id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 09 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090909.7 Rolnummer: 2004-AR-1516 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2011-11-07 Raadplegingen: 253 - laatst gezien 2026-07-02 20:13 Fiche Artikel 807 Ger. W. vereist niet dat de nieuwe vordering uitsluitend zou berusten op een feit of een akte (handeling) die in de gedinginleidende akte wordt aangevoerd.. Zo zal het volstaan dat het feit of de handeling (akte) waarop de uitbreidende of wijzigende vordering steunt, reeds in de gedinginleidende akte wordt vermeld, ook al heeft de eiser alsdan nog geen (juridisch) gevolg afgeleid nopens de gegrondheid van zijn vordering. In het licht van het feit dat het geschil een evolutief gegeven is, kan de rechter ook rekening houden met nieuwe feiten en/of handelingen die zich sedert de gedinginleidende akte hebben voorgedaan of die sedertdien zijn ontdekt en die een weerslag hebben op het geschil. Een gebrek in de zin van artikel 1641 B.W. hoeft niet louter intrinsiek te zijn; de ongeschiktheid van de verkochte zaak voor het gebruik waarvoor de koper de zaak bestemde, maakt op zichzelf reeds het gebrek uit, ook al is de zaak in se zelfs volmaakt. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - GERECHTELIJK RECHT- ALGEMENE BEGINSELEN - Beginselen (gerechtelijk recht - algemene beginselen) BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Koop-verkoop - Koopvernietigende gebreken Vrije woorden: Procedure - artikel 807 Ger. W. - soepele interpretatie Koop - vrijwaringsvordering van de koper voor verborgen gebreken (artikelen 1641 e.v. B.W.) - intrinsiek gebrek - onbeschikbaarheid van de gekochte zaak. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 12 Kamer ________ Terechtzitting van 09 september 2009 EINDARREST - In de zaak met het rolnummer 2004/AR/1516 van: A. D., garagehouder, wonende te ..............................., met ondernemingsnr. .................., handel drijvend onder de naam ‘GARAGE D.. A..', appellant tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk, op tegenspraak gewezen door de zevende kamer dd. 19-4-2004, oorspronkelijk verweerder op hoofdvordering en eiser in tegenvordering; hebbende als raadsman mr. SUSTRONCK Geert, advocaat te 8500 Kortrijk, Burg. Nolfstraat 10 tegen : 1. L. G., en zijn echtgenote 2. O. B, samenwonende te .........................., geïntimeerden, oorspronkelijk eisers in hoofdvordering en verweerders op tegenvordering, hebbende als raadslieden mr. DE TOLLENAERE Joris en mr. VANHOUTTE Brigitte, beiden advocaat te 8500 Kortrijk, Gentsesteenweg 214 ; velt het hof het volgend arrest. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 10 juni 2004 tekende D. A. (hierna "A." of "appellant" genoemd) hoger beroep aan tegen het vonnis op tegenspraak gewezen op 19 april 2004 door de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk, zevende kamer, tussen hemzelf en de echtgenoten L. G. en O. B. (hierna "geïntimeerden" genoemd) in de zaak met A.R. nr. 02/1257/A. Hierin was eveneens de bvba Carrosserie J. H. (hierna "H." genoemd) gedingpartij, doch deze werd niet mede in de beroepsprocedure betrokken. De partijen werden ter openbare terechtzitting van 10 juni 2009 gehoord in hun middelen en conclusies. De zaak werd op deze zitting hernomen met de huidige samenstelling. Beide partijen verklaarden bij monde van hun raadslieden dat alle neergelegde conclusies tot het debat behoren. De overgelegde stukken werden ingezien. I. antecedenten 1. feitelijke voorgaanden Onderhavig geschil houdt verband met de staat van de personenwagen BMW 525TDS bouwjaar 1998 chassisnummer WBADF71060BS54546 door geïntimeerden bij A. op 11/6/2001 gekocht voor de prijs van 22.806,18 euro (incl. btw 21%) of 920.000 oude bef, gefactureerd op 15/6/2001 én volledig betaald. De wagen werd verkocht "in de staat waarin het zich bevindt" en er werd een waarborg van één jaar op draaiende en bewegende delen verleend. Geïntimeerden hielden voor sedert de aankoop regelmatig problemen en technische mankementen met de wagen te hebben gehad; zo dienden vrij vlug banden te worden verwisseld en vervangen door Pirelli-banden, moesten de schokdempers reeds gedurende het eerste jaar worden vervangen, waren er problemen met de remmen, een loshangende deur ed.. Sommige herstellingen werden door A. uitgevoerd, andere herstellingen gebeurden dan weer door andere garagisten. Geïntimeerden maakten eveneens gewag van nog niet verholpen gebreken zoals onregelmatig geluid van de motor, niet goed afgestelde voorlichten, stilvallen van de wagen bij koude motor, abnormaal hoog olieverbruik, problemen met het halen van een hoge snelheid, zwarte rook uit de uitlaat, kraken van de handrem, ronkend geluid aan het rechterachterwiel. Aanleiding tot de procedure was een verkeersongeval dat aan tweede geïntimeerde op 19/4/2002 overkwam op een autostrade in Frankrijk : hierbij viel tijdens het rijden de motor van de wagen plots stil waardoor zij achteraan door twee voertuigen werd aangereden. Niet alleen was er ernstige schade aan haar wagen, bovendien had zij ook fysieke letsels opgelopen met een arbeidsongeschiktheid voor gevolg. Deze plotse stilstand van de auto bleek te wijten te zijn geweest aan een kortstondige stroomuitval als gevolg van een losgekomen klep aan de batterij. Dit was althans de diagnose gesteld door garage T. te Kuurne (Suzuki-dealer) op 20/4/2002. Kort vóór het ongeval was de wagen bij A. binnengebracht geweest met een probleem aan de koeling. Aanvankelijk werd dan ook gedacht dat een fout of een nalatigheid bij die herstelling de kortstondige stroomuitval enkele dagen later had veroorzaakt. Naderhand is gebleken dat dit niet zo was. De wagen werd hersteld door garage T., zoals blijkt uit de door haar op 20/4/2002 opgemaakte factuur. De carrosseriewerken werden uitgevoerd door de bvba L. D.. Diens zaakvoerder L. D., schreef n.a.v. de herstelwerkzaamheden de volgende verklaring: "Tijdens de herstelling achteraan de wagen stelden wij vast dat deze vroeger reeds hersteld werd met "tweedehands" onderdelen en dat de werken niet volgens de normen werden uitgevoerd." (zie st. 11 bundel geïntimeerden) Naar aanleiding van deze melding werd de historiek van het voertuig onderzocht en toen bleek dat het voertuig betrokken was geweest in een totaal-verlies-ongeval. Het voertuig was door de autohandel C. op 27/10/2000 "als geaccidenteerd voertuig" verkocht aan A. voor een bedrag van 415.000 bef (excl. btw). Dit voertuig maakte deel uit van een lot van 6 autowrakken dat door de nv Hupert (afbraakfirma) aan de autohandel C. was verkocht. De nv Hupert was op haar beurt in het bezit van de wagen gekomen via de verzekeraar van de vroegere eigenaar, met name nv Flexia. Teneinde uitsluitsel te bekomen omtrent de staat van hun wagen, wendden geïntimeerden zich op 16/5/2002 tot een officiële BMW-dealer, met name de garage L.-L. C. te Desselgem. Een diagnose bleek aldaar evenwel niet mogelijk ingevolge een elektronisch probleem; wel werden diverse mankementen vastgesteld zoals een verplooide uitlaat achteraan, olieverlies aan de schokdemper LV, schending van de support van de versnellingsbak, lawaai afkomstig uit de motor of de versnellingsbak, beschadiging van het dragend koetswerk rechterzijde onderaan en van de hitteschilden aan de uitlaat, alsook nog diverse andere mankementen. Herstellingen werden door deze BMW-garage uitgevoerd tot beloop van 644,08 euro (btw 21% incl.). Nader onderzoek wees uit dat de wagen op 7/9/2000 betrokken is geweest in een zwaar verkeersongeval waarbij de expert (CEAL) van de toenmalige BA-verzekeraar van de wagen (nv Flexia) deze als totaal verlies had afgeschreven. Naderhand zal blijken dat de wagen geen technisch totaal verlies was, wel een economisch totaal verlies. De waarde vóór het ongeval werd bepaald op 765.000 oude Bef. Na aftrek van de wrakwaarde (255.000 oude Bef) werd de schade in hoofde van de vroegere eigenaar van de wagen (de heer P. G., te ...................) geraamd op 510.000 oude Bef (excl. btw) (zie st. 8 bundel geïntimeerden). Na het ongeval op 19/4/2002 en de herstelwerkzaamheden in mei-juni 2002 geraakte de wagen nog tweemaal defect omwille van een lege batterij (op 12/10/2002) en een defecte batterij (op 20/10/2002). De diverse technische mankementen sedert de aankoop van de wagen, het ongeval op 19/4/2002, de verklaringen van het carrosseriebedrijf D. en van de garage T., die beiden de herstelwerken na voormeld ongeval uitvoerden, en de vaststellingen van de BMW-garage L.-D. C., brachten geïntimeerden ertoe om A. door middel van een aangetekend schrijven dd. 22/5/2002 uitgaande van hun raadsman, in gebreke te stellen o.m. in volgende bewoordingen : "(...) Hoe dan ook vertrouwen cliënten de wagen nu helemaal niet meer en lieten zij gelukkig een volledige controle doen van de wagen bij een erkend BMW dealer, garage L. - L. C.. Daar werd nog min nog meer aan cliënten meegedeeld dat de wagen absoluut onveilig is en nooit in het verkeer had mogen gebracht worden. (...) U zult de waslijst van onzichtbare gebreken terugvinden. Het is evident dat cliënten door U nog min nog meer zijn bedrogen en dat zij de wagen nooit hadden aangekocht mochten zij kennis hebben gehad van de gebreken. Ik heb dan ook formeel opdracht over te gaan tot dagvaarding ten gronde in ontbinding van de overeenkomst, met bijhorende schadevergoeding en met de vraag tot aanstelling van een expert op de inleidende zitting. (...) Teneinde dit te vermijden kunt u uiteraard eerst vrijwillig overgaan tot ontbinding van de aankoop. In dat geval zien cliënten af van alle vorm van bijkomende schadevergoeding (onder meer ten gevolge van de vele ongemakken het laatste jaar en onder meer ten gevolge van het feit dat cliënten op heden nauwelijks nog durven rijden met hun wagen, waarvoor het meest formele voorbehoud, o.m. voor de verplaatsing naar het werk) met uitzondering van Uw eventuele aansprakelijkheid voor het verkeersongeval waaromtrent allicht een procedure volgt voor de bevoegde politierechtbank in Frankrijk. Concreet stel ik dan ook voor dat U de wagen terugneemt mits betaling van de door cliënten betaalde prijs. (...) Voor zoveel als nodig (verborgen gebreken vallen ook buiten de garantie ten Uwen laste) verwijs ik ook naar de garantie die nog loopt en die door huidige ingebrekestelling in ieder geval niet kan verlopen. (...)" (letterlijke weergave) A. beantwoordde deze ingebrekestelling bij niet-vertrouwelijk schrijven dd. 29/5/2002 van zijn raadsman en betwistte dat de wagen bij de verkoop was behept met ernstige gebreken. Hij wees erop dat het een tweedehands wagen betrof die er niet uitziet als een nieuwe wagen "noch LOOPT als een nieuwe". Volgens hem hebben zich niet oneindig veel problemen gesteld en de kleine problemen zoals die aan de airco, werden te zijnen laste uitgevoerd. Het aircoprobleem lag in ieder geval niet aan de basis van het ongeval. Mocht er al een probleem met een klem geweest zijn, dan is dit volgens A. in ieder geval niet zo ongewoon bij een tweedehands wagen, althans niet in die mate dat dit de vernietiging van de verkoop zou moeten meebrengen. De "waslijst" van onzichtbare gebreken, zoals door de BMW garage L.-L. C. opgemaakt, neemt A. niet ernstig : "De krasjes en de plooi, zijn niet essentieel voor de goede werking van de wagen en kunnen er evengoed in het voorbije jaar door Uw cliënt zijn ingebracht. Trouwens een tweede-handswagen wordt NIET krasvrije geleverd zeker niet aan de onderkant." (sic). Het lawaai en het olieverlies waren voor A. "evenmin grote mankementen die voor een tweede-handswagen, een koop-vernietiging zouden kunnen wettigen". (sic) Aangezien de garantietermijn van 1 jaar nog liep verklaarde A. zich wel bereid de "kleine momenteel aangehaalde mankementen (olieverlies-lawaai) onmiddellijk te verhelpen, mochten die er werkelijk blijken te zijn". Hij achtte het dan ook nuttig een bijeenkomst tussen partijen te organiseren. De partijen kwamen alsdan overeen om een gerechtsdeskundige te laten aanstellen. 2. procedurele voorgaanden 2.1. Op 24/6/2002 werd een P.V. van vrijwillige verschijning opgesteld voor de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk, zevende kamer. Hierbij verklaarden de beide partijen zich akkoord dat een deskundige zou worden aangesteld in de persoon van D. C.. Geïntimeerden vorderden bijkomend 1 euro provisioneel en maakten voorbehoud om na afloop van de expertise hetzij een vordering tot ontbinding van de overeenkomst met schadevergoeding te stellen, hetzij een vordering tot betaling van een minwaarde gecombineerd met het rijklaar maken van de wagen door een erkende BMW dealer op kosten van A.. 2.2. Bij tussenvonnis dd. 28/6/2002 werd burgerlijk ingenieur D. C. als deskundige aangesteld met als opdracht : - de BMW 525 TDS met chassisnummer WBADF71060BS54546 te onderzoeken en te zeggen of die auto al dan niet met gebreken behept is, of de eventueel vastgestelde gebreken al dan niet reeds bestonden, eventueel in de kiem, op het moment van de aankoop van de auto door geïntimeerden en of die gebreken alsdan zichtbaar dan wel verborgen waren, - de oorzaak (of oorzaken) van de eventueel vastgestelde gebreken op te sporen en te zeggen aan wie die technisch en feitelijk toe te rekenen is (zijn), en of er al dan niet een oorzakelijk verband bestaat tussen deze gebreken en het ongeval van 19/4/2002, - de aangewezen herstelwijze(
