id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 21 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090921.5 Rolnummer: 2007/AR/2397 Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2009-11-06 Raadplegingen: 140 - laatst gezien 2026-07-02 20:16 Fiche Appellante, die van oordeel is dat eerste en tweede geïntimeerden een met de VOF Estyvli concurrerende activiteit hebben ontwikkeld en daarbij de verzekeringsportefeuille van de VOF Estyvli geheel of gedeeltelijk naar hen hebben afgeleid, stelt een aansprakelijkheidsvordering in. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VENNOOTSCHAPPEN - Vennootschap onder firma - gewone commanditaire vennootschap - Vennootschap onder firma Vrije woorden: VOF - bestuur - aansprakelijkheidsvordering door vennoot tot beloop van zijn aandeel tegen medevennoot/zaakvoerder Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 7de Kamer ________ Terechtzitting van 21 september 2009 ________ Tussenarrest 2007/AR/2397 - In de zaak van: C. G., wonende te ................................., appellante, hebbende als raadsman mr. TEMMERMAN Jan, advocaat te 9000 GENT, Sint-Martensstraat 16, tegen: 1. V. E., wonende te ......................................, 2. H. Y., wonende te ......................................., eerste en tweede geïntimeerden, hebbende beiden als raadsman mr. MERTENS Jos, advocaat te 9051 SINT-DENIJS-WESTREM, MG Building II / Kortrijkse-steenweg 1144G, 3. ESTYVLI VOF, met maatschappelijke zetel te 9051 SINT-DENIJS-WESTREM, Kortrijksesteenweg 1079, ingeschreven met KBO-nummer 0442.775.702, derde geïntimeerde, die niet is verschenen noch vertegenwoor-digd, velt het hof het volgend arrest: Procedure in hoger beroep 1. Appellante heeft op 28 september 2007 hoger beroep ingesteld te-gen het door de rechtbank van koophandel te Gent op 25 juni 2007 deels op tegenspraak en deels bij verstek gewezen vonnis in de zaak A.R. A/05/00858. Het bestreden vonnis werd blijkbaar op 18 september 2007 bete-kend. Een akte van betekening wordt niet voorgelegd. Met uitzondering van derde geïntimeerde die niet is verschenen en ook niet werd vertegenwoordigd, werden de partijen in openbare te-rechtzitting gehoord in hun middelen en besluiten. Ook de stukken werden ingezien. Feiten en procedure in eerste aanleg 2. Voor wat de relevante feiten betreft verwijst het Hof partijen naar de uiteenzetting van de eerste rechter onder de hoofding "II. DE FEITEN" op pagina's twee tot en met vier van het bestreden vonnis. Het Hof herneemt hier deze feitelijke uiteenzetting die geen verdere aanvulling behoeft. 3. De oorspronkelijke vordering van appellante strekt ertoe : - eerste geïntimeerde te veroordelen om een afschrift van haar aanslagbiljetten in de personenbelasting voor de inkomstenjaren vanaf 1992 tot op heden bij het dossier van de rechtspleging te voegen op straffe van een dwangsom van 1.000,00 EUR per dag vertraging vanaf de betekening van het vonnis, - eerste en tweede geïntimeerde solidair of in solidum, minstens de ene bij gebreke aan de andere, te veroordelen tot betaling aan appellante van een schadevergoeding, provisi-oneel begroot op één derde van : - 570.155,11 EUR wegens het verlies van de porte-feuille als actiefbestanddeel, - de door de eerste geïntimeerde gedurende de in-komstenjaren 1993 tot op heden uit de met de VOF ESTYVLI concurrerende activiteit wederrechtelijk ver-kregen winsten, te verminderen met de door eerste geïntimeerde gedurende die periode geïnde commissies op polissen die zij van de VOF ESTYVLI over-nam, provisioneel begroot op 150.000,00 EUR, En vooraleer definitief over de vordering te oordelen, een deskundige aan te stellen. Eerste en tweede geïntimeerden argumenteerden voor de eerste rechter tot : - de afwijzing van de vordering als niet toelaatbaar, minstens onontvankelijk, - het horen zeggen voor recht dat het vennootschapscontract en de VOF ESTYVLI van rechtswege ontbonden zijn sedert 1 januari 1996, en aldus de verjaring van de vordering van appellante te horen vaststellen, - het in elk geval ongegrond verklaren van de vordering. 4. Met het thans bestreden vonnis van 25 juni 2007 verklaarde de eerste rechter de oorspronkelijke vordering van appellante ontoe-laatbaar bij gebrek aan hoedanigheid en belang overeenkomstig artikel 17 Ger.W.. De eerste rechter stelde vast dat de schadevergoeding waarvoor appellante eerste en tweede geïntimeerden in hun hoedanigheid van vennoot en zaakvoerder wegens bestuursfouten en deloyaal gedrag als vennoot aansprak, enkel aan de vennootschap zou kunnen toekomen en niet aan het eigen vermogen van de klagende vennoot, tenzij deze een eigen, van de schade aan de vennootschap te onderscheiden schade aantoont. Waar - aldus nog de eerste rechter - appellante enkel beweerde schade in hoofde van de vennootschap aantoonde en op geen enkel punt het bewijs leverde dat zij een van de schade aan de vennootschap te onderscheiden schade heeft gelden, verklaarde hij haar vordering ontoelaatbaar bij gebrek aan hoedanigheid en belang. Grieven/voorwerp van het hoger beroep 5. Kort samengevat is appellante van oordeel dat haar oorspronkelijke vordering door de eerste rechter ten onrechte als ontoelaatbaar werd afgewezen. Zij argumenteert dat zij wel degelijk over de rechtens vereiste hoedanigheid en belang beschikt om haar vordering op een ontvankelijke wijze in te stellen. Voor het overige betwist appellante elk van de hierna onder randnummer 6. aangehaalde standpunten en argumentaties van eerste en tweede geïntimeerden. Appellante vordert de ontvankelijk- en gegrondverklaring van haar hoger beroep en de vernietiging van het bestreden vonnis. Zij vordert de toekenning van haar voor de eerste rechter geformuleerde en hiervoor onder randnummer 3 nader omschreven oor-spronkelijke vordering. 