← België

ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090929.3

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 29 september 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090929.3 Rolnummer: 2008/AR/1740 Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2009-10-09 Raadplegingen: 109 - laatst gezien 2026-07-02 20:19 Fiche

  1. Sinds de wijziging van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 door de Wet van 15 maart 1999 is het bezwaarschrift geen akte van rechtspleging meer. Het ontbreken van de handtekening maakt het bezwaarschrift op zich nog niet ongeldig; het bezwaarschrift kan geldig zijn wanneer bewezen wordt dat het daadwerkelijk uitging van degene die het indiende en deze de vereiste hoedanigheid had.
  2. Voor de toepassing van artikel 358 §1, 4° WIB92 moeten bewijskrachtige gegevens uitwijzen dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven. Deze bepaling moet in die zin worden uitgelegd dat het geheel van aan te gegeven informatie, waaronder de aanvraag tot investeringsaftrek, moet worden in aanmerking genomen en dus het nettobedrag van de aan te geven belastbare inkomsten relevant is. Het ten onrechte toepassen van de investeringsaftrek heeft tot gevolg dat de netto belastbare inkomsten lager zijn dan wettelijk voorzien zodat de belastingadministratie in dat geval toepassing kan maken van de buitengewone aanslagtermijn voorzien in artikel 358, §1, 4° WIB
  3. UTU-thesaurus: FISCAAL RECHT - INKOMSTENBELASTING - VENNOOTSCHAPPEN - Algemeen (inkomstenbelasting - vennootschappen) Vrije woorden:
  4. bezwaarschrift is geen akte van rechtspleging meer - ontbreken handtekening maakt het bezwaarschrift nog niet ongeldig
  5. investeringsaftrek Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 5e kamer ________ terechtzitting van 29-09-2009 BELASTINGEN Nr.2008/AR/1740 in de zaak van: AMITIC N.V., met maatschappelijke zetel te 9991 ADEGEM, Zwepe 2; ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0446.859.796, appellante, ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. POPPE Peter, advocaat te 9051 SINT-DENIJS-WESTREM, Kortrijksesteenweg 1126 tegen: DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Wetstraat 12 te 1000 BRUSSEL, in de persoon van de Minister van Financiën, vertegenwoordigd door de Gewestelijke Directeur der directe belastingen ter directie GENT-TAXATIE, wiens kantoren gevestigd zijn te 9050 LEDEBERG (GENT), Gaston Crommenlaan 6/604, geïntimeerde, ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. LEYNS Gerd loco mr. VAN ACKER Elie, advocaat te 9000 GENT, Brugsesteenweg 318 spreekt het Hof het volgend arrest uit:
  6. Procedure Bij verzoekschrift van 1 juli 2008 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent, zesde kamer, op 30 april 2008 werd uitgesproken. In het bestreden vonnis werd als volgt uitspraak gedaan: Verklaart de vordering van eiseres voor de aanslagjaren 1999 en 2000 onontvankelijk. Verklaart de vordering van eiseres voor de aanslagjaren 1995, 1996, 1997 en 1998 ontvankelijk en ongegrond. Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding. (...). Het hoger beroep strekt ertoe het bestreden vonnis teniet te doen en te bekomen dat het Hof: • wat de aanslagjaren 1995 tot 1998 betreft: - in hoofdorde, volledige ontheffing of vernietiging van de aanslagen zou verlenen; - subsidiair, minstens ontheffing zou verlenen van de aanslagen tot beloop van de gespreide investeringsaftrek voor de investeringen gedaan in 1992 en 1993; - meer subsidiair, een uitdrukkelijk geformuleerde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof zou stellen; • wat het aanslagjaar 1999 betreft: - in hoofdorde, het bezwaar ontvankelijk zou verklaren en de aanslag nietig zou verklaren wegens verjaring of minstens ontheffing zou verlenen; - subsidiair, vernietiging of ontheffing zou verlenen op grond van het verzoek tot ontheffing van ambtswege; - meer subsidiair, dezelfde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof zou stellen; • wat het aanslagjaar 2000 betreft: - in hoofdorde, het bezwaar ontvankelijk zou verklaren en de aanslag zou ontheffen minstens zou nietig verklaren; - subsidiair, de geïntimeerde zou veroordelen tot het betalen van een gemeenrechtelijke schadevergoeding van 11.177,79 euro meer de wettelijke interest vanaf de inkohiering van de bestreden aanslag, minstens vanaf de datum van het instellen van de vordering (datum conclusies); - meer subsidiair, de hoger bedoelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof zou stellen. De appellante vraagt bovendien dat de geïntimeerde zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten van de beide aanleggen. De geïntimeerde vordert dat het Hof het hoger beroep wat de aanslagjaren 1999 en 2000 betreft, onontvankelijk zou verklaren en het hoger beroep voor de aanslagjaren 1995 tot 1998 ongegrond zou verklaren. De geïntimeerde vordert dus de bevestiging van het bestreden vonnis. De geïntimeerde vraagt tevens dat het Hof de appellante zou veroordelen tot het betalen van de gerechtskosten van de beide aanleggen. De partijen werden in openbare terechtzitting gehoord in hun middelen en conclusies.