- n)van de eventuele gebreken aan de auto te bepalen en de duur en kostprijs ervan te begroten, alsook de eventuele blijvende minwaarde, voor zover volledige herstelling onmogelijk zou blijken te zijn; tevens advies te verstrekken nopens de eventuele genotsderving. 2.3. De deskundige organiseerde twee technische bijeenkomsten : een eerste bijeenkomst op 26/9/2002 en een tweede bijeenkomst bij BMW te Bornem op 27/11/2002. Tijdens de eerste bijeenkomst op 26/9/2002 (tevens installatie-vergadering) bij garage H. stelde de deskundige geen problemen vast in verband met de wielstanden en de motordiagnose, doch des te meer bij het herstel van het koetswerk : het voertuig bleek uit twee helften te bestaan, waarbij het achterste gedeelte niet origineel was maar afkomstig van een ander wrak en waarbij de twee helften onderaan aan elkaar waren gezet achter de voorzetels en bovenaan in de achterste dakstijlen. Op deze eerste bijeenkomst gaf A. toe - en dit voor het eerst - dat hij vóór de verkoop van de wagen aan geïntimeerden kennis had van het feit dat de wagen ernstig geaccidenteerd was en als totaal verlies was bestempeld. Geïntimeerden maakten op hun beurt kenbaar dat, sinds zij op de installatievergadering van 26/9/2002 op de hoogte raakten dat het voertuig uit twee verschillende helften bestond, zij zulk voertuig niet wensten (p. 27 deskundig verslag). Benevens dit werden nog volgende mankementen vastgesteld (p. 9-10 deskundigenverslag) : - de band van het linker voorwiel was op de buitenkant meer versleten dan op de binnenkant, wat zou wijzen op een gebrekkige sporing van de voortrein, - de motorkap sloot niet correct aan langs de koplichten. Bij het linker koplicht kon men een vinger steken tussen het koplicht en de motorkap; bij het rechterkoplicht raakt de motorkap tegenaan het koplicht, - de velgen op de wielen waren te groot; het waren niet de originele velgen die bij het voertuig hoorden, - de linker schokdemper achteraan verloor olie, - de bodemplaat onderaan was gedeukt (de uitlaat was kennelijk bij het totaal-verlies-ongeval in de bodemplaat geslagen; de ophanging van de uitlaat was afgebroken). In het licht van het K.B. van 15 maart 1968 houdende de technische eisen waaraan auto's moeten voldoen, en inzonderheid artikel 23 van dit KB met betrekking tot de keuringen, achtte de gerechtsdeskundige het aangewezen het advies van de constructeur (BMW) in te winnen. Zwaar geaccidenteerde wagens dienen immers nà hun herstel aan een (niet periodieke) keuring nà ongeval te worden onderworpen dan wel het voorwerp uit te maken van een rehabilitatieprocedure, waarbij telkenmale een attest van de constructeur moet voorgelegd worden waarin deze bevestigt dat de herstelling volgens zijn normen is gebeurd. Bij brief van 16/10/2002 antwoordde BMW Group Belgium (kortweg "BMW") aan de deskundige als volgt : "In verband met uw vraag naar de toegelaten herstellingen aan de carrosserie van dergelijke wagens kunnen wij u het volgende melden : Indien het noodzakelijk blijkt om onderdelen van het koetswerk te vervangen, is het voorgeschreven de carrosserie-onderdelen, zoals deze terug te vinden zijn in de huidige catalogus van BMW, als geheel te vervangen. Dit houdt in dat het plaatwerk op de in de fabriek aangebrachte laspunten losgemaakt en opnieuw bevestigd mag worden, tenzij er een specifiek deelstuk in de catalogus bestaat. Het doorzagen van het plaatwerk op een willekeurige plaats en daar door ander plaatwerk vervangen leidt tot verzwakking van de structuur ter hoogte van de lasnaden. Dit is uiteraard volledig uit den boze voor dragende delen van de wagen en strookt niet met de normen die de constructeur hierin hanteert." (bijlage 14 van het deskundig verslag) De tweede technische bijeenkomst vond plaats bij BMW te Bornem op 27/11/2002. Hieromtrent vermeldt de deskundige het volgende : "De technicus (De Heer C. V. D. S.) van BMW BELGIUM stelde vast dat de langsdraagbalk in de drempels achter de B-stijl dwars was doorgezaagd en met een overlap terug aan elkaar was gelast (en dit slechts één kant van de overlap). Dit was al voldoende om te besluiten dat de normen van de constructeur waren geschonden." (p. 13 deskundig verslag) Op de vraag van A. om vooralsnog het voertuig te onderwerpen aan een keuring nà ongeval, ging de deskundige niet in om reden dat "bij aankomst men daar al dadelijk (zou) moeten opgeven dat BMW Belgium zelf de wagen al niet hersteld acht volgens de normen van de constructeur" (p. 13 deskundigenverslag). De interne richtlijnen die door alle keuringstations worden gehanteerd (en bijgevoegd als bijlage B van het verslag) voorzien immers dat de herstellingen in de eerste plaats moeten voldoen aan de richtlijnen van de constructeur. Aangezien dit voor de litigieuze wagen niet het geval was, achtte de deskundige een keuring nà ongeval dan ook nutteloos, des te meer bij het aanbieden van een voertuig voor keuring nà ongeval de lasnaden volledig zichtbaar moeten zijn, hetgeen betekent dat alle eventuele deklagen die de lasnaden verbergen, vooraf moeten verwijderd worden, wat in het geval van de herstelde BMW moeilijk haalbaar was. In het kader van het onderzoek naar de oorzaak van het ongeval op 19/4/2002 (plots uitvallen van de motor) werd nagegaan of de draaiende motor stilviel wanneer een klem van de batterij werd afgenomen. Dit bleek evenwel niet het geval te zijn. Wel werd vastgesteld dat de startstroom van de geplaatste batterij heel wat lager was dan deze van het originele batterijtype. Merkwaardig was wel dat de motordiagnose tijdens het deskundigenonderzoek geen belangrijke foutmeldingen in het geheugen weergaf die wezen op een probleem met het uitvallen van de motor. De deskundige legde, na een uitvoerige en gemotiveerde beantwoording van de opmerkingen van de partijen en van de technische raadslieden van A., met name M. B. (expertisebureau D. P.), G. M. en J. F. (JF Expertisebureau), zijn eindverslag ter griffie neer op 14/3/2003. Ondertussen hadden geïntimeerden de BMW in kwestie reeds vanaf 1/12/2002 uit het verkeer gehaald. De eindbesluiten van de gerechtsdeskundige werden door de eerste rechter in het bestreden vonnis als volgt samengevat: "De wagen in kwestie was voor de koop het slachtoffer van een zwaar verkeersongeval (economisch totaalverlies) en werd hersteld volgens richtlijnen die niet stroken met de richtlijnen van de constructeur. De wagen die door dat ongeval erg beschadigd werd achteraan en in de rechterflank, werd na verwijdering van de geaccidenteerde achterkant voorzien van de achterkant van een ander wrak. Daarbij werden de verbindingslassen niet gelegd op de plaatsen voorzien door de constructeur. Het lassen gebeurde door de vrijwillig tussenkomende partij BVBA Carrosserie J. H.. De wagen had een speciale herkeuring na ongeval (dienen
- te)ondergaan en heeft die niet ontvangen. De deskundige ziet geen mogelijkheid die gebreken nog op een economische manier te herstellen. Bovendien betaalde L. die wagen duur en ook van die kant bekeken dient gezegd dat de wagen niet kan beantwoorden aan de verwachtingen die partij L. mocht koesteren op het moment van de koop. Partij L. heeft de wagen sedert de koop ca. anderhalf jaar gebruikt en de vergoeding voor dit gebruik kan begroot worden op 165.000BF. Van dit bedrag zijn de nodeloze kosten af te trekken die partij L. maakte buiten het normale onderhoud en de normale slijtage, nl. 40.635BF., tevens het nutteloos aandeel betaalde BIV, nl. 19.600BF." Hieraan kan worden toegevoegd dat de gerechtsdeskundige geen verband zag tussen de gebreken aan de wagen en het ongeval overkomen aan tweede geïntimeerde op 19/4/2002. Wel stelt hij dat geïntimeerden voor de door hen betaalde koopprijs een wagen mochten verwachten die ongevalsvrij en in zeer goede staat was en niet een wagen die na een erg zwaar ongeval hersteld werd met occasieonderdelen in strijd met de normen van de constructeur. 2.4. Aangezien de carrosseriewerken nà het (eerste) ongeval (totaal verlies) werden uitgevoerd door H., kwam deze op 23/12/2002 vrijwillig in het geding tussen. 2.5. In hun conclusies (na expertise) neergelegd op 28/3/2003 vorderden geïntimeerden de verkoopovereenkomst tussen hen en A. te ontbinden in het nadeel van A., en A. en H. solidair, in solidum, minstens de ene bij gebreke van de andere te veroordelen tot betaling van : - de som van 24.299,35 euro als terugbetaling van de verkoopprijs van de wagen en de bijkomende door de deskundige weerhouden schade, meer de moratoire, vergoedende, wettelijke en/of gerechtelijke rente vanaf 15/6/2001 tot de dag der uiteindelijke betaling, - de som van 4.702,33 euro als terugbetaling van alle bijkomende kosten ten gevolge van het in verkeer brengen van een voor dat verkeer onveilige wagen, meer de moratoire, vergoedende, wettelijke en/of gerechtelijke rente vanaf 15/6/2001 tot de dag der uiteindelijke betaling, - de som van 2.719,20 euro als terugbetaling van standgeld van de wagen in de eigen garage met waardevermindering ten gevolge van de wagen van eerste geïntimeerde die niet in de garage kon gestald worden en het in onbruik zijn van de garage in die periode, te vermeerderen met een bedrag van 6,60 euro per dag vanaf 11/8/2003 tot de dag der volledige betaling, - de som van 726,03 euro als terugbetaling van het netto verlies welke geïntimeerden leden ten gevolge van de terbeschikkingstelling van een wagen door de werkgever van tweede geïntimeerde, te vermeerderen met een maandelijks bedrag van 80,67 euro vanaf september 2003 tot de dag van volledige betaling, - de geding- en expertisekosten. Geïntimeerden hebben later op de zitting van 9/2/2004 voor de eerste rechter afstand gedaan van hun vordering zoals gericht tegen H., reden waarom deze partij niet meer in de beroepsprocedure betrokken werd. Ten aanzien van A. baseerden geïntimeerden zich op de artikelen 1603, 1625 en 1641 e.v. 1644 en 1645 B.W. (vrijwaringsplicht van de verkoper voor verborgen gebreken), op (hoofd)bedrog als wilsgebrek alsook op de wet van 25/2/1991 betreffende de product-aansprakelijkheid, voorhoudende dat A. door zijn herstelwijze meewerkte aan de totstandkoming van het eindproduct. Wel betwistten zij de door de deskundige in mindering gebrachte gebruikswaarde a rato van 165.000 oude Bef. A. betwistte de vordering stellende dat de wagen niet aangetast was door enig verborgen gebrek dat de wagen ongeschikt maakte voor het gebruik waartoe hij bestemd was, dat de wagen volkomen veilig was en er bijgevolg evenmin grond was tot enige aansprakelijkheid op grond van de wet van 25/2/1991. Bedrog en kunstgrepen die zouden geleid hebben tot de aankoop van de wagen door geïntimeerden, waren volgens hem evenzeer niet bewezen. Voorts betwistte hij de gevorderde bedragen, inzonderheid de gevorderde schadeposten. De eerste rechter verklaarde de vordering van geïntimeerden ten aanzien van A. ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond: hij verklaarde de koopovereenkomst ontbonden in het nadeel van A. en veroordeelde deze laatste tot betaling van de som van 20.633,40 euro (na teruggave van de wagen) meer de vergoedende rente op een bedrag van 20.208,40 euro vanaf 1/12/2002 (datum waarop de wagen uit het verkeer werd gehaald) alsook tot betaling van de stallingskosten van 25 euro per maand tot aan de effectieve betaling van dit bedrag/teruggave van de wagen. Hij veroordeelde A. eveneens tot de gedingkosten en de expertisekosten en verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad niettegenstaande elk verhaal en zonder borgstelling en met uitsluiting van kantonnement. Zijn overwegingen zijn kort de volgende : - een keuring na ongeval, waarop A. sterk aandrong en welke door de deskundige als overbodig werd afgewezen, is niet meer nuttig noch noodzakelijk niet zozeer omdat niet hersteld werd volgens de normen van de constructeur, maar vooral omdat geïntimeerden, nadat zij kennis hadden van het feit dat zij een tweedehands wagen hadden gekocht die in een ongeval betrokken was geweest - wagen die als totaal verlies werd afgeschreven en waarvan de voorzijde aan de achterzijde van een andere geaccidenteerde wagen werd gelast - onmiddellijk te kennen hebben gegeven dat zij, indien zij dit geweten hadden, nooit aan een dergelijke prijs die wagen zouden aangekocht hebben, - de vraag of de wagen al dan niet goed aaneengelast werd, achtte de eerste rechter niet meer dienend aangezien geïntimeerden terecht onmiddellijk de keuze hebben gemaakt om de zaak terug te geven en zich de prijs te doen terugbetalen en niet geopteerd hebben voor het behoud van de zaak met terugbetaling van een gedeelte van de prijs, in welk geval een dergelijke keuring na ongeval alsnog zin zou gehad hebben, - de deskundige is terecht van oordeel dat ingevolge de wetenschap in hoofde van eventuele kandidaat-kopers dat de wagen bij een ongeval zodanig beschadigd was dat deze totaal verlies was en bovendien bestaat uit twee aan elkaar gezette stukken van twee verschillende wagens, de kwestieuze wagen een beduidende minwaarde zou krijgen, in de hypothese dat al een koper voor een dergelijke wagen zou gevonden worden, - het niet-meedelen van het (economisch) totaalverlies en de manier waarop de wagen hersteld werd, zijn voldoende om de keuze van geïntimeerden tot teruggave van de wagen met terugbetaling van de prijs, naast vergoeding van de schade, te verantwoorden, - er dient bijgevolg toepassing te worden gemaakt van de artikelen 1641-1644-1645 B.W. : in elk geval vermindert het gebrek dat naar aanleiding van het deskundigenonderzoek aan het licht is gekomen zodanig het gebruik dat de koper, indien hij dit gebrek gekend had, de wagen niet of slechts voor een mindere prijs zou hebben gekocht. Het aan geïntimeerden toegekende bedrag is samengesteld als volgt : - aankoopprijs 22.806,18 euro - min vergoeding voor gebruik - 4.090,24 euro - onderhouds- of herstelfacturen + 1.007,30 euro - BIV (pro rata) + 485,16 euro - stallingskosten (1/12/2002-1/5/2004) ad. 25 euro per maand + 425,00 euro te vermeerderen met 25 euro per maand tot aan de effectieve terugbetaling van de prijs en afgifte van de wagen p.m. totaal 20.633,40 euro In uitvoering van het bestreden vonnis werd de wagen door geïntimeerden bij A. teruggebracht einde juni 2004. Op 2/7/2004 onderging het voertuig een keuring waarbij het voertuig geschikt werd bevonden. Dit keuringsbewijs was geldig tot 2/7/2005 (st. 24 bundel A.). 2.6. A. voelde zich gegriefd en tekende op 10/6/2004 hoger beroep aan. Geïntimeerden legden als reactie hierop tegen A. (en X) op 29/11/2004 een klacht met burgerlijke partijstelling neer voor de onderzoeksrechter te Kortrijk. De klachtbrief zelf wordt niet overgelegd, wel de beschikking van de Raadkamer te Kortrijk van 3/3/2006, waarbij A. buiten vervolging werd gesteld voor wat o.m. oplichting, misbruik van vertrouwen en opzettelijke slagen en verwondingen aan O. B. betreft en waarbij hij naar de correctionele rechtbank werd verwezen wegens een inbreuk op artikel 311 Sw erin bestaande door enig bedrieglijk middel de stijging of daling van de prijs van eetwaren of koopwaren of van openbare effecten en papieren bewerkt te hebben," namelijk door : - te verzwijgen aan de burgerlijke partijen (huidige geïntimeerden) dat het voertuig BMW 525 TDS (...) op 7/9/2000 reeds betrokken was geweest in een ongeval en daarbij als totaal verlies was bestempeld, - het voertuig te (laten) herstellen door middel van het afnemen van de beschadigde achterhelft, afkomstig van een ander voertuig, op een manier die niet conform de normen van de constructeur geschiedde, - deze herstelwijze zowel tegenover de overheid (Bestuur en inspectiediensten) als de burgerlijke partijen te verzwijgen, - het bewuste voertuig niet aan te bieden voor een specifieke keuring na ongeval, maar gewoon als tweedehands voertuig ter keuring aan te bieden, bewerkt te hebben dat het voertuig kon verkocht worden aan een prijs van 920.000 BEF (760.330 BEF + 21% BTW) hetgeen de normale verkoopprijs na ongeval voor een dergelijk voertuig overstijgt." Bij vonnis van de correctionele rechtbank te Kortrijk dd. 25/10/2006 werd A. hiervoor strafrechterlijk veroordeeld - met uitzondering van de tenlastelegging in zoverre deze de feiten betreft vermeld onder het tweede gedachtestreepje - en werd hij veroordeeld tot betaling aan de burgerlijke partij (geïntimeerden) van de som van één euro provisie (genotsderving) en één euro provisie (morele schade). A. tekende hiertegen hoger beroep aan en bij arrest dd. 20/6/2007 oordeelde het Hof van Beroep te Gent, derde kamer, dat de door de burgerlijke partijen gewraakte handeling niet viel onder de toepassing van artikel 311 Sw, dat deze aan A. ten laste gelegde feiten, voor zover bewezen, dienen te worden omschreven als een inbreuk op artikel 496 Sw (oplichting), maar dat herkwalificatie niet mogelijk was, gelet op de buitenvervolgingstelling door de raadkamer, waardoor een einde aan de rechtspleging voor het misdrijf oplichting was gesteld. Het Hof verklaarde de tenlastelegging bijgevolg niet bewezen en ontsloeg A. van verdere rechtsvervolging. Op burgerrechtelijk gebied verklaarde het Hof zich onbevoegd om te oordelen over de vorderingen van de burgerlijke partij. Lopende het gerechtelijk onderzoek besliste de onderzoeksrechter op 28/2/2006 op verzoek van A. tot de opheffing van het strafrechtelijk beslag op het voertuig onder de voorwaarde dat het voertuig aan de bijzondere keuring na ongeval werd onderworpen. A. legt in dit verband het keuringsbewijs dd. 27/4/2006 (geldig tot 27/4/2007) voor. Het voertuig werd op 2/5/2006 aan derden verkocht aan de prijs van 8.000,00 euro. De verkoopovereenkomst noch de factuur worden dienaangaande voorgelegd. 2.7. De beroepsprocedure, die ingevolge de strafklacht en de strafprocedure was opgeschort, kon verder gezet worden. In graad van hoger beroep vordert A. de vernietiging van het bestreden vonnis en opnieuw wijzende de oorspronkelijke vordering(
- en)van geïntimeerden als ontoelaatbaar, minstens als ongegrond af te wijzen. Dienvolgens voor zoveel als nodig geïntimeerden te veroordelen tot het terugbetalen aan A. van de totale som, zowel in hoofdsom, rente als kosten, die hij heeft betaald ingevolge de gedwongen uitvoering van het vonnis a quo méér de rente vanaf de datum van deze betaling. Hij besluit eveneens tot de ongegrondheid van zowel het incidenteel beroep als van de vorderingen van geïntimeerden tot schadevergoeding wegens tergend en roekeloos beroep en tot vergoeding van de kosten en ereloon van de raadsman, en vordert de verwijzing van geïntimeerden in de gedingkosten van de beide aanleggen. Zijn beroepsgrieven zijn de volgende : - de eerste rechter noch het Hof is rechtsgeldig gevat door een vordering in ontbinding/nietigverklaring van de koopovereenkomst, nu in het P.V. van vrijwillige verschijning dat geldt als een dagvaarding, géén dergelijke vordering werd opgenomen, - de vorderingen tot ontbinding op grond van koopvernietigende gebreken (artikel 1641 e.v. B.W.) en tot nietigverklaring van de koopovereenkomst op grond van bedrog, zoals geformuleerd in de besluiten voor de eerste rechter neergelegd op respectievelijk 28/3/2003 en 1/9/2003, vormen geen uitbreiding of aanpassing van de vordering zoals geformuleerd in het P.V. van vrijwillige verschijning maar zijn nieuwe, voor de eerste maal gestelde, vorderingen die in het kader van artikel 807 Ger. W. niet toelaatbaar zijn, aangezien ze niet berusten op een feit of akte die geïntimeerden in het P.V. van vrijwillige verschijning hebben aangevoerd : de vorderingen tot ontbinding/nietigverklaring van de koopovereenkomst zijn immers gebaseerd op het feit dat A. geïntimeerden niet heeft ingelicht omtrent de historiek van de wagen, inzonderheid het economisch totaal verlies en de specifieke herstelwijze van de wagen, feiten waarvan geen melding wordt gemaakt in de gedinginleidende akte. De vorderingen tot ontbinding/nietigverklaring zijn bijgevolg niet gesteund op de in de gedinginleidende akte aangevoerde gebreken aan het voertuig, zodat deze vorderingen onontvankelijk zijn. - de door geïntimeerden bij conclusie neergelegd op 28/3/2003 geformuleerde vordering tot ontbinding van de koopovereenkomst op grond van koopvernietigende gebreken is laattijdig want ingesteld buiten de korte termijn van artikel 1648 B.W. en derhalve ontoelaatbaar; de vordering is minstens ongegrond aangezien de gebreken in het P.V. van vrijwillige verschijning vernoemd alle door de deskundige werden verworpen als niet van aard om de ontbinding van de koopverkoop te rechtvaardigen. Het deskundigenonderzoek spreekt zelfs tegen dat het ongeval op 19/4/2002 werd veroorzaakt door een niet goed aangespannen klem van de batterij na een herstelling aan de koeling van het voertuig door A. op 16/4/2002, Bovendien bewijzen geïntimeerden niet dat de aangevoerde gebreken de wagen ongeschikt maakten voor het gebruik waartoe hij bestemd was, noch dat de gebreken reeds aanwezig waren ten tijde van de aankoop van de wagen op 11/6/2001, daar waar het niet ongevalvrij zijn op zich niet als een verborgen gebrek bij een tweedehands voertuig te aanzien is en het evenmin bewezen wordt dat de uitgevoerde herstelwijze gebrekkig was. Ten bewijze het feit dat de wagen tot tweemaal toe een keuring nà ongeval met succes heeft doorstaan (op 2/7/2004 na de restitutie van de wagen door geïntimeerden en op 27/4/2006 na opheffing van het strafrechtelijk beslag door de onderzoeksrechter) en inmiddels reeds 5 jaar probleemloos rondrijdt, - de eerste rechter kan niet gevolgd worden waar hij het niet meedelen van het totaal verlies en de herstelwijze van de wagen aan geïntimeerden, als een verborgen gebrek aanziet van aard om de overeenkomst te ontbinden, en evenmin waar hij stelt dat het gebrek dat naar aanleiding van het deskundigenonderzoek is naar boven gekomen zodanig het gebruik vermindert dat de koper, indien hij het gebrek gekend had, de wagen niet of slechts voor een mindere prijs zou hebben gekocht; het blijkt niet dat de historiek van de wagen en de herstelwijze voor geïntimeerden doorslaggevende elementen waren die hun aankoop hebben beïnvloed, - de eerste rechter maakte bijgevolg een verkeerde toepassing van de leer van de verborgen gebreken, - door geïntimeerden werd nooit de nietigheid van de overeenkomst gevorderd zodat de koopovereenkomst niet kan vernietigd worden. Ondergeschikt bewijzen geïntimeerden niet dat A. bewust wetens en willens niet heeft meegedeeld dat de wagen niet ongevalvrij was en hen niet heeft ingelicht omtrent de herstelwijze van de wagen met de bedoeling hen tot de verkoop tegen de kwestieuze prijs te bewegen. Evenmin noopt het beweerd niet-meedelen van de informatie aan geïntimeerden omtrent de aard van het ongeval en de specifieke herstelwijze tot het besluit dat zij de wagen niet zouden hebben gekocht indien zij wel van deze informatie op de hoogte waren geweest. Het feit dat zij de wagen hebben laten herstellen, hoewel zij reeds sedert 14/6/2002 door CEAL op de hoogte waren gesteld van het economisch totaal verlies, het feit dat zij met deze wagen tot december 2002 verder hebben gereden en het gegeven dat zij pas bij conclusie dd. 27/3/2003 (neergelegd op 28/3/2003) de ontbinding van de koopovereenkomst en niet de nietigverklaring hebben gevorderd, spreken dit tegen. A. betwist voorts dat hij deze informatie niet zou hebben meegedeeld om een hogere prijs voor het voertuig te kunnen vragen. A. betwist dan ook formeel geïntimeerden bewust in dwaling te hebben gebracht. Dat hij om diezelfde reden geen keuring nà ongeval heeft laten uitvoeren, betwist hij evenzeer; de reden waarom geen dergelijke