id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 22 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090922.1 Rolnummer: 2008/AR/1540 Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2009-10-09 Raadplegingen: 102 - laatst gezien 2026-07-02 20:17 Fiche UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - KADASTRAAL INKOMEN - Algemeen (kadastraal inkomen) Vrije woorden: Een vereniging die zonder winstoogmerk een huis aanwendt voor de opvang en begeleiding van vluchtelingen is een 'soortgelijke weldadigheidsinstelling' als bedoeld in artikel 12§1 W.I.B. 92 zodat vrijstelling van kadastraal inkomen en onroerende voorheffing kan worden verleend. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 5be kamer ________ terechtzitting van 22-09-2009 BELASTINGEN Nr.2008/AR/1540 in de zaak van: HET VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering in de persoon van de Vlaamse Minister voor Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening, Koning Albert II-laan 19 te 1210 BRUSSEL, appellante, ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. DE PAUW Stéphanie loco mr. VAN DE GEHUCHTE Dirk, advocaat te 9031 DRONGEN, Baarledorpstraat 93 tegen: G. R., wonende te .............................................., geïntimeerde, ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. VAN ROYEN Filip, advocaat te 9100 SINT-NIKLAAS, J. Lonckestraat 50 spreekt het Hof het volgend arrest uit:
- De procedure voor het Hof Bij verzoekschrift van 10 juni 2008 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent, zesde kamer, op 13 maart 2008 werd uitgesproken. De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 23 juni 2009, waarna het debat werd gesloten. Het Hof nam vervolgens de zaak in beraad. De partijen hebben verklaard dat het bestreden vonnis niet werd betekend. Het Hof heeft de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd.
- De relevante feiten en de voorafgaande procedure De geïntimeerde was op 1 januari 2001 eigenaar van een woning aan de Heistraat nr. 161 te Sint-Niklaas. De appellante heeft op 9 juli 2001 op naam van de geïntimeerde een aanslag in de onroerende voorheffing gevestigd voor het aanslagjaar 2001 onder kohierartikel 2010180094/12 voor een bedrag van 524,47 euro. Op 25 juli 2001 heeft de geïntimeerde tegen die aanslag een bezwaarschrift ingediend. Hij vroeg vermindering van de aanslag en stelde dat hij vanaf 1 juli 2000 het betreffende onroerend goed ter beschikking stelde van de VZW VLOS voor de opvang van vluchtelingen en dit voor het symbolisch bedrag van 1 euro. Hij voegde een huurovereenkomst bij waarin staat dat de VZW VLOS (vluchtelingen onthaalgroep) de woning huurde voor onbepaalde termijn vanaf 5 juli 2000 en dat de VZW de woning zal gebruiken voor de doelstellingen van de VZW voor de eigen werking en om vluchtelingen zonder middelen tijdelijk onderdak te verlenen. De Belastingdienst voor Vlaanderen werd om advies gevraagd. Het advies luidde dat er geen ontheffing kon worden verleend. Als motivering werd vermeld: De aanwezigheid van winstoogmerk is door de Belastingdienst voor Vlaanderen nagegaan. Er is geen winstbejag te weerhouden voor bovenvermeld perceel. Het perceel A791W wordt aangewend als opvanghuis van vluchtelingen. De aanwending van het pand kan niet gelijkgesteld worden met deze van "soortgelijke weldadigheidsinstellingen" gesteld in art. 12 W.I.B. Bijgevolg voldoet perceel niet aan de in art. 12 W.I.B. wettelijke bestemmingsvoorwaarden en komt derhalve niet in aanmerking voor vrijstelling van de O.V. bij toepassing van art. 253 W.I.B. Met verwijzing naar dat advies heeft de gemachtigde ambtenaar in zijn directeursbeslissing van 4 maart 2002 het bezwaar van de geïntimeerde afgewezen. Met een verzoekschrift van 3 juni 2002 stelde de geïntimeerde zijn vordering in voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent. De geïntimeerde vorderde dat de hoger vermelde directeursbeslissing zou worden vernietigd waarmee de geïntimeerde in wezen vroeg om de bestreden aanslag in de onroerende voorheffing te vernietigen of te ontheffen. In het vonnis van 13 maart 2008 heeft de zesde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent de vordering van de geïntimeerde gegrond verklaard door de bestreden aanslag te vernietigen met bevel tot terugbetaling van wat eventueel teveel zou zijn betaald meer de moratoriuminterest; de eerste rechter veroordeelde ook de appellante tot het betalen van de gerechtskosten. Het is tegen dat vonnis dat de appellante hoger beroep heeft ingesteld.