  7. Feitelijke gegevens De appellante is een onderneming die steigers en stellingen verhuurt die geplaatst worden om gebouwen te kunnen optrekken en/of renoveren, herstellen, reinigen enz. De appellante brengt de steigers en stellingen zelf ter plaatse, stelt ze op, staat in voor het eventueel onderhoud en herstel, breekt ze zelf weer af, is daarbij aansprakelijk voor alle ongevallen waarvan de oorzaak bij de stellingen of steigers zou gelegen zijn en zij is tegen het risico van die aansprakelijkheid verzekerd. De appellante heeft voor de stellingen en steigers die zij sinds 1992 aangekocht heeft, in haar aangifte in de vennootschapsbelasting de gespreide investeringsaftrek gevraagd zoals voorzien in artikel 70 WIB
  8. Na een vraag om inlichtingen waarop de appellante tijdig geantwoord heeft, stuurde de taxatiedienst op 24 april 1997 voor de aanslagjaren 1995 en 1996 een eerste keer een bericht van wijziging van de aangifte waarin voor het eerst werd voorgehouden dat de appellante niet in aanmerking kwam voor de investeringsaftrek omdat de betreffende activa voor het gebruik ervan aan andere belastingplichtigen werden overgedragen in de zin van artikel 75, 3° WIB
  9. Voor de volgende aanslagjaren zou de taxatiedienst in berichten van wijziging van de aangifte dat standpunt herhalen. De appellante heeft dat standpunt steeds bestreden. Overeenkomstig die berichten van wijziging van de aangifte werden op naam van de appellante de volgende supplementaire aanslagen in de vennootschapsbelasting gevestigd: • aanslagjaar 1995: kohierartikel 872.014.244, vermelde datum van verzending van het aanslagbiljet: 20 juni 1997; • aanslagjaar 1996: kohierartikel 873.602.553, vermelde datum van verzending van het aanslagbiljet: 11 oktober 1997; • aanslagjaar 1997: kohierartikel 892.806.495, vermelde datum van verzending van het aanslagbiljet: 13 augustus 1999; • aanslagjaar 1998: kohierartikel 892.809.197, vermelde datum van verzending van het aanslagbiljet: 16 augustus 1999; • aanslagjaar 1999: kohierartikel 265.141, vermelde datum van verzending van het aanslagbiljet: 2 april 2002 en • aanslagjaar 2000: kohierartikel 821.275.281, vermelde datum van verzending van het aanslagbiljet: 17 april
  10. De appellante heeft tegen elk van die aanslagen een bezwaarschrift ingediend. Met betrekking tot de aanslagen voor de aanslagjaren 1999 en 2000, bleken de bezwaarschriften die op 2 juli 2002 werden ontvangen door de geïntimeerde geen handtekening te bevatten. De geïntimeerde heeft dat met een brief van 16 juli 2002 aan de appellante laten weten, stellende dat een niet-ondertekend bezwaarschrift niet als een regelmatig bezwaarschrift kan worden beschouwd. Op 2 augustus 2002 heeft de appellante de bezwaarschriften opnieuw, deze keer ondertekend, bij de geïntimeerde ingediend. In zijn directeursbeslissing van 20 december 2002 heeft de geïntimeerde het bezwaar met betrekking tot de aanslagjaren 1995 tot 1998 als ongegrond afgewezen en het bezwaar met betrekking tot de aanslagjaren 1999 en 2000 onontvankelijk verklaard. Met een verzoekschrift van 17 maart 2003 stelde de appellante haar vordering in voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent. De zesde kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent heeft in zijn vonnis van 30 april 2008 de vordering van de appellante afgewezen zoals hoger vermeld. Het is tegen dat vonnis dat de appellante hoger beroep heeft ingesteld.
