id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 25 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090925.4 Rolnummer: 2009/RK/0171 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2010-03-11 Raadplegingen: 96 - laatst gezien 2026-07-02 20:18 Fiche UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Inleiding van de zaak - Dagvaardingstermijn Vrije woorden: Dagvaardingstermijn van ten minste 2 dagen werd niet gerespecteerd ( art. 1035 + 710 Ger.W. op straffe van nietigheid) uit de gedingstukken blijkt dat de handeling het doel heeft bereikt dat de wet ermee beoogt aldus bij toep van 867 g.w. kan de niet-naleving van de termijn niet tot nietigheid leiden. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 9ter Kamer ________ Terechtzitting van 25 september 2009 ________ 2009/RK/171 - In de zaak van:
- ZOTTEGEM STAD, vertegenwoordigd door haar college van burgemeester en schepenen, te 9620 ZOTTEGEM, Grote Markt 1,
- DEXIA BANK BELGIË N.V., met maatschappelijke zetel te 1000 BRUSSEL, Pachécolaan 44, ingeschreven met KBO-nummer 0403.201.185, appellanten, beiden hebbende als raadsman mr. DE WOLF Carlos, advocaat te 9680 MAARKEDAL, Etikhovestraat 6 tegen :
- T'J. W., wonende te ........................,
- S. L., wonende te ........................ geïntimeerden, beiden hebbende als raadsman mr. OPSOMMER Jan, advocaat te 9700 OUDENAARDE, Kasteelstraat 8 velt het hof het volgend arrest:
- Het hof nam kennis van de bestreden beschikking d.d. 10 juni 2009, gewezen in kort geding door de dienstdoende voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde. Het hof heeft de partijen, bij monde van hun raadslieden, gehoord in openbare terechtzitting en in het Nederlands. Zowel de door hen neergelegde conclusies als de overgelegde stukken werden ingezien. Daarbij wordt door het hof vastgesteld dat het door de advocaat van W. T'J. en L. S. overgelegde stukkendossier niet de er geïnventariseerde "bijkomende stukken na tussenbeschikking" nr. 6 t.e.m. 10 bevat (als volgt genoemd: "6/ arrest raad van state d.d. 2 december 2008; 7/ beschermingsbesluit; 8/ brief b.v.b.a. CANTAERT d.d. 10 oktober 2007; 9/ agenda en verslag gemeenteraad d.d. 2 maart 2009; 10/ uittreksel website www.zottegem.be").
- W. T'J. en L. S. werpen in hun beroepsconclusie d.d. 31 juli 2009 de nietigheid van het hoger beroep op. Zij zetten uiteen dat de door de art. 1035 en 710 Ger.W. op straffe van nietigheid voorgeschreven dagvaardingstermijn van ten minste 2 dagen niet werd gerespecteerd, nu de beroepsakte pas werd ingeschreven op de rol op 24 juni 2009 en de kennisgeving pas op diezelfde datum is gebeurd, waar de datum van verschijning reeds op 26 juni 2009 was gesteld. De in art. 1035, 2de lid Ger.W. bepaalde termijn wordt overeenkomstig art. 52, 1ste lid Ger.W. gerekend vanaf de dag na de kennisgeving van de gerechtsbrief voorzien in art. 1056, 2° Ger.W. In de gegeven omstandigheden werd inderdaad op de datum van verschijning de termijn van dagvaarding van ten minste 2 dagen niet gerespecteerd. Gelet op art. 867 Ger.W. kan de niet-naleving van deze op straffe van nietigheid voorgeschreven termijn evenwel niet tot nietigheid leiden, nu uit de gedingstukken blijkt dat de handeling het doel heeft bereikt dat de wet ermee beoogt. Immers, uit de voorliggende gedingstukken blijkt dat partijen W.T'J. en L. S. op de terechtzitting van 26 juni 2009 aanwezig waren middels hun advocaat en er een akkoord hebben gesloten tot dwingende termijnregeling van conclusies en behandeling op 18 september
- Voor hen werd vervolgens een beroepsconclusie neergelegd op 31 juli
- Het hoger beroep is derhalve tijdig en geldig ingesteld.
