id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 17 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090917.17 Rolnummer: 2007/AR/2585 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2009-12-11 Raadplegingen: 94 - laatst gezien 2026-07-02 20:16 Fiche De niet naleving van de regels met betrekking tot de verschijning van partijen en de debatten in raadkamer, voorgeschreven door art. 353 § 3 en 369 (oud) B.W. in verband met adoptie en wettiging door adoptie brengen geen ambtshalve nietigheid mee, zodat er geen elementen zijn om terzake een herroeping anders te oordelen. Een vonnis dat de (wettiging door) adoptie homologeert in plaats van de (gewone) adoptie uit te spreken en voor de modaliteiten zich ertoe beperkt te verwijzen naar de akte opgesteld door de vrederechter, te weten een wettiging door adoptie, wijst impliciet het verzoek tot omzetting van de wettiging door adoptie in een gewone adoptie af Een herroeping van een wettiging door adoptie of volle adoptie overeenkomstig art. 370 § 5 (oud) B.W. is onontvankelijk UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN (BURGERLIJKE ZAKEN) - Adoptie (rechtspleging) Vrije woorden: Adoptie - wettiging door adoptie - vordering tot herroeping - nietigheid procedure - ontvankelijkheid Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 11 Kamer ________ Terechtzitting van 17 september 2009 ________ 2007/AR/2585 - In de zaak van:
- H. L., wonende te .....................................................
- L. C., wonende te ......................................................, appellanten, beiden hebbende als raadsman mr. DE GROOTE Thomas, advocaat te 1050 BRUSSEL, Kapitein Crespelstraat 2-4 tegen : H. S., wonende te ......................................................., geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. STOOP Christian, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Entrepotkaai 9 velt het hof het volgend arrest: Appellanten hebben bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 23 oktober 2007 hoger beroep ingesteld tegen het op 18 september 2007 uitgesproken vonnis van de 7de kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, waarbij de vordering van appellanten tot herroeping van de adoptie van geïntimeerde werd afgewezen als niet ontvankelijk en appellanten werden veroordeeld tot de kosten van het geding, aldaar nader begroot. In hun beroepsakte en daaropvolgende syntheseconclusies neergelegd ter griffie op 29 januari 2009 vorderden appellanten dat het hof: - het hoger beroep ontvankelijk en gegrond zou verklaren; - het bestreden vonnis zou vernietigen; - opnieuw rechtdoende, zou bevelen dat de adoptie van geïntimeerde bekrachtigd ingevolge het vonnis nr. 45.547 van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 1 maart 1987 zou worden herroepen; - zou bevelen dat het beschikkend gedeelte van het tussen te komen vonnis (waarschijnlijk wordt arrest bedoeld) dient te worden betekend aan de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand ten einde te worden overgeschreven in de registers van de burgerlijke stand; - geïntimeerde zou worden veroordeeld tot betaling van de kosten van beide instanties, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoedingen, nader begroot aan hun zijde; - het tussen te komen vonnis (waarschijnlijk wordt arrest bedoeld) uitvoerbaar bij voorraad zou verklaren, zonder borgtocht noch kantonnement. Geïntimeerde betwistte in syntheseconclusies neergelegd ter griffie op 31 maart 2009 de ontvankelijkheid en de gegrondheid van het hoger beroep. In conclusies neergelegd ter griffie op 16 juni 2009 vroeg zij dat het hof het bestreden vonnis nietig zou verklaren, de zaak aan zich zou trekken en opnieuw rechtdoende de oorspronkelijke vordering tot herroeping van de adoptie zou afwijzen als zijnde onontvankelijk. Tevens vorderde geïntimeerde de veroordeling van appellanten tot de kosten van het geding, nader begroot aan haar zijde. Op de openbare terechtzitting van 18 juni 2009 werd een afzonderlijk proces-verbaal opgesteld betreffende het verschijnen en verhoren in raadkamer van geïntimeerde - hiertoe overeenkomstig art. 1231 - 49 Ger. W. opgeroepen bij gerechtsbrief van 14 mei 2009 - inzake de herroeping van de adoptie, waarna de partijen werden gehoord in hun middelen en besluiten, waarbij werd geacteerd dat: - partijen het erover eens zijn dat de procedure voor de eerste rechter niet rechtsgeldig is verlopen aangezien geïntimeerde niet in persoon werd opgeroepen conform de wet; - partijen werden uitgenodigd standpunt in te nemen omtrent de toelaatbaarheid van de vordering. Daarna werden de debatten gesloten en werd de zaak meegedeeld aan het openbaar ministerie voor advies, waarna substituut-procureur-generaal Carl Bergen, gelet op de omstandigheden van de zaak, terstond mondeling advies uitbracht, partijen werden gehoord in hun repliek en de zaak in beraad werd genomen. BEOORDELING
