id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 09 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090909.4 Rolnummer: 2008/AR/98 Rechtsgebied: Sociale-zekerheidsrecht Invoerdatum: 2009-11-05 Raadplegingen: 94 - laatst gezien 2026-07-02 20:12 Fiche
- Een zorgvuldig bankier dient, alvorens een krediet toe te kennen, nauwgezet te informeren naar de financiële, vermogensrechtelijke en economische situatie en de perspectieven van zijn potentiële contractant. Om te toetsen of de bankier de algemene zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden, moet het criterium van de normaal zorgvuldige en redelijke bankier, geplaatst in dezelfde omstandigheden, worden gehanteerd.
- Wanneer de bankier aan de hand van zijn onderzoek bij de kredietaanvraag vaststelt dat de kredietnemer de verbintenissen uit de aangevraagde kredieten redelijkerwijze niet zal kunnen naleven, gedraagt hij zich onrechtmatig door niettemin krediet toe te kennen, zelfs wanneer hij over voldoende zekerheden beschikt; Een krediet mag niet toegekend worden louter op grond van de solvabiliteit van de borg.
- Een aansprakelijkheidsvordering van de kredietnemer tegen de kredietgever dient met grote omzichtigheid te worden benaderd. Door het krediet te vragen, stemt de kredietnemer in beginsel immers toe met de schade die door de foute kredietverlening ten aanzien van hem zou zijn veroorzaakt. Indien de kredietnemer op geldige wijze zijn toestemming heeft gegeven voor het bekomen van het krediet, kan de kredietverlener bevrijd zijn van aansprakelijkheid tegenover de kredietnemer. De kredietnemer kan dan ook slechts uitzonderlijk de kredietverlener aanspreken wegens het toekennen van een krediet. Dit zou met name het geval geweest zijn wanneer het, rekening gehouden met de gegevens waarover de bank beschikte op het ogenblik van het toestaan, vaststond dat de kredietnemer redelijkerwijze het krediet niet zou kunnen terugbetalen. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Koop-verkoop - Aansprakelijkheid notaris, bank Vrije woorden: Aansprakelijkheid kredietverlener - vordering ingesteld door de kredietnemer - voorwaarden - uitzonderlijk karakter. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 12 Kamer ________ Terechtzitting van 09 september 2009 EINDARREST - In de zaak met het rolnummer 2008/AR/98 van: M. D., bestuurder van vennootschappen, wonende te ..............................................., appellant tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, op tegenspraak gewezen door de vijfde kamer dd. 20-11-2007, - TER TERECHTZITTING NIET VERSCHIJNEND -, oorspronkelijk verweerder, tegen : nv FORTIS BANK, met zetel te 1000 Brussel, Warandeberg 3, met ondernemingsnr.: 0403.199.702, geïntimeerde, oorspronkelijk eiseres, hebbende als raadslieden mr. VAN OOSTERWYCK Werner en mr. VANWYNSBERGHE Caroline, beiden advocaat te 8400 Oostende, Koningsstraat 45 velt het hof het volgend arrest: De nv Fortis Bank (hierna "Fortis" genoemd) werd gehoord in openbare terechtzitting, kennis werd genomen van de conclusies van de partijen en de door Fortis neergelegde stukken werden ingezien. Bij akte van hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit hof op 11 januari 2008, heeft D. M. (hierna "M." genoemd) hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat op 20 november 2007 tussen partijen op tegenspraak gewezen werd door de vijfde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge. Antecedenten I.
- Bij overeenkomst van 3 februari 1999 stond de nv Generale Bank (rechtsvoorganger van Fortis) een krediet van 3.225.000 BEF toe "voor de financiering van inbreng kapitaal in andere vennootschap, inrichting kantoor en aankoop machine" aan de bvba Brickx & Partners (hierna "Brickx" genoemd) en aan M. Dit investeringskrediet was terugbetaalbaar in 60 maandelijkse schijven van 59.474 BEF vanaf 31 maart
- Op 24 februari 1999 sloot de nv Generale Bank bovendien een contract van lening op afbetaling met Brickx en M. voor een nominaal bedrag van 490.000 BEF. Deze lening, die bestemd was tot financiering van een computernetwerk, diende terugbetaald te worden in 36 maandelijkse schijven van 14.464 BEF.