- STAD ZOTTEGEM en n.v. DEXIA BANK BELGIË worden gegriefd door de bestreden beschikking omdat de kort gedingrechter een door W.T'J. en L. S.S aangewend bijkomend stuk niet zou hebben geweerd uit de debatten. Het betreft een kopie van een conclusie ten gronde d.d. 4 mei 2009, die door W. T'J. en L. S. voor het eerst als bijkomend stuk zou zijn voorgebracht en neergelegd bij de behandeling voor de kort gedingrechter op 14 mei
- STAD ZOTTEGEM en n.v. DEXIA BANK BELGIË zetten uiteen dat zij bij de voormelde behandeling voor de kort gedingrechter op 14 mei 2009 zouden hebben verzocht om dit bijkomend stuk uit de debatten te weren, doch dat zij vaststellen dat de kort gedingrechter dit niet heeft gedaan en dat integendeel de bestreden beschikking d.d. 10 juni 2009 zijn grondslag zou vinden in dit bijkomend stuk (terwijl de betwisting omtrent het milieueffectenrapport, noch de betwisting omtrent mobiliteit, geluid en/of parkeergelegenheid ooit in de kort gedingprocedure werden aangevoerd). Volgens STAD ZOTTEGEM en n.v. DEXIA BANK BELGIË hebben zij nooit met de overlegging van dit stuk ingestemd en werd zodoende door de bestreden beschikking d.d. 10 juni 2009 zowel art. 740 Ger.W. als het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging op ernstige wijze geschonden. Dit standpunt kan geenszins worden gevolgd. Uit de eigen uiteenzetting van STAD ZOTTEGEM en n.v. DEXIA BANK BELGIË blijkt dat zij op de behandelingsdatum d.d. 14 mei 2009 terdege kennis hadden van het kwestieuze stuk (wat ook logisch is nu het een op tegenspraak genomen conclusie betreft van de tussen zelfde partijen ter zake hangende bodemprocedure) én dat zij wisten dat het als bijkomend stuk werd aangewend door W. T'J. en L.S.: Immers, de zaak werd op 14 mei 2009 voor de kort gedingrechter gepleit door de advocaten van beide partijen, de bundels met stavingstukken werden door hen neergelegd, de debatten werden gesloten en de zaak werd in beraad genomen (zie proces-verbaal van de openbare terechtzitting d.d. 14 mei 2009). De bewering dat er een incident zou zijn geweest betreffende het kwestieuze stuk blijkt nergens uit. Menende dat er sprake zou zijn van een schending van de rechten van verdediging door de aanwending ter zitting van het kwestieuze stuk, behoorde het aan STAD ZOTTEGEM en n.v. DEXIA BANK BELGIË om passend te reageren door één en ander te laten acteren in het proces-verbaal van de openbare terechtzitting en/of uitstel te vragen om te kunnen antwoorden op dit stuk. Door dit niet te doen moeten zij geacht worden te hebben ingestemd met de aanwending en beoordeling in rechte van dit stuk. Tevergeefs menen STAD ZOTTEGEM en n.v. DEXIA BANK BELGIË te kunnen verwijzen naar de ambtshalve wering voorzien door art. 740 Ger.W.: Immers, deze verwijzing betreft de behandeling en berechting op tegenspraak ten gronde, terwijl het in deze een kort geding betreft, waarop de specifieke art. 1035 e.v. Ger.W. toepasselijk zijn. De aard en het bijzonder karakter van het kort geding (zoals urgentie, voorlopige maatregelen) vereisen dat de kort gedingrechter van alle van belang zijnde elementen moet kunnen kennis nemen en deze moet kunnen beoordelen op het moment van de behandeling. De kort gedingprocedure voorziet trouwens enkel een behandelingsdatum. De kort gedingrechter wordt door niets belet en is integendeel gehouden om een tegensprekelijk stuk (zoals in deze de betreffende tussen partijen ten gronde genomen conclusie) dat op de behandelingsdatum wordt overgelegd, bij diens beoordeling te betrekken. Dit geldt trouwens zeker wanneer (bij ontstentenis van protest of vraag om uitstel) werd ingestemd met de aanwending van dit stuk. Onafgezien de voorgaande overwegingen, weze ten overvloede vastgesteld dat STAD ZOTTEGEM en n.v. DEXIA BANK BELGIË inmiddels onmiskenbaar ten volle het recht van verdediging hebben kunnen uitoefenen én dit ook daadwerkelijk hebben gedaan d.m.v. het onderhavige hoger beroep en de in de beroepsakte omstandig ontwikkelde grieven en middelen. Hun grief is aldus in die zin eigenlijk achterhaald.