- De grieven, vorderingen en standpunten van de partijen 3.
- Stelling van de appellante Het hoger beroep strekt ertoe het bestreden vonnis teniet te doen en van het Hof te bekomen dat het de oorspronkelijke vordering van de geïntimeerde als ongegrond zou afwijzen, de bestreden directeursbeslissing zou bevestigen, zou zeggen voor recht dat de voorwaarden voor de vrijstelling van onroerende voorheffing voor aanslagjaar 2001 niet vervuld waren en de geïntimeerde zou veroordelen tot het betalen van het openstaande saldo van 393,35 euro vermeerderd met de wettelijke interest vanaf 13 september 2001 zoals voorzien in artikel 414 WIB
- De appellante vraagt bovendien dat de geïntimeerde zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten van de beide aanleggen. De appellante voert in eerste orde aan dat geen vrijstelling zou kunnen verleend worden omdat de onderhandse huurovereenkomst waarop de geïntimeerde zich beroept, aan haar niet tegenstelbaar is omdat namens de VZW VLOS slechts één persoon de huurovereenkomst ondertekend heeft, terwijl in de statuten van die VZW voorgeschreven staat dat zij in alle akten en handelingen slechts geldig vertegenwoordigd wordt door de handtekening van twee beheerders. De overeenkomst zou ook niet aan de appellante tegenstelbaar zijn om reden dat ze niet geregistreerd werd in de zin van artikel 1328 BW. De eerste rechter zou ten onrechte geoordeeld hebben dat de appellante voor de vestiging van de onroerende voorheffing niet als derde wordt beschouwd. Het zou ook niet volstaan dat visueel werd vastgesteld dat de woning als opvangtehuis voor vluchtelingen wordt gebruikt. In tweede orde stelt de appellante dat artikel 12 §1 WIB92 een uitzondering vormt en daarom restrictief moet worden geïnterpreteerd. Volgens haar moet daarom de bepaling dat ook ‘andere soortgelijke weldadigheidsinstellingen' de vrijstelling van onroerende voorheffing genieten slechts in die zin worden uitgelegd dat het werkelijk om instellingen moet gaan die soortgelijk zijn aan hospitalen, klinieken, dispensaria, rusthuizen en vakantiehuizen voor kinderen of gepensioneerden. Dat zou betekenen dat het moet gaan om instellingen waar in de primaire en essentiële noden van de mens wordt voorzien, begrip dat restrictief zou moeten worden geïnterpreteerd. Volgens de appellante heeft de eerste rechter het begrip te breed geïnterpreteerd en zou er bovendien geen sprake zijn van opvang, verpleging en verzorging van hulpbehoevenden. Dat de VZW VLOS in de betreffende lokalen weldadigheidswerk verricht zou dus niet volstaan om onder artikel 12 §1 WIB92 te vallen omdat er geen werkzaamheden zouden zijn die kaderen in een medisch, psycho- en sociaal perspectief. Er zou alleen naar begeleiding worden verwezen. Subsidiair voert de appellante aan dat de geïntimeerde, indien ze meer zou doen dan ‘vluchtelingen begeleiden en het creëren van ontspannings- en ontmoetingsmogelijkheden' (o.a. het onderdak verlenen aan vluchtelingen), de VZW VLOS daarmee haar statutaire doelstelling zou te buiten gaan en ook hier weer geldt dat de huurovereenkomst daarvoor de toelating niet geeft. 3.