- Op 16 november 2001 werd Brickx in staat van faillissement verklaard. Fortis vorderde opname in het passief van het faillissement voor 45.335,26 EUR op grond van het investeringskrediet van 3 februari 1999 en voor 2.447,82 EUR op grond van de lening op afbetaling. Daarnaast vroeg zij tevens opgenomen te worden voor 27.100,04 EUR uit hoofde van een kaskrediet, toegestaan volgens briefwisseling, waarvan de laatste dateerde van 9 mei 2001, en voor 179.624,89 EUR op grond van een investeringskrediet toegestaan op 17 mei
- Fortis deelde een kopie van haar aangifte van schuldvordering mee aan M. bij aangetekende brief van 21 december 2001 en stelde hem in gebreke om de debetsaldi, verschuldigd op grond van het krediet van 3 februari 1999 en op grond van de lening op afbetaling van 24 februari 1999, aan te zuiveren.
- Met een aangetekende brief d.d. 5 september 2002 van haar raadsman, liet Fortis aan M. weten dat hij haar 101.392,04 EUR verschuldigd was, namelijk 49.626,51 EUR op grond van een thesauriekrediet op naam van M. en zijn echtgenote N. C. (hierna "C." genoemd), 49.246,38 EUR op grond van het investeringskrediet van 3 februari 1999 op naam van Brickx en M. en 2.519,15 EUR op grond van de lening op afbetaling van 24 februari 1999 op naam van Brickx en M. Fortis stelde M. in gebreke om deze sommen te betalen. Verder wees Fortis M. erop dat hij haar een algemene hypotheek in eerste rang verleend had voor alle schulden in eigen naam op het onroerend goed te ..................... (dat eigendom was van M. en C.) en dat hij op hetzelfde onroerend goed een hypotheek in tweede rang verleend had voor het investeringskrediet en het kaskrediet, toegestaan aan Brickx in mei 2001, en waarop respectievelijk 200.425,21 EUR en 29.630,82 EUR verschuldigd was. Met een afzonderlijke brief van dezelfde datum maande Fortis C. aan tot betaling van de voormelde som van 49.626,61 EUR en maakte zij melding van alle schulden waarvoor M. persoonlijk verbonden was of waarvoor M. en C. hun onroerend goed in hypotheek hadden gegeven. II.
- Bij dagvaarding van 12 mei 2005 vorderde Fortis de veroordeling van M. tot betaling aan haar van 60.477,37 EUR, te vermeerderen met de verwijlintresten aan 11,33 EUR per dag vanaf 10 mei 2005 tot de dag der integrale betaling op grond van het investeringskrediet van 3 februari 1999, evenals van 2.746,33 EUR, te vermeerderen met de verwijlintresten aan 0,23 EUR per dag vanaf 10 mei 2005 tot de dag der integrale betaling op grond van de lening op afbetaling van 24 februari
- Ten slotte vorderde Fortis dat M. veroordeeld werd tot de gedingkosten.
