← België

ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20091008.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 08 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20091008.5 Rolnummer: 2008/AR/1327 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2009-12-11 Raadplegingen: 104 - laatst gezien 2026-07-02 20:23 Fiche Een vordering tot afbraak van een GSM-mast is een niet in geld waardeerbare vordering, die behoort tot de bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg. Het in stand houden van een krachtens een onwettige bouwvergunning opgetrokken GSM-mast is een quasi-delictuele fout. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BEVOEGDHEID Vrije woorden: vordering tot afbraak - bevoegdheid Tekst van de beslissing HOF VAN BEROEP TE GENT *** 1e kamer *** terechtzitting van 08 oktober 2009 2008/AR/1327 in de zaak van: BASE N.V., met maatschappelijke zetel te 1200 BRUSSEL, Neerveldestraat 105, ingeschreven met KBO-nummer 0462.925.669, appellante, hebbende als raadslieden mr. SOENS Paul en EVERAERT Piet, beiden advocaat te 1932 SINT-STEVENS-WOLUWE, Leuvensesteenweg 369 bus 1 tegen:

  1. LCEBE N.V., met maatschappelijke zetel te 1000 Brussel, Keizerinlaan 13, ingeschreven met KBO-nummer 0420.832.520, eerste geïntimeerde,
  2. IMMOBILIERE S.E.M. N.V., met maatschappelijke zetel te 1000 Brussel, Keizerinlaan 13, ingeschreven met KBO-nummer 0420.838.359, tweede geïntimeerde,
  3. IMMO JASPE N.V., met maatschappelijke zetel te 1000 Brussel, Keizerinlaan 13, ingeschreven met KBO-nummer 0420.838.458, derde geïntimeerde, de eerste t/m de derde geïntimeerden allen woonst kiezende bij gerechtsdeurwaarder SACRE Stefan te 1081 BRUSSEL, Jettelaan 32, en hebbende als raadsman mr. DENYS Martin, advocaat te 1560 HOEILAART, de Quirinilaan 2 en partijen mede inzake: 1) GEMEENTE KNOKKE-HEIST, vertegenwoordigd door het college van burgemeester en schepenen, met burelen in het stadhuis te 8300 KNOKKE-HEIST, Verweeplein 1, hebbende als raadsman mr. LUST Antoon, advocaat te 8310 ASSEBROEK, Baron Ruzettelaan 27 2) GEWESTELIJK STEDENBOUWKUNDIG AMBTENAAR VOOR HET GRONDGEBIED VAN DE PROVINCIE WEST-VLAANDEREN, met kantoor te 8000 BRUGGE, Werkhuisstraat 9, hebbende als raadsman mr. BRONDERS Bart, advocaat te 8400 OOSTENDE, Archimedesstraat 7 wijst het hof het volgend arrest: Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit hof op 20 mei 2008 heeft N.V. Base tijdig en op regelmatige wijze hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen van 19 juli 2007 en 3 maart 2008, op tegenspraak gewezen door de rechtbank van koophandel te Brugge, afdeling Brugge, eerste kamer bis. De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting en de neergelegde conclusies en stukken werden ingezien. voorgaanden
  4. N.V. Lcebe, N.V. Immobilière S.E.M. en N.V. Immo Jaspe (hierna genoemd geïntimeerden) zijn eigenaars van de villa ‘Lusot', gelegen te Knokke-Heist, Zeedijk 840 (hoek Lekkerbekhelling). Eind oktober 2005 werd voor deze villa door N.V. Base (appellante) een gsm-mast gebouwd, waarvan de stralingselementen zich op enkele meters van de woning bevinden. Volgens geïntimeerden werd de mast opgetrokken krachtens een onregelmatig afgeleverde vergunning, werd bij het optrekken ervan schade toegebracht aan hun eigendom en is hij oorzaak van bovenmatige hinder, zowel visueel als wat betreft de gezondheidsrisico's. Onder verwijzing naar artikel 16 van de grondwet en artikel 544 van het burgerlijk wetboek vorderen geïntimeerden met dagvaarding van 10 november 2005 voor de vrederechter van het derde kanton te Brugge de veroordeling van appellante om de gsm-mast weg te nemen en hun eigendom in de oorspronkelijke staat te herstellen, op straffe van een dwangsom van euro 25.000,
  5. Bij vonnis van 8 september 2006 verklaart de vrederechter deze vordering toelaatbaar en grotendeels gegrond. Appellante wordt veroordeeld om de gsm-mast weg te nemen en de eigendom van geïntimeerden in de oorspronkelijke staat te herstellen, op straffe van een dwangsom van euro 250,00 per week.