keuring na ongeval heeft plaatsgevonden ligt volgens A. bij de auto-expert van de toenmalige BA-verzekeraar Flexia die nagelaten heeft het ongeval te seinen aan het Bestuur van de Verkeersreglementering en van de Infrastructuur waardoor het voertuig bij de keuringsinstanties niet als ernstig geaccidenteerd en als voorwerp van een keuring nà ongeval bekend stond. Zelf was hij nog niet genoeg vertrouwd met het sedert 1/1/1999 in voege getreden artikel 23sexies van het K.B. 15/3/1968, dat bij dergelijke geaccidenteerde voertuigen een keuring nà ongeval verplicht stelde. Hij verwijst ter rechtvaardiging naar een aantal verklaringen uit het strafonderzoek, waaruit moet blijken dat in die periode nog weinigen op de hoogte waren van de nieuwe reglementering. - A. hekelt tenslotte de wijze waarop de gerechtsdeskundige zijn opdracht heeft uitgevoerd door, van zodra geïntimeerden hem verklaarden dat zij de wagen niet zouden hebben gekocht, mochten zij op de hoogte zijn geweest van het vroegere economisch totaal verlies en van de herstelwijze, het verder onderzoek te hebben gestopt en te hebben geconcludeerd dat het niet meer uitmaakt of de wagen nu al dan niet deugdelijk hersteld is geweest. De gerechtsdeskundige weigerde dan ook ten onrechte te onderzoeken of de wagen technisch en functioneel in orde was, hetgeen volgens A. nochtans essentieel is voor onderhavig geschil. - verder benadrukt A. dat de overgelegde stukken in verband met de historiek van de wagen alsook de verslagen van de door hem aangestelde deskundigen B., F. en M., in tegenstelling tot hetgeen geïntimeerden voorhouden, aantonen dat hij géén woekerwinst van 600.000 oude Bef heeft gemaakt bij de verkoop van de wagen aan hen, - vermits hij niet te kwader trouw is, is A. van oordeel niet gehouden te zijn tot betaling van enige schadevergoeding. Een gebeurlijke ontbinding of vernietiging kan enkel ertoe leiden dat geïntimeerden in de toestand worden teruggeplaatst alsof er nooit een koop had plaatsgevonden en dit impliceert geen schadevergoeding, 2.8. Geïntimeerden besluiten tot de ontoelaatbaarheid van het hoger beroep wegens nietigheid van de beroepsakte ingevolge onvoldoende motivering, minstens tot de ongegrondheid ervan. Zij formuleren een incidenteel hoger beroep ertoe strekkende het bestreden vonnis deels te hervormen en A. te veroordelen tot betaling van een bijkomende schadevergoeding van 17.122,81 euro, meer de vergoedende rente vanaf 15/6/2001 tot 24/6/2002 en meer de gerechtelijke rente vanaf 24/6/2002 tot de dag der uiteindelijke betaling. Zij vorderen eveneens de veroordeling van A. tot betaling van een verhoogde rechtsplegingsvergoeding van 2.000,00 euro en tot betaling van de som van 2.500,00 euro als schadevergoeding wegens tergend en roekeloos beroep, meer de gedingkosten van de beroepsprocedure. Subsidiair vorderen zij de koopovereenkomst nietig te verklaren omwille van het hoofdbedrog in hoofde van A. of toepassing te maken van de leer van de culpa in contrahendo. II. beoordeling 1. voorafgaandelijk Beide partijen hebben hun middelen en argumenten, zoals uiteengezet in hun besluiten voor de eerste rechter, in graad van hoger beroep herhaald en verder uitgewerkt. Hoewel geen betekeningsexploot wordt voorgelegd, blijkt uit door de partijen overgelegde stukkenbundels - inzonderheid de beschikking van de Beslagrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk dd. 14/2/2005 - dat het bestreden vonnis aan A. werd betekend op 10 mei 2004 met bevel tot betalen. Het hoger beroep, ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 10 juni 2004 is bijgevolg tijdig. Er dient vastgesteld te worden dat de vordering tot "ontbinding" van de koopverkoop (waarmee de nietigverklaring bedoeld wordt) op grond van (hoofd)bedrog en de vordering tot schadevergoeding op grond van de pre-contractuele fout in ondergeschikte orde worden geformuleerd, zodat deze vorderingen pas aan bod kunnen komen nà een afwijzing van de vordering op grond van koopvernietigende gebreken. Het Hof stelt eveneens vast dat geïntimeerden zich in graad van hoger beroep niet meer beroepen op de wet van 25/2/1991 wat de aansprakelijkheid voor producten met gebreken betreft. 2. ontvankelijkheid van het hoger beroep 2.1. Geïntimeerden roepen de nietigheid van de beroepsakte in op grond van de "exceptio obscuri libelli" om reden dat appellant het voorwerp van het hoger beroep niet duidelijk zou omschreven hebben. Het voorwerp van het hoger beroep is nochtans duidelijk : het hoger beroep strekt onmiskenbaar tot de vernietiging van het bestreden vonnis en de afwijzing van de oorspronkelijke vordering van geïntimeerden als ontoelaatbaar, minstens als ongegrond. Dit middel van A. komt in werkelijkheid neer op een onvoldoende weergave van de grieven in de beroepsakte zoals vereist door artikel 1057, 7° Ger. W., m.a.w. op een inbreuk op de motiveringsverplichting, dat op zich een toepassing is van het principe van behoorlijke procesvoering. De verplichting van artikel 1057, 7° Ger. W. houdt in dat de appellant moet aangeven welke grieven hij heeft tegen de aangevochten beslissing en op welke feitelijke en juridische grondslagen deze berusten. Het is aldus vereist, maar voldoende, dat de appellant de grieven tegen het bestreden vonnis opgeeft op een voldoende nauwkeurige wijze om aan de geïntimeerde toe te laten zijn conclusies te maken en aan de appelrechter om de draagwijdte ervan te beoordelen (vgl. CASS. 2 mei 2005, P & B. 2005,215). Een gedetailleerde uiteenzetting van de grieven is niet vereist. Evenmin houdt de vereiste van artikel 1057, 7° Ger. W. in dat de middelen tot staving van de grieven moeten vermeld worden (zie CASS. 7 september 2000, Arr. Cass. 2000, 1321). Terzake voert A. wel degelijk beroepsgrieven tegen het bestreden vonnis aan : zo houdt hij voor dat de eerste rechter niet rechtmatig gevat was door een vordering tot ontbinding, dat de eerste rechter ten onrechte de koopovereenkomst heeft ontbonden op grond van feiten die slechts nà het tussenvonnis en nà de neerlegging van het deskundigenverslag aan het licht zijn gekomen, dat de eerste rechter essentiële verschillen uit het oog heeft verloren tussen de principes van artikel 1641 e.v. B.W., de nietigheid van een overeenkomst en de culpa in contrahendo, dat een ontbinding van een koopverkoop op grond van verborgen gebreken niet bestaat en dat hij alle door geïntimeerden gevorderde bedragen formeel betwist. Voorts spreekt hij een aantal feitelijkheden tegen o.m. dat hij met woekerwinst zou verkocht hebben, dat hij zou gesjoemeld hebben met facturen ed.. De weergave van de grieven, die zowel van feitelijke als van juridische aard zijn, voldoet derhalve aan de vereiste van artikel 1057, 7° Ger. W. De vermelding dat deze grieven nog verder zullen ontwikkeld worden, doet geen afbreuk aan het feit dat ze wel degelijk precies en nauwkeurig werden weergegeven. Hoe dan ook, en voor zoveel als nodig, is de nietigheid bij inbreuk op artikel 1057,7° Ger. W. enkel van relatieve aard, hetgeen betekent dat een gebeurlijke nietigheid slechts mag worden uitgesproken bij bewijs van belangenschade. Welnu, geïntimeerden leveren hiervan niet het minste bewijs : zij tonen niet aan dat het niet of onvoldoende vermelden van de grieven een snelle afhandeling van de procedure in het gedrang heeft gebracht noch dat dit hen onmogelijk heeft gemaakt zich op een degelijke manier te verweren. Geïntimeerden hebben integendeel uitvoerig geconcludeerd zodat hun belangen geenszins geschonden zijn. Er is derhalve geen reden tot nietigverklaring van de beroepsakte. Het hoger beroep is derhalve regelmatig naar de vorm ingesteld. 2.2. Waar geïntimeerden geen andere middelen van onontvankelijkheid van het hoger beroep inroepen en het Hof dit evenmin ambtshalve doet, is het hoger beroep ontvankelijk. Als in het ongelijk gestelde partij beschikt A. immers over de vereiste hoedanigheid en belang om hoger beroep in te stellen tegen het vonnis waardoor hij zich gegriefd voelt. Hoger werd reeds geoordeeld dat het hoger beroep eveneens tijdig werd ingesteld. 3. ontvankelijkheid van de vordering tot ontbinding van de koopovereenkomst 3.1. Volgens A. beantwoordt het proces-verbaal van vrijwillige verschijning dd. 24/6/2002 in eerste instantie niet aan de formele voorschriften van een gedinginleidende akte; het bevat immers geen inleiding van welke vordering ook, laat staan een vordering tot ontbinding/nietigverklaring van de koopovereenkomst wegens koopvernietigende gebreken. De vrijwillige verschijning is nagenoeg vorm- en sanctieloos. Artikel 706 Ger. W. vermeldt geen specifieke vormvoorschriften, enkel in het derde lid is er sprake van een verklaring die door de partijen wordt ondertekend en van een proces-verbaal opgemaakt door de rechter. De verklaring is op zich vormloos en kan zelfs mondeling gebeuren. Meestal gebeurt dit schriftelijk. Het proces-verbaal is een authentiek document dat naast de vermelding van de datum, de aanduiding van de rechtbank of rechter moet bevatten waarvoor partijen hun verklaring hebben gedaan. De enige vormvereiste is dat de verklaring van de partijen die vonnis vragen door hen ondertekend wordt op het proces-verbaal dat de rechter hiervan opmaakt. In de praktijk gebeuren de verklaring en het opmaken van het proces-verbaal veelal gelijktijdig. Artikel 706 Ger. W. schrijft niet voor welke vermeldingen in de verklaring van partijen moeten opgenomen worden. In navolging van artikel 702 Ger. W. - dat geldt voor de dagvaarding als gedinginleidende akte - wordt aangenomen dat de verklaring van vrijwillige verschijning dezelfde vermeldingen moet bevatten, met dien verstande dat een gebrek van een of andere vermelding niet tot de nietigheid van de verklaring kan leiden. Zo moet de verklaring duidelijk de wil van de partijen weergeven om vrijwillig te verschijnen en het geschil door de rechter te laten beslechten. Belangrijk is dat de verklaring het onderwerp en de oorzaak van de vordering weergeeft en dat de eiser zijn middelen aanvoert. De toekomstige verweerder hoeft dit nog niet te doen en mag zich het recht voorbehouden dit naderhand te doen, al hoeft dit niet expliciet te gebeuren (zie G. E. VAN MELLAERT, ‘Art. 706 Ger. W.', in X., Artikelsgewijze Commentaar Gerechtelijk Recht, 1999, 8; Bestendig Handboek Burgerlijk Procesrecht, Kluwer, Gemeenrechterlijk geding, IV.2 - 37-38; LAENENS, J., BROECKX, K., SCHEERS, D., THIRIAR, P., Handboek Gerechtelijk Recht, tweede editie, Intersentia 2008, nr. 732-733 p. 355-356). In de verklaring zoals opgenomen in het proces-verbaal van vrijwillige verschijning dd. 24/6/2002 hebben de beide partijen hun versie van de feiten en hun stellingen weergegeven. Geïntimeerden maakten hierin melding van de koopovereenkomst dd. 11/6/2001 en de facturatie op 15/6/2001, van de diverse problemen die zij sedert de aankoop van de BMW hebben ondervonden, van het ongeval op 19/4/2002 en van het feit dat dit het gevolg van een stroomonderbreking zou zijn geweest, alsook van de mededeling van een erkende BMW dealer dat de wagen "absoluut niet rijklaar, noch verkeersveilig" was. Zij maakten in de verklaring van vrijwillige verschijning duidelijk dat een gerechtsdeskundige "in eerste instantie dient na te gaan (met) welke gebreken de wagen behept is". Omdat zij deze gebreken op dat ogenblik nog niet precies kenden en een expertise hieromtrent uitsluitsel moest geven maakten geïntimeerden uitdrukkelijk voorbehoud om "na afloop van deze expertise hun vordering ten gronde in te stellen, hetzij een ontbinding van de overeenkomst met schadevergoeding, hetzij een terugbetaling in minderwaarde gecombineerd met een rijklaar maken van de wagen door een erkende BMW dealer op kosten van verweerder" en "voor zoveel als nodig om hun vordering staande het geding uit te breiden of te bewijzen met andere rechtsmiddelen". Het voorwerp van de vordering van geïntimeerden, zoals geformuleerd in hun verklaring van vrijwillige verschijning en zoals opgenomen in het proces-verbaal van vrijwillige verschijning, betrof aldus de aanstelling van een gerechtsdeskundige met de opdracht zoals hierin voorgesteld en de betaling van één euro provisioneel met voorbehoud voor een vordering hetzij in ontbinding van de koopverkoop met schadevergoeding, hetzij in terugbetaling van de minderwaarde en het rijklaar maken van het voertuig. Als oorzaak van deze vordering gold de verkoopovereenkomst van de wagen en de vele zichtbare en onzichtbare gebreken - die door een deskundige nog exact moesten vastgesteld worden - waardoor de wagen niet rijklaar en verkeersonveilig was. Het door geïntimeerden in het proces-verbaal van vrijwillige verschijning gevorderde heeft zodoende een voorwerp én een oorzaak en sluit een verdere aanvulling of uitbreiding van deze vordering, in het bijzonder gelet op het in dit verband gemaakte voorbehoud, geenszins uit. De verklaring van vrijwillige verschijning, zoals opgenomen in het proces-verbaal van vrijwillige verschijning, bevat bijgevolg de vraag van de partijen om een vonnis alsook - naar analogie met artikel 702, 3° Ger. W. - het onderwerp en de korte samenvatting van de vordering van geïntimeerden (als eisers). Het proces-verbaal van vrijwillige verschijning voldoet bijgevolg aan de vereisten waaraan het volgens artikel 706 Ger. W. moet voldoen. De ontvankelijkheid van de latere uitbreidingen van deze vordering, met name de ontbinding van de koopverkoop op grond van koopvernietigende gebreken dan wel de "ontbinding" op grond van hoofdbedrog of schadevergoeding wegens pre-contractuele fout, zal moeten beoordeeld worden vanuit artikel 807 Ger. W. en niet vanuit artikel 706 Ger. W en staat er geenszins aan in de weg dat de eerste rechter wel degelijk rechtsmacht heeft omtrent deze uitbreidende / wijzigende / aanvullende vorderingen, gelet op het hieromtrent reeds gemaakte voorbehoud in het proces-verbaal van vrijwillige verschijning en de gevorderde één euro provisie. De stelling van A. dat de eerste rechter noch het Hof rechtmatig gevat is door een vordering in ontbinding van de koopovereenkomst, faalt zodoende. 