- M. vroeg in hoofdorde dat de zaak - die hij "het dossier Brickx en Partners" noemde, samen met twee andere procedures voor verdere berechting verwezen werd naar de rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Hij zette uiteen dat Fortis bij afzonderlijke dagvaardingen van 12 mei 2005 twee andere gedingen aanhangig had gemaakt voor de rechtbank van eerste aanleg te Brugge. In een eerste geding, door M. "het persoonlijk dossier" genoemd, vorderde Fortis de veroordeling van M.en C. tot betaling van 35.250,11 EUR, vermeerderd met intresten en kosten, evenals van M. tot betaling van 501,56 EUR, vermeerderd met intresten en kosten. Daarnaast was er een zogenaamd "dossier Domabel" waarin Fortis de veroordeling vorderde van M. en de bvba Domabel (hierna "Domabel" genoemd) tot betaling van 42.332,80 EUR, vermeerderd met intresten en kosten, evenals van M. tot betaling van 19.441,02 EUR en 49.226,95 EUR, vermeerderd met intresten en kosten. M. - die in zijn conclusies voor de eerste rechter, samen met C. en Domabel een gemeenschappelijk verweer voerde, dat betrekking had op de drie voormelde zaken - argumenteerde dat Fortis foutief was opgetreden in verschillende kredietdossiers door kredieten te verstrekken aan kredietnemers die niet beschikten over voldoende terugbetalingscapaciteit op het ogenblik van het afsluiten van de leningen. Hij stelde dat deze problematiek aanleiding gaf tot een procedure, die op 20 april 2005 ingeleid was op verzoek van M. en C. tegen Fortis voor de rechtbank van eerste aanleg te Brussel. M. vroeg dat alle voormelde zaken samen behandeld werden om te vermijden dat tegenstrijdige oplossingen zouden worden gewezen in de verschillende dossiers. Hij stelde dat zij alle kaderden in een verhouding tussen Fortis enerzijds en M. en C. en de vennootschap waarvan M. zaakvoerder was anderzijds. Op grond van artikel 566 Ger.W. iuncto artikel 565,5° Ger.W. dienden de zaken volgens hem verwezen te worden naar de rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Minstens dienden de drie procedures, ingeleid voor de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, samen behandeld te worden. In ondergeschikte orde betoogde M. dat Fortis wist dat de terugbetalingscapaciteit van Brickx onbestaande was en dat zij niet aantoonde dit terdege te hebben onderzocht. M. vorderde dat aan Fortis bevolen werd haar volledig administratief dossier, met inbegrip van de volledige krediethistoriek m.b.t. alle kredieten voor te leggen, onder verbeurte van een dwangsom van 2.500,00 EUR per dag vertraging en per ontbrekend document, indien zij niet voldeed aan dit bevel binnen 48 uren na de betekening. In meer ondergeschikte orde vorderde M.: - dat Fortis veroordeeld werd tot kwijtschelding van de schuld van M. en C. ingevolge de waarborging door hen van de kredietverlening door Fortis van 9 mei 2001, evenals tot handlichting van de hypotheek in tweede rang genomen naar aanleiding van dat krediet door Fortis op hun woning, bij vonnis dat bij gebrek aan kwijtschelding en handlichting door Fortis binnen 48 uren na de uitspraak zou gelden als kwijtschelding en als handlichting en als vernietiging van die hypotheek; - dat voor recht werd gezegd dat Fortis, ingevolge haar houding in deze zaak, slechts gerechtigd was tot terugbetaling van de kredietbedragen in hoofdsom en dat de reeds betaalde intresten gecompenseerd moesten worden met de nog openstaande kapitaalsaldi, voor wat betreft de verplichtingen in hoofde van C. en voor wat betreft de verplichtingen van M. voor zover zij verband houden met of voortvloeien uit het dossier Brickx; - dat Fortis veroordeeld werd tot betaling aan M., C.en Domabel van een morele schadevergoeding van 12.500,00 EUR, te vermeerderen met intresten aan de wettelijke rentevoet; - dat Fortis veroordeeld werd tot betaling aan Domabel van een schadevergoeding van 5.000,00 EUR ex aequo et bono ingevolge de foutieve opzegging van het krediet aan Domabel en dat de vordering van Fortis werd afgewezen in zover zij steunde op verhoging van debetintresten, voortvloeiend uit de kredietverhouding met Domabel.
- In conclusies vorderde Fortis uiteindelijk de veroordeling van M. tot betaling van 64.862,81 EUR, meer de verwijlintresten aan 11,96 EUR per dag vanaf 25 mei 2006 tot aan de dag van de integrale betaling op de hoofdsom van 44.645,45 EUR, evenals van 2.838,56 EUR, te vermeerderen met de verwijlintresten aan 0,23 EUR per dag vanaf 25 mei 2006 tot de dag der integrale betaling op de hoofdsom van 2.127,69 EUR. Fortis wees erop dat de diverse procedures voor de rechtbank van eerste aanleg te Brugge betrekking hadden op verschillende kredieten, die niets met elkaar te maken hadden. Zij stelde vast dat het geding voor de rechtbank van eerste aanleg te Brussel kredieten betrof, die toegekend waren in mei
- Zij betwistte dat haar aansprakelijkheid in het gedrang kwam door het toekennen van deze kredieten en benadrukte dat deze aansprakelijkheidsproblematiek hoe dan ook niets te maken had met het geding tegen M. dat de terugbetaling van kredieten uit 1999 betrof. Zij verklaarde dat de kredieten geldig werden opgezegd, dat zij een geactualiseerde afrekening voorlegde en dat daaromtrent geen betwisting werd gevoerd.