6. Kort samengevat besluiten eerste en tweede geïntimeerden achtereenvolgens dat : - de beroepsakte nietig voorkomt (artikel 1057,7° Ger.W.), - de oorspronkelijke vordering van appellante ontoelaatbaar is wegens gebrek aan hoedanigheid en belang, - de oorspronkelijke vordering onontvankelijk voorkomt gezien zij gebaseerd is op een handelsactiviteit van appellante waarvoor aan de door de Handelsregister/KBO-wet voorzie-ne inschrijving/formaliteiten niet is voldaan, - de VOF ESTYVLI van rechtswege is ontbonden, minstens onbestaande was omdat : o zij sedert de inwerkingtreding van de wet van 27 maart 1995 betreffende de verzekeringsbemiddeling en de distributie van verzekeringen, haar maatschap-pelijk en werkelijk doel niet langer kon/mocht nastre-ven en haar individuele vennoten de beroepsactivitei-ten niet mochten uitoefenen, o haar vennoten-zaakvoersters minstens impliciet de wil hebben geuit om, elk afzonderlijk, uit de vennootschap te treden, o de vereiste affectio societatis ontbrak, - hen geen enkele fout treft, minstens niet het bewijs van eni-ge tekortkoming voorligt, - de oorspronkelijke vordering van appellante verjaard is, - de gevorderde schadevergoeding niet wordt bewezen en met klem wordt betwist, temeer de verzekeringsportefeuille de facto uiteen is gevallen en verloren gegaan, - de vordering tot aanstelling van een gerechtsdeskundige niet kan worden ingewilligd. Eerste en tweede geïntimeerden vorderen dat het hoger beroep on-toelaatbaar, minstens onontvankelijk en ongegrond zou worden verklaard, en dat minstens voor recht zou worden gezegd dat de VOF ESTYVLI van rechtswege ontbonden is sedert 1 januari 1996 en mitsdien de verjaring van de vordering van appellante zou wor-den vastgesteld. Eerste en tweede geïntimeerden vorderen tevens dat appellante in de gedingkosten zou worden verwezen. Beoordeling 7. Bij de behandeling van de zaak in openbare terechtzitting van 22 juni 2009 hebben zowel appellante als eerste en tweede geïnti-meerden ook ten aanzien van de VOF ESTYVLI een op tegenspraak gewezen arrest gevorderd. Het Hof stelt voorafgaandelijk vast dat de zaak ook ten aanzien van VOF ESTYVLI - welke partij niet verschijnt en ook niet wordt verte-genwoordigd - werd vastgesteld op basis van artikel 747 § 2 Ger.W.. De gerechtelijk vastgestelde procedurekalender werd overeenkom-stig artikel 747 § 2 vijfde lid in fine bij gerechtsbrief van 24 december 2007 aan voormelde partij ter kennis gebracht. (stuk 8 - ge-rechtsbundel hoger beroep) De voorschriften van artikel 747 § 2 Ger.W. dan ook nageleefd zo-dat in toepassing van artikel 747 § 2 lid 6 tweede zin het tussen te komen arrest ook ten aanzien van voormelde partij op tegenspraak kan worden verleend. 8. Zoals hiervoor vermeld werpen eerste en tweede geïntimeerden in limine litis op dat de beroepsakte nietig voorkomt vermits zij in strijd met artikel 1057,7° Ger.W. geen uiteenzetting van de grieven bevat, maar zich beperkt tot het herhalen van wat reeds voor de eerste rechter werd geponeerd, geen enkel nieuw argument aanvoert, laat staan aantoont waarom de eerste rechter verkeerd zou hebben ge-oordeeld. Voor de nakoming van het in artikel 1057,7° Ger.W. bepaalde verplichting is het noodzakelijk maar voldoende dat appellante haar be-zwaren tegen de bestreden beslissing vermeldt, dat deze vermelding duidelijk genoeg is om de geïntimeerde in staat te stellen zijn conclu-sie voor te bereiden en om de appelrechter in staat te stellen de draagwijdte ervan na te gaan. Deze verplichting houdt niet in dat ook de middelen tot staving van de grieven moeten worden vermeld. (Cass., 2 mei 2005, RC05522_1, www.cass.
- be)De beroepsakte van appellante die inderdaad een herneming van de voor de eerste rechter ontwikkelde middelen en argumenten bevat, stelt op pagina 8 evenwel uitdrukkelijk dat de eerste rechter foutief oordeelde en de argumentatie van eerste en tweede geïntimeerden ten onrechte overnam. Met deze vermelding geeft appellante onmiskenbaar te kennen, dat zij bezwaar maakt tegen de bestreden beslissing in de mate dat het haar ontwikkelde middelen en argumenten niet is bijgetreden en tot de ontoelaatbaarheid van de oorspronkelijke vordering besloot. Deze vermelding die een onmiskenbaar bezwaar tegen de bestreden beslissing inhoudt voldoet derhalve wel degelijk aan de vereiste van artikel 1057, 7° Ger.W., zodat er geen reden is om tot de nietigheid van de beroepsakte te besluiten. Vermits de ingeroepen onregelmatigheid niet voorkomt in de op-somming van artikel 862 Ger.W. zou de beroepsakte daarenboven slechts nietig kunnen worden verklaard, wanneer het verzuim de be-langen schaadt van de partij die de exceptie opwerpt. Het Hof stelt terzake vast dat eerste en tweede geïntimeerden wel belangenschade inroepen, maar niet in concreto aantonen dat hun belangen door het ingeroepen verzuim werden geschaad. De vaststelling dat uitvoerig werd geconcludeerd, bevestigt dat de vermeldingen in de beroepsakte voldoende duidelijk waren, om geïn-timeerden toe te laten hun conclusie voor te bereiden en er geen sprake kan zijn van enige belangenschade. In tegenstelling tot wat eerste en tweede geïntimeerde voorhouden kan de nietigheid van de beroepsakte dan ook niet worden weerhou-den. 