3.2. A. houdt verder staande dat de vordering in ontbinding wegens koopvernietigende gebreken een niet toelaatbare nieuwe vordering uitmaakt aangezien zij niet steunt op een feit of een akte in de gedinginleidende akte vermeld. Hij houdt er een zelfde redenering op na met betrekking tot de in ondergeschikte orde geformuleerde vordering tot ontbinding (nietigverklaring) van de koopverkoop op grond van bedrog als wilsgebrek, doch zoals onder punt 1 van de beoordeling reeds opgemerkt, zal dit middel pas moeten onderzocht worden nà een afwijzing van de vordering op grond van verborgen gebreken. Binnen dit bestek zal dan ook énkel de vordering op grond van verborgen of koopvernietigende gebreken aan de voorwaarden van artikel 807 Ger. W. getoetst worden, niet de (ondergeschikte) vordering in ontbinding (nietigverklaring) op grond van bedrog of de vordering op grond van de culpa in contrahendo. Overeenkomstig artikel 807 Ger. W. kan een vordering die voor de rechter aanhangig is, uitgebreid of gewijzigd worden, indien de nieuwe, op tegenspraak genomen conclusies, berusten op een feit of een akte in de dagvaarding aangevoerd, zelfs indien hun juridische omschrijving verschillend is. Tussen de oorspronkelijke partijen kan de oorspronkelijke vordering uitgebreid of gewijzigd worden mits de oorzaak van de vordering niet (volledig) gewijzigd wordt. De oorspronkelijke eiser kan bijgevolg datgene wat hij aanvankelijk vorderde (het voorwerp van de vordering) uitbreiden of wijzigen, indien de feiten of de handelingen die de oorspronkelijke vordering schragen minstens ten dele ook de grondslag uitmaken van de uitgebreide of wijzigende vordering. Artikel 807 Ger. W. vereist niet dat de nieuwe vordering uitsluitend zou berusten op een feit of een akte (handeling) die in de gedinginleidende akte wordt aangevoerd (vgl. CASS. 8 december 1980, Arr. Cass. 1980-81, 383; CASS. 10 november 2006, R.W. 2007-2008, 21). Een vordering die niet berust op een feit of op een handeling in de gedinginleidende akte en die derhalve onafhankelijk is van de hoofdvordering, is niet toegelaten, tenzij met instemming van de wederpartij of bij gebrek aan protest. Een economische procesvoering vereist evenwel een soepele interpretatie van artikel 807 Ger. W. Zo zal het volstaan dat het feit of de handeling (akte) waarop de uitbreidende of wijzigende vordering steunt, reeds in de gedinginleidende akte wordt vermeld, ook al heeft de eiser alsdan nog geen (juridisch) gevolg afgeleid nopens de gegrondheid van zijn vordering (zie o.m. CASS. 28 april 1994, R.W. 1994-1955, 812). Bovendien kan de rechter ook rekening houden met nieuwe feiten en/of handelingen die zich sedert de gedinginleidende akte hebben voorgedaan of die sedertdien zijn ontdekt en die een weerslag hebben op het geschil (zie MOSSELMANS S., ‘Tussenvorderingen', A.P.R. 2007, nrs. 79 - 82 p. 52 t/m 54 met verwijzing naar de uitvoerige cassatierechtspraak). De hoofdvordering van geïntimeerden zoals opgenomen in het proces-verbaal van vrijwillige verschijning strekt tot de aanstelling van een gerechtsdeskundige met het oog op het vaststellen van de gebreken waarmee het voertuig (op het ogenblik van de aankoop) behept was en tot de betaling van één euro provisioneel (voorwerp) en is, zoals hoger reeds aangehaald, gestoeld op de tussen de partijen op 11/6/2001 afgesloten koopverkoop van de bewuste BMW 525 TDI en de aansprakelijkheid van de verkoper voor de diverse gebreken waarmee het voertuig beweerdelijk behept was (oorzaak). De naderhand gestelde vordering, zoals geformuleerd in de "besluiten na expertise" door geïntimeerden neergelegd op 28/3/2003 en uitgebreid bij "antwoordbesluiten na expertise" neergelegd op 1/9/2003, strekt tot de ontbinding van de koopovereenkomst in het nadeel van A. en tot de veroordeling van A. (samen met H.) tot terugbetaling van de verkoopprijs méér de intresten en tot betaling van een schadevergoeding (voorwerp) en is gebaseerd op dezelfde verkoopovereenkomst en op de gebreken waarmee het voertuig op het ogenblik van de aankoop behept was (oorzaak). Het voorwerp is uitgebreid, de oorzaak evenwel niet ook al zijn de gebreken die de uiteindelijke vordering op grond van koopvernietigende gebreken schragen niet volledig dezelfde als deze waarvan melding werd gemaakt in de gedinginleidende akte. Deze "nieuwe" gebreken die mede de vordering schragen en die zijn opgedoken tijdens de expertiseverrichtingen van dhr. C. - en waarvan wel reeds geweten was dat het vóór de aankoop door geïntimeerden betrokken was geweest in een zwaar verkeersongeval en als totaal verlies was bestempeld en dat het door middel van tweedehands onderdelen was hersteld - hadden vooral betrekking op de herstelwijze van het voertuig vóór de aankoop (de vervanging van het beschadigde achterste deel door het achterste deel van een ander wrak) en op het feit dat het voertuig, in weerwil van het totaal verlies, niet aan een (niet-periodieke) specifieke keuring nà ongeval was onderworpen geweest. Dat in het proces-verbaal van vrijwillige verschijning niet expliciet melding werd gemaakt van het verkeersongeval en van het totaal verlies, is van weinig belang aangezien deze gegevens, samen met de diverse mankementen waaraan het voertuig sedert de aankoop onderhevig was geweest, juist de aanleiding vormden tot de vraag om een deskundigenonderzoek. Het is dus zeker niet zo, zoals A. tevergeefs wil doen geloven, dat geïntimeerden, door in de gedinginleidende akte géén melding te maken van dit totaal verlies, zij dit als onbelangrijk aanzagen. Aangezien het geschil een evolutief gegeven is en er in het licht van artikel 807 Ger. W. rekening mag gehouden worden met gegevens die zijn opgedoken in de loop van de procedure en die een weerslag op het geschil hebben, is de vordering op grond van verborgen gebreken, zoals opgenomen in het proces-verbaal van vrijwillige verschijning, in het licht van voormeld artikel 807 Ger. W. terdege ontvankelijk. In dit verband kan trouwens worden opgemerkt dat zelfs de deskundigenopdracht zoals voorgesteld en omschreven door geïntimeerden in de gedinginleidende akte, rechtstreeks te linken valt aan een later gebeurlijk te stellen vordering op grond van koopvernietigende gebreken. 4. vordering op grond van koopvernietigende gebreken 4.1. Overeenkomstig artikel 1641 B.W. is de verkoper gehouden tot vrijwaring voor de verborgen gebreken van de verkochte zaak, die deze ongeschikt maken tot het gebruik waartoe men ze bestemt, of die dit gebruik zodanig verminderen dat de koper, indien hij de gebreken gekend had, de zaak niet of slechts voor een mindere prijs zou hebben gekocht. Overeenkomstig artikel 1644 B.W. heeft de koper de keus om ofwel de zaak terug te geven en zich de prijs te doen terugbetalen, ofwel de zaak te behouden en zich een gedeelte van de prijs te doen terugbetalen, welk gedeelte door deskundigen zal worden bepaald. In dit verband kan A. niet geheel bijgetreden worden waar hij voorhoudt dat een vordering op grond van koopvernietigende gebreken nooit tot een ontbinding van de koopovereenkomst kan leiden: wanneer de koper opteert voor een teruggave van de gekochte zaak en de terugbetaling van de koopprijs, dan komt dit in werkelijkheid neer op een ontbinding van de koopovereenkomst. De gevolgen zijn in ieder geval dezelfde. 4.2. Overeenkomstig artikel 1648 B.W. moet de rechtsvordering op grond van koopvernietigende gebreken door de koper ingesteld worden binnen korte tijd, al naar gelang de aard van de koopvernietigende gebreken en de gebruiken van de plaats waar de koop gesloten is. In tegenstelling tot hetgeen A. voorhoudt, betreft de vraag of de rechtsvordering binnen korte termijn is ingesteld niet de ontvankelijkheid, maar wel de gegrondheid van de vordering. Er is overigens geen betwisting omtrent de vraag of geïntimeerden belang en hoedanigheid hebben om deze rechtsvordering in te stellen. Een procespartij, die voorhoudt titularis te zijn van een subjectief recht, heeft hoedanigheid en belang om de vordering in te stellen, ook al wordt dit recht betwist. Het onderzoek naar het bestaan of de draagwijdte van het subjectief recht dat door de eisende partij wordt ingeroepen, betreft niet de ontvankelijkheid van de vordering, maar de gegrondheid ervan (vgl. CASS. 16 november 2007, AR nr. C.2006.0144.F., www.cass.be; CASS. 26 februari 2004, RABG, 2004, p. 612). De vraag of de vordering binnen korte termijn is ingesteld, wordt door de feitenrechter soeverein beoordeeld, rekening houdend met alle omstandigheden van de zaak, nl. de aard van de verkochte zaak, de aard van het gebrek, de gebruiken, de hoedanigheid van de partijen en de door hen verrichte gerechtelijke en buitengerechtelijke handelingen, zoals de aanstelling van een deskundige. De vordering op grond van koopvernietigende gebreken werd door geïntimeerden ingesteld in hun "besluiten na expertise" neergelegd op 28/3/2003, d.i. 14 dagen nà de neerlegging van het deskundigenverslag op 14/3/2003. Het in het proces-verbaal van vrijwillige verschijning gevraagde voorbehoud is niet gelijk te stellen met het instellen van de vordering. In het licht van de navolgende chronologie is zulks geenszins als buiten de korte termijn te aanzien. Het voertuig werd aangekocht op 11/6/2001 en geleverd op 15/6/2001. Uit de voorliggende facturen blijkt dat het voertuig in de periode sedert de aankoop en het ongeval op 19/4/2002 het voorwerp is geweest van een aantal mankementen die deels door A. deels door derden werden hersteld, zoals het verwisselen van banden (factuur garage A. dd. 24/11/2001) en het vervangen van de gloeikaarsen (factuur garage T. dd. 6/12/2001). Tevens is het voertuig een aantal malen binnen geweest voor een onderhoud (facturen garage T. dd. 21/8/2001, 9/11/2001 en 8/3/2002). Pas nadat het voertuig op 19/4/2002 op de Franse autostrade in een verkeersongeval betrokken geraakte en er naar aanleiding van de herstelling door D., die de carrosseriewerken uitvoerde, werd vastgesteld dat de wagen vroeger reeds hersteld is geweest met tweedehands onderdelen en dat deze werken niet volgens de normen waren uitgevoerd, en dat ook een erkende BMW dealer een aantal mankementen vaststelde begonnen geïntimeerden zich ernstig vragen te stellen bij de staat van hun wagen, reden waarom zij bij aangetekend schrijven dd. 22/5/2002 bij A. aandrongen op een ontbinding van de koop en de terugbetaling van de koopprijs. Weliswaar betwistte A. de aantijgingen, doch dit verhinderde niet dat hij, onder voorbehoud van alle rechten, akkoord ging met de aanstelling van een deskundige. Tien dagen vóór de ondertekening van het proces-verbaal van vrijwillige verschijning