  11. Grieven en argumenten van de partijen Het Hof overloopt de diverse grieven die de appellante formuleert 3.
  12. Met betrekking tot de aanslagjaren 1995, 1996, 1997 en 1998 3.1.
  13. Ongrondwettelijkheid 3.1.1.
  14. De appellante voert in hoofdorde aan dat, gelet op het arrest van het Grondwettelijk Hof van 1 september 2008 (nr. 127/2008) moet besloten worden dat artikel 75, 3° WIB92 ongrondwettelijk is. Uit dat arrest zou blijken dat het doel van de wetgever er alleen in bestond te beletten dat een grote onderneming (niet-KMO) indirect toch de investeringsaftrek kon genieten door de investering te laten doen door een verwante KMO. Alle andere achterliggende bedoelingen waarmee de Administratie altijd zou geschermd hebben, zouden dus niet relevant zijn. De veel ruimere omschrijving van artikel 75, 3° WIB92 zou een niet redelijk verantwoord onderscheid in behandeling met zich brengen tussen de grote ondernemingen enerzijds en de KMO's (zoals de appellante) anderzijds. Volgens de appellante komt het aan de geïntimeerde toe om te bewijzen dat zij niet aan de voorwaarden van de investeringsaftrek voldoet. Dat zou voortvloeien uit het feit dat de uitsluiting een uitzondering is op een vrijstelling die in de regel moet worden verleend. 3.1.1.
  15. De geïntimeerde erkent dat het de bedoeling was om met artikel 75, 3° WIB92 te vermijden dat belastingplichtigen die zelf geen recht hebben op de investeringsaftrek, het voordeel daarvan toch onrechtstreeks zouden kunnen genieten door de investering te laten verrichten door een andere belastingplichtige die wel recht heeft op investeringsaftrek en die het recht van gebruik op deze investering vervolgens afstaat aan de eerste belastingplichtige (zodat de onmogelijkheid voor deze om de investeringsaftrek te genieten, omzeild wordt). Zich steunend op het arrest van het Hof van Cassatie van 27 juni 2002 (www.cass.be/juris) stelt de geïntimeerde dat elke overdracht van het gebruik aan een vennootschap de uitsluiting van het recht op investeringsaftrek tot gevolg heeft; dit gevolg zou wel degelijk in overeenstemming zijn met de bedoeling van de wetgever omdat deze de gevallen van investeringsaftrek wilde beperken en alle mogelijke omzeilingen wenste tegen te gaan. Het zou niet de bedoeling geweest zijn om alleen de ‘grote' ondernemingen uit te sluiten. Er zou dan ook geen sprake zijn van discriminatie of ongelijkheid. Hoe dan ook zou het arrest 127/2008 van het Grondwettelijk Hof slechts impliceren dat het gelijkheidsbeginsel geschonden is in de mate dat het aftrekverbod louter geldt omdat de (overnemende) gebruiker van de activa een KMO-vennootschap is. De overige voorwaarden, namelijk dat de overnemer de activa in België beroepsmatig moet gebruiken en dat hij het recht van gebruik niet aan een derde mag overdragen (ook niet gedeeltelijk), zouden het gelijkheidsbeginsel niet schenden. De geïntimeerde stelt dat de belastingplichtige die een vrijstelling, zoals de investeringsaftrek, wil genieten, een beroep doet op een gunstmaatregel en dus in het algemeen alle bewijs moet leveren dat hij aan de voorwaarden ervan voldoet. 3.1.1.