  6. Appellante stelt op 6 oktober 2006 hoger beroep in tegen dit vonnis. Voor de rechtbank van koophandel te Brugge worden de stad Knokke-Heist en de Stedenbouwkundige Ambtenaar voor het grondgebied van de provincie West-Vlaanderen (hierna genoemd Stedenbouwkundig Ambtenaar) bij exploten van 16 oktober 2006 door geïntimeerden gedagvaard in tussenkomst en gemeenverklaring. Bij conclusie van 19 oktober 2006 tekent Knokke-Heist bovendien derdenverzet aan tegen het vonnis van de vrederechter.
  7. In het eerste bestreden vonnis van 19 juli 2007 wordt het derdenverzet van Knokke-Heist ontvankelijk verklaard en wordt het vonnis van de vrederechter teniet gedaan, omdat de rechtbank van koophandel van oordeel is dat de vrederechter niet bevoegd was ratione summae, zodat de rechtbank van koophandel uitspraak doet in eerste aanleg. Vooraleer verder recht te doen worden twee deskundigen aangesteld (prof. dr. Walter Van Loock en ir. Marc Mommens) om de rechtbank, die verwijst naar vier aspecten (visuele hinder, angst voor gezondheidsrisico's ten gevolge van de straling, minderwaarde van de woning en een mogelijke alternatieve plaatsing), te adviseren over een aanvaardbare regeling voor de gsm-mast, een mogelijke alternatieve oplossing, de waardevermindering van de eigendom van geïntimeerden en de psychologische gevolgen van een dergelijke installatie. Bij niet-bestreden vonnis van 10 december 2007 wordt aan gerechtsdeskundige Van Loock een bijkomende vraag gesteld.
  8. Mede op grond van de verslagen van de deskundigen komt de eerste rechter in het tweede bestreden vonnis van 3 maart 2008 tot het besluit dat, enerzijds, de gsm-mast een ernstige (visuele) hinder betekent voor geïntimeerden, terwijl, anderzijds, wordt vastgesteld dat appellante tekort is gekomen aan haar voorzorgs- en zorgvuldigheidsplicht, onder meer door na te laten haar medewerking te verlenen aan alternatieve oplossingen. Appellante wordt opnieuw veroordeeld tot het wegnemen van de mast en het herstel van de eigendom van geïntimeerden in de oorspronkelijke toestand vóór 14 juli 2008, onder verbeurte van een dwangsom van euro 25.000,00 per dag, met een maximum van euro 250.000,
  9. Bij gebrek hieraan te voldoen, worden geïntimeerden gemachtigd zelf tot uitvoering van deze werken over te gaan. Appellante wordt bovendien veroordeeld om een provisie van euro 25.000,00 te betalen op de kosten van het geding (met inbegrip van de expertisekosten). Het vonnis wordt uitvoerbaar verklaard en het overige van de vordering wordt naar de bijzondere rol verwezen.
  10. Appellante verwijt de eerste rechter dat hij de deskundigen, die overigens hun opdracht zouden zijn te buiten gegaan, zonder meer heeft gevolgd. De opdracht van deskundige Van Loock is volgens haar niet verantwoord, terwijl de bevindingen van deskundige Mommens niet kunnen worden aanvaard omdat een aantal verrichtingen niet tegensprekelijk zouden zijn gebeurd. Zij betwist dat de hinder dermate ernstig is als door geïntimeerden wordt voorgehouden en meent dat er geen sprake is van burenhinder in de zin van artikel 544 van het burgerlijk wetboek. Uiteindelijk vordert appellante in haar syntheseconclusie de vernietiging van het vonnis van 19 juli 1997, in de mate het beslist dat bij de toepassing van de evenwichtsleer het aspect alternatieve plaatsing in acht moet worden genomen en in functie daarvan de opdracht van deskundige Van Loock omschrijft, alsmede de integrale vernietiging van het vonnis van 3 maart 2008, de afwijzing van de vordering van geïntimeerden en hun veroordeling tot de kosten.
  11. Geïntimeerden, die het vonnis van 3 maart 2008 op 5 mei 2008 hebben laten betekenen, hebben aangedrongen op de uitvoering van deze beslissing. Inmiddels werd de mast weggehaald (en het muurtje hersteld) op kosten van appellante. Dit belet niet dat geïntimeerden zich evenmin kunnen vinden in de beslissing van de rechtbank van koophandel. Zij menen dat de vrederechter wel degelijk bevoegd was om kennis te nemen van hun vordering, nu uit de dagvaarding niet blijkt dat de waarde ervan kennelijk hoger is dan euro 1.860,
  12. Middels het door hen ingesteld incidenteel hoger beroep vragen zij het vonnis van 19 juli 2007 te vernietigen, te zeggen voor recht dat het derdenverzet van Knokke-Heist onontvankelijk is en dat de vrederechter wel bevoegd was, zodat zijn vonnis van 8 september 2006 zijn rechtskracht herneemt. Bovendien blijkt uit de motivering van hun syntheseconclusie dat zij eveneens incidenteel hoger beroep instellen met het oog op het onwettig verklaren van de stedenbouwkundige vergunning. De eerste rechter heeft op dit punt immers niet expliciet uitspraak gedaan, omdat de vordering van geïntimeerden om andere redenen gegrond werd bevonden. Tenslotte vorderen geïntimeerden de veroordeling van appellante tot de kosten van het geding, waarvoor in het bestreden vonnis een provisionele veroordeling ten bedrage van euro 25.000,00 werd uitgesproken.