- De ontvankelijkheid van het hoger beroep Het hoger beroep van appellanten is tijdig ingesteld en regelmatig naar de vorm. Geïntimeerde betwist de rechtsgeldigheid van de beroepsakte, argumenterend dat deze niet voldoet aan de vereisten van art. 1057 7° Ger. W., waardoor zij niet in de mogelijkheid zou verkeren om aan de hand van de inhoud van het verzoekschrift te bepalen wat uiteindelijk aan de eerste rechter wordt verweten. Bij nalezing van de grieven op de pagina's 3 en 4 van de appèlakte blijkt duidelijk dat appellanten van oordeel zijn dat de eerste rechter ten onrechte de vordering tot herroeping van de adoptie niet ontvankelijk heeft verklaard, gezien het vonnis van 1 maart 1978 van de 14de kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel de bekrachtiging uitmaakt van een volle adoptie / wettiging door adoptie, terwijl zij voorhouden dat de eerste rechter zich hierin vergist, nu het voornoemd vonnis enkel een gewone adoptie kon toestaan. Waar appellanten navolgend met betrekking tot de gegrondheid van hun vordering verwijzen "naar de in eerste aanleg uitgewisselde besluiten die hier als integraal hernomen dienen te worden (aanzien)", wordt weliswaar de bepaling van art. 748 bis Ger. W. miskend, doch dit wordt niet gesanctioneerd door de nietigheid van de akte. Ten onrechte insinueert geïntimeerde dat zij hierdoor onwetend zou zijn geweest over de grondslag van het geding in hoger beroep en/of over de schragende argumenten van de vordering tot herroeping. De navolgende conclusies van geïntimeerde bewijzen overigens dat zij afdoende kennis had van de argumenten ten gronde van appellanten, gezien zij deze in haar verweer heeft ontmoet. Gelet op het hogerstaande en bij gebrek aan een ambtshalve op te werpen exceptie is het hoger beroep derhalve ontvankelijk te verklaren. Waar geïntimeerde in deze instantie een hogere rechtsplegingsvergoeding vordert dan deze toegekend door de eerste rechter, heeft zij op dit punt (minstens impliciet) incidenteel hoger beroep ingesteld. Ook het incidenteel hoger beroep is tijdig en regelmatig naar de vorm en bijgevolg ontvankelijk.
- Feitelijke en procedurele voorgaanden Bij akte van 16 juni 1977 van de Vrederechter van het kanton Vilvoorde zijn appellanten - bij toepassing van de toenmalige artikelen 368 tot 370 B.W. (Wet van 21 maart 1969, B.S. 12 april 1969) - overgegaan tot wettiging door adoptie van geïntimeerde (st. 2 appellanten). Op 28 december 1977 werd een verzoekschrift neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, waarbij alle partijen verzoeken om hen akte te geven van hun gezamenlijke wil om de wettiging tot adoptie om te zetten in een gewone adoptie en dit overeenkomstig art. 369, 2° lid B.W. (Wet 21 maart 1969) (st. 1 appellanten). Vervolgens is door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel het vonnis van 1 maart 1978 verleend, waarin geen melding wordt gemaakt van het verzoek tot omzetting van de wettiging tot adoptie in een gewone adoptie en dat integendeel bepaalt: "Homologeert de adoptie gedaan door" (...) "volgens akte opgesteld door de vrederechter van het kanton Vilvoorde op 16 juni 1977" (st. 3 appellanten). Navolgend hebben partijen bij gerechtsdeurwaarder de overschrijving van het voornoemd vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel gevraagd aan de ambtenaar van de burgerlijke stand te Zemst (stavingsstuk gehecht aan het advies van het openbaar ministerie in de procedure voor de eerste rechter). Ook in dit document is vermeld dat het vonnis "de adoptie homologeert" "volgens akte opgesteld door de Vrederechter van het kanton Vilvoorde op zestien juni duizend negenhonderd zevenenzeventig". Op verzoek van appellanten werd op 22 december 2004 door gerechtsdeurwaarder Desmet het dagvaardingsexploot betekend, strekkend tot de herroeping van de adoptie overeenkomstig art. 367 e.v. B.W. (Wet 27 april 1987, B.S. 27 mei 1987). Nadat de zaak bij vonnis van de 27ste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 20 maart 2007 werd verzonden naar de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, werd het bestreden vonnis verleend.