- De eerste rechter zegde voor recht dat er geen reden was om de zaak te verwijzen naar de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, noch om ze samen te voegen met de twee andere procedures voor de rechtbank van eerste aanleg te Brugge. M. werd veroordeeld tot betaling aan Fortis van 60.477,37 EUR, te vermeerderen met de verwijlintresten aan 11,33 EUR per dag vanaf 10 mei 2005 tot de dag van de integrale betaling, en van 2.746,33 EUR, te vermeerderen met de verwijlintresten aan 0,23 EUR per dag vanaf 10 mei 2005 tot de dag der integrale betaling. De tegeneis werd afgewezen en M. werd veroordeeld tot de gedingkosten. Het meer gevorderde wees de eerste rechter af als ongegrond en het vonnis werd uitvoerbaar verklaard bij voorraad, zonder uitsluiting van het vermogen tot kantonnement. De eerste rechter overwoog dat de procedure te Brussel, die in hoofdzaak handelde over de toekenning door Fortis van een kaskrediet en een investeringskrediet aan Brickx in mei 2001, niets te maken had met de vordering in het geding tegen M. en dat dit evenmin het geval was voor de twee andere procedures, ingeleid voor de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, die enerzijds een krediet van 9 juli 1999 aan M. en C. en anderzijds tegoeden ten aanzien van Domabel betrof. De eerste rechter stelde dat M. niet kon worden bijgetreden waar hij stelde dat de bankiers-aansprakelijkheid slechts kon onderzocht worden als alle zaken samen behandeld werden. Verder werd in het bestreden vonnis vastgesteld dat M. geen concreet verweer voerde met betrekking tot de vordering van Fortis. Bovendien bleef hij in gebreke stukken neer te leggen over zijn vermogenstoestand in 1999, waaruit zou blijken dat de kredieten onzorgvuldig zouden zijn toegekend. De eerste rechter overwoog dat geen enkel vermoeden werd aangebracht dat sprake zou zijn van een foutieve handelwijze van de bank met betrekking tot de kredietopening en de lening waarvan betaling werd gevorderd en besloot dat in de gegeven omstandigheden niet kon worden ingegaan op het verzoek van M. om aan Fortis te bevelen haar administratief dossier voor te leggen. III.
- Het hoger beroep van M. strekt ertoe dat het hof het bestreden vonnis vernietigt, uitspraak doet zoals hij uiteindelijk vorderde voor de eerste rechter en Fortis veroordeelt tot de gedingkosten in beide aanleggen. M. herneemt de middelen die hij heeft geformuleerd voor de eerste rechter. Hij stelt dat de eerste rechter ten onrechte geoordeeld heeft dat de voorliggende zaak niet samenhangend is met de procedure die hij en zijn echtgenote hebben ingeleid voor de rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Hij vraagt dat het hof de zaak vooralsnog verzendt naar de rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Verder argumenteert M. dat overdisponeringen werden toegelaten van ruim 150.000,00 EUR, dat Fortis maar al te goed wist dat de terugbetalingscapaciteit van Brickx onbestaande was en dat zij hem om die reden als medekredietnemer liet optreden in 1999 en in 2001 een tweederangshypotheek nam op zijn gezinswoning. Hij stelt dat Fortis dient aan te tonen dat zij de terugbetalingscapaciteit van Brickx terdege heeft onderzocht en herhaalt zijn verzoek om aan Fortis te bevelen haar administratief dossier voor te leggen. Hij betoogt dat, indien de zaak niet verwezen wordt naar de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, zijn betalingsverplichting dient gereduceerd te worden bij wijze van herstel van de fout van Fortis.
