← België

ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090916.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 16 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090916.5 Rolnummer: 2005/AR/1987 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2009-10-26 Raadplegingen: 98 - laatst gezien 2026-07-02 20:15 Fiche Een muziekleraar beroept zich op een schending van zijn statuut als vastbenoemd leerkracht. Hij bekomt een schadevergoeding voor een onrechtmatige vermindering van zijn lesurenpakket. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - ONDERWIJS - Onderwijsnetten - Gemeenteonderwijs Vrije woorden: Statuut - subsidies - inbreuk - schadevergoeding - kunstonderwijs - onderwijzend personeel Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 13de Kamer ________ Terechtzitting van 16 september 2009 ________ Na tussenarrest van 26 maart 2008 ________ 2005/AR/1987 - In de zaak van: S. G., muziekleraar, wonende te ...................... ........., met woonstkeuze bij zijn raadsman mr. Van De Sijpe Dirk, advocaat te 8500 KORTRIJK, Doorniksewijk 66 appellant tegen de vonnissen van 5 oktober 2004 en 14 juni 2005 op tegenspraak uitgesproken door de tweede kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk hebbende als raadsman mr. VAN DE SIJPE Dirk, advocaat te 8500 KORTRIJK, Doorniksewijk 66, (uw referte: 07983 S./Stad Roeselare) tegen: DE STAD ROESELARE, vertegenwoordigd door haar College van burgemeester en schepenen, met bestuurszetel op het stadhuis te 8800 ROESELARE, Botermarkt 2, geïntimeerde, hebbende als raadslieden mr. PRIEM Achiel en mr. COPPENS Alain, beiden advocaat te 8800 ROESELARE, Westlaan 358, (uw referte: 16.254/FD) velt het hof het volgend arrest: 1.

  1. In het tussenarrest d.d. 26 maart 2008 van deze kamer werden de debatten ambtshalve heropend teneinde partijen toe te laten een standpunt in te nemen over de door het hof opgeworpen artikels 109 en 109bis Ger. Wb. betreffende de toebedeling van de zaak aan een enkelvoudige dan wel een meervoudige kamer. In de appelakte had appellant immers expliciet de toebedeling van de zaak aan een meervoudige kamer gevraagd en niettemin was de zaak aan een enkelvoudige kamer toegewezen. 1.
  2. Appellant, die in beginsel akkoord gaat met een verwijzing naar een meervoudige kamer, verwijst naar artikel 88 § 2 Ger. Wb. dat be-paalt dat, tenzij het verdelingincident vóór ieder ander middel door een van de partijen of bij de opening van de debatten ambtshalve uitgelokt wordt, de zaak definitief aan de geadieerde rechter toegewezen blijft. Geïntimeerde concludeert op grond van artikel 88 § 2 Ger. Wb. dat deze kamer van het hof onverkort bevoegd blijft om over het geschil te oordelen. 1.
  3. Uit wat voorafgaat volgt dat de zaak door deze kamer van het hof beoordeeld wordt.
  4. Het hof heeft opnieuw de partijen in openbare terechtzitting gehoord in hun middelen en conclusies en heeft de stukken ingezien. Appellant heeft tijdig en op rechtsgeldige wijze hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen die op 5 oktober 2004 en op 14 juni 2005 op tegenspraak werden uitgesproken door de tweede kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk.
  5. Het geschil heeft betrekking op diverse schadevergoedingen waarop appellant als gewezen vastbenoemde muziekleraar tegen geïn-timeerde als inrichtende macht van de Stedelijke Academie voor Muziek en Woord te Roeselare aanspraak maakt. Appellant stelt dat geïntimeerde een foute en voor hem nadelige beslissing genomen heeft door vanaf het academiejaar 1985-1986 hem niet de lesuren kamermuziek in het hoger secundair toe te kennen waarop hij volgens de vigerende wetgeving en reglemente-ring recht had, minstens dat geïntimeerde hem ten onrechte bij het terugschroeven van zijn lesopdracht niet op de voorziene wijze ter beschikking heeft gesteld. Appellant vorderde daarom van geïntimeerde een provisionele schadevergoeding van 53.210,42 EUR, te vermeerderen met de vergoedende intresten vanaf 1 januari 1990 tot de dagvaarding, en vanaf dan met de gerechtelijke intresten tot de dag van de integrale betaling. Tevens vorderde appellant wegens morele schade een vergoeding van 2.500,00 EUR, en 1.500,00 EUR vergoeding voor de kosten verbonden aan de inning van zijn vordering, beide bedragen te vermeerderen met de gerechtelijke intresten vanaf 18 april 2002 tot de dag van de integrale betaling. Ten slotte vorderde appellant de veroordeling van geïntimeerde tot het betalen van de gedingkosten. Appellants vordering is gestoeld op de artikels 1382 en 1383 B.W. Geïntimeerde betwistte op diverse gronden appellants vordering. 4.