9. Eerste en tweede geïntimeerden kunnen niet worden bijgetreden in hun argumentatie dat appellante haar vordering inleidde in haar hoedanigheid van zaakvoerder van VOF ESTYVLI, minstens niet toelichtte in welke hoedanigheid zij eerste en tweede geïntimeerden in rechte aansprak. Nazicht van de oorspronkelijke dagvaarding toont immers aan dat appellante onder randnummer 2.5. uitdrukkelijk stelt : "De aansprakelijkheidsvordering lastens de zaakvoerders van een VOF kan door elke vennoot ten belope van zijn aandeel in het kapi-taal rechtstreeks worden ingesteld (H. Geinger en N. Heijerick, In-leiding tot het vennootschapsrecht, Die Keure, Brugge, 2003, p. 42)" Het lijdt dan ook geen twijfel dat appellant in haar hoedanigheid van vennoot van de VOF ESTYVLI een aansprakelijkheidsvordering las-tens eerste en tweede geïntimeerde als zaakvoerders van de VOF ESTYVLI instelt. Van de door eerste en tweede geïntimeerden in hun synthesebe-sluiten ingeroepen exceptio obscuri libelli kan dan ook geen sprake zijn. 10. Voor zover de voormelde exceptie niet mocht worden weerhouden argumenteren eerste en tweede geïntimeerden dat appellante niet over het rechtens vereiste belang beschikt om zich in rechte te voorzien tegen de overige zaakvoerders van de VOF ESTYVLI. Verwijzend naar de beoordeling van de eerste rechter, houden eer-ste en tweede geïntimeerden voor dat - anders dan bij de vennoot-schappen zonder enige rechtspersoonlijkheid - een zaakvoerder van een VOF lasthebber is van de vennootschap en niet van de vennoten. Zij stellen verder dat een vordering tegen bestuurders in het kader van hun interne aansprakelijkheid in het vennootschapsvermogen thuishoort en aldus enkel door de vennootschap - na voorafgaande beslissing van de algemene vergadering - kan worden uitgeoefend. Nog volgens eerste en tweede geïntimeerden kan een individuele aandeelhouder de bestuurders enkel aanspreken voor een bijzon-dere schade die verschilt van de schade van de vennootschap, welke bijzondere schade appellante naar hun oordeel niet inroept en ook niet bewijst. De vordering van appellante zoals die op basis van het vennoot-schapscontract is gesteld, is naar het oordeel van eerste en tweede geïntimeerden een vennootschapsvordering die het gemeenschap-pelijk belang dient, zodat de beweerde schade enkel aan de ven-nootschap en niet aan appellante kan worden toegerekend. Nog volgens eerste en tweede geïntimeerden bestaat er geen wet-telijke basis die een medevennoot toelaat een individuele vordering in te stellen tegen de overige zaakvoerders zonder in eerste instan-tie de ontbinding van de vennootschap te vorderen. Er kan naar hun oordeel enkel gevorderd worden in naam en voor rekening van de vennootschap en zij achten zich als vennoten in de VOF ESTYVLI niet persoonlijk aansprakelijk om een uittredend vennoot een scheidingsaandeel te betalen. 10.1. Opdat een vordering toelaatbaar of ontvankelijk zou zijn is inder-daad vereist dat de eisende partij niet enkel procesbekwaam is, maar dat zij bovendien hoedanigheid en belang heeft om ze in te stellen (art. 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek; cfr. Fettweis, A., "Manuel de procédure civile", p. 36 e.v., nr. 26 e.v.; Vanlers-berghe, P., Gerechtelijk Recht, "Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer", Ger.W. art. 17). Het Hof stelt vooreerst vast dat de procesbekwaamheid van appel-lante niet ter discussie staat. De hoedanigheid is de band tussen de procespartij en het subjectieve recht waaromtrent zij in rechte treedt (Van Orshoven, P., "Niet-ontvankelijkheid, nietigheid, verval en andere wolfijzers en schietgeweren van het burgerlijk procesrecht", Themis 2000-2001, I, Gerechtelijk Privaatrecht, nr. 19, p. 35). De loutere bewering door appellante dat zij titularis is van een subjectief recht, verschaft haar de hoedanigheid om op grond daarvan een vordering in te stellen. In de mate dat appellante in haar overigens niet betwiste hoedanigheid van vennoot van de VOF ESTYVLI opkomt tegen handelingen waardoor naar haar oordeel haar persoonlijke belangen in het gedrang worden gebracht, beschikt zij over de vereiste hoedanigheid tot het instellen van die vordering. Naar het oordeel van het Hof beschikt appellante tevens over het vereiste procesrechtelijk belang voor het instellen van haar vordering. De belangvereiste van artikel 17 gerechtelijk wetboek is niets anders dan de mogelijkheid om een voordeel te halen uit het eventueel gegrondheidsoordeel dat de rechter zal maken (zie o.a. Van Reepingen, Verslag over de gerechtelijke hervorming, Brussel 1964, 41: ‘het bestaat uit 'ieder stoffelijk of zedelijk voordeel - effec-tief, maar niet theoretisch - dat de eiser kan trekken uit de vordering die hij instelt op het ogenblik dat hij ze aanhangig maakt ...'; M.E. Storme, Procesrechtelijke knelpunten bij de geldend making van rechten uit aansprakelijkheid voor de burgerlijke rechter, in het bij-zonder belang, hoedanigheid en rechtspleging, in: postuniversitaire cyclus Delva 1992-1993, 204, nr. 14: ‘... dat voor de toelaatbaar-heid van een vordering uitsluitend het procesrechtelijk belang rele-vant is en niet het materieelrechtelijk belang, zijnde het belang dat de partij heeft bij de vast te leggen situatie zelf, bij het voorwerp of de uitvoering van de veroordeling of verklaring van recht.'). Het procesrechtelijk belang is ieder voordeel, hetzij materieel, hetzij moreel dat de eiser door middel van zijn vordering in rechte daad-werkelijk en niet op theoretische wijze kan