← België

ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090625.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 25 juni 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090625.8 Rolnummer: 2008/AR/1519 Rechtsgebied: Unierecht Invoerdatum: 2009-10-30 Raadplegingen: 88 - laatst gezien 2026-07-02 20:04 Fiche De Belgische rechtbanken kunnen internationaal bevoegd zijn om kennis te nemen van een echtscheidingsvordering ingesteld tegen een in Frankrijk gedomicilieerde partij voor zover de verzoeker bewijst dat zijn gewone verblijfplaats zich in België bevindt, indien hij sedert ten minsten één jaar onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het verzoek in dat land verblijft. Uit de loutere omstandigheid dat de verzoeker steeds in België is gedomicilieerd gebleven, een Belgisch pensioen en andere tegemoetkomingen geniet, een voertuig op zijn naam ingeschreven heeft en een zichtrekening heeft, kan in casu niet zonder meer besloten worden dat de verzoeker tijdens de desbetreffende periode ook zijn gewone verblijfplaats in België heeft gehad zoals vereist door artikel 3 van de EG-Verordening nr. 2201/2003. UTU-thesaurus: GRENSOVERSCHRIJDEND RECHT - EUROPEES RECHT- VERDRAG WERKING EUROPESE UNIE - Algemeen (Europees recht - Verdrag Werking EU) Vrije woorden: Echtscheidingsvordering - internationale bevoegdheid van de Belgische rechtbanken - gewone verblijfplaats van de verzoeker Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 11 Kamer ________ Terechtzitting van 25 juni 2009 ________ 2008/AR/1519 - In de zaak van: M. F., wonende te ....................................................., woonstkeuze doende bij haar raadsman hierna vermeld, appellante, hebbende als raadsman mr. KENNES Luk, advocaat te 8500 KORTRIJK, Doorniksewijk 66 tegen : S. B., wonende te ............................................, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. EL MOUDEN Abdelhamid, advocaat te 2000 ANTWERPEN, E. Banningstraat 6 velt het hof het volgend arrest: De appellante heeft bij verzoekschrift ter griffie neergelegd op 6 juni 2008 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis op 10 april 2008 door de zesde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk uitgesproken tussen de partijen. Bij de bestreden beslissing heeft de eerste rechter: · zich bevoegd verklaard om kennis te nemen van het geschil tussen de partijen; · tussen de partijen de echtscheiding uitgesproken, en gezegd voor recht dat de feitelijke scheiding een aanvang heeft genomen op 26 september 2000; · de betwisting betreffende de weerlegging van het schuldvermoeden op vraag van de geïntimeerde verzonden naar de bijzondere rol; · de gerechtelijke vereffening en vereffening bevolen van de huwgemeenschap en/of van de onverdeelde goederen die tussen de partijen bestaan; · de partijen hiervoor verwezen naar notaris P. T., met standplaats te Harelbeke, en notaris F. M., met standplaats te Harelbeke aangewezen met opdracht voorzien in art. 1209, derde lid Ger.W.; · aan de boedelnotaris verkoopsmachtiging gegeven overeenkomstig art. 1211 Ger.W., en in het algemeen opdracht gegeven te handelen overeenkomstig art. 1219 Ger.W.; · de kosten aangehouden. Bij haar beroepsakte en daaropvolgende conclusies streeft de appellante het teniet doen na van het bestreden vonnis, en vordert zij dat het hof, dienaangaande opnieuw beslissend: - zich (internationaal) onbevoegd verklaart, zegt dat enkel het Marokkaans recht toepasselijk is en dat de vordering zoals gesteld wordt afgewezen; - voor het geval het hof zich acht bevoegd te zijn en het Belgisch recht toepasbaar acht in elk geval het verzoek tot omkering van het schuldvermoeden afwijst als ongegrond, en zegt in dat geval voor recht dat de geïntimeerde overeenkomstig art. 306 (oud) B.W. geacht wordt de echtgenoot te zijn tegen wie de echtscheiding is uitgesproken; - het incidenteel beroep (zie verder) afwijst als ongegrond; - de geïntimeerde veroordeelt tot betaling van de kosten in de beide instanties, aan de zijde van de appellante nader begroot, en voor zover enige kost ten laste van de haarzelf wordt gelegd, slechts de minimale rechtsplegingsvergoeding zou opleggen gelet op haar geringe financiële draagkracht. Bij conclusies besluit de geïntimeerde tot het afwijzen van het hoger beroep als ongegrond en tot de integrale bevestiging van het bestreden vonnis. Tevens stelt hij in deze instantie een tussenvordering in (ten onrechte incidenteel beroep genoemd) en