  6. De eerste rechter verklaart in zijn tussenvonnis van 5 oktober 2004 de vordering van appellant ontvankelijk. De eerste rechter wijst de door geïntimeerde opgeworpen excepties van verjaring, van ‘obscuri libelli', en van afstand van recht door ap-pellant af. 4.
  7. In het eindvonnis van 14 juni 2005 oordeelt de eerste rechter dat appellant niet over het subjectieve recht beschikt om als vastbe-noemde leerkracht te worden benoemd bij voorrang op andere personen die geen houder zijn van bepaalde diploma's, of niet vastbe-noemd zijn. De eerste rechter overweegt dat, indien daarover anders zou worden geoordeeld, hij de grondwettelijke vrijheid van onderwijs schendt door het opleggen van verplichtingen aan inrichtende machten m.b.t. het organiseren van het door hen verstrekte onder-wijs. De eerste rechter wijst daarom alle vorderingen van appellant als ongegrond af en veroordeelt hem tot de kosten. 5.
  8. De grieven van appellant zijn in wezen een herhaling van de argumenten die hij in eerste aanleg heeft aangevoerd. Vooreerst stelt appellant dat geïntimeerde, in strijd met de regelgeving op de subsidienormen heeft gehandeld, door eerder aan der-den dan aan hem een aantal lesuren toe te staan, hoewel die derden niet over de vereiste bekwaamheidsvereisten beschikten. Door aldus te handelen heeft geïntimeerde volgens appellant een fout begaan die in causaal verband met zijn schade staat. Tweedes houdt appellant staande dat de vrijheid van onderwijs zoals door de grondwet gewaarborgd, niet betekent dat geïntimeerde de betoelagingvoorwaarden zomaar kan negeren. Daarnaast poneert appellant dat, gezien hij een vast benoemd personeelslid is, geïntimeerde hem tenminste ter beschikking had moeten stellen zodat hij van de ermee verbonden financiële tegemoetkoming kon genieten. Ten slotte handhaaft appellant zijn stelling dat geïntimeerde de beginselen van behoorlijk bestuur niet heeft nageleefd, en dat zij ook op die grond tot schadeloosstelling is gehouden. Luidens zijn laatste appelconclusie vordert appellant van geïntimeerde een provisionele schadevergoeding van 53.210,42 EUR, te vermeerderen met de vergoedende intresten vanaf 1 januari 1990 tot de dagvaarding, en vanaf dan met de gerechtelijke intresten tot de dag van de complete betaling. Daarnaast blijft appellant aanspraak maken op een schadevergoeding van 2.500,00 EUR wegens morele schade en 1.500,00 EUR vergoeding voor kosten van verdediging, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten vanaf 18 april 2002 en met de gedingkosten in beide aanleggen. 5.
  9. Geïntimeerde handhaaft haar oorspronkelijke exceptie van obscuri libelli . Daarnaast verwijst zij naar de beslissing die haar gemeenteraad op 7 juli 1987 heeft genomen en door appellant nooit aangevochten, noch door een louter administratief beroep bij de Provincie, noch door een annulatieberoep bij de Raad van State. Voorts doet geïntimeerde een beroep op de bevrijdende verjaring zoals bepaald in artikel 2277 B.W. Ook werpt geïntimeerde op dat appellant geen grief aanvoert tegen het eerste vonnis. Ondergeschikt concludeert geïntimeerde op diverse gronden tot de ongegrondheid van appellants hoger beroep. Geïntimeerde vordert daarom de bevestiging van de beide aangevochten vonnissen en de veroordeling van appellant tot de geding-kosten. BEOORDELING m.b.t. de ontvankelijkheid van de vordering
  10. Zowel het voorwerp van appellants vordering als de middelen die hij aanvoert zijn voldoende duidelijk, wat overigens wordt aangetoond door het uitvoerige en specifieke verweer dat geïntimeerde in eerste aanleg heeft gevoerd en dat zij in hoger beroep handhaaft. De door geïntimeerde opgeworpen exceptio obscuri libelli is dus zonder grond.