- Stelling van de geïntimeerde De geïntimeerde vordert de bevestiging van het bestreden vonnis. Bovendien vraagt hij de veroordeling van de appellante tot het betalen van de gerechtskosten van de beide aanleggen. De geïntimeerde voert aan dat het niet relevant is of de huurovereenkomst met de VZW VLOS al dan niet aan de appellante tegenstelbaar is. Het zou volstaan dat visueel werd vastgesteld dat de woning als opvangtehuis voor vluchtelingen wordt gebruikt. Verder sluit hij zich aan bij de stelling in dat verband van de eerste rechter. Verder stelt de geïntimeerde dat het evident is dat men de woorden ‘soortgelijke weldadigheidsinstellingen' moet interpreteren. Daarbij zou ingeval van twijfel een interpretatie moeten gegeven worden in het voordeel van de belastingplichtige. Volgens de geïntimeerde is weldadigheid in het geval van opvang van en hulp aan vluchtelingen zonder enig winstoogmerk nog veel meer aanwezig dan bij klinieken, rusthuizen, vakantiehuizen, en dergelijke. Wat betreft de vraag of het gebruik van de woning in overeenstemming is met het statutair doel van de VZW, wijst de geïntimeerde erop dat in de statuten opgenomen is dat de vereniging alle nuttige handelingen mag stellen die direct of indirect kaderen in haar doelstellingen. Het opvangen en onderdak verlenen van vluchtelingen zou een vorm van begeleiding van vluchtelingen zijn en daardoor onder het statutair doel van de VZW vallen.
- Beoordeling De betwisting betreft een vraag tot vrijstelling van onroerende voorheffing op grond van artikel 253, 1ste lid, 1° WIB92 (versie Vlaams Gewest). De tekst van die bepaling luidt als volgt: Van de onroerende voorheffing wordt het kadastraal inkomen vrijgesteld: 1° van de in artikel 12, §1, vermelde onroerende goederen of delen van onroerende goederen; (. . .). Artikel 12 §1 WIB92 luidt als volgt: Vrijgesteld is het kadastraal inkomen van de onroerende goederen of delen van onroerende goederen die een belastingplichtige of een bewoner zonder winstoogmerk heeft bestemd voor het openbaar uitoefenen van een eredienst of van de vrijzinnige morele dienstverlening, voor onderwijs, voor het vestigen van hospitalen, klinieken, dispensaria, rusthuizen, vakantiehuizen voor kinderen of gepensioneerden, of van andere soortgelijke weldadigheidsinstellingen. Er bestaat geen betwisting over dat de geïntimeerde en de VZW Vlos met betrekking tot het betreffende onroerend goed handelen zonder winstoogmerk. De vraag is enkel of er sprake is van een bestemming ‘voor het vestigen van een weldadigheidsinstelling die soortgelijk is aan hospitalen, klinieken, dispensaria, rusthuizen, vakantiehuizen voor kinderen of gepensioneerden'. Zoals de eerste rechter met reden heeft aangenomen is het zonder gevolg vast te stellen dat de huurovereenkomst tussen de geïntimeerde en de VZW Vlos slechts de handtekening van één bestuurder (de voorzitter) van de VZW bevat, terwijl de statuten vereisen dat, om geldig te zijn, de akten en handelingen twee handtekeningen moeten bevatten. De vereiste van de dubbele handtekening is bedoeld om de private, eigen belangen van de VZW te beschermen; de leden van de VZW (andere dan hij/zij die getekend heeft) zijn in dat geval derden bij de overeenkomst en kunnen de ongeldigheid van de overeenkomst inroepen. De appellante is geen derde in dat opzicht. De appellante kan slechts vaststellen, behoudens bewijs van veinzing, dat tussen de contractanten een overeenkomst is afgesloten die door niemand van de belanghebbenden wordt betwist en bovendien wordt uitgevoerd. In dat opzicht heeft de eerste rechter terecht erop gewezen dat door de Belastingdienst voor Vlaanderen werd vastgesteld dat de woning van de geïntimeerde gebruikt wordt voor de opvang van vluchtelingen. De appellante betwist dat niet. De belasting ent zich op feiten. In de mate de feiten vaststaan, is het zonder belang te weten of die feiten op formeel