  16. Beoordeling Artikel 68 van het WIB 1992 bepaalt : Winst en baten worden vrijgesteld tot een deel van de aanschaffings- of beleggingswaarde van de materiële vaste activa die in nieuwe staat zijn verkregen of tot stand gebracht en van de nieuwe immateriële vaste activa, indien die vaste activa in België voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid worden gebruikt. Deze vrijstelling wordt ‘investeringsaftrek' genoemd. Artikel 75 van hetzelfde Wetboek bepaalt : De investeringsaftrek is evenmin van toepassing op : [...] 3° vaste activa indien het recht van gebruik ervan anders dan op de wijze als vermeld sub 2° is overgedragen aan een andere belastingplichtige, tenzij de overdracht gebeurt aan een natuurlijke persoon die de vaste activa in België gebruikt voor het behalen van winst of baten en die het recht van gebruik daarvan geheel noch gedeeltelijk aan een derde overdraagt. [...]. Zoals de eerste rechter stelde, is deze tekst duidelijk. Als zodanig zou hij tot gevolg hebben dat de appellante met betrekking tot de betreffende activa (stellingen en steigers) geen investeringsaftrek kan genieten vermits haar economische activiteit er precies in bestaat dat ze het recht van gebruik van die activa overdraagt aan derden die niet vallen onder de categorie ‘natuurlijke personen die de vaste activa in België gebruiken voor het behalen van winst of baten en die het recht van gebruik daarvan geheel noch gedeeltelijk aan een derde overdragen'. Nochtans kan de appellante zich in principe beroepen op de vaststelling dat de toepassing van artikel 75, 3° WIB92 tot een ongelijkheid leidt. Het Grondwettelijk Hof heeft in zijn arrest nr. 127/2008 van 1 september 2008 als volgt besloten: Artikel 75, 3°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het tot gevolg heeft dat een vennootschap die beantwoordt aan de kenmerken van een kmo in de zin van artikel 201, eerste lid, 1°, van het WIB 1992 en die, wegens de uitoefening van haar vennootschapsactiviteit, het gebruik van de verkregen vaste activa overdraagt aan een vennootschap die zelf beantwoordt aan de kenmerken van een kmo in de zin van die laatste bepaling, van de investeringsaftrek wordt uitgesloten. Er bestaat geen betwisting over dat de appellante zelf een kmo is in de zin van artikel 201, eerste lid, 1° WIB
  17. De geïntimeerde betwist evenwel dat de klanten van de appellante aan wie zij - middels verhuring - het recht van gebruik van de stellingen en steigers overdraagt en die vennootschappen zijn, (allemaal) kmo's zouden zijn; bovendien roept de geïntimeerde in dat zich onder de klanten van de appellante ook natuurlijke personen zouden bevinden die particulieren zijn (en dus de stellingen en steigers niet gebruiken voor het behalen van winsten of baten). Met de geïntimeerde moet worden aangenomen dat hij weliswaar het bewijs moet leveren van de elementen die nodig zijn om tot uitsluiting van het recht op investeringsaftrek te besluiten, maar dat het aan de belastingplichtige toekomt om aan te tonen dat hij onder de uitzonderingen op de uitsluiting zou vallen. Dat betekent dat de appellante moet bewijzen dat de vennootschappen aan wie zij haar activa verhuurt kmo's zijn én dat zij niet verhuurt of op enige manier het gebruik van haar activa afstaat aan particuliere natuurlijke personen. De appellante levert dat bewijs niet. De geïntimeerde legt van zijn kant als stuk 65 zelfs een lijst voor uit de boekhouding van de appellante waarin voor het boekjaar 1994 de klanten van de appellante worden opgesomd. Behoudens het merendeel vennootschappen, zijn ook natuurlijke personen onder de klanten vermeld. Bovendien vermeldt de lijst uitdrukkelijk de term ‘particulieren (A-, B-, C-, D, L- R-, T- en V-particulieren). 3.1.
  18. Toepasselijkheid van artikel 75, 3° WIB92 op de appellante 3.1.2.
  19. Subsidiair voert de appellante aan dat er ten gronde geen reden is om artikel 75, 3° WIB92 op haar situatie toe te passen omdat de overdracht van de stellingen en steigers aan anderen slechts ondergeschikt is aan de dienstverlening die zij naar aanleiding van die overdracht verstrekt (ter plaatse brengen, opstellen, onderhouden, herstellen, afbreken, enz.). De rechtspraak en zelfs administratieve standpunten zouden in dezelfde lijn liggen. 3.1.2.
  20. De geïntimeerde stelt dat de wet duidelijk is en strikt moet worden uitgelegd en toegepast. De wet zou het onderscheid niet maken tussen loutere overdracht en overdracht die gepaard gaat met dienstverlening. Het geval van rustoorden zou niet helemaal vergelijkbaar zijn. De dienstverlening die de appellante verstrekt zou slechts voortvloeien uit de noodzaak om het risico op ongevallen te vermijden. 3.1.2.
  21. Beoordeling Het Hof kan slechts vaststellen dat de (duidelijke) wettekst geen steunt biedt om de overdracht van activa die gepaard gaat met een uitgebreide dienstverlening anders te behandelen dan de overdracht van activa die zonder enige omkaderende dienstverlening geschiedt. Ook deze grief is dus ongegrond. 3.1.