- Fortis vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis en de veroordeling van M. tot de gedingkosten in hoger beroep. Zij vordert dat het arrest uitvoerbaar verklaard wordt bij voorraad, niettegenstaande enig verhaal, zonder borgstelling en met uitsluiting van de mogelijkheid tot kantonnement. Zij stelt dat in de twee procedures, waarvan M. vraagt dat ze worden samengevoegd met onderhavig geding, Domabel en M.enerzijds en M.en C. anderzijds veroordeeld werden door de rechtbank van eerste aanleg te Brugge en dat de betreffende vonnissen, evenals het bestreden vonnis, betekend werden. Verder zet zij uiteen dat M. enkel hoger beroep heeft ingesteld in de voorliggende zaak en dat in de beide andere zaken de vonnissen definitief zijn geworden en uitgevoerd worden. Fortis herhaalt dat er geen reden was tot samenvoeging van de zaken en ontkent enige fout te hebben begaan bij de toekenning van de kredieten waarvan zij de terugbetaling vordert, zodat er geen sprake kan zijn van reductie van haar vordering tot het kapitaalsaldo. Beoordeling I.
- Fortis verklaart dat het bestreden vonnis betekend werd, doch legt geen exploot van betekening voor en houdt evenmin voor dat het hoger beroep laattijdig werd ingesteld. Dit hoger beroep is ontvankelijk.
- Fortis heeft op de pleitzitting van 10 juni 2009 haar voordeel gevraagd lastens M., die niet verschenen is alhoewel de beschikking, die op 6 februari 2008 verleend werd in toepassing van artikel 747§1 van het gerechtelijk wetboek, waarbij de onderling overeengekomen conclusietermijnen werden bekrachtigd en de rechtsdag werd bepaald, hem bij brief van 13 februari 2008 behoorlijk ter kennis werd gebracht bij toepassing van artikel 747§1, tweede lid en artikel 747§2, vierde lid van het gerechtelijk wetboek. Fortis kon op deze rechtsdag bijgevolg een arrest vorderen dat op tegenspraak gewezen wordt (artikel 747§2, zesde lid van het gerechtelijk wetboek). II.
- Ook in hoger beroep vraagt M. in hoofdorde dat onderhavig geding wordt samengevoegd met een zaak die hij, samen met C., bij dagvaarding van 20 april 2005 tegen C. heeft ingeleid voor de rechtbank van eerste aanleg te Brussel. In deze zaak is, in tegenstelling tot de twee zaken, die hangend waren voor de rechtbank van eerste aanleg te Brugge en waarmee M. voor de eerste rechter eveneens de samenvoeging vroeg, nog geen uitspraak tussengekomen.
- Vorderingen kunnen als samenhangend worden beschouwd, wanneer zij onderling zo nauw verbonden zijn dat het wenselijk is ze samen te behandelen en te berechten teneinde oplossingen te vermijden die onverenigbaar zijn wanneer ze afzonderlijk worden berecht (art. 30 Ger.W.). De tussen vorderingen bestaande samenhang staat ter vrije beoordeling aan de rechter (LAENENS, J., BROECKX, K., SCHEERS, D., THIRIAR, P., Handboek Gerechtelijk Recht, Intersentia, 2008, nr. 615, p. 305; CASS., 25 januari 1991, R.W., 1990-91, 1436; CASS., 4 september 1987, Arr. Cass., 1987-88, 4; CASS. 28 september 1984, Arr. Cass., 1984-85, 165).