- Primordiale betwisting betreft in deze de al dan niet ogenschijnlijke onwettigheid van de kwestieuze, op aanvraag van n.v. DEXIA BANK BELGIË, door de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar op 24 juni 2008 verleende stedenbouwkundige vergunning d.d. 24 juni 2008 voor het ontbossen van een bestaand terrein, het bouwen van een cultuurzaal en stedelijke academie voor muziek, woord en dans, een hoogspanningscabine, de heraanleg waterbekken en omgevingswerken op een perceel gelegen te Zottegem, aan de Meersstraat, er op het kadaster gekend onder 8ste afdeling, sectie A, nr. 615D (gelegen zijnde naast het erf "Leirenshof", zijnde een relict van een kasteelhoeve met watermolen, behorende bij het kasteel van Egmont en eigendom van W.T'J. en L.S.). Volgens W. T'J. en L. S. zou de stedenbouwkundige vergunning op basis waarvan STAD ZOTTEGEM en n.v. DEXIA BANK BELGIË willen bouwen, onwettig zijn omdat niet zou zijn voldaan aan de opmaak van een milieueffectrapport, zoals vereist overeenkomstig art. 104 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en het uitvoeringsbesluit van de Vlaamse regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage (B.S. 17 februari 2005). Meer bepaald wordt daarbij door W. T'J. en L. S. gewezen op: - art. 2 van het voornoemde besluit van de Vlaamse regering van 10 december 2004, waarbij wordt gesteld dat de categorieën van projecten waarvoor overeenkomstig artikel 4.3.
- §1, §2 en §3 van het decreet een project-MER moet worden opgesteld, vermeld zijn in bijlage I en bijlage II van dit besluit; - punt 10/b van de voormelde bijlage II, zijnde "stadsontwikkelingsprojecten, met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen, met betrekking tot de bouw van 1000 of meer woongelegenheden, of met een bruto-vloeroppervlakte van 5000 m² handelsruimte of meer, of met een verkeersgenererende werking van pieken van 1000 of meer personenauto-equivalenten per tijdsblok van 2 uur"(onderlijning door het hof). Volgens W. T'J. en L.S. zou de stedenbouwkundige vergunning de bouw toestaan van een cultuurzaal met een capaciteit van 950 personen, meer personeel, meer toeleveringsactiviteiten, meer medewerkers van de artiesten, meer de Academie voor Muziek, Woord en Dans. Deze capaciteit wordt, volgens hen, medegedeeld op de eigen website van STAD ZOTTEGEM en zou dus, steeds volgens hen, een buitengerechtelijke erkenning uitmaken. Één en ander zou volgens hen betekenen dat het beoogde project gelijktijdig ruim 1000 mensen kan herbergen, wat in topmomenten (bv. bij opéénvolgende shows of optredens) met zich zou brengen dat binnen een korte tijdspanne meer dan 1000 voertuigen op en rond de site zullen worden gegenereerd. Waar er volgens W.T'J. en L. S. aldus ontegensprekelijk een wettelijke verplichting zou zijn tot opmaak van een milieueffectenrapport, doch daaraan niet zou zijn voldaan, dient in het hangende geding voor de bodemrechter in toepassing van art. 159 GW (wettigheidtoezicht vanwege de contentieuze rechtsmachten op bestuurshandelingen) vastgesteld te worden dat de stedenbouwkundige vergunning onwettig is en dient er verbod te worden opgelegd om de aldus vergunde bouwwerken uit te voeren. In afwachting van de beoordeling ten gronde van één en ander wordt met het onderhavige kort geding een voorlopig verbod beoogd (zie de niet bestreden tussenbeschikking, gewezen door de eerste rechter op 24 november 2008, punt 2.4 en de dagvaarding kort geding d.d. 7 november 2008). STAD ZOTTEGEM en n.v. DEXIA BANK BELGIË betwisten dat voor het project een milieueffectenrapport zou moeten worden opgesteld, voorhoudende dat er slechts (maximaal) sprake zou zijn van een verkeersgeneratie van 600 à 800 voertuigen bij 2 achtereenvolgende "totaalbezettingen". Zij ontkennen niet dat de website van STAD ZOTTEGEM voor de cultuurzaal een capaciteit van 950 bezoekers aankondigt, doch zetten uiteen dat dit een materiële vergissing zou zijn en dat dit 600 (staande) bezoekers zou moeten zijn. Volgens hen zou de cultuurzaal een netto oppervlakte hebben van 630 m², wat rekening houdende met de nodige ruimte voor podia en bijhorigheden alsook evacuatienormen een normale bezetting zou betekenen van 560 personen of een gemiddelde van 300 à 