worden verkregen (Cass., 5 maart 1982, J.T., 1983, 309; zie ook BEERNAERT, S., "Het belang als ontvankelijkheid, vereiste bij de gewone rechter, de Raad van State en het Arbitragehof", P. & B., 2000, 157-158 en 164, met referenties). Appellante beschikt op grond van het voorgaande over het vereiste processuele belang. In beginsel kan zij een voordeel halen uit de procedure, gesteld bijvoorbeeld dat haar vordering gegrond ver-klaard zou worden. De vraag of appellante als vennoot van de VOF ESTYVLI al dan niet gerechtigd is om "ut singuli" een aansprakelijkheidsvordering lastens eerste en tweede geïntimeerden in te stellen, raakt de grond van de zaak. 10.2. De vennootschap onder firma is een personenvennootschap waarin het intuitu personae karakter een essentiële rol speelt. Alhoewel de vennootschap onder firma over rechtspersoonlijkheid en over een eigen vermogen beschikt, vermengt haar (rechts)persoonlijkheid zich praktisch met deze van haar vennoten die tegenover derden hoofdelijk en onbeperkt aansprakelijk zijn. Het vermogen van de vennootschap en het vermogen van de vennoten zijn verbonden door en onderworpen aan een gemeenschappelijk risico. Het bestuur van de vennootschap onder firma gebeurt hetzij conform het gemeen recht (art.36 W.Venn.), hetzij volgens de statutaire bepalingen. Uit de voorliggende oprichtingsakte blijkt dat de vennoten voor een van het gemeen recht afwijkende regeling hebben geöpteerd. Artikel 10 en 11 van de oprichtingsakte bepaalt immers : "Artikel 10 : bevoegdheden der vennoten De vennoten delegeren alle bestuursbevoegdheden ... aan één of meerderen onder hen, die de zaakvoerder(
- s)word(t)(
- en)van de vennootschap. ... Artikel 11 : Aanduiding en herroeping van de zaakvoerders Mevrouw V. E., Mevrouw H. Y. en Mevrouw C. G. worden benoemd tot zaakvoerder van de vennootschap voor de ganse duur van de vennootschap. Zij aanvaarden dit mandaat. Het mandaat van zaakvoerder is in principe onherroepelijk behou-dens in geval van vrijwillig ontslag of herroeping om wettige reden." De bevoegdheden van de zaakvoerders werden in artikel 12 van de oprichtingsakte als volgt omschreven : "De zaakvoerders worden belast met het bestuur van de vennoot-schap, met uitsluiting van de andere vennoten, binnen de perken van het maatschappelijk doel, zoals het is vastgesteld in artikel 1 van onderhavige statuten De zaakvoerders zijn bevoegd om alle daden van bestuur en van beschikking te stellen die nodig of dienstig zijn tot verwezenlijking van het doel van de vennootschap De zaakvoerders mogen afzonderlijk optreden voor alle verrichtin-gen, behalve inzake kopen, verkopen, huren, verhuren of hypo-theekstelling van onroerende goederen, het aangaan van leningen en het aanwerven of ontslaan van personeel. Voor beslissingen of kontrakten die een bedrag van 100.000 BF overschrijden, is de handtekening van de drie zaakvoerders vereist, op straffe van nietigheid." Uit wat voorafgaat blijkt dat de door de vennoten bij gemeen ak-koord in de statuten aangestelde zaakvoerders met het bestuur van de vennootschap werden gelast. Met toepassing van de regels betreffende de lastgeving, waarnaar de voormelde artikelen overigens uitdrukkelijk verwijzen, zijn de zaakvoerders dan ook contractueel aansprakelijk voor de uitvoering van hun mandaat ten aanzien van elk van de vennoten. De aansprakelijkheidsvordering kan ingesteld worden door elke vennoot, ten belope van zijn deel. Op intern vlak blijven de rechtsbetrekkingen die ontstaan uit de op-richting van een vennootschap onder firma immers van contractuele aard. De enkele vaststelling dat de zaakvoerder als orgaan van de ven-nootschap optreedt doet aan voormelde vaststelling geen afbreuk. De situatie van de zaakvoerder in een vennootschap onder firma typeert de tweeslachtigheid van een vennootschap onder firma. Voor derden is hij het orgaan van de vennootschap, maar hij is con-tractueel aansprakelijk voor de uitvoering van zijn mandaat ten aanzien van elk van de vennoten. (L. Frédéricq, Traité, IV, p.343, nr. 212; J. Van Ryn, Principes, I, p.301, nr. 432 ; F. De Vylder, "Commentaar bij art.201 W.Venn.", in X (
- ed)Vennootschapsrecht : artikelsgewijze commentaar met over-zicht van rechtsleer en rechtspraak, Antwerpen, Kluwer 2000, p. 10; H. Geinger, N. Heijerick, Inleiding tot het vennootschapsrecht, Die Keure 2003, p.42, randnr. 3; J. Malherbe, Ph. Lambrecht, Ph. Mal-herbe, Droit des sociétés, Précis, Bruylant 2004, p.328, nr.594; G.L. Ballon, K. Geens, J. Stuyck, Handels- en vennootschapsrecht, Klu-wer 2005, p.239 en p.249 ; S. Harlem, De vennootschap onder fir-ma, Kluwer 2005, p 64-65, randnr.3.6.; Rb. Aarlen, 20 maart 2003, J.L.M.B., 2004, afl.23, 1005.) Als vennoot is appellante in beginsel dan ook wel degelijk gerech-tigd om, tot beloop van haar aandeel in de vennootschap, een aan-sprakelijkheidsvordering tegen eerste en tweede geïntimeerden in te stellen. In tegenstelling tot wat eerste en tweede geïntimeerden voorhou-den betreft het een zelfstandige vordering die losstaat van een vor-dering in ontbinding van de vennootschap. Ook de opmerking dat zij zich als vennoten in de VOF ESTYVLI niet persoonlijk aansprakelijk achten om een uittredend vennoot een scheidingsaandeel te betalen, komt niet relevant voor. De vor-dering van appellante betreft immers niet de uittreding noch de toe-kenning van een scheidingsaandeel. 