  13. Knokke-Heist besluit tot de afwijzing van het incidenteel beroep van geïntimeerden en tot de gegrondheid van het hoger beroep van appellante in de mate het strekt tot de afwijzing van de vordering van geïntimeerden. Zij stelt incidenteel hoger beroep in met betrekking tot de gedingkosten waarover de eerste rechter zich niet heeft uitgesproken en die volgens haar ten laste dienen te worden gelegd van geïntimeerden, minstens (in ondergeschikte orde) van appellante.
  14. De Stedenbouwkundig Ambtenaar benadrukt dat de afgeleverde vergunning geenszins onwettig is, zoals geïntimeerden ten onrechte voorhouden. Ook hij besluit tot de afwijzing van de vordering van geïntimeerden en stelt incidenteel hoger beroep in wat de kosten van het geding betreft. beoordeling
  15. De belangrijkste feiten die aan huidig geschil ten grondslag liggen, kunnen als volgt worden samengevat. - In oktober 2005 wordt de bestaande verlichtingspaal voor de villa ‘Lusot', die zich op het einde van de Zeedijk te Knokke-Heist bevindt en geniet van een direct en frontaal zeezicht, afgebroken en vervangen door een mast, waarop, naast de verlichtingsarmatuur, ook een antenne is geplaatst. - Omtrent het gebruik van de mast als antennedrager en de installatie van een zend- en ontvangststation voor telecommunicatie (basisstation) was tussen appellante en Knokke-Heist een huurovereenkomst gesloten. - Bij de bouw van de mast, die dikker en hoger is dan de oorspronkelijke verlichtingspaal, wordt ook de stenen omheiningmuur rond de villa deels gesloopt. - Op 8 april 2005 was voor dit bouwwerk een vergunning afgeleverd door de gewestelijke Stedenbouwkundig Ambtenaar, onder meer op grond van het motief dat er in de directe omgeving geen alternatieve constructies voorhanden zijn die als antennedrager dienst kunnen doen.
  16. De voornaamste grief van geïntimeerden ten aanzien van deze mast is dat de afgeleverde stedenbouwkundige vergunning onwettig is, omdat: - de vergunning onvoldoende is gemotiveerd en onder meer in strijd is met het Koninklijk Besluit van 10 augustus 2005, nu niet werd nagegaan welke negatieve gezondheidseffecten er van de antenne konden uitgaan; - de (gemeentelijke) overheid geen huurovereenkomst kan sluiten op het openbaar domein; - er geen alternatieven voor de inplanting van de antennemast werden onderzocht; - er geen wettelijk kader bestaat voor de inplanting van mogelijk schadelijke installaties. Ondergeschikt werpen geïntimeerden ook op dat er sprake is van burenhinder omwille van de visuele stoornis die de mast veroorzaakt en de onaanvaardbare gezondheidsrisico's die deze met zich brengt. Zij verwijzen daarbij naar het voorzorgsbeginsel, krachtens hetwelk niet enkel beschermende maatregelen moeten genomen worden, maar ook de bewijslast wordt omgekeerd, nu nog steeds niet wetenschappelijk is aangetoond dat een langdurige blootstelling aan de straling veroorzaakt door gsm-antennes niet schadelijk is voor de gezondheid. Nu de mast inmiddels werd weggenomen en de eigendom van geïntimeerden werd hersteld, beperkt het huidig debat zich tot de vraag of de beslissing van de eerste rechter, waarbij appellante ertoe verplicht werd de gsm-mast te verwijderen, al dan rechtmatig werd genomen.
  17. de bevoegdheid In de inleidende dagvaarding vorderen geïntimeerden dat de gedaagde partij zou worden veroordeeld tot het onmiddellijk wegnemen van de gewraakte gsm-mast en hun eigendom zou worden hersteld in de toestand waarin deze zich bevond vóór aanvang van de werken, dit alles op straffe van een dwangsom van euro 25.000,
  18. Het betreft derhalve een niet in geld waardeerbare vordering, met name het opleggen van een (herstel)maatregel, die behoort tot de algemene bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg. De eerste rechter heeft derhalve op terechte gronden besloten tot de onbevoegdheid van de vrederechter, zodat het door geïntimeerden in dit verband ingesteld incidenteel hoger beroep ongegrond is.
