burgerlijk Wetboek van deze wetbepaling door art. 5 van de Wet van 10 juni 1998 (B.S. 17.07.1998). Doch inbreuken op de regelen van de kunst en op de pleegvormen geven in beginsel ongetwijfeld aanleiding tot een zgn. beroepsaansprakelijkheid, waarvan de regelen worden beheerst door art.
§1, eerste lid B.W..
De fout of nalatigheid die een gerechtsdeskundige zou begaan in de uitoefening van de vaardigheid of techniek waarin hij als expert specifiek beslagen is, houdt immers rechtstreeks verband met de uitoefening van zijn opdracht. Wanneer de ten laste gelegde fout naast de schending van de zorgvuldigheids-norm in een bepaald geval ook of evengoed een beroepsfout uitmaakt, dan dient ongetwijfeld art.
§1, eerste lid B.W.
en niet art. 2262bis §1, tweede lid B.W., toegepast voor wat betreft de verjaringstermijn, ongeacht of in andere omstandigheden dergelijke inbreuk ook een algemene inbreuk op de zorgvuldig-heidsplicht zou inhouden. Waar de appellante voorhoudt dat de beroepsaansprakelijkheid van de geïntimeerde in het gedrang komt, doordat hij als gerechtsdeskundige bij het opmeten alsmede opstellen van een opmetingsplan en deskundig verslag, tot stand gekomen ter uitvoering van het voornoemd vonnis van 9 maart 1981, een voor haar nadelige vergissing heeft begaan, namelijk het bestaan van de ‘Plaatsebeek', die eigendom zou zijn van de gemeente Koekelare, niet te hebben opgetekend en vermeld, klaagt zij ontegensprekelijk een fout of nalatigheid van de geïntimeerde aan die rechtstreeks verband houdt met de uitvoering van zijn opdracht. Met die bewuste beek zou in het opmetingsplan en het deskundig verslag, dat nadien door de rechtbank werd bekrachtigd, immers geen rekening zijn gehouden en a fortiori ook niet in de daaropvolgende definitieve notariële vereffeningstaat en de lottrekkingsakte, waardoor de beweerde schade voor de appellante zou zijn ontstaan. De andersluidende bewering van de appellante dat de gewraakte fout of nalatig-heid van de geïntimeerde integendeel uitsluitend onder het regime van de gemeenrechtelijke verjaringstermijnen valt kan geenszins worden gevolgd. De eerste rechter heeft dan ook terecht beslist dat de vordering van de appellante verjaard is.
- tergend en roekeloos gedingHet is niet omdat de vordering van de appellante verjaard is dat het tergend en/of roekeloos karakter zou blijken van haar handelwijze. Het instellen van een vordering is de uitoefening van een recht dat slechts een ongeoorloofde daad wordt en aldus recht geeft op schadevergoeding indien dit gebeurt met roekeloosheid, boosaardigheid of kwade trouw die niet wordt vermoed doch bewezen moet worden. Dergelijk bewijs ligt niet voor zodat de eerste rechter, weze het om andere redenen, de vordering tot schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding terecht als niet gegrond heeft afgewezen. Het gaat niet op dat de geïntimeerde een tergend en roekeloos geding ontwaart in het louter feit dat de appellante de draagwijdte van haar rechten verkeerd heeft ingeschat.
- de kosten. De eerste rechter heeft juist beslist over de kosten in eerste aanleg. De rechtsplegingsvergoeding toekomend aan de geïntimeerde bedroeg op het ogenblik van zijn uitspraak 342,09 EUR en niet 334,66 EUR zoals thans door de appellante gevorderd. Als verliezende partij in deze instantie vallen de kosten van het geding ten laste van de appellante. In hoger beroep heeft de appellante haar voor de eerste rechter gestelde vordering om een schadevergoeding van 7.000 EUR, meer rente, te bekomen, gewijzigd naar een vraag tot het bekomen van een provisionele vergoeding van 3.500 EUR, meer rente. Het bedrag van de rechtsvordering in deze instantie wordt bepaald op grond van de waarde van de vordering van de appellante gesteld in haar laatste conclusie. Deze bedraagt provisioneel 3.500 EUR. De afwijzing van deze provisie in deze instantie brengt mede dat de geïntimeerde slechts aanspraak kan maken op de basisvergoeding van 650 EUR voor geschillen tussen 2.500,01 EUR tot 5.000 EUR , en niet 1.200, zijnde de basisvergoeding voor niet in geld waardeerbare geschillen zoals door de appellante gevorderd. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Recht doende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. Weert uit de debatten de op 1 april 2009 ter griffie neergelegde conclusies voor de appellante. Verklaart het principaal hoger beroep en het incidenteel beroep beiden ontvankelijk doch ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis. Verwijst de appellante in de kosten van deze instantie, en begroot die aan de zijde van de geïntimeerde op 650 EUR rechtsplegingsvergoeding. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, 11° kamer, op 25 juni tweeduizend en negen.Aanwezig:dhr. Alexander Deene, raadsheer, wnd. kamervoorzitter;mevr. Nadia De Turck, raadsheer;mevr. Kristin Vandenberghe, raadsheer;dhr. Yves Henderickx, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div