vordert: - te horen zeggen voor recht dat de appellante in het licht van art. 1072bis Ger.W. gehouden is tot betaling van een schadevergoeding ten bedrage van 2.000 EUR, en voor zover het hof dit nodig acht toepassing te maken van art. 775 Ger.W. en partijen uit te nodigen verdere toelichting te geven omtrent de gevorderde schadevergoeding; - de toepassing van art. 780bis Ger.W. en de veroordeling van de appellante tot betaling van een geldboete te begroten tussen 15 en 2500 EUR; Desgevallend en minstens vordert de geïntimeerde bovendien ‘de incidentele erkenning' van de echtscheiding toegekend door de rechtbank van eerste aanleg te Agadir (Marokko) op 23 december 2004. Tenslotte vordert de geïntimeerde de veroordeling van de appellante tot de kosten van de beide instanties, aan zijn zijde nader begroot. De partijen werden gehoord in hun middelen en besluiten op de openbare terechtzitting van 14 mei 2009, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen. BEOORDELING 1. De partijen zijn gehuwd op 14 augustus 1968 te Casablanca (Marokko). De geïntimeerde heeft de Marokkaanse nationaliteit en de appellante de Belgische. De appellante, oorspronkelijke verweerster, was ten tijde van het inleidend exploot, haar betekend op 13 maart 2007 door gerechtsdeurwaarder D. C. uit Antwerpen, gedomicilieerd te .................................................. 2.1. Ingevolge art. 3 van de Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000 zijn onder meer bevoegd om kennis te nemen van een vordering tot echtscheiding de gerechten van de lidstaat: ‘1. ...

  1. a)op het grondgebied waarvan: - ... - of zich de laatste gewone verblijfplaats van de echtgenoten bevindt, indien één van hen daar nog verblijft; - ... - ... - of zich de gewone verblijfplaats van de verzoeker bevindt, indien hij daar sedert ten minste een jaar onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het verzoek verblijft; - ... b)...' Er wordt niet betwist dat de laatste gemeenschappelijke (echtelijke) woonplaats zich in België bevond. Hierin geenszins tegengesproken door de partijen situeert de eerste rechter die laatste echtelijke woonst - volgens hem toen overgelegde getuigschriften van woonst met historiek van de adressen van de beide partijen - te 8530 Harelbeke aan de ................... 2.2 Het voornoemde art. 3.1.
  2. a)van de Verordening biedt derhalve in twee mogelijkheden die in casu kunnen leiden tot de internationale bevoegdheid van de Belgische rechtbanken om kennis te nemen van de echtscheidingsvordering van de geïntimeerde, nl. hetzij voor zover de geïntimeerde als oorspronkelijke verzoeker aantoont dat, waar de laatste gewone verblijfplaats (lees: echtelijke woonst) van de partijen zich in België bevond, hij alhier nog steeds verblijft, hetzij voor zover hij bewijst dat zijn gewone verblijfplaats zich in België bevindt, indien hij sedert ten minste één jaar onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het verzoek in dat land verblijft. In beide gevallen stelt zich de vraag naar de gewone verblijfplaats van de geïntimeerde vóór 13 maart 2007, zijnde de datum van het inleidend exploot. 3.1. De geïntimeerde legt een aantal stavingstukken voor die volgens hem aantonen dat hij in elk geval minstens sedert één jaar voorafgaand aan de datum van het inleidend exploot gewone verblijfplaats had in België. Vooreerst toont hij aan sedert 8 oktober 1986 onafgebroken gedomicilieerd te zijn geweest in België (stavingstuk 9 van de geïntimeerde). Bovendien legt hij stavingstukken over waaruit onder meer blijkt dat hij: - in 2006 een pensioen genoot vanwege de Belgische Rijksdienst voor Pensioenen en een vervangingsinkomen ontving vanwege de RIZIV - Dienst Uitkeringen - Mijnwerkers; - in 2005 aangesloten was bij ziekenfonds Bond Moyson West-Vlaanderen; - in 2006 aangeslagen werd tot betaling van de verkeersbelasting voor een op zijn naam ingeschreven voertuig; - van 17 december 2006 tot 30 juni 2007 een automobielverzekering had lopen bij DVV Verzekeringen voor een personenauto. - een lopende rekening had bij Fortis bank waar geregeld transacties werden op uitgevoerd (zo blijkt de geïntimeerde op 1 juni 2006 en 29 november 2006 respectievelijk een bedrag van 200 EUR en 800 EUR te hebben afgehaald in het filiaal te Harelbeke, alsmede op 6 juni 2006 een betaling ten bedrage van 40,02 EUR te hebben uitgevoerd); (stavingstukken 2, 3, 4, 5, 6, 8 van de geïntimeerde) Andere overgelegde overtuigingstukken situeren zich niet in de bewuste tijdspanne van één jaar voor de datum van het inleidend exploot. 