- De nietigheid van het bestreden vonnis Blijkens het voorliggend procedurebundel werd geïntimeerde niet opgeroepen om in raadkamer te worden gehoord en evenmin werd de zaak in raadkamer behandeld. In weerwil van hun verzoek in het dispositief van hun beroepsakte en syntheseconclusies betwisten appellanten - uitgenodigd om hierover standpunt in te nemen - dat de niet-naleving van deze vormvereisten dient te worden gesanctioneerd door het uitspreken van de nietigheid van het bestreden vonnis. Appellanten wijzen erop dat geen der partijen op die gronden de nietigheid heeft ingeroepen, noch in eerste aanleg, noch in deze instantie, dat er terzake evenmin belangenschade bestaat en dat trouwens zelfs indien de vormgebreken aanleiding zouden geven tot absolute nietigheid - hetgeen zij betwisten - deze zou gedekt zijn door het verleende vonnis op tegenspraak. Geïntimeerde voert desbetreffend aan dat het niet vervullen van deze formaliteiten de nietigheid van de beslissing van de eerste rechter meebrengt nu de adoptiewetgeving de openbare orde raakt. Naar het oordeel van het hof zijn er in voorliggende zaak geen redenen om het bestreden vonnis nietig te verklaren, nu: - de niet-naleving van de regels met betrekking tot de verschijning van partijen en de debatten in raadkamer voorgeschreven door art. 353 § 3 en 369 B.W. (beiden oud) in verband met adoptie en wettiging door adoptie geen ambtshalve nietigheid meebrengen, zodat er geen elementen voorhanden zijn om terzake een herroeping anders te oordelen; - de omstandigheid dat het openbaar ministerie zijn advies in openbare terechtzitting heeft gegeven niet tot gevolg heeft dat de beslissing nietig is overeenkomstig art. 860 Ger. W., wanneer de behandeling van de zaak in raadkamer niet uitdrukkelijk op straffe van nietigheid is voorgeschreven; - geïntimeerde niet aanvoert, laat staan bewijst dat zij hierdoor belangenschade heeft geleden.
- De ontvankelijkheid van de vordering tot herroeping De eerste rechter heeft de vordering tot herroeping van de adoptie niet ontvankelijk verklaard, nu een herroeping van een wettiging door adoptie of volle adoptie overeenkomstig art. 370 § 5 B.W. (oud) niet mogelijk is. Appellanten betwisten dit niet, doch voeren aan dat het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 1 maart 1978 enkel een gewone adoptie inhoudt. Zij verwijzen daarbij: - enerzijds naar de bewoordingen in het door hen op 28 december 1977 neergelegde verzoekschrift, waarin akte werd gevraagd van de omzetting van de wettiging door adoptie in een gewone adoptie en - anderzijds naar de meerderjarigheid van geïntimeerde (wiens personeel statuut terzake beheerst werd door het Duitse recht dat voorzag in een meerderjarigheid op 18 jaar) op het ogenblik van het verlijden van de adoptieaktes, zodat een wettiging door adoptie naar Belgisch recht niet mogelijk was. Het standpunt van appellanten betreffende de inhoud van het voornoemd vonnis van 1 maart 1978 is evenwel niet verenigbaar met de termen van dit vonnis waarin wordt beslist tot het "homologeren van de adoptie" "volgens akte opgesteld door de Vrederechter over het kanton Vilvoorde op 26 juli 1977." Ten onrechte menen appellanten aan de duidelijke draagwijdte en inhoud van het vonnis van 1 maart 1987 te kunnen tornen door te verwijzen naar de bewoordingen van het verzoekschrift van 28 december