11. Eerste en tweede geïntimeerden kunnen ook niet worden bijgetre-den waar zij argumenteren dat de oorspronkelijke vordering van appellante onontvankelijk voorkomt gezien zij gebaseerd is op een handelsactiviteit waarvoor aan de door de Handelsregister/KBO-wet voorziene inschrijving/formaliteiten niet is voldaan. Uit de gedinginleidende akte en uit wat voorafgaat blijkt dat appel-lante in eigen naam en in haar hoedanigheid van vennoot van de V.O.F. ESTYVLI, een aansprakelijkheidsvordering lastens eerste en tweede geïntimeerde instelt. In toepassing van artikel 33 § 3 van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een kruispuntbank van ondernemingen behoeven de vennoten onder firma niet afzonderlijk in de kruispuntbank te wor-den ingeschreven. Waar eerste en tweede geïntimeerden poneren dat de uitzondering van artikel 33 § 3 KBO-wet alleen kan gelden mits en indien de V.O.F. zelf is ingeschreven in de kruispuntbank voor ondernemin-gen, stelt het Hof vast dat de V.O.F. ESTYVLI hoe dan ook in de kruispuntbank van ondernemingen is ingeschreven en over een on-dernemingsnummer beschikt. De vaststelling dat de V.O.F. ESTYVLI in feite een handelsven-nootschap is en als dusdanig diende te zijn ingeschreven, kan en-kel de ontvankelijkheid van de in naam en voor rekening van de V.O.F. ESTYVLI ingestelde vorderingen aantasten. Waar op appellante geen wettelijke verplichting rust om zich te la-ten inschrijven in de kruispuntbank van ondernemingen, kan in hoofde van appellante geen miskenning van de door de voormelde wet voorziene inschrijving/formaliteiten worden weerhouden op grond waarvan tot de ontvankelijkheid van de vordering dient te worden besloten. In tegenstelling tot wat eerste en tweede geïntimeerden nog voor-houden is de aansprakelijkheidsvordering van appellante niet ge-steund op een ongeoorloofde oorzaak en kan dit evenmin tot de onontvankelijkheid van de vordering leiden. Immers beweren maar bewijzen eerste en tweede geïntimeerden niet dat de V.O.F. ESTYVLI werd opgericht om het wettelijk verbod van cumulatie van accountancy en verzekeringen te omzeilen. 12. Zoals hiervoor reeds vermeld houden eerste en tweede geïntimeer-den verder voor dat de VOF ESTYVLI van rechtswege is ontbonden, minstens onbestaande was omdat : o zij sedert de inwerkingtreding van de wet van 27 maart 1995 betreffende de verzekeringsbemiddeling en de distributie van verzekeringen, haar maatschap-pelijk en werkelijk doel niet langer kon/mocht nastre-ven en haar individuele vennoten de beroepsactivitei-ten niet mochten uitoefenen, o haar vennoten-zaakvoersters minstens impliciet de wil hebben geuit om, elk afzonderlijk, uit de vennootschap te treden, o de vereiste affectio societatis ontbrak, 12.1. Eerste en tweede geïntimeerden kunnen niet worden bijgetreden in hun argumentatie dat bij het in werking treden van de wet van 27 maart 1995 betreffende de verzekeringsbemiddeling en de distribu-tie van verzekeringen, er in toepassing van artikel 39,2° W.Venn. van rechtswege een einde is gesteld aan het vennootschapscon-tract en aan de rechtspersoon V.O.F. ESTYVLI zelf. De omschrijving van het maatschappelijk doel van de V.O.F. ESTYVLI - dat veel meer omvat dan alleen maar de verzekerings-bemiddeling of -makelarij - laat naar het oordeel van het Hof im-mers niet toe om vast te stellen dat ingevolge de wet van 27 maart 1995 en het feit dat geen inschrijving in het register van de verzeke-ringstussenpersonen werd aangevraagd en ook geen gebruik ge-maakt werd van de overgangsmaatregelen, de vennootschap is be-eindigd ingevolge het tenietgaan van de zaak. (Cass. 21 september 1989, Rev. prat. soc., 1991, n° 6570, p. 130 et R.C.J.B., 1993, p. 5 et note M. COIPEL ; .Kh. Brugge 8 mei 2006 Fisc.Koer. 2006 (weergave VANHEESWIJCK, L.), afl. 17, 767, noot VANHEESWIJCK, L; FJF 2007, afl. 5, 415; M. COIPEL, La dissolu-tion de plein droit pour extinction de la chose est en voie d'extinction, JDSC 2008, 267-268) 12.2. Verder blijkt naar het oordeel van het Hof uit niets dat appellante op expliciete of impliciete wijze zou hebben verklaard niet langer tot de vennootschap te willen behoren. Ook beweren maar bewijzen eerste en tweede geïntimeerden niet dat door geen inschrijving in het register van de verzekeringstus-senpersonen en ook geen voorlopige toelating tot voortzetten van de activiteiten aan te vragen, de vennoten-zaakvoersters minstens sinds 1 januari 1996 impliciet de wil hebben geuit om, elk afzonder-lijk, uit de vennootschap te treden waardoor van rechtswege een einde zou zij gekomen aan de vennootschap. Dit wordt tegengesproken door de vaststelling dat in 1996, 1997 en 1998 nog commissielonen werden ontvangen en voor deze jaren en ook nadien nog een boekhouding werd gevoerd en jaarrekenin-gen werden opgesteld. De bewering van eerste en tweede geïntimeerden dat de V.O.F. ESTYVLI in toepassing van artikel 39,5° W.Venn. minstens sinds 1 januari 1996 is beëindigd, staat verder haaks op de inhoud van hun op 14 februari 2000 aan appellante toegestuurd schrijven waarin enkel melding wordt gemaakt van een in de loop van het jaar 2000 genomen beslissing om de vennootschap te vereffenen. 12.3. 