3.2. De appellante legt echter eveneens stavingstukken voor, waaruit zou moeten blijken dat: - de geïntimeerde op 7 augustus 2003 een aanvraag tot echtscheiding bij de rechtbank van eerste aanleg te Agadir (Marokko) heeft neergelegd, waarbij hij toen onder meer uiteenzette na zijn pensionering in België naar Marokko te zijn teruggekeerd, doch dat de appellante hem weigerde te vergezellen en verkoos bij de gemeenschappelijke kinderen in België te blijven, zodat hij ten gevolge van die feiten in Marokko woont en zij in België (stavingstuk 2 van de appellante); - gerechtsdeurwaarder El Yazidi Abdelaziz uit Agadir (Marokko) zich op 22 augustus 2007 op verzoek van de appellante begeven had naar de woning ...................................... te Agadir, en aldaar de geïntimeerde aantrof die hem bevestigde aldaar te wonen met zijn (nieuwe) vrouw en dochter voor onregelmatige periodes, en dat hij gedurende de tussenperiodes in België bij zijn dochter Malika woont. (stavingstuk 1 van de appellante). 3.3. De geïntimeerde kan niet worden gevolgd waar hij thans het weren uit de debatten van die stavingstukken van de appellante vordert. De eerste rechter heeft immers onder meer, na verzoek daartoe van de appellante bij thans niet bestreden tussenvonnis van 4 oktober 2007, de heropening van de debatten bevolen teneinde de appellante toe te laten de twee desbetreffende stavingstukken in het geding te brengen. Gelet op het gezag van gewijsde van het voornoemd tussenvonnis van de eerste rechter kan het hof dienaangaande thans niet (anders) meer beslissen. 3.4. Abstractie makend van het stavingstuk 2 van de appellante dat door de geïntimeerde elke bewijswaarde ontzegd wordt, gelet op de ouderdom en het gebrek aan legalisatie daarvan en omdat hij het zelfs van valsheid beticht - stelt het hof vast dat het stavingstuk 1 van de appellante in elk geval dienstig is ter zake. Uit niets blijkt immers dat het desbetreffend proces-verbaal van vaststelling van de Marokkaanse gerechtsdeurwaarder vals zou zijn (hetgeen de geïntimeerde ook niet beweert) en niet met de werkelijkheid zou overeenstemmen. De geïntimeerde betwist niet dat hij met zijn ‘nieuwe echtgenote' en kind in Marokko verblijft in een door hem aangekochte woning te Agadir. Hij verwijst trouwens zelf expliciet naar het kwestieus proces-verbaal van de Marokkaanse gerechtsdeurwaarder, dat vermeldt dat hij op 22 augustus 2007 aan die ministerieel ambtenaar zou bevestigd hebben met zijn (nieuwe) vrouw en dochter te wonen op het adres ........................... te Agadir (Marokko) en in de tussenperiodes te verblijven bij zijn dochter Malika. En zelfs indien die voornoemde gerechtsdeurwaarders- vaststelling niet kan gelden als een authentieke akte in de zin van art. 30 WIPR, dan toch moet één en ander worden beschouwd als een vermoeden, nu uit niets blijkt dat de gerechtsdeurwaarder bij zijn gesprek met de geïntimeerde gebruik heeft gemaakt van onrechtmatige middelen of zelfs de verklaring van de geïntimeerde heeft uitgelokt. Dit geldt daarenboven des te meer omdat die verklaring van de geïntimeerde in feite wordt bevestigd door het door hemzelf overgelegd en op zijn verzoek door gerechtsdeurwaarder Michel Indekeu uit Menen-Rekkem opgesteld proces-verbaal van vaststelling van 3 december 2007 (stavingstuk 1 van de geïntimeerde). Die gerechtsdeurwaarder heeft toen immers vastgesteld dat in de woning ................... te Harelbeke waar Malika Staili, dochter van de partijen, met haar twee minderjarige kinderen gedomicilieerd waren, er een slaapkamer in opbouw was voor de geïntimeerde en dat die toen verklaarde ondertussen te slapen op de lange zetels in de woonplaats. 3.5. De appellante houdt dienaangaande voor dat de geïntimeerde vóór de datum van het inleidend exploot een paar maal per jaar naar België kwam, meestal in juni en tegen het einde van het jaar, tijdens welke periodes hij bij dochter Malika verbleef en dat hij voor het overige permanent in Marokko bij zijn nieuw gezin woonachtig was. Naar het oordeel van het hof kan inderdaad uit de loutere omstandigheid dat de geïntimeerde in België steeds gedomicilieerd gebleven is, een Belgisch pensioen en andere tegemoetkomingen geniet, een voertuig op zijn naam ingeschreven heeft en een zichtrekening heeft etc., in de gegeven omstandigheden niet zonder meer worden besloten dat de geïntimeerde tijdens de desbetreffende periode ook zijn