- Nu in het vonnis zelf, noch akte werd verleend van het verzoek tot omzetting van de wettiging door adoptie in een gewone adoptie en/of van de inwilliging van dit verzoek tot omzetting en het vonnis daarentegen de (wettiging door) adoptie "homologeert" in plaats van de (gewone) adoptie "uit te spreken" en voor de modaliteiten zich ertoe beperkt te verwijzen naar de akte opgesteld door de Vrederechter, t.w. een "wettiging door adoptie", werd (impliciet) het verzoek tot omzetting afgewezen. Samen met de eerste rechter oordeelt het hof dat de juridische draagwijdte van de enkele verwijzing in de aanhef van het vonnis naar "het voorafgaand verzoekschrift" beperkt is tot een stereotype vermelding van de procedurestukken, in het bijzonder het document van de rechtsingang. Op gevaar af de duidelijke en expliciete bewoordingen van een dispositief van een vonnis te (laten) ontkrachten door de vordering(en) van partijen kunnen appellanten niet worden gevolgd in hun standpunt dat hierdoor in het vonnis niet de homologatie van de wettiging door adoptie wordt uitgesproken. Tegen dit vonnis werd geen enkel rechtsmiddel aangewend, zodat het definitief is geworden. Integendeel werd het beschikkend gedeelte van het vonnis ten verzoeke van appellanten en geïntimeerde betekend aan de ambtenaar van de burgerlijke stand en navolgend overgeschreven in het geboorteregister. In het licht van deze vaststelling heeft het argument van appellanten dat naar Belgisch recht geen wettiging door adoptie kon worden uitgesproken, geen relevantie meer. Terecht dan ook heeft de eerste rechter de vordering tot herroeping van de adoptie van geïntimeerde door appellanten niet ontvankelijk verklaard. Het hoger beroep is ongegrond.
- De uitvoerbaarheid bij voorraad Behoudens indien de wet anders bepaalt (hetgeen te dezen niet het geval is), heeft noch een voorziening in cassatie, noch de termijn voor die voorziening schorsende werking op de uitvoerbaarheid van een in laatste instantie gewezen beslissing. De vraag van appellanten dat het tussen te komen arrest uitvoerbaar zou worden verklaard bij voorraad, spijts alle verhaal en zonder borgstelling, heeft dan ook geen voorwerp.
- De kosten Terecht heeft de eerste rechter appellanten veroordeeld tot de kosten, weze het dat de rechtsplegingsvergoeding toekomend aan geïntimeerde ten tijde van de uitspraak van de bestreden beschikking diende te worden begroot op 182,20 euro . Het incidenteel hoger beroep is dan ook ten dele gegrond Nu hoger werd geoordeeld dat het principaal hoger beroep ongegrond is, dienen appellanten overeenkomstig art. 1017 Ger. W. te worden veroordeeld tot de kosten van het geding, aan hun zijde niet te begroten en aan de zijde van geïntimeerde te begroten op de rechtsplegingsvergoeding ad 1.200 euro OP DIE GRONDEN, HET HOF, Recht doende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, Verklaart het principaal hoger beroep en het incidenteel hoger beroep beide ontvankelijk; Wijst het principaal hoger beroep af als ongegrond; Verklaart het incidenteel hoger beroep gegrond in de hierna bepaalde mate; Bevestigt het bestreden vonnis met dien verstande dat de rechtsplegingsvergoeding verschuldigd aan geïntimeerde wordt begroot op 182,20 euro. Veroordeelt appellanten tot de kosten in deze instantie gevallen aan de zijde van geïntimeerde begroot op de rechtsplegingsvergoeding ad 1.200 euro. Aldus gewezen door de ELFDE KAMER, van het Hof van beroep te Gent, zetelend in burgerlijke zaken, samengesteld uit: Alexander Deene, raadsheer wn. voorzitter, Nadia De Turck, raadsheer, Kristin Vandenberghe, raadsheer, en uitgesproken door de raadsheer wn. voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting van 17 september 2009, bijgestaan door Kurt Goossens, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div