12.3.1. Eerste en tweede geïntimeerden kunnen ook niet worden bijgetre-den in hun argumentatie dat de vennootschap is beëindigd door het definitief wegvallen van de affectio societatis. Hiervoor werd reeds aangenomen dat uit niets blijkt dat appellante en/of eerste en tweede geïntimeerden op enige wijze hebben ver-klaard niet langer tot de vennootschap te willen behoren. Daarenboven wordt aangenomen dat de affectio societatis zelf geen wezenskenmerk van de vennootschap uitmaakt, maar hoog-stens, bij wijze van synthese, alle constitutieve bestanddelen van de vennootschap tot uitdrukking brengt. (M. Coipel, ‘Dispositions communes', p. 94-95, nr. 78; H. De Page, en R. Dekkers, Traité, V, p. 28, nr. 7 en p. 75, nr. 47. J. Ronse, Al-gemeen deel, 153; ‘Overzicht van rechtspraak', T.P.R. 1964, 69; J. Ronse, K. Van Hulle, J.M. Nelissen, en B. Van Bruystegem, ‘Over-zicht van rechtspraak', T.P.R. 1978, 693; K. Geens, M. Denef, F. Hellemans, R. Tas en J. Vananroye, ‘Overzicht rechtspraak ven-nootschappen: 1992-1998', T.P.R. 2000, p. 109-113, nr. 1-6. zie te-vens R.P.D.B., vº Société (contrat de), p. 151, nr. 395.) Ook het Hof van Cassatie sluit zich blijkbaar aan de visie die het begrip ‘affectio societatis' eerder als een synthese dan als een con-stitutief element beschouwt. Het parallellisme tussen de in het arrest van 26 oktober 1989 ver-melde definitie van de ‘affectio societatis' en de bewoordingen van artikel 1 W.Venn., geeft naar het oordeel van het Hof aan dat ook het Hof van Cassatie met voormeld arrest geen voorwaarde aan de constitutieve bestanddelen van het vennootschapscontract heeft willen toevoegen. (Cass. 26 oktober 1989, Arr. Cass., 1989-1990, 753; R.W. 1989-90, 964, noot.) Waar, zoals vermeld, de ‘affectio societatis" dan ook geen wezens-kenmerk van het vennootschapscontract uitmaakt, brengt het weg-vallen ervan niet het einde van de vennootschap met zich. Onder de redenen die in toepassing van artikel 39 W.Venn. het einde van de vennootschap met zich brengen, komt het wegvallen van de ‘affectio societatis' overigens niet voor. 12.3.2. Waar eerste en tweede geïntimeerden met verwijzing naar artikel 17 van de statuten ook nog opmerken dat de vennootschap zelf in feite nietig was en is nu aan de vereiste om winst te delen niet zou zijn voldaan, komt dit niet terzake dienend voor nu zij geen nietig-heidsvordering instellen. 12.3.3. Verder argumenteren eerste en tweede geïntimeerde nog dat ap-pellante nooit een individuele aanvraag tot inschrijving in het regis-ter van de verzekeringstussenpersonen heeft aangevraagd en dus geen activiteiten van verzekeringsbemiddeling meer mocht uitvoe-ren binnen of buiten de VOF ESTYVLI. In tegenstelling tot wat eerste en tweede geïntimeerden voorhou-den houdt deze vaststelling niet in dat appellante moet beschouwd worden als van rechtswege uitgetreden sedert 1 januari 1996 het-geen meteen de ontbinding van de vennootschap in toepassing van artikel 9 van de statuten met zich bracht. Vooreerst werd hiervoor reeds geoordeeld dat uit niets blijkt dat ap-pellante op expliciete of impliciete wijze zou hebben verklaard niet langer tot de vennootschap te willen behoren. Daarenboven staat voormelde stelling volledig haaks op de inhoud van het aangetekend schrijven dat eerste en tweede geïntimeerden op 14 februari 2000 aan appellante toestuurden. Hierin bevestigen eerste en tweede geïntimeerden zelf uitdrukkelijk dat alle verzekeringsactiviteiten in hoofde van de VOF ESTYVLI pas vanaf 1 maart 1998 werden stopgezet, maken zij gewag van een vereffening waartoe in de loop van het jaar 2000 zou zijn beslo-ten en formuleren zij tenslotte een voorstel tot verdeling van de li-quidatieboni waarin ook een aandeel voor appellante is voorzien. Het Hof gaat ook niet verder in op de argumentatie van eerste en tweede geïntimeerden dat appellante op basis van artikel 9 van de statuten geen aanspraak kan maken op een uittredingsvergoeding en elke op die rechtsgrond gesteunde vordering verjaard is. Deze argumentatie komt immers niet relevant voor nu appellante dergelijke vordering niet eens stelt. 13. Hiervoor werd reeds geoordeeld dat eerste en tweede geïntimeer-den niet kunnen worden bijgetreden in hun argumentatie dat de VOF ESTYVLI van rechtswege is ontbonden vanaf 1 januari 1996. 13.1. Eerste geïntimeerde houdt dan ook ten onrechte voor dat, door de stopzetting en ontbinding per 1 januari 1996 zij bevrijd was van al haar contractuele verplichtingen uit het vennootschapscontract zo-dat niets haar belette om in te gaan op vragen van verzekerden. (zie beroepsconclusies eerste en tweede geïntimeerden - pag.24 - randnr. 42, alinea 2) Het Hof stelt verder vast dat eerste geïntimeerde in juni 1996 een registratienummer heeft verkregen als afhankelijk verzekerings-agent en in 2002 als onafhankelijk makelaar. Met het aanvragen en bekomen van de voormelde registratie in persoonlijke naam - welke registratie er ongetwijfeld op gericht was om een met de VOF ESTYVLI concurrerende activiteit te voeren en/of te bestendigen - heeft eerste geïntimeerde onmiskenbaar ge-handeld in strijd met de belangen van de VOF ESTYVLI. Met appellante stelt het Hof vast dat - door aldus te handelen - ge-intimeerde niet de zorg heeft besteed die ieder zorgvuldig hande-lend zaakvoerder, geplaatst in dezelfde omstandigheden, aan de dag zou hebben gelegd. Dit optreden maakt in hoofde van eerste geïntimeerde dan ook een bestuursfout uit die haar aansprakelijkheid in het gedrang brengt. Dit geldt naar het oordeel van het Hof des te meer nu eerste geïn-timeerde zich er in haar hoedanigheid van vennoot van de VOF ESTYVLY tevens toe verbond om uitsluitend te handelen voor de vennootschap en er zich van te onthouden om enige gelijkaardige of aanverwante activiteit uit te oefenen als deze uitgeoefend door de vennootschap. Tevens verbond eerste geïntimeerde zich ertoe om zich te onthou-den van iedere daad en bedrijvigheid die de belangen of het maat-schappelijk doel van de VOF ESTYVLI zou kunnen schaden. (zie artikel 8 - statuten) Of eerste geïntimeerde, zoals appellante voorhoudt, ook reeds se-dert 1993 een met de V.O.F. ESTYVLI concurrerende activiteit ont-wikkelde en daarbij de verzekeringsportefeuille van de V.O.F. ESTYVLI geheel of gedeeltelijk naar haar heeft afgeleid, kan on-dermeer blijken uit de aanslagen in de personenbelasting van eer-ste geïntimeerde waarvan appellante dan ook terecht de overleg-ging vordert. Nu er geen aanwijzingen zijn die aantonen dat eerste geïntimeerde niet vrijwillig tot mededeling van deze aanslagen zal overgaan, zijn er vooralsnog geen redenen om de overlegging daarvan onder ver-beurte van een dwangsom te bevelen. 