  11. Het feit dat appellant geen administratief beroep heeft ingesteld en/of een annulatieberoep indiende bij de Raad van State staat er niet aan in de weg dat hij bij de burgerlijke rechter een rechtsvordering kan aanspannen. Daartoe volstaat het dat appellant zich beroept op de krenking van een subjectief burgerlijk recht waardoor hij schade lijdt, wat te de-zen het geval is gezien hij een schending aanvoert van zijn statuut als vastbenoemd leraar in het gemeentelijk muziekonderwijs te Roeselare en aanspraak maakt op schadeloosstelling. Appellants vordering is dan ook toelaatbaar en ontvankelijk.
  12. Afstand van recht wordt niet vermoed en moet afdoend worden bewezen door diegene die zich er op beroept. Geïntimeerde maakt niet aannemelijk dat appellant handelingen heeft gesteld die voor geen andere uitleg vatbaar zijn dan een af-stand van zijn recht op schadevergoeding wegens de miskenning van een subjectief burgerlijk recht.
  13. Met de eerste rechter is het hof van oordeel dat appellants vordering niet is verjaard. De overgangsbepalingen van artikel 2262 bis B.W. zijn van toepassing op voorliggend geschil wat tot gevolg heeft dat de vordering op 18 april 2002, d.i. het tijdstip van de dagvaarding, nog niet was ver-jaard. Voor het overige verwijst geïntimeerde ten onrechte naar artikel 2277 B.W., vermits het om een vordering gaat die louter gestoeld is op de buitencontractuele aansprakelijkheid van geïntimeerde.
  14. Appellant voert geen concrete grieven aan tegen het (tussen)vonnis d.d. 5 oktober
  15. Het hoger beroep is op dat punt onontvankelijk wegens gebrek aan belang. m.b.t. de gegrondheid van de vordering 1.
  16. Het staat aan de rechter om op grond van de feitelijke gegevens die de vordering van een procespartij schragen, onder eerbiediging van de rechten van de verdediging en zonder het voorwerp of de oorzaak van de vordering te wijzigen, de rechtsregels toe te passen die leiden tot het inwilligen of afwijzen ervan. 1.
  17. Als gewezen statutair personeelslid van geïntimeerde maakt appellant aanspraak op een vergoeding wegens materiële en morele schade tengevolge van een aanzienlijke en onrechtmatige vermindering van zijn lesurenpakket kamermuziek in het hoger secundair van de Stedelijke Academie voor Muziek en Woord te Roeselare, en dit in de periode vanaf het academiejaar 1985-1986 tot einde
  18. (zie de stukken 1 en 44 in het dossier van appellant) Volgens appellant heeft geïntimeerde als inrichtende macht bij zijn tewerkstelling niet enkel specifieke rechtsnormen geschonden, maar is zij evenzeer tekort gekomen aan de op haar rustende algemene zorgvuldigheidsnorm. 2.
  19. Wanneer een inrichtende macht zoals geïntimeerde betoelaging aanvraagt moeten de subsidievoorwaarden onder welke deze ver-leend worden gerespecteerd worden, is de schending ervan een onwettigheid en dus een fout in de zin van de artikels 1382 - 1383 B.W. De grondwettelijke onderwijsvrijheid wordt op geen enkele wijze geschonden gezien het de inrichtende macht vrijstaat de subsidie al dan niet aan te vragen. Subsidievoorwaarden kunnen echter de uitoefening van grondrechten beperken op voorwaarde dat ze zinvol en geoorloofd zijn. Indien de inrichtende macht er voor kiest betoelaagd te worden dient zij de daaraan gekoppelde voorwaarden te aanvaarden en onverkort toe te passen. Volgens het hof zijn de hier aan bod komende subsidievoorwaarden zinvol en geoorloofd, gezien zij beogen de vastheid van betrekking, de regels van de anciënniteit en het verbod van willekeur veilig te stellen. 2.