  22. Voortzetting van aanvaarde investeringsaftrek voor investeringen uit vorige jaren Nog meer subsidiair stelt de appellante dat de aanslagen gevestigd zijn met schending van artikel 70 WIB92 doordat de investeringen die de appellante in 1992 en 1993 deed, hoewel ze in de vorige aanslagjaren toegestaan werden en daaromtrent door de controledienst geen opmerkingen gemaakt werd, wel van de investeringsaftrek werden ontzegd. De aanvaarding van de gespreide investeringsaftrek zou, als gevolg van het gespreid karakter, met zich brengen dat ook voor de volgende jaren de investeringsaftrek verder moet worden aanvaard. Het legaliteitsbeginsel zou niet spelen omdat het om een feitelijke beoordeling zou gaan. De eerste rechter heeft evenwel terecht geoordeeld dat de toepassing van de investeringsaftrek in de aanslagjaren 1993 en 1994 op investeringen die in 1992 en 1993 werden gedaan, in strijd was met de (duidelijke) wet. In die omstandigheden kon de appellante uit het toestaan van de investeringsaftrek niet op rechtmatige wijze het vertrouwen putten dat ze ook in de toekomst voor die investeringen een investeringsaftrek zou kunnen genieten. De vaststelling dat in een voorverslag aan de gewestelijke directeur het voorstel werd gedaan om die aftrek wel toe te staan, maakt geen verschil; dat voorstel was immers evenzeer in strijd met de wet. Ook het feit dat het om een gespreide aftrek ging, doet aan het oordeel geen afbreuk. Ook al is het denkbaar dat de appellante, mocht zij de investeringsaftrek in de aanslagjaren 1993 en 1994 in één keer hebben uitgeoefend, een volledige aftrek zou hebben genoten met betrekking tot haar investeringen gedaan in 1992 en 1993, toch geldt dat zij ook in dat geval een onrechtmatige aftrek zou hebben genoten. De grief is dus ongegrond. 3.1.
  23. Prejudiciële vraag Minstens vraagt de appellante aan het Hof om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. Het Hof stelt evenwel vast dat de vraag die de appellante suggereert woordelijk overeenstemt met deze die in het hoger vermelde arrest 127/2008 van 1 september 2008 van het Grondwettelijk Hof (in vertaling) werd behandeld. Er valt niet in te zien welk nut het kan hebben om deze vraag nogmaals te stellen nu het Grondwettelijk Hof de vraag al beantwoord heeft en de hoven en rechtbanken zich naar dat oordeel kunnen voegen (zoals trouwens gebeurd is in randnummer 3.1.1.
  24. hierboven). Op dat verzoek gaat het Hof dus niet in. 3.
  25. Met betrekking tot het aanslagjaar 1999 3.2.
  26. Exceptie van onontvankelijkheid van het hoger beroep Hoewel de geïntimeerde besluit tot onontvankelijkheid van het hoger beroep, voert hij daartoe geen redenen aan. Nu het Hof daartoe geen redenen ziet die het ambtshalve zou moeten opwerpen, is de exceptie van onontvankelijkheid van het hoger beroep ongegrond. 3.2.
  27. In hoofdorde voert de appellante aan dat de eerste rechter ten onrechte zou geoordeeld hebben dat haar bezwaar laattijdig was. De geïntimeerde zou niet kunnen bewijzen wanneer het aanslagbiljet aan de appellante verzonden werd. Op het aanslagbiljet met betrekking tot de betwiste aanslag voor het aanslagjaar 1999 staat vermeld dat het aanslagbiljet zou verzonden zijn op 2 april
  28. Vermits er tussen die datum en het indienen van het (eerste) bezwaarschrift op 2 juli 2002 geen briefwisseling of enige andere communicatie met betrekking tot de aanslag tussen de partijen plaats vond, staat vast dat de appellante het aanslagbiljet moet hebben ontvangen als gevolg van de gewone versturing van het aanslagbiljet. Er bestaat in die omstandigheden geen reden om eraan te twijfelen dat die versturing gebeurde op de datum van verzending die op het aanslagbiljet vermeld staat, namelijk 2 april