- Fortis vordert in het kader van het onderhavige geding de veroordeling van M. tot betaling van de sommen, verschuldigd uit hoofde van een investeringskrediet en een lening op afbetaling, die aan Brickx en M. toegekend werden op 3 februari 1999 en 24 februari
- In het geding dat ingevolge dagvaarding van 20 april 2005 ingeleid werd voor de rechtbank van eerste aanleg te Brussel vorderen M. en C. blijkens de dagvaarding - het enige stuk dat in dit verband voorligt - "[Fortis] te horen veroordelen tot kwijtschelding van de schuld van [M. en C.] ingevolge de waarborging door [M. en C.] van de kredietverlening door [Fortis] dd. 9 mei 2001, evenals tot handlichting van de hypotheek in tweede rang genomen n.a.v. dat krediet door [Fortis] op de woning van [M. en C.], bij vonnis dat bij gebreke aan kwijtschelding en handlichting door [Fortis]binnen de 48 uren na de uitspraak zal gelden als kwijtschelding en als handlichting". Bovendien vorderen M. en C. in dit geding tevens de veroordeling van Fortis tot betaling aan hen van een morele schadevergoeding van 12.500,00 EUR, te vermeerderen met intresten aan de wettelijke rentevoet. Uit de uitvoerige motivering van de dagvaarding van 20 april 2005 blijkt dat M. en C. Fortis verwijten foutief te hebben gehandeld door op 9 mei 2001 een investeringskrediet te hebben toegestaan aan Brickx. Zij houden voor dat er op dat ogenblik een totaal gebrek aan terugbetalingscapaciteit was bij Brickx, hetgeen volgens hen blijkt uit het feit dat Brickx korte tijd later in staat van faillissement werd verklaard. Zij stellen dat dit krediet in feite een regularisatie betrof van de overschrijding van een bestaand krediet en dat het werd toegekend om Fortis toe te laten "nog vlug een hypotheek te nemen op de privéwoning" van M. en C.. Op geen enkele wijze houden M. en C. in deze dagvaarding voor dat de toekenning - in 1999 - van het investeringskrediet en de lening op afbetaling, waarvan Fortis in het kader van het huidig geding de terugbetaling vordert, foutief was, noch motiveren zij dat M. niet tot terugbetaling daarvan zou gehouden zijn. De vordering voor de rechtbank van eerste aanleg betreft aldus de beweerde bankiersaansprakelijkheid wegens het toekennen van kredieten in
- Deze vordering is niet samenhangend met deze van de bank in het onderhavige geding, die ertoe strekt terugbetaling te bekomen van een ander krediet en een lening, toegekend in
- De eerste rechter heeft bijgevolg terecht geoordeeld dat er geen reden was om de zaak te verwijzen naar de rechtbank van eerste aanleg te Brussel. III.
- M. vordert dat het hof, vooraleer uitspraak te doen over de vordering van Fortis, eerst de voorlegging beveelt van het administratief dossier dat Fortis opgesteld heeft met het oog op het verlenen van het krediet en de lening, waarvan zij terugbetaling vordert.
- Een zorgvuldig bankier dient, alvorens een krediet toe te kennen, nauwgezet te informeren naar de financiële, vermogensrechtelijke en economische situatie en de perspectieven van zijn potentiële contractant. Om te toetsen of de bankier de algemene zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden, moet het criterium van de normaal zorgvuldige en redelijke bankier, geplaatst in dezelfde omstandigheden, worden gehanteerd (CORNELIS, L., De aansprakelijkheid van de bankier bij kredietverlening, T.P.R., 1986, p. 349, nr. 19). De verantwoordelijkheid voor de toekenning van het krediet dient beoordeeld te worden rekening houdend met alle externe omstandigheden en gegevens waarvan de bank kennis had of moest hebben op het ogenblik van de beslissing om het krediet toe te kennen. Gebeurtenissen die zich daarna hebben voorgedaan en die niet konden voorzien worden op het ogenblik van het toestaan van het krediet kunnen niet in aanmerking worden genomen. Wanneer de bankier aan de hand van zijn onderzoek bij de kredietaanvraag vaststelt dat de kredietnemer de verbintenissen uit de aangevraagde kredieten redelijkerwijze niet zal kunnen naleven, gedraagt hij zich onrechtmatig door niettemin krediet toe te kennen, zelfs wanneer hij over voldoende zekerheden beschikt (vgl.: WYMEERSCH, E., DAMBRE, M. en TROCH, K., Overzicht van Rechtspraak Privaat Bankrecht, 1992-1998, T.P.R., 1999, nr. 18, p. 1800 en nr. 24, p. 1802). Een krediet mag niet toegekend worden louter op grond van de solvabiliteit van de borg. Wie beweert dat een krediet ten onrechte werd toegekend, dient de fout van de bank te bewijzen (art. 870 Ger.W.).