13.2. Het Hof stelt verder vast dat geen bewijs van een tekortkoming in hoofde van tweede geïntimeerde voorligt. De enkele vaststelling dat tweede geïntimeerde de aangetekende brief van 14 februari 2000 mede heeft ondertekend toont naar het oordeel van het Hof niet naar genoegen van recht aan dat zij op de hoogte was van de tekortkomingen van eerste geïntimeerde en de-ze zou hebben aanvaard en ingedekt. Ook de vaststelling dat eerste en tweede geïntimeerde door één en dezelfde raadsman worden bijgestaan volstaat op zich niet om col-lusie in aanmerking te nemen en toont niet aan dat - zoals appel-lante nog beweert - tweede geïntimeerde, als zaakvoerster, han-delt in functie van haar eigen belangen en deze van eerste geïnti-meerde. Appellante geeft overigens in besluiten zelf toe dat zij bij gebrek aan gegevens moeilijk kan inschatten dat tweede geïntimeerde slechts haar eigen belangen dient. Appellante blijft dan ook in gebreke om in hoofde van tweede geïn-timeerde enige daadwerkelijke en concrete bestuursfout te bewijzen. In de gegeven omstandigheden komt de vordering van appellante ten aanzien van tweede geïntimeerde dan ook ongegrond voor. 14. Anders dan eerste geïntimeerde is het Hof van oordeel dat de oorspronkelijke vordering van appellante niet verjaard is. Eerste geïntimeerde beroept zich ten onrechte op het eerste en vierde gedachtestreepje van artikel 198,§ 1 W.Venn.. 14.1. Hiervoor werd reeds geoordeeld dat eerste en tweede geïntimeerden niet kunnen worden bijgetreden in hun argumentatie dat de VOF ESTYVLI van rechtswege is ontbonden vanaf 1 januari 1996. De stelling van eerste geïntimeerde dat de ontbinding van de VOF ESTYVLI per 1 januari 1996 gelijk staat met het verstrijken van de overeengekomen termijn,zoals voorzien in artikel 198 §1, eerste gedachtestreepje, kan dan ook niet in aanmerking worden genomen om tot de verjaring van de oorspronkelijke vordering te besluiten. 14.2. In toepassing van art. 198 § 1 (vierde gedachtestreepje) W.Venn. verjaren alle rechtsvorderingen tegen zaakvoerders wegens verrich-tingen in verband met hun taak, door verloop van vijf jaar, te rekenen van die verrichtingen of, indien ze met opzet zijn verborgen ge-houden, te rekenen vanaf de ontdekking. Het begrip ‘opzet' moet hier worden verstaan in de betekenis van het gewild, bewust handelen met het doel als resultaat te bereiken dat een bepaalde handeling of verrichting verborgen blijft, zonder dat hiervoor een bedrieglijke handelwijze is vereist. (J. Ronse en K. Van Hulle, m.m.v. J.-M. Nelissen en B. Van Bruystegem, Vennoot-schappen Overzicht van rechtspraak 1968 - 1977, T.P.R. 1978, p. 825, voetnoot 23.) Het Hof stelt vast dat uit de voorliggende stukken blijkt dat eerste geïntimeerde, in tegenstelling tot wat zij voorhoudt, haar in 1996 genomen inschrijving als verzekeringstussenpersoon wel degelijk met opzet en langdurig verborgen heeft gehouden en aanvankelijk zelfs met de meeste klem heeft betwist. Nog voor de eerste rechter stelde eerste geïntimeerde in besluiten dat zij in werkelijkheid pas op 23 september 2002 een inschrijving had verkregen en appellante voorhield maar geenszins bewees dat deze inschrijving reeds in 1996 was bekomen. (zie stuk 10 gerechtsdossier procedure a quo, pagina 6-7, voetnoot 1) Appellante heeft deze inschrijving, die daadwerkelijk reeds in 1996 werd bekomen, pas na eigen opzoekingen eind 2001 ontdekt. Haar bij dagvaarding van 9 februari 2005 ingeleide vordering is dan ook niet verjaard. 15. Vooraleer verder te oordelen zo omtrent de door appellante gevor-derde schadevergoeding als omtrent het oorzakelijk verband tussen de gebeurlijke schade en de in hoofde van eerste geïntimeerde te weerhouden fout(en), beveelt het Hof ambtshalve de hiernabepaal-de onderzoeksmaatregel. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, Recht doende op tegenspraak, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en reeds als volgt gegrond, Doet het bestreden vonnis teniet en, opnieuw recht doende, Verklaart de oorspronkelijke vordering van appellante ontvankelijk, maar niet gegrond ten aanzien van tweede geïntimeerde, Vooraleer verder over de gegrondheid van de oorspronkelijke vordering van appellante ten aanzien van eerste geïntimeerde te oordelen, Beveelt eerste geïntimeerde om een afschrift van haar aanslagbiljetten in de personenbelasting voor de inkomstenjaren vanaf 1992 tot op heden in de debatten te brengen, Stelt Daniël (Danny) Van Impe, met kantoor gevestigd te 8750 Zwevezele, Herreweg 4, aan als deskundige, om overeenkomstig de artikelen 972 tot en met 991bis van het gerechtelijk wetboek, binnen de 6 maanden vanaf de aanvaarding van zijn taak, volgende opdracht te vervullen: - binnen de 8 dagen na de kennisgeving van dit arrest - partijen aangetekend en hun advocaten en het Hof bij gewone brief - te verwittigen van ofwel zijn