id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 24 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090924.3 Rolnummer: 2008/AR/444 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-11-05 Raadplegingen: 94 - laatst gezien 2026-07-02 20:18 Fiche Het Hof stelt een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof, namelijk of artikel 1595, 4° B.W. juncto artikel 1469, al. 2 B.W. de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt in de mate dat het een rechterlijke machtiging vereist voordat een echtgenoot, tijdens het huwelijk, zou kunnen overgaan tot de onderhandse inkoop van het aandeel van de andere echtgenoot in een door hen verworven onroerend goed dat in onverdeeldheid behoort aan de echtgenoten gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen, terwijl de artikelen 1475 e.v. B.W. deze vereiste niet stelt ten aanzien van wettelijk samenwonenden. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BURGERLIJK RECHT - ALGEMENE BEGINSELEN Vrije woorden: Koop-verkoop tussen echtgenoten - vereiste van rechterlijke machtiging - vereiste niet gesteld ten aanzien van wettelijk samenwonenden - prejudiciële vraag. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 11 Kamer ________ Terechtzitting van 24 september 2009 ________ 2008/AR/444 - In de zaak van: D. F., wonende te ................................., appellante, eiseres tot gedwongen tussenkomst hebbende als raadsman mr. WILLE Karel, advocaat te 2930 BRASSCHAAT, Bredabaan 63 tegen : L. P., wonende te ............................................................., woonstkeuze doende bij zijn raadsman hierna vermeld, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. GOEMINNE Didier, advocaat te 9000 GENT, Coupure 224 Partij mede inzake: T. Y., wonende te ....................................., gedaagde tot gedwongen tussenkomst hebbende als raadsman mr. DE GROOTE Els, advocaat te 9000 GENT, Casinoplein 19 velt het hof het volgend arrest: Appellante heeft bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 18 februari 2008 hoger beroep ingesteld tegen het op 27 november 2007 uitgesproken vonnis van de 14de kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, waarbij: - de hoofdeis ontvankelijk en gegrond werd verklaard; - werd gezegd voor recht dat de koop-verkoopovereenkomst die op 20 mei 1999 werd afgesloten ten overstaan van notaris Y. T. te ....., met betrekking tot een woning te ................ gekend ten kadaster onder Deinze tweede afdeling, sectie A, deel van de nummers 813/A en 814/M/2 nietig is; - alvorens te oordelen over de tegeneis, de debatten ambtshalve werden heropend, teneinde partijen toe te laten te handelen zoals gevraagd en de zaak in voortzetting werd gesteld op de zitting van 19 februari 2008 om 9.00 uur; - de beslissing over de kosten werd aangehouden. In haar beroepsakte vorderde appellante dat het hof: - het beroep ontvankelijk en gegrond zou verklaren; - het bestreden vonnis zou "vernietigen" (waarschijnlijk wordt bedoeld "teniet doen") en doende wat de eerste rechter had moeten doen: - de eis van geïntimeerde ontoelaatbaar, onontvankelijk, minstens en in elk geval over de ganse lijn ongegrond zou verklaren en hem zou afwijzen; - ondergeschikt: indien de nietigheid van de akte van 20 mei 1999 zou worden uitgesproken, respectievelijk uitgesproken blijft, onverminderd en onverkort voorziening in cassatie door appellante tegen zodanige uitspraak, de vereffening en verdeling/uitonverdeeldheidtreding met betrekking tot het onroerend goed gestaan en gelegen ............................ zou bevelen, evenals de wederzijdse verrekening van wat partijen uit hoofde van hun huwelijksvermogenstelsel aan elkaar verschuldigd zijn; - geïntimeerde zou veroordelen tot de kosten van beide instanties, evenals tot de wettelijke rechtsplegingsvergoedingen; - het te wijzen (eind)arrest zou gemeen verklaren aan notaris Y. T., met standplaats te ......, indien en inzover voormelde notaris in onverhavige beroepsprocedure vrijwillig tussenkomt dan wel door appellante in gemeenverklaring gedagvaard is/wordt; In de daaropvolgende beroepsconclusies, neergelegd ter griffie op 16 december 2008, vorderde appellante dat het hof: - het beroep ontvankelijk en gegrond zou verklaren; - het bestreden vonnis zou "vernietigen" (waarschijnlijk wordt bedoeld "teniet doen") en doende wat de eerste rechter had moeten