  20. In het voorliggend geschil moet in het bijzonder worden verwezen naar artikel 15 van de wet van 14 mei 1955 tot regeling van het kunstonderwijs en naar het op die wet gestoelde K.B. van 26 januari
  21. Artikel 2 van dat K.B. schrijft voor dat slechts betoelagingen toegekend worden voor onderwijzend personeel dat in het bezit is van een der daarin opgesomde diploma's en van een bekwaamheidsgetuigschrift. Appellant bewijst dat hij over de vereiste diploma's beschikte evenals over de nodige bekwaamheidsgetuigschriften. (zie stuk 47 in het dossier van appellant) Appellant bewijst dat hij in 1985 op het tijdstip van de gewraakte feiten aan alle voorwaarden voldeed om de beschikbare lesuren ka-mermuziek toegewezen te krijgen, ook op het niveau van een ambt met volledige prestaties. Gedurende het academisch jaar 1983-1984 had appellant al een lesurenpakket kamermuziek van 18 uur met 49 studenten. Gedurende het academisch jaar 1984-1985 had appellant een lesurenpakket kamermuziek van 17 uur met 52 studenten. Voor het academisch jaar 1985-1986 heeft geïntimeerde dat lesurenpakket verminderd van 17 uur naar 6 uur. Appellant bewijst tevens dat die door geïntimeerde genomen be-slissing in strijd met de betoelagingreglementering geschiedde, ge-zien in zijn plaats leerkrachten werden aangesteld of in dienst ge-nomen die voor de invulling van deze lesuren normaal niet in aan-merking kwamen. (zie de stukken 8, 9, 12, 13 en in het bijzonder 16 en 17 in het dossier van appellant) Op grond van artikel 5 van voormeld K.B. kon in specifieke gevallen worden afgeweken van de in artikel 2 gestelde vereisten, wat ver-duidelijkt werd in enkele omzendbrieven, o.m. van 14 en 19 augustus 1985 en 10 december
  22. Aldus bepaalde de omzendbrief van 19 augustus 1985 dat ook kandidaten die niet in het bezit waren van de bekwaamheidsbewij-zen zoals bedoeld in artikel 2 van het K.B. van 26 januari 1968 in aanmerking kwamen op voorwaarde dat de inrichtende macht de dienstprestaties eerst aanbood aan al de personeelsleden die in het onderwijs met beperkt leerplan een hoofdambt met onvolledige prestaties uitoefenden. (zie stuk 49 in het dossier van appellant) Geïntimeerde spreekt niet tegen dat zij van die omzendbrief op de hoogte was, maar bewijst niet dat zij aan dat voorschrift heeft vol-daan. Dat geïntimeerde een verkeerde interpretatie heeft gemaakt van de kwestieuze omzendbrief neemt uiteraard de door haar begane fout niet weg. Hoe dan ook was het niet correct naleven door geïntimeerde van dat niet mis te verstane ambtelijke voorschrift een inbreuk op de al-gemene zorgvuldigheidsnorm. Die manifeste fout verplicht geïntimeerde op grond van artikel 1382 e.v. B.W. appellant te vergoeden voor alle schade die daardoor voor hem is ontstaan. Dat geïntimeerde zich bewust was of diende te zijn van die manifeste inbreuk op de ambtelijke voorschriften, blijkt afdoend uit het schrijven van haar directeur d.d. 25 oktober 1985 aan de burgemeester, uit het antwoord d.d. 9 september 1986 van de burge-meester aan voornoemde directeur, uit de brief van 24 september 1986 van geïntimeerde aan de toenmalige Minister, uit de brief van 1 oktober 1986 van de Minister aan het CBS van geïntimeerde, en uit de brief d.d. 7 oktober 1986 waarbij het CBS voornoemde direc-teur zeer dringend verzocht om de wettelijke bepalingen ter zake te willen naleven. (zie de stukken 4, 13, 15, 16 en 17 in het dossier van appellant) Zoals hoger aangetoond is het naleven van de verplichting om een prioritair gerechtigd personeelslid de beschikbare lesuren kamer-muziek te geven, verantwoord vanuit de zorg om willekeurig belemmeringen van een loopbaan te voorkomen, wat helemaal geen afbreuk doet aan de vrijheid van onderwijs.
  23. Afgezien van die door geïntimeerde begane fout bij de toewijzing van het lesurenpakket, stelt het hof een inbreuk vast op artikel 3 van het K.B. d.d. 27 juni 1976 tot reglementering van de terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, de reaffectatie en de toekenning van een wachtweddetoeslag in het gesubsidieerd onderwijs. Vooreerst stelt het hof vast dat de beweerde ‘interne reorganisatie' die geïntimeerde er zou toe hebben genoopt om lesuren kamermu-ziek toe te kennen aan bijkomend in dienst genomen personeelsleden, die overigens niet beschikten over de vereiste bekwaamheids-bewijzen, ook op heden niet wordt aangetoond. Ook indien er effectief een noodzaak tot interne reorganisatie zou hebben bestaan, dan nog staat vast dat appellant na de forse re-ductie van zijn lesurenpakket in de voorwaarden verkeerde voor een terbeschikkingstelling met financiële compensatie. Op dat punt heeft geïntimeerde eveneens een fout begaan die haar tot schadeloosstelling van appellant verplicht. Dat geïntimeerde anderhalf jaar later een beperkt aantal uren (vier) aan appellant heeft teruggegeven, doet aan die vaststelling dat ge-intimeerde ten onrechte geen toepassing heeft gemaakt van de terbeschikkingstelling geen afbreuk.