geldige zin ook in een overeenkomst zijn gegoten. In dezelfde lijn is het zonder belang vast te stellen dat de overeenkomst niet werd geregistreerd en als zodanig niet gepubliceerd werd. De contractanten voerden de overeenkomst uit en erkenden ze als dusdanig. De fiscus moet die feitelijke werkelijkheid respecteren. In zoverre het gebrek aan registratie betwisting mogelijk liet over de vaste datum van de overeenkomst, geldt ook hier de vaststelling dat de appellante aanvaardt dat de woning in de betrokken periode als opvanghuis gebruikt werd. De niet-registratie is dus ook in dat verband niet relevant. Hoewel artikel 12 §1 WIB92 uitzonderingen voorziet op de belastbaarheid en uitzonderingen in de regel beperkt moeten worden uitgelegd, voorziet de betreffende bepaling zelf dat bijkomende uitzonderingen per analogie aan de uitdrukkelijk opgesomde lijst ‘weldadigheidsinstellingen' moeten worden toegevoegd. Uiteraard moet het hoe dan ook gaan om weldadigheidsinstellingen en dit in de zin zoals deze die zijn vermeld, namelijk hospitalen, klinieken, dispensaria, rusthuizen, vakantiehuizen voor kinderen of gepensioneerden. Het Hof is van oordeel dat het - kosteloos - opvangen van vluchtelingen wel degelijk weldadigheid is. Weldadigheid is niets anders dan ‘weldadig' zijn. Volgens Van Dale, Groot woordenboek der Nederlandse Taal (Van Dale Lexicografie, Utrecht - Antwerpen, 13de uitg., 1999, p. 3944) betekent ‘weldadig' goed doend aan armen en behoeftigen. Vluchtelingen hebben elementaire behoeften waaraan ze zonder hulp in de regel niet zelf (voldoende) kunnen voor instaan: gaat het niet louter om financiële behoeften waaruit onder andere de nood aan onderdak en hygiëne voortvloeit, dan gaat het minstens om de behoefte aan administratieve hulp, hulp met de taal en morele ondersteuning. Het is trouwens evident dat het feit dat het statutair doel van de VZW Vlos, waar het tot begeleiding van vluchtelingen en asielzoekers strekt, ook het opvangen en onderdak verlenen van vluchtelingen insluit; minstens valt het onder de clausule die de VZW toelaat om alle handelingen te stellen die indirect kaderen in haar doelstellingen zoals in artikel 3, 5de lid van haar statuten is voorzien. Het oordeel van de eerste rechter moet dus worden bevestigd.
- De gerechtskosten De appellante wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten van het hoger beroep dragen. Voor de vaststelling van de rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger.W., vervangen bij wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat en uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007, moeten, bij gebrek aan verzoek en redenen tot afwijking ervan, de basisbedragen gehanteerd worden. Vermits de waarde van de vorderingen, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger.W. zich in de schijf van 250,01 tot 750,00 euro bevindt, is het basisbedrag van 200,00 euro toepasselijk. De appellante brengt ten onrechte een rolrecht voor het hoger beroep in rekening; in fiscale zaken is immers geen rolrecht verschuldigd (art. 2791, 1° jo. 162, 4° W.Reg.). OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak; verklaart het hoger beroep ontvankelijk maar wijst het af als ongegrond; bevestigt het bestreden vonnis. veroordeelt de appellante tot het betalen van de gerechtskosten van deze aanleg, vastgesteld als volgt: - aan de kant van de appellante: • rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 200,00 EUR - aan de kant van de geïntimeerde: • rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 200,00 EUR Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer bis, recht doende in fiscale zaken, op TWEEËNTWINTIG SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN NEGEN. Aanwezig de Heren: D.Vandeputte, Raadsheer, waarnemend voorzitter, alleenrechtsprekend, M.Vanderbeeken, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div