gewone verblijfplaats in België heeft gehad zoals vereist door art. 3 van V° (EG) nr. 2201/2003. Mede gelet op de door de geïntimeerde zelf in België uitgevoerde bankverrichtingen tijdens die periodes, kan integendeel geenszins worden uitgesloten dat de geïntimeerde inderdaad slechts een paar keer per jaar voor een korte periode naar België terugkeert om zijn administratieve en andere verplichtingen na te komen/op punt te stellen en om zijn dochter/kleinkinderen te bezoeken in hun woning waar hij een kamer voor hemzelf aanhoudt (hij blijft trouwens op een adres in België gedomicilieerd). Wat dit laatste betreft is het ook geenszins eigenaardig dat hij een kamer bij zijn dochter aanhoudt, aangezien hij er zich tenslotte heeft laten domiciliëren. 3.6. Met al deze feitelijke elementen rekening houdend komt het aan het hof aannemelijker voor dat de geïntimeerde, die na zijn pensionering naar Marokko teruggekeerd is, aldaar een woning verworven heeft te Agadir en er een nieuw gezin gesticht heeft, ook aldaar zijn gewone verblijfplaats heeft ingericht, eerder dan in de woning van zijn dochter in België waar hij slechts een paar keer per jaar op een eigen kamer logeert. Eén en ander komt trouwens tot uiting in de geestesgesteldheid van de geïntimeerde zelf: waar de partijen voor het aanslagjaar 2006, inkomsten 2005, voor de personenbelasting gelijktijdig als echtgenoten fiscaal werden ingekohierd, heeft de geïntimeerde voor het aanslagjaar 2007, inkomen 2006, aangegeven op 1 januari 2007 uit de echt te zijn gescheiden en 1 kind volledig fiscaal ten laste te hebben (stavingstukken 5 van de geïntimeerde). 3.7. Rekening houdend met een verdragsconforme interpretatie van het begrip ‘gewone verblijfplaats' in art.3 van de verordening, overtuigen naar het oordeel van het hof de door de geïntimeerde overtuigingstukken geenszins als bewijs dat hij ten minste gedurende één jaar onmiddellijk voorafgaand aan het inleidend exploot zijn gewone verblijfplaats zou hebben gehad of aangehouden in België. Er dient dan ook besloten dat de eerste rechter zich ten onrechte internationaal bevoegd heeft verklaard om van de echtscheidingsvordering van de geïntimeerde kennis te nemen. De vraag naar het toepasselijk recht komt niet aan de orde. 4. Hieruit volgt dat de tussenvordering van de geïntimeerde wegens het instellen van een tergend en roekeloos hoger beroep elke grond ontbeert. 5. Ook van de incidentele eis van de geïntimeerde om de echtscheiding toegekend bij vonnis van 23 november 2004 door de rechtbank van eerste aanleg te Agadir (Marokko) te erkennen kan het hof hoe dan ook geen kennis nemen, Niet alleen wordt een voor eensluidend verklaard en gelegaliseerd afschrift van die uitspraak thans zelfs niet overgelegd, maar opdat buitenlandse rechtelijke beslissingen in België uitwerking zouden kunnen hebben, dient de geïntimeerde te handelen overeenkomstig art. 22 e.v. WIPR, bij gebrek waaraan de desbetreffende buitenlandse beschikking in dit land geen (rechts)gevolg kan hebben. 6. Aangezien het bestreden vonnis dient teniet gedaan en de Belgische gerechten geen rechtsmacht hebben om kennis te nemen van de door de geïntimeerde ingestelde echtscheidingsvordering, wordt de laatstgenoemde dan ook verwezen in de kosten van de beide instanties. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep van de appelante en de tussenvorderingen van de geïntimeerde in deze instantie toelaatbaar, het hoger beroep gegrond als volgt en de tussenvorderingen in deze instantie niet gegrond. Doet het bestreden vonnis teniet. Beslist dienaangaande opnieuw, en rechtdoende over de initiële echtscheidingsvordering van de geïntimeerde, verklaart dat de Belgische rechtbanken internationaal onbevoegd zijn en derhalve over geen rechtsmacht beschikken om daarvan kennis te nemen. Veroordeelt de geïntimeerde tot de kosten in de beide instanties, aan de zijde van de appellante begroot volgens opgave op 1.200 EUR rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg en 1.200 EUR rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep. Aldus gewezen door de ELFDE KAMER, van het Hof van beroep te Gent, zetelend in burgerlijke zaken, samengesteld uit: Alexander Deene, raadsheer wn. voorzitter, Nadia De Turck, raadsheer, Kristin Vandenberghe, raadsheer, en uitgesproken door de raadsheer wn. voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting van 25 juni 2009, bijgestaan door Kurt Goossens, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.