kregen geïntimeerden bovendien vanwege CEAL (expertisebureau van de vroegere BA verzekeraar van het voertuig) kennis van het feit dat de wagen in september 2000 betrokken is geweest in een ernstig verkeersongeval en vooral achteraan zwaar beschadigd werd, hetgeen ertoe leidde dat de wagen door de expert als een totaal verlies werd bestempeld. Het proces-verbaal van vrijwillige verschijning is het gevolg van het akkoord tussen de partijen om een gerechtsdeskundige te laten aanstellen om de wagen te onderzoeken op (verborgen) gebreken. Tot op dat ogenblik kan redelijkerwijs worden aangenomen dat de partijen nog in onderhandelingen zaten en "on speaking terms" waren. De breuk kwam er pas echt toen het tijdens de expertiseverrichtingen duidelijk werd hoe de wagen nà het ongeval in september 2000 werd hersteld : reeds tijdens de eerste bijeenkomst op 26/9/2002 bleek dat het voertuig uit twee afzonderlijke helften bestond, waarbij het achterste deel niet origineel was maar afkomstig van een ander wrak en waarbij de twee helften aan elkaar waren gelast. Tijdens de tweede bijeenkomst op 27/11/2002 werd door de technieker van BMW Belgium, bij wie de deskundige te rade was gegaan, vastgesteld dat de stukken niet aan elkaar waren gelast op een wijze die in overeenstemming was met de normen van de constructeur. Zo bleek dat de langsdraagbalk in de drempels achter de B-stijl dwars was doorgezaagd en met een overlap (slechts op één kant) aan elkaar was gelast, daar waar, wilde men voldoen aan de BMW-richtlijnen, er een originele volledige langsdraagbalk uit de catalogus van BMW had moeten bevestigd worden. Waar deze gebreken zich pas tijdens de expertisewerkzaamheden manifesteerden, is het begrijpelijk dat geïntimeerden het eindverslag van de gerechtsdeskundige wilden afwachten vooraleer hun vordering aan de hand van de besluiten van de deskundige, definitief te stellen. Pas dan kenden geïntimeerden de toestand van hun wagen, zodat zij pas vanaf dan in staat waren om met kennis van zaken de keuze te maken tussen de vordering in teruggave van de wagen met terugbetaling van de prijs (m.a.w. de ontbinding van de koopovereenkomst) en de vordering tot betaling van een minwaarde. Waar het eindverslag werd neergelegd op 14/3/2003 en geïntimeerden reeds in hun besluiten neergelegd op 28/3/2003 hun keuze bekend maakten en opteerden voor de ontbinding van de koopovereenkomst met terugbetaling van de prijs, kan deze vordering, mede in het licht van alle voorgaande feitelijke elementen, niet aangezien worden als zijnde ingesteld buiten de korte tijd zoals vereist door artikel 1648 B.W. A. kan niet bijgetreden worden waar hij voorhoudt dat geïntimeerden op het ogenblik van het instellen van hun vordering bij besluiten neergelegd op 28/3/2003 reeds minstens 10 maanden op de hoogte waren van de gebreken, die de deskundige later in zijn verslag als verborgen gebreken zou weerhouden. Wat geïntimeerden vóór het instellen van de procedure wisten was dat het voertuig in september 2000 het voorwerp is geweest van een ernstig verkeersongeval waardoor het als totaal verlies werd afgeschreven en dat het werd hersteld met tweedehands onderdelen en niet volgens de normen van de constructeur. Zij wisten niets over de specifieke herstelwijze noch over het ontbreken van de noodzakelijke keuringsdocumenten (keuring nà ongeval) om als rijvaardig voertuig te kunnen verkocht worden, zijnde juist deze gebreken die door de deskundige én geïntimeerden werden weerhouden als verborgen én koopvernietigend. De kennisname van de historiek van de wagen en de verschillende alarmerende berichten van andere garagehouders vormden énkel de rechtstreekse aanleiding tot het instellen van de procedure. Het feit dat hierbij door de beide partijen werd geopteerd voor de vrijwillige verschijning als rechtsingang wijst er zelfs op dat er op dat ogenblik in hunnen hoofde nog hoop op een minnelijke regeling bestond. De vordering op grond van de koopvernietigende gebreken werd dienvolgens binnen de vereiste korte tijd ingesteld. 4.3. Zoals hoger aangegeven vorderen geïntimeerden in hoofdorde de vrijwaring door A. op grond van de artikelen 1641, 1644 en 1645 B.W.. Onder punt 2.1 van onderhavig arrest werd reeds geoordeeld dat geïntimeerden hun vrijwaringsvordering lastens de verkoper op een regelmatige en ontvankelijke wijze hebben ingesteld bij besluiten neergelegd voor de eerste rechter op 28/3/2003. Om in deze vordering te kunnen slagen dienen geïntimeerden aan te tonen : - dat het door hen aangekochte voertuig behept was met een gebrek, dat dit ongeschikt maakte voor het gebruik waarvoor het bestemd was of dat dit gebruik zodanig verminderde dat zij, indien zij het gebrek hadden gekend, het voertuig niet of slechts voor een mindere prijs zouden hebben gekocht (artikel 1641 B.W.). Het gebrek moet derhalve ernstig zijn; - dat dit gebrek verborgen was, wat betekent dat het door een normaal aandachtig persoon aan de hand van een attent onderzoek op het ogenblik van de levering niet kon opgemerkt worden (artikel 1642 B.W.); - dat het gebrek bestond, minstens in de kiem aanwezig was op het ogenblik van de aankoop. 4.3.1. De gebreken waarop geïntimeerden zich beroepen ter ondersteuning van hun vrijwaringsvordering op grond van artikel 1641 e.v. B.W. zijn niet enkel en ook niet zozeer de gebreken opgesomd op blz. 3 van hun besluiten neergelegd op 28/3/2003, waaronder lawaai en olieverlies - gebreken die A. overigens nog bereid was onder garantie te herstellen, maar vooral de gebreken zoals weerhouden door deskundige C. in zijn eindverslag : nl. het ontbreken van het vereiste keuringsbewijs zijnde de (niet-periodieke) keuring nà ongeval zoals sinds 1/7/1999 vereist vóór het opnieuw in verkeer brengen van o.m. een voertuig dat een volledig verlies heeft ondergaan (zie artikel 23sexies, 61, 2° d van het K.B. van 15/3/1968 houdende het algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's (...) moeten voldoen en in voege sedert 1/1/1999), alsook het feit dat de wagen niet was hersteld conform de normen van de constructeur. Deze normen laten alleen toe dat de beschadigde delen worden gescheiden op een door de constructeur aanbevolen plaats, wat hier niet gebeurd is : niet enkel was de linkerdraagbalk doorgezaagd, daar waar volgens de geldende normen een volledige linker langsdraagbalk had dienen bevestigd te worden, bovendien was de overlap tussen de beide gedeelten van deze langsdraagbalk slechts aan één zijde gelast, wat de stevigheid van het voertuig niet ten goede kwam. Eenzelfde werkwijze werd ook toegepast bij de rechter langsdraagbalk, wat weliswaar niet door de technicus van BMW Belgium werd vastgesteld - volgens hem was de foutieve herstelling van de linker langsdraagbalk al voldoende om te besluiten dat niet volgens de BMW-normen was hersteld - maar wel door deskundige C. En het is juist deze wijze van herstelling die ertoe geleid heeft dat de wagen volgens de deskundige nooit een positieve keuring nà ongeval kon ondergaan aangezien bij een keuring nà ongeval niet enkel het chassis en de wielstanden werden opgemeten (waarmee overigens ook niets mis was, zoals de deskundige reeds op de eerste bijeenkomst vaststelde) maar waarbij ook wordt nagegaan - en hier wringt het schoentje - of het voertuig werd hersteld volgens de normen van de constructeur, wat so wie so slecht moest aflopen. Om dit te onderzoeken moet het aangeboden voertuig immers worden ontmanteld en dienen de lassen van de herstelling zichtbaar te zijn, d.i. nog niet overschilderd of met teerproducten behandeld (p. 12 deskundigenverslag), dit alles vergezeld van een attest van de constructeur dat de herstelde en/of vervangen onderdelen werden gelast conform de richtlijnen en de normen. Aangezien bij de aankomst bij een keuringsinstantie al dadelijk moet opgegeven worden dat BMW zelf de wagen niet hersteld achtte volgens haar constructienormen, vond deskundige C. het - terecht - zinloos om in te gaan op de vraag van A. om vooralsnog een keuring nà ongeval te laten uitvoeren. Evenals de eerste rechter treedt ook het Hof het deskundigenverslag van de heer C. bij. Alle opmerkingen op het voorverslag afkomstig van zowel A. zelf (via zijn raadsman) als van diens technische raadslieden B., M. en F., werden door de gerechtsdeskundige zeer gedetailleerd en gemotiveerd beantwoord én weerlegd op blz. 25 tot en met 36 van diens verslag, zodat het deskundigenverslag als een belangrijke leidraad in de beoordeling van het geschil geldt. A. brengt hiertegen in dat de gerechtsdeskundige zich niet deugdelijk van zijn opdracht heeft gekweten, door vervroegd zijn onderzoek af te breken van zodra geïntimeerden verklaarden dat zij de wagen niet zouden hebben gekocht, mochten zij op de hoogte zijn geweest van het vroegere (economisch) totaal verlies en van de herstelwijze van de wagen. Het is inderdaad zo dat de gerechtsdeskundige niet verder heeft onderzocht of laswerken al dan niet keurig werden uitgevoerd, doch in werkelijkheid was een dergelijk onderzoek niet echt meer nodig eenmaal vaststond dat het voertuig was hersteld op een wijze die strijdig was met de normen van de constructeur doordat de verbindingslassen niet waren gelegd op de plaatsen voorzien door de constructeur, en dat de wagen geen speciale keuring na ongeval had ondergaan, keuring die nochtans wettelijk vereist was om de wagen toe te laten op de openbare weg te rijden. 4.3.2. De wijze waarop een voertuig nà een ongeval werd hersteld hoeft op zich niet noodzakelijk een verborgen gebrek in de zin van artikel 1641 e.v. B.W. uit te maken, ware het niet dat de herstelwijze van de BMW in kwestie, zoals door de deskundige beschreven, volledig afweek van de normen van de constructeur. Volgens A. is het niet bewezen dat het voertuig hierdoor zwakker zou zijn en hij verwijst hiervoor naar een door de technicus van BMW geopperde mogelijkheid dat de wagen zelfs sterker kan zijn. Hierop antwoordt de gerechtsdeskundige zeer duidelijk : "Echter dient de nuance beklemtoond in de uitspraak die louter een mogelijkheid impliceert doch geen stelligheid. Wij alvast zijn er niet van overtuigd dat de structurele integriteit van een wagen waaraan de achterhelft van een andere wagen wordt gezet a priori wordt bevorderd. Bovendien was de overlap t.h.v. de lasnaad in de linker langsdraagbalk klaarblijkelijk slechts op één kant gelast (p. 13 voorverslag) en dat alleen al wijst erop dat de herstelwijze, die specifiek werd toegepast, althans voor die wagen niet leidde tot een sterkere structuur." (p. 26 deskudigenverslag). In zijn antwoord op de opmerkingen van deskundige B. (expertisebureau P. D.) voegt hij eraan toe : "Wij stellen echter vast dat de deskundige zich enkel focust op het vervangen van de linker langsdraagbalk maar klaarblijkelijk uit het oog verliest dat ook de rechter langsdraagbalk en de twee C-stijlen zijn doorgezaagd. Het is wel zo dat de technicus van BMW Belgium zijn inspectie aanvatte bij de linker langsdraagbalk en a.h.v. deze inspectie kon al besloten worden dat de plaats van het laswerk niet conform de normen van de constructeur was uitgevoerd." (p. 26 van het verslag). Komt hierbij dat de wagen niet voorzien was van het door de wet vereiste keuringsbewijs. In dit verband deelt de gerechtsdeskundige mee dat artikel 23sexies van het K.B. van 15/3/1968 inzake het reglement op de technische eisen waaraan auto's (...) moeten voldoen, zoals ingevoerd bij artikel 11 van het K.B. van 15/12/1998 en in werking getreden vanaf 1/1/1999 voorschrijft "dat een niet-periodieke keuring vóór datum van opnieuw in verkeer brengen verplicht is van elk voertuig dat o.m. - zie §1, 2°,