- Alhoewel de vordering van Fortis ertoe strekt betaling te bekomen van een krediet en een lening, toegekend in 1999, voerde M. in zijn verweer voor de eerste rechter aan dat Fortis een fout had begaan door in mei 2001 nog een krediet te hebben toegekend aan Brickx en daarvoor bijkomende zekerheden te hebben gevraagd aan M. en C., alhoewel het toen reeds vaststond dat de vennootschap niet in de mogelijkheid was om dit krediet terug te betalen. Terloops merkt het hof op dat deze stellingname van M. volledig in tegenspraak is met de inhoud van zijn eigen faxbericht van 2 maart 2001 aan Fortis, waarin hij, met betrekking tot Brickx, uiteenzette: "U begrijpt dat ik alles in het werk zal stellen om binnen de korste keren dit dossier weer gezond te maken. Uiteraard - en dat weet U ondertussen - kan ik hierop geen tijdslimiet plakken en weet U eveneens dat de mogelijkheden tot gezondmaking steeds bestaan of zelfs op korte termijn kunnen gecreëerd worden" (stuk 7 van Fortis, letterlijke aanhaling). Voor zover M. evenwel zou bewijzen dat Fortis door in 2001 een krediet te verlenen en bijkomende zekerheden te vragen haar bankiersaansprakelijkheid in het gedrang zou gebracht hebben, dan zou daaruit nog niet kunnen besloten worden dat hij niet langer gehouden is tot uitvoering van zijn verbintenissen als mede-kredietnemer van het investeringskrediet en de lening op afbetaling, die meer dan twee jaar eerder werden toegekend. Dit verweer was en is aldus niet dienend in het kader van het onderhavig geding, ook niet in de mate dat M. voorhoudt - zonder dat daaromtrent stukken voorliggen - dat het krediet van 2001 nodig was omdat Fortis overdisponeringen had toegestaan. Deze overdisponeringen zouden enkel kunnen toegestaan zijn in het kader van een kaskrediet of rekening-courantverhouding, terwijl de kredieten waarvan Fortis in het kader van onderhavig geding terugbetaling vordert een investeringskrediet, terugbetaalbaar op 5 jaar en een lening op afbetaling, terugbetalbaar op 3 jaar, betreffen.
- In hoger beroep houdt M. thans ook voor dat Fortis foutief handelde door in 1999 aan Brickx en aan hem zelf het investeringskrediet en de lening op afbetaling toe te staan. Een aansprakelijkheidsvordering van de kredietnemer tegen de kredietgever dient met grote omzichtigheid te worden benaderd. Door het krediet te vragen, stemt de kredietnemer in beginsel immers toe met de schade die door de foute kredietverlening ten aanzien van hem zou zijn veroorzaakt. Indien de kredietnemer op geldige wijze zijn toestemming heeft gegeven voor het bekomen van het krediet, kan de kredietverlener bevrijd zijn van aansprakelijkheid tegenover de kredietnemer (vgl.: CORNELIS, L., De aansprakelijkheid van de bankier bij kredietverlening, T.P.R., 1986, p. 367, nr. 16; MERCHIERS, Y., COLLE, Ph. en DAMBRE, M., Overzicht van Rechtspraak, T.P.R., 1992, nr. 256, p. 969). De kredietnemer kan dan ook slechts uitzonderlijk de kredietverlener aanspreken wegens het toekennen van een krediet. Dit zou met name het geval geweest zijn wanneer het, rekening gehouden met de gegevens waarover de bank beschikte op het ogenblik van het toestaan, vaststond dat de kredietnemer redelijkerwijze het krediet niet zou kunnen terugbetalen (vgl.: WYMEERSCH, E., DAMBRE, M. en TROCH, K., Overzicht van Rechtspraak Privaat Bankrecht (1992-1998), T.P.R., 1999, nr. 18, p. 1800). Uit geen enkel gegeven van het dossier blijkt dat het in februari1999 vaststond dat Brickx het investeringskrediet en de lening op afbetaling niet zou kunnen terugbetalen. M. maakt dit al evenmin op enigerlei wijze