gemotiveerde weigering om de opdracht te aanvaarden, ofwel van: - plaats, dag en uur van de uitvoering van zijn opdracht, waar-voor hij een tussentijd van 30 dagen zal respecteren, - van de manier waarop hij zijn kosten en ereloon zal bereke-nen, - en van het voorschot dat appellante ter griffie van het Hof van Beroep te Gent zal willen consigneren en waarvan hij aan het Hof van Beroep, 7de kamer, de vrijgave van een redelijk deel kan vragen in verhouding tot de uitgevoerde werkzaam-heden. - partijen te horen en hun geïnventariseerd dossier met alle relevan-te stukken op te vragen, die zij overeenkomstig artikel 972bis uiter-lijk bij de aanvang van de werkzaamheden moeten overhandigen, - advies te verlenen omtrent de samenstelling en de waardering van de verzekeringsportefeuille op het ogenblik dat deze bij onderhand-se overeenkomst van 1 januari 1990 door de Feitelijke Vereniging DERVAN werd verkocht aan de V.O.F.ESTYVLI, - advies te verlenen omtrent de evolutie die deze verzekeringsporte-feuille - zowel qua samenstelling als naar waardering toe - binnen de V.O.F. ESTYVLY heeft ondergaan en dit vanaf de voormelde aankoop tot op heden, - de oorzaken van de vastgestelde evoluties vast te stellen en te beschrijven, - na te gaan of eerste geïntimeerde, door het rechtstreeks dan wel onrechtstreeks uitoefenen van een concurrerende activiteit met de V.O.F. ESTYVLI, al dan niet polissen en/of premies aan de verze-keringsportefeuille heeft onttrokken, - in bevestigend geval de omvang van deze onttrekking vast te stel-len, het tijdstip ervan te bepalen en tevens advies te verlenen om-trent de schade die deze onttrekking heeft veroorzaakt, - na te gaan of eerste geïntimeerde, na haar inschrijving in het re-gister van de verzekeringstussenpersonen vanaf 1996, de verzeke-ringsportefeuille van de V.O.F. al dan niet geheel of gedeeltelijk naar zich heeft afgeleid, - in bevestigend geval, advies te verlenen omtrent de geactuali-seerde waardevermindering die de verzekeringsportefeuille van de V.O.F. ESTYVLI daardoor heeft ondergaan, zowel voor wat het in-trinsiek verlies van een vermogensbestanddeel als het verlies van de toekomstig te genereren commissies betreft, - het voorlopig verslag aan iedere partij te sturen, met het verzoek hun gemotiveerde opmerkingen binnen de 45 dagen na de datum postmerk over te maken; hun bezwaren te beantwoorden en indien partijen niet tot verzoening komen, een gemotiveerd, schriftelijk en onder eed bevestigd verslag van al zijn vaststellingen op te stellen en hierbij de gedetailleerde staat van de kosten en het ereloon te voegen met opgave van het uurloon, eventuele verplaatsingskos-ten, verblijfkosten, algemene kosten en bedragen die aan derden zijn betaald en de verrekening van vrijgegeven bedragen. - op de dag van de neerlegging van het eindverslag op de griffie van het Hof van Beroep te Gent aan partijen aangetekend een af-schrift van het verslag en de gedetailleerde staat van de kosten en het ereloon te zenden met het verzoek, om - overeenkomstig arti-kel 991 van het gerechtelijk wetboek - binnen de 15 dagen na de neerlegging ter griffie schriftelijk aan het Hof van Beroep, 7de ka-mer, hun instemming met het bedrag van het ereloon en de kosten die worden aangerekend mee te delen, zodat het Hof kan overgaan tot hun begroting onderaan op de minuut van de staat, en bij ge-breke waarvan de gerechtelijk deskundige het Hof van Beroep, 7de kamer, om de begroting kan vragen. Het Hof neemt aan dat de gerechtelijk deskundige geen beroep zal moeten doen op technische raadgevers en dat de partijen van de voorafgaande installatievergadering voorzien in artikel 972 van het gerechtelijk wetboek afzien, indien geen enkele partij of hun advo-caten uiterlijk op 5 oktober 2009 schriftelijk en telefonisch aan de griffie van het Hof van Beroep te Gent (telefoonnr. 09/267.42.36; faxnr. 09/267.41.23), aan de deskundige (telefoonnr. 051/61.18.60) en aan de tegenpartij hebben laten weten dat zij toch op een installatievergadering aandringen voor: - de eventuele aanpassing van de opdracht en over de nood-zaak voor de deskundige om al dan niet een beroep te doen op technische raadgevers; - een nadere raming van de algemene kostprijs van het des-kundigenonderzoek of tenminste de manier waarop de des-kundige zijn/haar kosten en ereloon zal berekenen; - de bepaling van het voorschot dat ter griffie moet worden ge-consigneerd en van het redelijk deel hiervan dat de rechter kan vrijgeven aan de deskundige; - de bepaling van de termijn waarbinnen de partijen hun op-merkingen kunnen laten gelden op haar voorlopig advies en van de termijn voor het neerleggen van het eindverslag. Het Hof bepaalt dat op hun verzoek deze installatievergadering zonder verdere oproeping of nadere kennisgeving zal plaatsvinden op maandag, 26 oktober 2009 om 16.30 uur in raadkamer (zaal 55); Stelt de zaak voor verdere behandeling na deskundig onderzoek op de terechtzitting van maandag 28 juni 2010 om 9.30 uur (pleitduur 30 minuten) Houdt de beslissing omtrent de gedingkosten aan. Aldus gewezen door de zevende kamer van het Hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken samengesteld uit: Pieter Vanherpe, raadsheer, waarnemend kamervoorzitter, Geneviève Vanderstichele, raadsheer, Geert De la Ruelle, raadsheer, bijgestaan door Kristoffel Goossens, griffier en uitgesproken door de kamervoorzitter in openbare terechtzitting op maandag eenentwintig september tweeduizend en negen. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div