id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet Cour d'appel de Gand Jugement/arrêt du 23 septembre 2009 No ECLI: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090923.8 No Rôle: 2008/AR/208 Domaine juridique: Droit civil Date d'introduction: 2009-11-06 Consultations: 99 - dernière vue 2026-07-02 20:17 Fiche Het Hof verklaart een oorspronkelijke tegenvordering van de geïntimeerde, om voor recht te horen zeggen dat zij eigenaar is van een perceel grond, ontoelaatbaar en onontvankelijk, bij gebrek aan randmelding zoals voorzien door artikel 3 Hyp. W. Thésaurus UTU: DROIT CIVIL - DROITS RÉELS - Propriété Mots libres: Eigendom - verkrijging - verkrijgende verjaring - bezit - eis - kantmelding - hypotheekwet Texte de la décision Hof van beroep te Gent 13de Kamer ________ Terechtzitting Van 23 september 2009 ________ Tussenarrest In voortzetting op 02 maart 2011 om 9.30 uur (40') 2008/AR/208 - In de zaak van:
- V. D. B. N.,
- D. P. M., beiden wonende te ............................................., appellanten, hebbende als raadsman mr. DE SAGER Kris, advocaat te 9220 HAMME (O.-VL.), Zwaarveld 41 E, (uw referte: 7382) tegen: V. D. B. M., wonende te ........................................, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. THIEREN Jeroen, advocaat te 9000 GENT, Keizervest 169, velt het hof het volgend arrest:
- Het hof heeft de partijen in openbare terechtzitting gehoord in hun middelen en conclusies en heeft de stukken ingezien. Appellanten hebben tijdig en op rechtsgeldige wijze hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat op tegenspraak werd uitgesproken op 30 november 2007 door de 8ste bis kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde. Het incidenteel beroep is toelaatbaar.
- Voor de eerste rechter vorderden appellanten dat voor recht zou worden gezegd dat zij eigenaar zijn van een perceel grond te Hamme, kadastraal gekend onder eerste afdeling, sectie A, num-mer 271/D met een oppervlakte van 275 m², dat geïntimeerde zou worden veroordeeld om dat perceel te ontruimen en in zijn oor-spronkelijke staat te herstellen, dat alles binnen de maand na de betekening van het tussen te komen vonnis onder verbeurte van een dwangsom van 250,00 EUR per dag vertraging. Geïntimeerde, die de vordering van appellanten betwistte, vorderde bij tegeneis dat voor recht zou worden gezegd dat zij eigenaar is van het litigieuze perceel.
- De eerste rechter wijst de vordering van appellanten af als onge-grond en willigt de tegeneis van geïntimeerde in. De eerste rechter zegt voor recht dat geïntimeerde door de verkrij-gende verjaring van 30 jaar sedert 29 mei 1985 eigenaar is gewor-den van het litigieuze perceel, gelegen te Hamme, kadastraal ge-kend onder eerste afdeling, sectie A, nummer 271/D, met een op-pervlakte van 275 m². De eerste rechter beslist dat die eigendomsverkrijging terugwerkt tot op de dag van de aanvang van het bezit, vermits de voltrokken verkrijgende verjaring terugwerkende kracht heeft. De eerste rechter veroordeelt appellanten tot de gedingkosten. 4.
- De grieven van appellanten zijn grotendeels een herhaling van de argumenten die zij voor de eerste rechter hebben aangevoerd. Volgens appellanten kan er geen sprake zijn van een onafgebroken bezit vanaf de saisine op 28 mei 1955, gelet op de verdelingsakte van 18 oktober 1955 waarbij met uitdrukkelijke instemming van ge-intimeerde het duidelijk omschreven litigieuze perceel aan de rechtsvoorganger van appellanten werd toebedeeld. Voorts handhaven appellanten hun stelling dat, zo er al sprake zou kunnen zijn van ‘bezit' in hoofde van geïntimeerde, er niet is vol-daan aan de in artikel 2229 B.W. gestelde vereisten, namelijk dat het moet gaan om een ongestoord, openbaar en ondubbelzinnig bezit. Uit het enkele feit van de verhuring van het perceel kan volgens appellanten geenszins afgeleid worden dat geïntimeerde zich als eigenaar zou hebben gedragen, terwijl ook de waarde van de ver-klaringen van de buren in twijfel moet worden getrokken. De notariële verklaring van 1 juli 2005 van geïntimeerde en van I. D. C. is louter een bewijs dat eerstgenoemde zichzelf het eigendoms-recht heeft verschaft en moet met de nodige omzichtigheid worden benaderd. Appellanten houden onverkort hun oorspronkelijke vordering staan-de. 4.