aannemelijk. De loutere omstandigheid dat M., die hoofdaandeelhouder én zaakvoerder was van Brickx, als medekredietnemer optrad, bewijst de bewering van M. hoegenaamd niet. Dat Fortis er integendeel wel mocht van uitgaan dat Brickx het toegestane investeringskrediet en de lening op afbetaling kon terugbetalen, blijkt uit de effectief uitgevoerde betalingen. Aldus bleef, op het ogenblik van het faillissement in november 2001, op het investeringskrediet van 79.945,66 EUR in kapitaal, dat terugbetaalbaar was op vijf jaar, nog slechts 45.335,26 EUR verschuldigd in hoofdsom, intresten en kosten. Wat de lening op afbetaling betreft, die aangegaan was voor 12.146,78 EUR in februari 1999 en terugbetaalbaar in 36 maanden, was nog slechts 2.447,82 EUR verschuldigd, waarvan 2.127,69 EUR in kapitaal. Aangezien M. aldus niet aantoont, noch aannemelijk maakt dat Fortis niet voldaan heeft aan de zorgvuldigheidsplicht die iedere voorzichtige, in dezelfde omstandigheden geplaatste kredietverlener in acht diende te nemen vooraleer het krediet en de lening van 3 en 24 februari 1999 toe te kennen, die hij zelf gevraagd heeft, kan geen gunstig gevolg gegeven worden aan zijn verzoek om aan Fortis te bevelen het administratief dossier voor te leggen dat zij heeft opgesteld vooraleer dit krediet en deze lening toe te staan.
- Vermits M. geen fout van Fortis bij de toekenning van het investeringskrediet van 3 februari 1999 en van de lening op afbetaling van 24 februari 1999 bewijst, kan er evenmin reden zijn om zijn terugbetalingsplicht te beperken tot de hoofdsom, noch om de reeds betaalde intresten te compenseren met de nog openstaande kapitaalsaldi en al evenmin tot toekenning van enige schade-vergoeding.
- M. is integendeel gehouden tot betaling van de sommen, zoals toegekend door de eerste rechter. Met betrekking tot de bedragen, die verschuldigd voorkomen aan de hand van de voorliggende stukken, voert hij trouwens geen verweer. IV.
- Aangezien het hoger beroep van M. ongegrond is, zijn de gedingkosten in hoger beroep te zijnen laste.
- Krachtens artikel 1397 Ger.W. schorsen verzet en hoger beroep tegen eindvonnissen de uitvoerbaarheid daarvan. Tegen een tegensprekelijk arrest kan geen verzet, noch hoger beroep worden aangetekend, doch staat enkel nog een voorziening in Cassatie open, die evenwel geen opschortende werking heeft en de uitvoerbare kracht van de beslissing die in laatste instantie is gewezen niet beperkt. De partij die een arrest heeft verkregen dat voor het Hof van Cassatie wordt betwist, kan de tenuitvoerlegging van dat arrest voortzetten, zelfs na de indiening van de voorziening. Het is dan ook overbodig de voorlopige tenuitvoerlegging van een tegensprekelijk arrest te bevelen. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak bij toepassing van artikel 747§2, zesde lid Ger.W.; Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep van D. M. ontvankelijk, doch ongegrond; Bevestigt het bestreden vonnis in zijn beschikkingen; Veroordeelt D. M. tot de gedingkosten in hoger beroep, aan zijn zijde niet te begroten, aangezien zij te zijnen laste zijn, en aan de zijde van de nv Fortis Bank begroot op 3.000,00 EUR rechtsplegingsvergoeding. Onverminderd de toepassing van artikel 1024 van het gerechtelijk wetboek. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van Beroep te Gent, TWAALFDE KAMER, zetelend in burgerlijke zaken, op heden 9-9-
- Aanwezig: - A. Van de Putte, raadsheer, wn. voorzitter; - E. Dursin, raadsheer; - G. Danneels, raadsheer; - B. De Wilde, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.