  24. Of geïntimeerde daarnaast een aantal beginselen van behoorlijk bestuur heeft miskend moet volgens het hof niet nader worden on-derzocht, gezien het de hoger al gegeven beoordeling van fout, schade en causaal verband niet wijzigt. Voor het overige is de bewering van geïntimeerde dat het al die jaren met appellant zeer stroef en problematisch samenwerken was bij de beoordeling van haar buitencontractuele aansprakelijkheid niet dienend.
  25. Over de omvang van de schade, zoals door appellant uitvoerig en gedetailleerd becijferd, voert geïntimeerde geen enkel verweer. (zie stuk 44 met 17 bijlagen in het dossier van appellant) Aan appellant kan het gevorderde bedrag van 53.210,42 EUR worden toegekend, te vermeerderen met de vergoedende intresten te-gen de wettelijke rentevoet vanaf de gemiddelde datum van 1 januari 1992 tot heden, dat alles te vermeerderen met de gerechtelij-ke intresten vanaf heden tegen de wettelijke rentevoet. Appellant brengt geen argumenten aan over het provisioneel karakter van de door hem gevorderde schadevergoeding. Het hof kent daarom het door appellant gevorderde bedrag toe als zijnde een definitieve schadevergoeding.
  26. Gelet op de aard van de zaak en het tijdsverloop vindt het hof het passend om voor morele schade aan appellant een vergoeding toe te kennen die in billijkheid wordt bepaald op 2.500,00 EUR, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten vanaf heden.
  27. Er zijn geen termen om de door appellant gevorderde vergoeding van 1.500,00 voor rechtsbijstand toe te kennen gelet op de wettelij-ke wijziging van de rechtsplegingvergoedingen.
  28. Als in het ongelijk gestelde partij dient geïntimeerde tot de kosten in beide aanleggen te worden veroordeeld. Het hof maakt voor de in deze aanleg gevallen kosten toepassing van de wet van 21 april 2007 en van het K.B. van 26 oktober 2007 die vanaf 1 januari 2008 gelden. Ter terechtzitting hebben partijen verklaard akkoord te gaan dat de basisbedragen worden toegepast. De rechtsplegingvergoeding in hoger beroep bedraagt 5.000,00 EUR. OP DIE GRONDEN, HET HOF Recht doende op tegenspraak en met inachtneming van artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken. Verklaart het hoger beroep tegen het vonnis d.d. 5 oktober 2004 onontvankelijk. Verklaart het hoger beroep tegen het vonnis d.d. 14 juni 2005 ontvankelijk en gegrond. Doet het vonnis teniet en opnieuw wijzende, Verklaart de oorspronkelijke vordering van appellant ontvankelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond. Veroordeelt geïntimeerde tot het aan appellant betalen van 53.210,42 EUR, te vermeerderen met de vergoedende intresten te-gen de wettelijke rentevoet vanaf 1 januari 1992 tot heden, en met de gerechtelijke intresten vanaf heden tot de dag van de complete betaling. Veroordeelt geïntimeerde tot het aan appellant betalen van 2.500,00 EUR, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten van-af heden tot de dag van de complete betaling. Veroordeelt geïntimeerde tot de in beide aanleggen gevallen kosten. Aan de zijde van appellant worden die kosten tot dusver bepaald in eerste aanleg op 236,21 EUR voor dagvaarding en rol, 356,97 EUR rechtsplegingvergoeding en 59,49 EUR aanvullende rechtsplegingvergoeding in eerste aanleg, en in hoger beroep op 186,00 EUR rolrecht en 5.000,00 EUR rechtsplegingvergoeding. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, dertiende kamer, zetelende in burgerlijke zaken, op zestien september tweeduizend en negen. Aanwezig: de heer Dominique Vandorpe, kamervoorzitter, de heer Kristoffel Goossens, griffier, Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.