  29. Met het Grondwettelijk Hof (arrestnr. 162/2007 van 19 december 2007) is het Hof evenwel van oordeel dat artikel 371 WIB92 de rechten van de verdediging van de geadresseerden van het aanslagbiljet op onevenredige wijze beperkt door de termijn van bezwaar te laten lopen vanaf een ogenblik waarop die geadresseerden nog geen kennis kunnen hebben van de inhoud van het aanslagbiljet (omdat het op dat moment nog niet kan besteld zijn door De Post). Deze regeling is in strijd met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel en discriminatieverbod. Zoals aangegeven door het Grondwettelijk Hof kan die onevenredigheid worden opgelost door de termijn te laten ingaan op de dag waarop de geadresseerde, naar alle waarschijnlijkheid, kennis van het aanslagbiljet heeft kunnen nemen, namelijk de derde werkdag volgend op die waarop het aanslagbiljet aan de postdiensten werd overhandigd, tenzij de geadresseerde het tegendeel bewijst zoals geregeld in artikel 53bis Ger.W. Het aanslagbiljet werd op 2 april 2002 aan De Post overhandigd, zijnde een dinsdag. Concreet betekent dit dat moet worden aangenomen dat de eerste dag van de bezwaartermijn van (toen nog) drie maanden beginnen lopen is op de derde werkdag daarop volgend, namelijk vrijdag 5 april 2002 om te eindigen op 4 juli
  30. Het bezwaarschrift tegen de betreffende aanslag werd binnen die termijn, want op 2 juli 2002, ontvangen maar was niet ondertekend. De appellante stelt dat de ondertekening van het bezwaarschrift niet nodig was omdat het zou volstaan dat de belastingplichtige zich naderhand het bezwaarschrift eigen maakt. De wet zou de ondertekening niet voorschrijven en het bezwaarschrift zou niet langer een akte van rechtspleging zijn. De geïntimeerde stelt dat de ondertekening van het bezwaarschrift een essentieel bestanddeel is nu het bezwaar een akte van rechtspleging is. Ingevolge de wetswijziging door 32 van de Wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen is artikel 375 WIB92 vanaf het aanslagjaar 1999 in die zin gewijzigd dat de bezwaarprocedure nu nog slechts een administratieve beslissingsfase is. In artikel 375 §1 WIB92 staat nu uitdrukkelijk dat de directeur der belastingen of de door hem gedelegeerde ambtenaar met betrekking tot het bezwaar uitspraak doet ‘als administratieve overheid'. In de Memorie van Toelichting bij de Wet van 15 maart 1999 werd de duidelijke bedoeling van de Wetgever weergegeven: Het ontwerp behoudt een bezwaarprocedure die evenwel geen eerste aanleg meer uitmaakt, maar een administratieve filter is. Deze filter vormt de administratieve geschillenregeling. [...] Voortaan zal het bezwaarschrift slechts de aard van een eenvoudig administratief verhaal bezitten. (Mem. V. Toel., Parl.St., Kamer, zitting 1997-98, nrs. 1341/1-1342/1, p. 2 en p. 7). De argumentatie van de geïntimeerde die gesteund is op de stelling dat het bezwaarschrift een akte van rechtspleging is, is dus niet meer actueel. Vormelijk moet het bezwaar schriftelijk zijn (art. 366 WIB92), gemotiveerd zijn en binnen de voorziene termijn worden ingediend (art. 371 WIB92). De wet voorziet nergens dat het moet zijn ondertekend door de indiener. Het spreekt voor zich dat het moet uitgaan van iemand die de vereiste hoedanigheid heeft om zich tegen de geviseerde aanslag te richten. Nochtans belet het ontbreken van de handtekening op zich niet dat het bezwaarschrift geldig is wanneer naderhand bevestigd wordt dat het wel degelijk uitging van degene die het verstuurde en deze daartoe de nodige hoedanigheid had. Uit het feit dat de appellante, na de kennisgeving door de geïntimeerde van het ontbreken van de handtekening op het bezwaarschrift dat op 2 juli 2002 werd ingediend, hetzelfde (identieke) bezwaarschrift - waarop haar identificatiegegevens vermeld stonden - onmiddellijk nogmaals heeft ingediend, deze keer voorzien van de handtekening van haar gedelegeerd bestuurder, moet worden afgeleid dat het bezwaarschrift van 2 juli 2002 wel degelijk uitging van de appellante. Het bezwaarschrift van 2 juli 2002 is in die omstandigheden geldig en tijdig. Bijgevolg is de exceptie van onontvankelijkheid van de gerechtelijke vordering, gebaseerd op de laattijdigheid van het bezwaarschrift, ongegrond. Deze grief moet dus worden ingewilligd. 3.2.