doen: - de eis van geïntimeerde ontoelaatbaar, onontvankelijk, minstens en in elk geval over de ganse lijn ongegrond zou verklaren en hem zou afwijzen; - indien en inzover het Hof van mening is dat de akte van 20 mei 1999 wél onder toepassing van art. 1469 en 1595 B.W. valt, bij tussenarrest aan het Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) een prejudiciële vraag zou stellen nl. of de artikelen 1469 en 1595 B.W. niet het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel schenden; - indien niettemin de nietigheid van het in de akte van 20 mei 1999 vervatte negotium uitgesproken blijft of wordt, geïntimeerde zou veroordelen in terugbetaling aan appellante van 37.184,02 euro (= 1.500.000 BEF), vermeerderd met de intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf 20 mei 1999 evenals met de gerechtelijke intresten aan de wettelijke intrestvoet, en zulks tot aan datum van algehele en volledige terugbetaling; - het te wijzen arrest gemeen zou verklaren aan de gedaagde in gedwongen tussenkomst en gemeenverklaring; - geïntimeerde zou veroordelen tot de kosten in beide instanties, nader begroot aan haar zijde. Geïntimeerde vroeg in syntheseconclusies, neergelegd ter griffie op 10 februari 2009 dat het hof het beroep zou afwijzen als ongegrond en zou zeggen dat de zaak niet terug moet naar de eerste rechter, gelet op het dictum sub 7 en 8 en appellante zou verwijzen in de kosten van beide instanties, nader begroot aan zijn zijde. De gedwongen tussenkomende partij verzocht het hof: - in hoofdorde: de vordering in gedwongen tussenkomst en gemeenverklaring ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren; - in ondergeschikte orde: akte te nemen dat hij zich naar de wijsheid van het hof gedraagt, betreffende de vordering van appellante tot gedwongen tussenkomst en gemeenverklaring. - appellante te veroordelen tot de kosten van het geding, althans deze aan zijn zijde gevallen en aldaar nader begroot. Op de openbare terechtzitting van 28 mei 2009 werden de partijen gehoord in hun middelen en besluiten, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen. Ter terechtzitting verklaarde de raadsman van appellante afstand te doen van zijn exceptie van ontoelaatbaarheid en onontvankelijkheid van de vordering van geïntimeerde. BEOORDELING Voorafgaand Op p. 5 van zijn syntheseconclusies neergelegd ter griffie op 10 februari 2009 stelt geïntimeerde: "De concludent laat hierbij uitdrukkelijk in het midden of deze ganse operatie loepzuiver was, nu zij werd georkestreerd door zijn vroegere schoonfamilie zoals toegelicht in zijn aanvullende en recapitulatieve conclusie neergelegd voor de eerste Rechter op 1 februari 2006, naar dewelke hij brevitatis causae verwijst en alhier voor hernomen dient te worden aanzien." Hij gaat hiermee voorbij aan de bepaling van het art. 748bis Ger. W., zoals ingevoegd bij art. 12 van de Wet van 26 april 2007 (B.S., 12 juni 2007) dat met ingang van 1 september 2007 van toepassing is op alle zaken waarin op die datum geen conclusiekalender of rechtsdag werd aangevraagd of vastgesteld, en luidt als volgt: "Onverminderd de toepassing van artikel 748, § 2 en behoudens in het geval van conclusies die er slechts toe strekken om een of meer van de in artikel 19, tweede lid, bedoelde maatregelen te verzoeken, een tussengeschil op te werpen dat aan het geding geen einde maakt of te antwoorden op het advies van het openbaar ministerie, nemen de laatste conclusies van een partij de vorm aan van syntheseconclusies. Voor de toepassing van art. 780, eerste lid, 3°, vervangen de syntheseconclusies alle vorige conclusies en desgevallend de gedinginleidende akte van de partij die de syntheseconclusies neerlegt." Gelet op het hoger staande beschouwt het hof de syntheseconclusies neergelegd ter griffie op 10 februari 2009, als "syntheseconclusies" zoals bedoeld in art. 748 bis Ger. W..
- De ontvankelijkheid van het hoger beroep Het bestreden vonnis werd ten verzoeke van geïntimeerde aan appellante betekend op 30 januari 2008 (st. 10 geïntimeerde). Het principaal hoger beroep, ingesteld door appellante middels verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof alhier op 18 februari, is derhalve tijdig en werd tevens op regelmatige wijze ingesteld. Bij gebrek aan tegenspraak en een ambtshalve op te werpen exceptie is het hoger beroep derhalve ontvankelijk te verklaren.