- d)- t.g.v. een ongeval, beschadigingen aan het chassis, de stuurinrichting, de ophanging of de reminrichting vertoont of een volledig verlies ondergaan heeft." (eigen onderlijning door het Hof ) (p. 31 van het verslag). Het voertuig werd vóór de verkoop aan geïntimeerden nooit voor een dergelijke keuring nà ongeval aangeboden, enkel voor een gewone keuring bij tweedehandsverkoop, doch de gerechtsdeskundige is formeel dat deze keuring nà ongeval voor het voertuig in kwestie nooit positief had kunnen uitvallen juist omdat een dergelijke keuring benevens de opmetingen van de wielbasis en het chassis, eveneens nagaat of de herstelling conform de normen van de constructeur werd uitgevoerd, en inzonderheid of de herstelde onderdelen op hun door de constructeur voorgeschreven plaats in het chassis bevestigd werden (zie st. 33 bundel A. : website van Goka i.v.m. autokeuring). Het Hof stelt zich dan ook ernstige vragen bij de keuringen uitgevoerd op 2/7/2004 (na de restitutie van de wagen door geïntimeerden aan appellant) en op 27/4/2006 (na opheffing van het strafrechtelijk beslag), waarnaar A. verwijst om aan te tonen dat er met het voertuig niets verkeerd was. De keuring op 2/7/2004 (st. 24 bundel Ameye) betrof blijkbaar wel een keuring nà ongeval doch hierbij werd énkel de geometrie van de wielbasis en van het chassis onderzocht. In dit verband verklaarde de heer R. S., verantwoordelijke van de autokeuring te Ieper, waar ook de keuring op 2/7/2004 werd uitgevoerd, aan de verbalisanten het volgende : "Nu kan elke burger na een ongeval vrijwillig zijn voertuig na een ongeval aanbieden voor een ‘keuring na ongeval', wat hier dus door D. A. gebeurd is. Bij een dergelijke keuring wordt een gewone keuring uitgevoerd plus een opmeting van de wielgeometrie en de chassisgeometrie. Dit voertuig doorstond toen de keuring daar de opmeting binnen de toleranties viel". Dit was trouwens ook hetgeen deskundige C. reeds bij de eerste bijeenkomst vaststelde. De heer S. vervolgt evenwel verder : "Over de specifieke schade en de voorafgaande discussies, nl. het herstel van de dwarsliggers dewelke niet conform zou zijn aan de eisen van BMW werd door A. D. niets gezegd. Had dit gemeld geweest door A. D., dan hadden zij enerzijds de uitgevoerde laswerkzaamheden moeten keuren, maar daarbij hadden we ook een attest geëist van de constructeur of zijn mandataris. Zonder een dergelijke keuring kan dat voertuig door ons niet goedgekeurd worden." (eigen onderlijning door het Hof, st. 30 bundel A.). M.a.w. A. heeft, teneinde vooralsnog een keuring nà ongeval in de wacht te slepen, gewoon de historiek van het voertuig verzwegen erop rekende dat het keuringstation nog niet op de hoogte was van de historiek van de wagen. Het keuringsattest van 2/7/2004 levert dus zeker geen tegenbewijs, evenmin als het keuringsattest van 27/4/2006, waaruit overigens niet blijkt dat het betrekking heeft op de niet-periodieke keuring nà ongeval, laat staan dat toen wel de herstelling van het wrak op haar overeenstemming met de normen van de constructeur werd onderzocht. Dit keuringsattest is ten andere identiek aan het keuringsattest afgeleverd op 12/6/2001 bij de verkoop van de wagen aan geïntimeerden en betreft bijgevolg noch meer noch minder een gewoon keuringsbewijs bij tweedehands verkoop (vgl. st. 20 bundel geïntimeerden). A. weerlegt dit door voor te houden dat de wagen inmiddels werd verkocht, reeds vijf jaar probleemloos rondrijdt én gedeblokkeerd werd door het DIV, wat volgens hem hèt bewijs is dat de wagen een positieve keuring na ongeval heeft doorstaan. Niets is minder waar. Zoals hierboven aangegeven, heeft er inderdaad een positieve keuring nà ongeval plaatsgevonden, reden waarom het voertuig door de DIV werd gedeblokkeerd, doch, zoals reeds gezegd, blijkt uit niets dat ook de herstelling van de dwarsliggers werd gekeurd; blijkens de verklaring van dhr. S. maakte A. immers geen gewag van een herstel van de dwarsliggers en werd zodoende niet onderzocht of dit conform de normen van de constructeur was geschied. Een wagen die niet voorzien is van het wettelijk keuringsbewijs, mag in principe de openbare weg niet op aangezien hij niet als rijvaardig en als verkeersveilig kan aangezien worden. Een wagen die niet werd hersteld volgens de normen van de constructeur beantwoordt niet meer aan de wagen zoals beschreven op het gelijkvormigheidsattest, zodat de constructeur hiervoor ook geen aansprakelijkheid kan opnemen. Zowel de wettelijke regeling inzake het gelijkvormigheidsattest (K.B. 15/3/1968, art. 3 e.v.) als de regeling m.b.t. de keuring van voertuigen (inzonderheid voormeld artikel 23sexies van het K.B. van 15/3/1968) tonen de bezorgdheid van de overheid aan om veilige wagens in het verkeer te brengen. De wagen zoals door geïntimeerden op 11/6/2001 aangekocht voldeed niet aan de vereiste veiligheidsvoorwaarden. Hierdoor was deze wagen ongeschikt voor het gebruik waartoe hij door de kopers bestemd werd en welke ook aan de verkoper bekend was, nl. het rijden met de wagen op de openbare weg. Het feit dat deze wagen gereden heeft en het feit dat er geen causaal verband werd vastgesteld tussen het ongeval van 19/4/2002 en de staat van de wagen, doen hieraan geen afbreuk. De BMW had gewoon nooit op de openbare weg mogen komen. Een gebrek hoeft immers niet louter intrinsiek te zijn; de ongeschiktheid van de zaak voor het gebruik waarvoor de koper de zaak bestemde, maakt op zichzelf reeds het gebrek uit, ook al is de zaak in se zelfs volmaakt (STIJNS, S., TILLEMAN, B., e.a., ‘Bijzondere overeenkomsten: Koop en Aanneming (1999-2006), Overzicht van Rechtspraak, T.P.R. 2008-4, nr. 142 p. 1531-1534; Bernard TILLEMAN en Alain VERBEKE, ‘Bijzondere overeenkomsten in kort bestek', Intersentia 2005, nr. 215 p. 58). Dat deze gebreken ook ernstig zijn, kan bezwaarlijk betwist worden. Van zodra geïntimeerden kennis kregen van de herstelwijze van de wagen en de afwezigheid van het keuringsattest, hebben zij aan de gerechtsdeskundige onmiddellijk gemeld dat zij deze wagen nooit hadden gekocht indien zij van dit alles op de hoogte waren geweest. Dat het om verborgen gebreken gaat, kan evenmin ernstig betwist worden. A. verklaarde op 16/2/2005 zelf aan de verbalisanten :"Ik heb toen wel gezegd dat deze wagen een ongevalwagen was, dat de achterzijde en rechterzijkant beschadigd geweest zijn, maar verdere details heb ik daar niet bij gegeven" (st. 25 bundel A.). Aangezien de wagen vergezeld was van een keuringsbewijs voor tweedehands gebruik, (st. 20 bundel geïntimeerden), waren er voor geïntimeerden dan ook geen redenen om aan de rijvaardige staat van het voertuig te twijfelen. Dat deze gebreken ook reeds aanwezig waren ten tijde van de aankoop staat evenzeer vast. De gebreken zijn zodoende als koopvernietigende gebreken in de zin van artikel 1641 B.W. te aanzien. A. kan zich niet verschuilen achter een onwetendheid omtrent de "nieuwe" reglementering inzake de keuring nà ongeval : artikel 23sexies van het K.B. van 15/3/1968, zoals ingevoerd bij artikel 11 van het K.B. van 15/12/1998, was reeds in voege sedert 1/1/1999 en had betrekking op ongevallen sedert 1/7/1999, d.i. bijna twee jaar vóór de aankoop van de wagen door geïntimeerden. De nieuwe wetgeving was zodoende reeds twee jaar in voege zodat A., die gespecialiseerd is in het aankopen, herstellen en verkopen van geaccidenteerde voertuigen, deze zeker moet gekend hebben. Minstens moet hij als professionele autohandelaar verondersteld worden deze gekend te hebben. A. heeft integendeel bewust deze nieuwe reglementering genegeerd - zoals hij trouwens ook later op 2/7/2004 deed - , goed wetende dat indien hij melding zou maken van het herstel, de wagen nooit werd gekeurd. Het argument van A. dat het voertuig zoals dit aan de gerechtsdeskundige werd getoond niet meer hetzelfde voertuig was als het voertuig op het ogenblik van de verkoop aan geïntimeerden omwille van de herstelling ervan nà het ongeval van 19/4/2002, is niet relevant, nu dit ongeval noch het hierop gevolgde herstel van enige invloed zijn geweest op de hoger weerhouden verborgen gebreken, nl. een herstel in strijd met de normen van de constructeur en de afwezigheid van het vereiste keuringsbewijs. Voor alle duidelijkheid dient gesteld dat niet "het niet-meedelen van het (economisch) totaalverlies en de manier waarop de wagen uiteindelijk hersteld werd", het verborgen gebrek uitmaakt, zoals de eerste rechter in het bestreden vonnis aannam, wel het feit zelf van het gebrek aan herstel conform de normen van de constructeur en van de afwezigheid van het wettelijk vereiste keuringsattest nà ongeval. 4.4. Nu voldaan is aan voormelde voorwaarden en de rechtsvordering ook binnen de korte tijd werd ingesteld, hadden geïntimeerden de keus om ofwel de ontbinding van de overeenkomst ofwel een prijsvermindering te vorderen (artikel 1644 B.W.). Geïntimeerden hebben te dezen geopteerd voor de ontbinding van de koopovereenkomst met teruggave van het voertuig en terugbetaling van de koopprijs. Aangezien het keuzerecht discretionair aan de koper toebehoort, heeft het Hof hieromtrent geen appreciatiebevoegdheid, tenzij er sprake zou zijn van rechtsmisbruik, wat te dezen niet het geval is en wat door A. ook niet aangevoerd wordt. Indien de verkoper het gebrek gekend heeft is hij bovendien gehouden tot vergoeding van alle schade aan de koper (artikel 1645 B.W.). Als professionele verkoper wordt A. vermoed het gebrek te hebben gekend, tenzij hij kan bewijzen dat het gebrek onnaspeurbaar was. Dit bewijs levert hij niet en kan hij ook niet leveren, temeer hijzelf tot minstens tweemaal toe de historiek en de herstelwijze van het voertuig bewust aan de keuringsinstanties heeft verzwegen, nl. een eerste maal bij de keuring n.a.v. de tweedehands verkoop aan geïntimeerden en een tweede maal bij de keuring nà de restitutie van het voertuig door geïntimeerden, en bijgevolg op een ogenblik waarop de verborgen gebreken zich reeds geruime tijd hadden gemanifesteerd. Hij is derhalve terdege tot schadevergoeding gehouden, voor zover in hoofde van geïntimeerden uiteraard schade wordt aangetoond. De eerste rechter kende de volgende bedragen toe : - terugbetaling aankoopprijs van de wagen 22.806,18 euro - herstellingsfacturen tot beloop van 1.007,30 euro - pro rata BIV 485,16 euro - stallingskosten a rato van 25 euro per maand 425,00 euro Hij bracht hierop in mindering de vergoeding ingevolge het gebruik van de wagen ten belope van 4.090,24 euro, samengesteld uit de minwaarde die de wagen ten gevolge van het gebruik door de geïntimeerden gedurende anderhalf jaar had opgelopen (4.586,03 euro of 185.000 oude Bef) verminderd met de ongemakken die geïntimeerden moesten ondergaan ten gevolge van de diverse herstellingen (495,97 euro of 20.000 oude Bef). Aldus kende hij een totaal bedrag van 20.633,40 euro toe te vermeerderen met de vergoedende rente vanaf 1/12/2002 (datum waarop de wagen uit het verkeer werd genomen) alsook te vermeerderen met de stallingskosten van 25 euro per maand vanaf 1/5/2004 tot aan de effectieve terugbetaling. 4.4.1. Ingevolge de gedwongen tenuitvoerlegging van het vonnis a quo werden deze bedragen door A. aan geïntimeerden betaald. In graad van hoger beroep voert A. geen cijfermatige betwisting omtrent deze in het bestreden vonnis toegekende bedragen. 