- Geïntimeerde vordert dat het principaal beroep onontvankelijk, min-stens ongegrond zou worden verklaard en appellanten tot de ge-dingkosten zouden worden veroordeeld. Bij incidenteel beroep vordert geïntimeerde dat de oorspronkelijke hoofdvordering onontvankelijk zou worden verklaard. Tevens vordert geïntimeerde de bevestiging van het bestreden vonnis waar het haar tegenvordering gegrond heeft verklaard. BEOORDELING
- Het louter feit dat appellanten wegens een materiële misslag in hun appelakte een verkeerde datum van het bestreden vonnis hebben vermeld, namelijk 9 november 2007 waar het 30 november 2007 moet zijn, heeft geen nietigheid van de appelakte tot gevolg. Geïntimeerde, die voorhoudt niet te weten waartegen zij zich moet verdedigen, ontzenuwt haar stelling door in haar appelconclusies uitvoerig in te gaan op alle argumenten, in feite en in rechte, die door appellanten in eerste aanleg werden aangevoerd en die in het bestreden vonnis onderzocht en beoordeeld werden. M.a.w., geïntimeerde bewijst geen enkele belangenschade. De door geïntimeerde eerste exceptie van onontvankelijkheid van het hoger beroep is dan ook zonder grond.
- Het argument van geïntimeerde dat de oorspronkelijke vordering van appellanten van meet af aan onontvankelijk is geweest omdat geïntimeerde door de verkrijgende verjaring van dertig jaar eigenaar van het kwestieuze perceel is geworden snijdt geen hout. Immers, het geschil betreft precies de vraag of het eigendomsrecht al dan niet door verjaring is kunnen overgegaan. Terecht heeft de eerste rechter de vordering van appellanten ontvankelijk verklaard.
- In overeenstemming met artikel 3 Hyp. W. is iedere eis strekkende tot de vernietiging of tot de herroeping van een aan overschrijving onderworpen akte slechts toelaatbaar wanneer zij werd gekantmeld. De woorden ‘vernietiging' en ‘herroeping' moeten ruim worden geïnterpreteerd, zodat elke vordering die strekt tot een mogelijke wijzi-ging van het juridisch statuut van een onroerend goed openbaar moet worden gemaakt. De kantmelding beoogt immers derden de mogelijkheid te geven zich in te lichten over de mogelijke herroeping of vernietiging van bepaalde rechten die voortkomen uit de betrokken akte. Algemeen wordt aangenomen dat artikel 3 Hyp. W. de openbare orde raakt en dat de rechter de exceptie ambtshalve moet opwer-pen. De miskenning van het voorschrift van artikel 3 Hyp. W. kan voor de ingestelde rechtsvordering alleen tot gevolg hebben dat daarover geen uitspraak mag worden gedaan zolang de inschrijving op de kant van de overschrijving van de akte niet is verricht.
- Het valt in redelijkheid niet te betwisten dat de tegenvordering van geïntimeerde een wijziging beoogt van de eigendomsrechten zoals vermeld in de notariële akte van verdeling die op 18 oktober 1958 door notaris Gustaaf Van Driessche werd verleden, en waarnaar appellanten in hun dagvaarding expliciet verwijzen. (zie stuk 3 in het dossier van appellanten) Geïntimeerde laat immers gelden dat er in die verdelingsakte van 18 oktober 1955 een materiële vergissing is geslopen. Volgens geïntimeerde is het steeds de bedoeling geweest dat het li-tigieuze perceel aan haar werd toebedeeld, wat zij bovendien op 1 juli 2005 t.o.v. een notaris heeft verklaard. (zie de stukken 1 en 2 in het dossier van geïntimeerde) De tegenvordering van geïntimeerde kan uiteraard gevolgen heb-ben voor de zakelijke rechten die aan het litigieuze perceel zijn ver-bonden en die hun oorsprong vinden in de verdelingsakte van 18 oktober
- Daarom is het noodzakelijk dat derden via de door de wet georga-niseerde publiciteit van het bestaan van die vordering worden in kennis gesteld. Kortom, te dezen geldt artikel 3 Hyp. W. zodat de vordering van ge-intimeerde onontvankelijk is zolang zij bij de notariële verdelingsak-te van 18 oktober 1955 niet is gekantmeld. Naar het oordeel van het hof kan een andersluidende zienswijze van de territoriaal bevoegde hypotheekbewaarder aan die wettelijke verplichting geen afbreuk doen. OP DIE GRONDEN, HET HOF Recht doende op tegenspraak en met inachtneming van artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken. Doet het bestreden vonnis teniet waar geoordeeld werd dat de te-genvordering van geïntimeerde toelaatbaar en ontvankelijk is. En opnieuw rechtsprekend, Verklaart de oorspronkelijke tegenvordering van geïntimeerde on-toelaatbaar en onontvankelijk bij gebrek aan kantmelding zoals voorzien door artikel 3 Hyp. W. Stelt vast dat de zaak niet in staat van wijzen is. Verwijst de zaak naar de terechtzitting van deze kamer van het hof op woensdag 2 maart 2011 om 9.30 uur (met een pleitduur van 40') Houdt de beslissing over de kosten aan. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, dertiende kamer, zetelende in burgerlijke zaken, op drieëntwintig september tweeduizend en negen. Aanwezig: de heer Dominique Vandorpe, kamervoorzitter, de heer Kristoffel Goossens, griffier, Imprimer cette page Taille d'impression S M L XL Nouvelle recherche JUPORTAL Fermer l'onglet <div