- Feitelijke en procedurele voorgaanden De voorafgaande feiten werden door de eerste rechter op objectieve en oordeelkundige wijze weergegeven (folio 1920 randnr. 1), zodat om redenen van beknoptheid hiernaar kan worden verwezen, weze het dat inmiddels de echtscheiding tussen partijen werd uitgesproken bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent (5de kamer) van 18 december 2007 en dat dit vonnis - betekend op 22 januari 2008 (st. 7/c geïntimeerde) - inmiddels definitief is geworden en overgeschreven in de registers van de burgerlijke stand. In deze instantie heeft appellante tevens op 31 maart 2008 een dagvaarding in tussenkomst en gemeenverklaring laten betekenen aan notaris Y. T. Op 30 september 2008 werd met het oog op de vereffening en verdeling van de onverdeeldheid tussen de partijen een proces-verbaal van opening van werkzaamheden opgesteld, waarbij de werkende notaris verklaarde een volgende vacatie te zullen vaststellen op een later te bepalen plaats, dag en uur na tussenkomst van een eindarrest in voorliggende procedure.
- Beoordeling 3.
- Het toepasselijke recht Hoewel appellante dit argument niet herneemt in haar syntheseconclusies, voerde zij in de appèlakte aan dat de eerste rechter ten onrechte de voorliggende betwisting zou hebben getoetst aan het Belgisch recht, argumenterend dat het huwelijksvermogensstelsel beheerst wordt door Frans recht. Dit argument van openbare orde zijnde, dient het hof - samen met de eerste rechter - vast te stellen dat appellante zich terzake ten onrechte meent te kunnen beroepen op art. 51 van het Wetboek Internationaal Privaatrecht om te stellen dat het Frans recht toepasselijk zou zijn. Nu uit de bewoordingen van het huwelijkscontract evenwel vaststaat dat partijen - door te verwijzen naar de artikelen 215, 222 en 1468 van het Belgisch Burgerlijk Wetboek - terdege hun keuze voor het Belgisch recht hebben veruitwendigd, dient het huwelijkscontract overeenkomstig art. 49 van het Wetboek Internationaal Privaatrecht te worden getoetst aan het Belgisch recht. 3.
- De artikelen 1595, 4° B.W. en 1469 al. 2 B.W. Overeenkomstig art. 1595 B.W. zijn koop-verkoopovereenkomsten tussen echtgenoten in principe nietig, tenzij in de vier gevallen aldaar voorzien. Terecht werpt geïntimeerde op dat appellante in deze instantie niet langer aanvoert dat de transactie zou gestoeld zijn op een wettige oorzaak, nl. een wederbelegging. Appellante en gedaagde in gedwongen tussenkomst en vrijwaring houden voor dat de notariële akte van 20 mei 1999 niet onder toepassing van de artikelen 1595,4° B.W. iuncto 1469, al.2 B.W. zou ressorteren, omdat deze overeenkomst een "complexe verdeling" zou uitmaken. Terecht oordeelde de eerste rechter evenwel dat uit lezing van de notariële akte en het onderzoek naar de draagwijdte van de bedingen niet kan worden afgeleid dat er van een verdeling met opleg sprake is. Dit klemt des te meer nu niet betwist wordt dat bij de transactie het enige onverdeeld goed tussen de partijen werd overgenomen, dan wel toegewezen aan een echtgenoot (i.c. appellante) tegen betaling. Van een verdeling in natura waarbij twee kavels werden gevormd, desgevallend aangevuld met een "opleg" kan bij de voorliggende transactie geen sprake zijn. Het enkele feit dat de transactie in de kwestieuse akte wordt omschreven als een "Cession-Partage" (vrije vertaling: overdracht/verdeling) doet aan het hoger staande geen afbreuk. Het hof oordeelt dan ook - samen met de eerste rechter - dat de voorliggende akte terdege in hoofde van appellante een inkoop betreft van het (onverdeeld) aandeel van geïntimeerde in een onverdeeld goed van beide echtgenoten, gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen, transactie die overeenkomstig art. 1595, 4° B.W. enkel kon geschieden op een openbare verkoop of met machtiging van de rechter. Om deze reden alleen reeds is de contractuele bepaling vervat in artikel 3 van het huwelijkscontract, door gedaagde in gedwongen tussenkomst en gemeenverklaring ingeroepen om te stellen dat partijen - bij een verdeling van onverdeelde goederen - ontheven waren van een rechterlijke machtiging, ontbloot