4.4.2. Geïntimeerden van hun kant vorderen bij wege van incidenteel beroep de bijkomende veroordeling van A. tot betaling van de som van 17.122,81 euro meer de vergoedende rente vanaf 15/6/2001 (datum van de facturatie van de aankoop van de wagen) tot 24/6/2002 (proces-verbaal van vrijwillige verschijning) en meer de gerechtelijke rente vanaf 24/6/2002 tot de dag van de betaling. Dit incidenteel beroep is ontvankelijk nu A. hiertegen géén middelen van onontvankelijkheid inroept en het Hof dit evenmin ambtshalve doet. 4.4.2.1. Geïntimeerden verzetten zich in eerste instantie tegen de door de deskundige in mindering gebrachte vergoeding voor het gebruik van de wagen en aanzien dit als een soort penalisering. Dit is een onjuiste visie. De toekenning van de ‘actio redhibitoria' (nl. teruggave van de gekochte zaak en terugbetaling van de volledige prijs), waarvoor geïntimeerden hebben gekozen komt in werkelijkheid neer op een ontbinding ex tunc van de verkoopovereenkomst, wat betekent dat in principe de volle prijs moet terugbetaald worden aangezien de gekochte zaak door het gebrek niets (of minder) waard is. De koper kan in principe geen aanspraak meer maken op het keuzerecht van artikel 1644 B.W. (ontbinding of prijsvermindering) wanneer hij in de onmogelijkheid is om de zaak terug te geven, hetzij omdat de zaak is tenietgegaan anders dan door het gebrek zelf (artikel 1647 B.W.), hetzij omdat de zaak werd vervreemd of veranderd, of omdat de koper de zaak verder heeft gebruikt, zodat deze beschadigd ofwel in waarde verminderd is. De ontbinding ex tunc, waarvan de ‘actio redhibitoria" een bijzondere toepassing is, heeft eveneens voor gevolg dat ook de gekochte zaak moet teruggegeven worden. Een ontbinding ex tunc veronderstelt immers een teruggave van alle geleverde prestaties en werkt terug tot op het ogenblik van de contractsluiting. Wanneer de zaak sedert de aankoop gebruikt werd, wat meestal het geval is wanneer het verborgen gebrek pas later wordt ontdekt, kan de ontbinding ex tunc problematisch worden omdat een volledige teruggave van de prestaties niet mogelijk zal zijn. Welnu, in dit geval kan de rechter aan de partij die genoten heeft van de prestaties die niet kunnen teruggegeven worden een vergoeding opleggen die haar grondslag vindt in de principes van de ongerechtvaardigde verrijking. Het nuttige gebruik van de zaak is hiervan een voorbeeld. Zelfs een gebruik nà het ontdekken van het gebrek sluit de ontbinding en de teruggave niet noodzakelijk uit voor zover dit gebruik énkel geresulteerd heeft in een slijtage of waardevermindering binnen de grenzen van het normale (zie STIJNS, S., TILLEMAN, B. e.a., ‘Bijzondere overeenkomsten: Koop en Aanneming (1999-2006), Overzicht van Rechtspraak, T.P.R. 2008-4, nr. 157 p. 1546-1550; SAMOY, I., ‘"Gebruiksaanwijzing" voor verborgen gebreken ? Het gebruik van de gebrekkige zaak en gevolgen voor het keuzerecht tussen ontbinding en prijsvermindering', R.W. 2001-2002, 1032 - 1035). Terzake hebben geïntimeerden, eenmaal zij kennis hadden van het feit dat het voertuig niet voorzien was van het wettelijke keuringsbewijs en niet als verkeersveilig te aanzien was, de wagen niet meer gebruikt en deze vanaf 1/12/2002 zelfs officieel uit het verkeer genomen en in hun garage gestald. Voordien hebben zij het voertuig op een normale wijze gebruikt. De eerste rechter kende dan ook, in navolging van het deskundigenverslag, aan A. terecht een vergoeding toe voor dit gebruik en deze vergoeding werd oordeelkundig geraamd op 4.586,03 euro (185.000 oude Bef), waarvan evenzeer terecht in mindering werd gebracht de ongemakken die geïntimeerden hebben gehad gedurende het anderhalf jaar dat zij het voertuig gebruikt hebben als gevolg van de diverse herstellingen die aan de wagen moesten uitgevoerd worden. Deze ongemakken werden eveneens oordeelkundig geraamd op 495,97 euro (20.000 oude Bef). 4.4.2.2. Geïntimeerden vorderen als schadevergoeding de kosten terug die zij betaald hebben voor het onderhoud van hun wagen, voor het vervangen van de banden door Pirelli-banden en voor de vervanging van de remmen. Deze schadeposten werden door de eerste rechter terecht afgewezen. De onderhoudskosten vormen immers géén echte schade aangezien het kosten van normaal onderhoud zijn die zij ook zouden hebben gehad indien de wagen géén gebreken had gehad, daar waar met betrekking tot de kosten van het vervangen van de banden en van de remmen niet aangetoond wordt dat zij enig causaal verband met de gebreken vertonen. 4.4.2.3. De kosten voor de vervanging van de gloeikaarsen werden door de deskundige voor de helft in rekening gebracht. Geïntimeerden brengen geen specifieke argumenten aan waarom de volledige kost moet ingebracht worden. De deskundige was terecht van oordeel dat gloeikaarsen slijtageonderdelen zijn en slechts voor de helft in rekening mogen gebracht worden aangezien geïntimeerden toch 50.000 km met de auto gereden hebben. De andere helft is te wijten aan het normale gebruik van de wagen (p. 18 deskundigenverslag). 4.4.2.4. M.b.t. de kostprijs van de bandenwissels ontbreekt ook hier elke aanwijzing om deze kosten ten laste van A. als verkoper te leggen. Ook hier verwees de deskundige terecht naar de door geïntimeerden gereden 50.000 km "zijnde een afstand waarop men ongeveer een stel banden verslijt" (p. 18 deskundigenverslag). 4.4.2.5. Met betrekking tot de beweerde vervanging van de remmen in Spanje, één maand nà de aankoop van de wagen, ontbreekt eveneens iedere aanwijzing nopens de omstandigheden waarin deze vervanging zou hebben plaatsgevonden en of ze wel heeft plaatsgevonden, nu geïntimeerden hieromtrent géén enkel bewijsstuk kunnen voorleggen. 4.4.2.6. De belasting op inverkeersstelling (BIV) werd door de eerste rechter, in navolging van de deskundige, terecht pro rato opgesplitst. Het Hof treedt te dezen de berekening van de deskundige bij zoals voorkomend onder punt 6.3 van het voorverslag (p. 20). Het is aanneembaar dat het deel van de BIV dat overeenstemt met het aantal maanden waarin de auto effectief gebruikt werd, ten laste blijft van geïntimeerden. Had de wagen géén gebreken gehad, dan hadden geïntimeerden dit pro rata gedeelte eveneens voor hun rekening moeten nemen. Enkel het verloren gedeelte, door de deskundige geraamd op 19.600 oude Bef (van de 28.000 oude Bef), is het gevolg van de gebreken waarmee de wagen behept was en waardoor geïntimeerden gedwongen waren hun wagen in de garage te stallen en uit het verkeer te nemen. De jaarlijkse verkeersbelasting, dieselbelasting en (omnium) verzekering zijn eveneens kosten die, was de wagen niet gebrekkig geweest, eveneens verschuldigd waren. Ook hier ontbreekt ieder causaal verband en kunnen deze kosten niet als schadeposten in rekening gebracht worden. Deze redenering geldt evenwel niet voor de diefstalverzekering die werd genomen nà het stilzetten van de wagen voor de periode vanaf het uit het verkeer nemen tot aan de restitutie (st. 21 bundel geïntimeerden). Het bedrag van 216,10 euro (st. 21 bundel geïntimeerden) kan dienvolgens wel toegekend worden : het is immers duidelijk dat deze kost rechtstreeks werd veroorzaakt door de verborgen gebreken aan het voertuig. Dit bedrag is te vermeerderen met de vergoedende rente vanaf 18/2/2003 (datum van betaling) tot de dag der algehele betaling. Het Hof stelt vast dat deze schadepost in het bestreden vonnis over het hoofd werd gezien. 4.4.2.7. Wat de stallingskosten betreft : Het wordt niet betwist dat de wagen nà de uitverkeerstelling op 1/12/2002 in de garage van geïntimeerden werd gestald en hierdoor de plaats innam van de andere wagen van geïntimeerden. Geïntimeerden vorderen dienaangaande de stallingskosten a rato van de kostprijs die door de BMW-garage L.-L. C. wordt aangerekend voor het overdekt stallen van een wagen nl. 5,45 euro/dag (excl. btw) (st. 26 bundel geïntimeerden). De eerste rechter kan evenwel bijgetreden worden waar hij overweegt dat geïntimeerden bezwaarlijk een bedrag kunnen aanrekenen zoals dit door een BMW-garage wordt aangerekend, daar waar de wagen thuis gestald werd in een eigen garage. De eerste rechter raamde de stallingskost dan ook billijkerwijs op 25 euro per maand, bedrag dat het Hof overneemt en dat door A. overigens cijfermatig niet betwist wordt. 4.4.2.8. Geïntimeerden brengen eveneens het loonverlies van tweede geïntimeerde als schadepost in rekening : dit is het netto-verlies aan inkomsten dat zij heeft geleden door het feit dat zij sedert december 2002 een wagen ter beschikking kreeg van haar werkgever, hetgeen blijkens een attest van de s.a. Filartois dd. 25/4/2003 neerkwam op een netto-verlies van 80,67 euro per maand (st. 27 van hun bundel). Over een periode vanaf december 2002 tot en met juli 2004 (maand voordat de terugbetaling werd uitgevoerd, wat niet betwist wordt) betekent dit een verlies van 2.581,44 euro. De eerste rechter was van oordeel dat dit verlies in voldoende mate gecompenseerd werd door het toekennen van de vergoedende rente aan de wettelijke rentevoet van 7% op de terugbetaling van de aankoopprijs vanaf 1/12/2002 tot aan de effectieve betaling. Het Hof is het hiermee niet eens : een vergoedende rente vergoedt bij contractuele aansprakelijkheid enkel de gederfde intrest op een waardeschuld (i.c. de terugbetaling van de aankoopprijs). Zij kan dus geen vergoeding uitmaken voor andere schadeposten zoals het aangerekende loonverlies. Dit inkomstenverlies is een rechtstreeks gevolg van de gebreken aan de wagen en de uitverkeerneming van de wagen en komt derhalve voor vergoeding in aanmerking. Voormeld bedrag van 2.581,44 euro, dat cijfermatig niet wordt betwist, wordt vermeerderd met de vergoedende intresten vanaf een gemiddelde datum van 1/9/2003 tot aan de dag der algehele betaling. Het incidenteel beroep komt bijgevolg gegrond voor tot beloop van 216,10 euro + 2.581,44 euro, samen 2.797,54 euro te vermeerderen met de vergoedende intresten aan de wettelijke rentevoet vanaf 18/2/2003 op 216,10 euro en vanaf 1/9/2003 op 2.797,54 euro tot aan de dag der algehele betaling. 4.5. In het licht van wat hoger werd overwogen en bij gebrek aan cijfermatige betwisting vanwege A. omtrent de door de eerste rechter toegekende bedragen, is hij niet gerechtigd op terugbetaling van de door hem in uitvoering van het vonnis a quo betaalde bedragen, noch op de rente hierop vanaf de datum van de betaling. Deze vordering van A., waarvan de ontvankelijkheid niet wordt betwist, is bijgevolg, evenals diens hoger beroep, ongegrond. 5. vordering (tot ontbinding) op grond van bedrog, minstens op grond van de culpa in contrahendo Aangezien deze vorderingen slechts in ondergeschikte orde worden geformuleerd, dienen deze niet nader meer onderzocht en beoordeeld te worden. Deze vorderingen zouden ten andere niet tot een ruimere toekenning van het incidenteel beroep noch tot een ruimere afwijzing van het hoger beroep kunnen leiden. 6. vordering wegens tergend en roekeloos beroep Geïntimeerden vorderen een schadevergoeding van 2.500 euro wegens tergend en roekeloos hoger beroep. Hierop gaat het Hof niet in. Als in het ongelijk gestelde partij beschikt A. over het recht hoger beroep aan te tekenen tegen het vonnis dat hem grieft. Er wordt niet aangetoond dat hij dit rechtsmiddel heeft aangewend te kwader trouw met de bedoeling zijn wederpartij nadeel te berokkenen. Het blijkt evenmin dat hij zich omtrent het resultaat van zijn hoger beroep niet had kunnen vergissen. Zijn hoger beroep is derhalve noch tergend noch roekeloos. 7. gedingkosten Voorgaande overwegingen resulteren enerzijds in een ongegrondheid van het hoger beroep en van de vordering van A. tot terugbetaling van hetgeen hij in uitvoering van het bestreden vonnis heeft betaald, anderzijds in een gedeeltelijke gegrondheid van het incidenteel beroep. Als in het ongelijk gestelde partij dient A. dan ook te worden veroordeeld tot de gedingkosten van het hoger beroep. Aan geïntimeerden kan de door hen gevorderde - en door A. niet betwiste - rechtsplegingvergoeding hoger beroep van 2.000 euro toegekend worden. In dit verband wordt opgemerkt dat geïntimeerden geen afzonderlijke vergoeding voor verdedigingskosten (meer) vorderen. Omtrent de gedingkosten van de eerste aanlegprocedure oordeelde de eerste rechter op gepaste wijze. OP DEZE GRONDEN HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, Verklaart het hoger beroep alsook de vordering van appellant tot terugbetaling van hetgeen hij in uitvoering van het bestreden vonnis heeft terugbetaald, ontvankelijk doch ongegrond; Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk en gegrond in de hierna bepaalde mate met afwijzing van het meergevorderde als ongegrond; Doet het bestreden vonnis teniet enkel in zoverre de vorderingen van geïntimeerden met betrekking tot de diefstalverzekering na stilzetten wagen en met betrekking tot het inkomstenverlies werden afgewezen en opnieuw wijzende : Verklaart deze vorderingen ontvankelijk en gegrond. Veroordeelt A. D. dienvolgens om bijkomend aan geïntimeerden te betalen de som van tweeduizend zevenhonderd zevenennegentig euro vierenvijftig eurocent (2.797,54 EUR) te vermeerderen met de vergoedende intresten aan de wettelijke rentevoet vanaf 18/2/2003 op 216,10 euro en vanaf 1/9/2003 op 2.797,54 euro tot aan de dag der algehele betaling; Bevestigt het bestreden vonnis voor het overige, weze het deels op grond van andersluidende motieven; Verklaart de vordering van geïntimeerden tot het bekomen van een schadevergoeding wegens tergend en hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond; Veroordeelt A. D. tot de gedingkosten van het hoger beroep, aan zijn zijde niet nuttig te begroten vermits deze toch te zijnen laste blijven, en aan de zijde van geïntimeerden te begroten op de rechtsplegingsvergoeding hoger beroep van 2.000 euro. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van Beroep te Gent, TWAALFDE KAMER, zetelend in burgerlijke zaken, op heden 9-9-2009. Aanwezig: - A. Van de Putte, raadsheer, wn. voorzitter; - E. Dursin, raadsheer; - G. Danneels, raadsheer; - B. De Wilde, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div