400 voertuigen per manifestatie. De voormelde uiteenzetting vanwege STAD ZOTTEGEM en n.v. DEXIA BANK BELGIË wordt niet ernstig gestaafd en is derhalve oncontroleerbaar. Het enige stuk waarnaar wordt verwezen is een als stuk 15 overlegd document "toelichtingnota parkeersituatie" waarin gewag wordt gemaakt van een voorziene capaciteit van de zaal van circa 450 bezoekers (zittend) en van circa 600 bezoekers bij staande evenementen. Het betreft een niet ondertekend noch dienaangaande op enige wijze gestaafd document, blijkbaar afkomstig van een autotelling door de politie te Zottegem. Dit laatste gegeven is, voor zover juist, op zich nog geen garantie voor de juistheid van het erin gestelde gegeven, nu niet geweten is van wie deze bewering afkomstig is, waarop deze bewering precies steunt en nu evenmin blijkt dat dit op enige wijze objectief zou vaststaan of zou zijn vastgesteld (en door wie precies). De als stuk 5 voorgelegde stedenbouwkundige vergunning meldt noch bevestigt kennelijk enige capaciteit, althans niet formeel. De daartoe goedgekeurde aanvraag en/of plannen worden niet voorgebracht, noch enig ander objectief controleerbaar stuk waaruit één en ander zou mogen blijken in de door STAD ZOTTEGEM en n.v. DEXIA BANK BELGIË thans voorgehouden zin. Ook de door STAD ZOTTEGEM en n.v. DEXIA BANK BELGIË gedane becijfering van het aantal personen per m² en de daartoe te verwachten voertuigen per manifestatie worden door niets gestaafd noch aannemelijk gemaakt. Er kan in de gegeven omstandigheden slechts worden vastgesteld dat de door STAD ZOTTEGEM niet ontkende eigen aankondiging van een cultuurzaal met een capaciteit van 950 bezoekers niet ernstig wordt weerlegd. Rekening houdende met het feit dat er niet alleen bezoekers worden verwacht in de kwestieuze cultuurzaal, doch dat er redelijkerwijze daarbij ook sprake zal zijn van personeel, toeleveringsactiviteiten, artiesten en medewerkers van de artiesten, dat er een cultuurcafé wordt voorzien met verbruikterrassen en dat er bovendien de werking van een Academie voor Muziek, Woord en Dans is voorzien, komt het prima facie niet onaannemelijk voor dat er in topmomenten (bv. bij opéénvolgende shows of optredens) in een tijdsblok van 2 uur inderdaad een verkeersgenererende werking van pieken van 1000 of meer personenauto-equivalenten zou kunnen worden bereikt. Prima facie oordelend is het derhalve geenszins uitgesloten dat er in de kwestieuze aangelegenheid wel degelijk een wettelijke verplichting zou kunnen zijn tot de opmaak van een milieueffectrapport, zoals voorgeschreven door het voormelde art. 104 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en de voormelde art. 2 en bijlage II, 10/b van het uitvoeringsbesluit van de Vlaamse regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage. In afwachting dat in het tussen partijen hangende geding voor de bodemrechter geoordeeld zal worden over de er gevorderde vaststelling in toepassing van art. 159 GW van de gebeurlijke onwettigheid van de stedenbouwkundige vergunning en over het dienvolgens gevorderde gebeurlijke verbod om de aldus onwettig vergunde bouwwerken uit te voeren, zijn er alleen reeds om de voormelde redenen en omstandigheden afdoende gronden om thans bij wijze van dringende voorlopige maatregel het gevorderde voorlopig verbod op te leggen om met de werken te starten. Het oordeel van de kort geding rechter is in die zin te bevestigen.
- Gelet op het voorgaande is de nadere beoordeling van de overige middelen en grieven niet dienend. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk; Wijst het hoger beroep af als ongegrond; Bevestigt aldus de bestreden beschikking d.d. 10 juni 2009, voor zover aangevochten en mits de hogere overwegingen, voor zover niet tegenstrijdig; Verwijst STAD ZOTTEGEM en n.v. DEXIA BANK BELGIË in de kosten van het hoger beroep, op heden nuttig te bepalen in hoofde van W. T'J. en L.S. op de (niet betwiste) basisrechtsplegingsvergoeding t.b.v. 1.200,00 EUR; Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, NEGENDE ter KAMER, zitting houdende in burgerlijke zaken, van 25 september
- Aanwezig: Luc Thabert, Raadsheer wn. Voorzitter Kurt Goossens, griffier Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.