van elke relevantie bij de beoordeling van voorliggend geschil en dit zelfs afgezien van het antwoord op de vraag of partijen op een dergelijke wijze afbreuk zouden kunnen doen aan de bepalingen van art. 1469 al. 2 B.W., nu dit tevens de bescherming van de rechten en aanspraken van derden beoogt. Het is duidelijk dat de notariële akte van 20 mei 1999 een onderhandse (in)verkoop behelst. Het hoger staande impliceert dat de voorliggende akte, houdende afstand van onverdeelde rechten tussen echtgenoten, enkel kon worden verleden mits voorafgaandelijk de machtiging van de rechter overeenkomstig art. 1595, 4° B.W. werd verkregen, die evenwel niet werd gevraagd, laat staan bekomen. Ten onrechte meent appellante te kunnen aanvoeren dat geïntimeerde - door de uitvoering van de overeenkomst besloten in de notariële akte van 20 mei 1999 - de inhoud ervan zou hebben bekrachtigd en bijgevolg afstand zou hebben gedaan van de relatieve nietigheid waarmee de akte is behept. Immers kunnen echtgenoten tijdens het huwelijk geen afstand doen van deze relatieve nietigheid, zodat de uitvoering van de overeenkomst door geïntimeerde staande het huwelijk (ontbonden op 22 februari 2008 ingevolge de betekening van het echtscheidingsvonnis op 22 januari 2008 en bij gebrek aan aanwending van enig rechtsmiddel), niet toelaat een dergelijk rechtsgevolg aan zijn handelen te verbinden. Blijft evenwel de vraag of art. 1595, 4° B.W. iuncto 1469, al. 2 B.W.een discriminatoire bepaling inhoudt, zoals door appellante opgeworpen. Naar het oordeel van het hof is er, wat betreft voormelde wetsbepaling - binnen de perken van de door de appellante aangevoerde beweegredenen - inderdaad aanleiding tot prejudiciële vraagstelling aan het Grondwettelijk Hof op de wijze zoals in het dictum van onderhavig arrest verwoord. Deze prejudiciële vraag rijst in omstandigheden die niet overeenstemmen met de limitatief opgesomde uitzonderingsgevallen die vermeld zijn in art. 26 par. 2 Bijzondere wet Arbitragehof -waarin het aldaar bedoelde rechtscollege niet gehouden is om een prejudiciële vraag te stellen- zodat het hof zich genoodzaakt ziet de prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. Dit is immers bevoegd om uitspraak te doen omtrent de schending door een wetskrachtige norm van fundamentele rechten en vrijheden gewaarborgd in titel II van de Grondwet (artikelen 8 tot en met 32). Aldus kunnen de art. 1595, 4° B.W. iuncto art. 1469 al. 2 B.W. worden getoetst aan de grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet-discriminatie. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Alvorens verder recht te doen: Stelt aan het Grondwettelijk hof volgende prejudiciële vraag: ‘Schendt art. 1595, 4° B.W. iuncto art. 1469, al. 2 B.W. de artikelen 10 en 11 Grondwet in de mate dat het een rechterlijke machtiging vereist voordat een echtgenoot, tijdens het huwelijk, zou kunnen overgaan tot de onderhandse inkoop van het aandeel van de andere echtgenoot in een door hen verworven onroerend goed dat in onverdeeldheid behoort aan de echtgenoten gehuwd onder het stelsel van scheiding van goederen, terwijl de artikelen 1475 e.v. B.W. deze vereiste niet stelt ten aanzien van wettelijk samenwonenden?" Verstaat dat een expeditie van deze beslissing van verwijzing, ondertekend op de wijze als vermeld in artikel 27 par. 1 Bijzondere wet Arbitragehof, zal worden overgezonden naar het Grondwettelijk Hof; Zegt dat de procedure wat betreft de hoger aangehaalde geschilpunten in beroep is opgeschort tot de datum waarop het arrest van het Grondwettelijk Hof ter kennis wordt gebracht van het verwijzend rechtscollege en verwijst de zaak inmiddels naar de bijzondere rol; Houdt de uitspraak nopens de kosten aan. Aldus gewezen door de ELFDE KAMER, van het Hof van beroep te Gent, zetelend in burgerlijke zaken, samengesteld uit: Alexander Deene, raadsheer wn. voorzitter, Nadia De Turck, raadsheer, Kristin Vandenberghe, raadsheer, en uitgesproken door de raadsheer wn. voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting van 24 september 2009, bijgestaan door Kurt Goossens, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div