  31. Ten gronde voert de appellante in hoofdorde aan dat de aanslag te laat werd gevestigd. De geïntimeerde zou zich ten onrechte beroepen op artikel 358 §1 WIB92 omdat de omstandigheden die daar voorzien zijn, niet voorhanden zouden zijn. Dat de accountant van de appellante zou erkend hebben ervan kennis te hebben genomen dat de taxatiedienst beroep zou doen op artikel 358 WIB92 zou niet volstaan omdat daarmee nog geen verantwoording voor de toepassing van die wetsbepaling zou zijn gegeven. De geïntimeerde verduidelijkt dat zij gebruik gemaakt heeft van de verlenging van de aanslagtermijn overeenkomstig artikel 358 §1, 4° WIB
  32. Meer bepaald op basis van de vaststellingen die de controledienst gedaan heeft tijdens de controle ter plaatse van 25 oktober
  33. Volgens de geïntimeerde heeft de gevolmachtigde accountant van de appellante schriftelijk erkend kennis te hebben genomen van de toepassing van artikel 358 WIB92 en werd dat document gevoegd bij het bericht van wijziging van de aangifte van 1 februari 2001 (wat 2002 had moeten zijn) en heeft de appellante de toepassing van die uitbreiding van de aanslagtermijn in haar antwoord van 19 februari 2002 niet betwist en dus aanvaard. De geïntimeerde stelt verder dat uit het feit dat de appellante ten onrechte toepassing maakte van de investeringsaftrek, volgt dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven. Als stuk 45/6 legt de geïntimeerde de verklaring voor van de gevolmachtigde accountant van de appellante, ondertekend op 25 oktober 2001 waarin deze verklaart kennis te hebben genomen van de toepassing van art. 358 W.I.B.'92 waardoor de termijn wordt verlengd met 12 maand vanaf datum controle ter plaatse nl. 25/10/
  34. Een kopie van die verklaring werd bij het bericht van wijziging van de aangifte van 1 februari 2001 (bedoeld wordt 2002) gevoegd. Terecht laat de appellante gelden dat de verklaring van haar gevolmachtigde accountant op zich nog niet met zich brengt dat rechtsgeldig toepassing kon gemaakt worden van artikel 358 §1, 4° WIB
  35. De vraag of artikel 358 §1, 4° WIB92 toepasselijk was, moet hoe dan ook onderzocht worden. Het Hof stelt vast dat er geen betwisting over bestaat dat de bewijskrachtige gegevens waarop de geïntimeerde zich beroept, vastgesteld werden op 25 oktober
  36. De belasting mocht dus - ook na de gewone aanslagtermijn van artikel 354 WIB92 (die verstreek op 30 juni 2001) - worden gevestigd met betrekking tot inkomsten die moesten worden aangegeven in de loop van één der vijf jaren vóór het jaar waarin de Administratie kennis krijgt van de bewijskrachtige gegevens, op voorwaarde dat de vestiging gebeurde binnen de twaalf maanden te rekenen vanaf de datum van kennisname door de geïntimeerde van de betreffende gegevens. De inkomsten voor het aanslagjaar 1999 moesten in 1999 worden aangegeven, zijnde één van de vijf jaren vóór 2001; de betwiste aanslag werd op 20 maart 2002 uitvoerbaar verklaard, zijnde binnen de twaalf maanden na de kennisname van de gegevens op 25 oktober
  37. Aan deze voorwaarden is alvast voldaan. De appellante betwist dat er sprake zou zijn van ‘bewijskrachtige gegevens' zoals bedoeld in artikel 358 §1, 4° WIB
  38. De ‘bewijskrachtige gegevens' die op 25 oktober 2001 werden vastgesteld, zijn nochtans deze met betrekking tot de gespreide investeringsaftrek die toegepast werden in de boekjaren 1999 en 2000 naar aanleiding van controles voor de aanslagjaren 2000 en
  39. Vermits de boeking van de gespreide investeringsaftrek verwijst naar investeringen voor vorige jaren en impliceert dat ook in boekjaar 1998 (aanslagjaar 1999) toepassing werd gemaakt van de betwiste investeringsaftrek, is er wel degelijk sprake van ‘bewijskrachtige gegevens' die bij een latere controle gebleken zijn en die informatie verstrekten over de belastingtoestand voor het aanslagjaar
  40. De appellante betwist ook dat de betreffende bewijskrachtige gegevens hebben uitgewezen dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven. Volgens haar kan aan die voorwaarde niet voldaan zijn omdat het niet gaat om het niet-aangeven van inkomsten maar om het inroepen van een economische vrijstelling. Artikel 358 §1, 4° WIB92 vereist in duidelijke bewoordingen dat de bewijskrachtige gegevens moeten uitwijzen dat belastbare inkomsten niet werden aangegeven. De belastbare inkomsten die de belastingplichtigen moeten aangeven, zijn in principe bruto-inkomsten. Nochtans omhelst de aangifte een geheel van gegevens waartoe evenzeer de vraag tot investeringsaftrek behoort. De investeringsaftrek geeft aanleiding tot een vermindering van de inkomsten die uiteindelijk (netto) belastbaar zijn. Op basis van de aangifte die de appellante indiende, zouden de belastbare inkomsten, netto bekeken, lager zijn dan wat wettelijk belastbaar is. De vaststelling door de controledienst dat de appellante in het aanslagjaar 1999 ten onrechte toepassing gemaakt had van de investeringsaftrek, leverde dus bewijskrachtige gegevens op die uitwezen dat door de appellante in dat aanslagjaar belastbare inkomsten niet waren aangegeven. (vgl. m.b.t. DBI-aftrek: Bergen, 21 september 2005, 2004/RG/50, Fiscoloog, nr. 997, 1; www.fisconet.be). De geïntimeerde kon dus wel degelijk gebruik maken van de buitengewone aanslagtermijn van artikel 358, 4° WIB
  41. Deze grief is dus ongegrond. 3.2.
  42. De overige argumenten, overgenomen van de aanslagjaren 1995 tot 1998 Het Hof verwijst naar zijn overwegingen onder randnummer 3.1., herneemt ze en besluit ook voor het aanslagjaar 1999 dat de overeenkomstige grieven van het hoger beroep ongegrond zijn. 3.
  43. Met betrekking tot aanslagjaar 2000 3.3.
  44. Exceptie van onontvankelijkheid van het hoger beroep Hoewel de geïntimeerde besluit tot onontvankelijkheid van het hoger beroep, voert hij daartoe geen redenen aan. Nu het Hof daartoe geen redenen ziet die het ambtshalve zou moeten opwerpen, is de exceptie van onontvankelijkheid van het hoger beroep ongegrond. 3.3.
  45. Herneming argumentatie voor aanslagjaar 1999 aangaande ondertekening van het bezwaarschrift Het Hof verwijst naar zijn overwegingen met betrekking tot het aanslagjaar 1999 onder randnummer 3.2.
  46. Ook hier geldt dat de latere herindiening van het identieke bezwaarschrift, voorzien van een geldige handtekening, de bevestiging inhoudt dat het oorspronkelijke bezwaarschrift van de appellante uitging. Vermits het aanvankelijke, niet-ondertekende bezwaarschrift van 2 juli 2002 binnen de wettelijke bezwaartermijn werd ingediend, moet het bezwaar als tijdig worden beschouwd. 3.3.
  47. De overige argumenten, overgenomen van de aanslagjaren 1995 tot 1998 Het Hof verwijst naar zijn overwegingen onder randnummer 3.1., herneemt ze en besluit ook voor het aanslagjaar 2000 dat de overeenkomstige grieven van het hoger beroep ongegrond zijn.
  48. De gerechtskosten De appellante wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten van deze aanleg dragen. Voor de vaststelling van de rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger.W., vervangen bij wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat en uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007, moeten, bij gebrek aan verzoek en redenen tot afwijking ervan, de basisbedragen gehanteerd worden. Vermits de waarde van de vorderingen, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger.W. zich in de schijf van 20.000,01 tot 40.000,00 euro bevindt, is het basisbedrag van 2.000,00 euro toepasselijk. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak; gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; verklaart het hoger beroep ontvankelijk; verklaart het hoger beroep gedeeltelijk gegrond; doet het bestreden vonnis te niet in zoverre het de vorderingen met betrekking tot de aanslagjaren 1999 en 2000 onontvankelijk verklaarde; doet opnieuw recht en verklaart de vorderingen met betrekking tot de aanslagjaren 1999 en 2000 ontvankelijk, maar wijst ze af als ongegrond; bevestigt het bestreden vonnis voor al het overige; veroordeelt de appellante tot het betalen van de gerechtskosten van het hoger beroep, vastgesteld als volgt: - aan de kant van de appellante: • rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 2.000,00 EUR - aan de kant van de geïntimeerde: • rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 2.000,00 EUR Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, recht doende in fiscale zaken, op NEGENENTWINTIG SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN NEGEN. Aanwezig de Heren: A. De Meue, Kamervoorzitter, Voorzitter, G. Tillekaerts en D. Vandeputte, Raadsheren, M. Vanderbeeken, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.