  19. de concrete grieven van appellante ten aanzien van de bestreden vonnissen 4.
  20. De grieven omtrent de uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis van 3 maart 2008 zijn achterhaald, gelet op het feit dat de mast inmiddels werd weggenomen. Dit geldt ook voor de opmerking van appellante dat de termijn voor het verwijderen van de mast (en medegaande de dwangsom) slechts kon beginnen lopen vanaf de betekening van het vonnis. Nu de mast effectief werd weggenomen en er geen dwangsom wordt opgeëist, is deze discussie zonder voorwerp. 4.
  21. Appellante, die eerst na het eindvonnis van 8 maart 2008 hoger beroep heeft ingesteld tegen het tussenvonnis van 19 juli 2007, verwijt de eerste rechter thans dat hij in dit vonnis aan gerechtsdeskundige Van Loock onder meer advies heeft gevraagd over een mogelijke alternatieve plaatsing. Dit verwijt is onterecht, nu deze opdracht zonder twijfel was aangewezen, mede gelet op het feit dat in de stedenbouwkundige vergunning zonder meer wordt geponeerd dat in de directe omgeving geen alternatieve constructies voorhanden zijn die als antennedrager kunnen dienst doen. Er is geen enkele grond om de opdracht die aan deze deskundige werd gegeven, te wijzigen of te vernietigen. 4.
  22. Appellante beklaagt er zich over dat de expertiseverrichtingen van gerechtsdeskundige Mommens niet geheel tegensprekelijk zijn verlopen, aangezien zij niet aanwezig was toen de bij zijn verslag gevoegde foto's werden genomen. Volgens haar zouden een aantal foto's van uit een bepaalde hoek zijn genomen, waardoor de foto's op een subjectieve wijze het horizontaal zicht vanuit de woonkamer van de villa zouden weergeven. Los van dit verwijt kunnen de gewraakte foto's (nummers 10, 11, 12 en 13 van het verslag) evenwel buiten beschouwing worden gelaten. De overige foto's van deskundige Mommens, het fotomateriaal, voorgelegd door de partijen zelf, en de technische vaststellingen van de beide gerechtsdeskundigen laten het hof toe zich een objectief beeld te vormen van de (toenmalige) toestand ter plaatse. De door appellante aangehaalde grief is geenszins een voldoende grond om de verrichtingen van deskundige Mommens niet tegenwerpelijk of niet bestaande te verklaren. 4.
  23. Er is evenmin aanleiding om delen van de deskundigenverslagen uit de debatten te weren. Indien appellante van oordeel was dat de deskundigen hun opdracht overschreden, had zij de mogelijkheid zich tot de rechter te wenden teneinde eventuele incidenten te laten beslechten. Zij blijkt echter geen dergelijk initiatief te hebben genomen. Dat de deskundigen in hun verslagen misplaatst en onjuist advies zouden hebben gegeven, is een appreciatie van appellante. Overigens heeft een deskundigenverslag slechts de waarde van een advies en komt het de rechter toe dit advies te evalueren in het licht van de door hem te beoordelen problematiek. 5.
  24. In hoofdorde blijven geïntimeerden voorhouden dat de afgeleverde stedenbouwkundige vergunning onwettig is en als zodanig geen toepassing kan vinden, overeenkomstig artikel 159 van de grondwet. De betekening van het vonnis van 19 juli 2007 door de Stedenbouwkundig Ambtenaar aan geïntimeerden op 3 maart 2008 belet hen alvast geenszins om zich ten aanzien van appellante te blijven beroepen op de onwettigheid van deze vergunning. In tegenstelling tot hetgeen de Stedenbouwkundig Ambtenaar voorhoudt, kan uit dit vonnis trouwens geenszins worden afgeleid dat de eerste rechter zich definitief heeft uitgesproken over de wettigheid van de stedenbouwkundige vergunning. In dit verband wordt enkel overwogen: "De aanvraag werd ingediend door appellante en de procedure lijkt rechtsgeldig gevolgd en daarmede is de rol van de gewone Rechtbanken uitgespeeld". Weliswaar wordt in het vonnis van 3 maart 2008 desbetreffend gesteld: "Door deze beoordeling dient deze Rechtbank thans niet meer terug te komen op het eerder rechtsgeldig bevinden van de administratieve vergunning; hetgeen reeds gezag van gewijsde zou kunnen hebben bekomen ingevolge het tussenvonnis;", maar deze overweging van het (niet-definitief) vonnis van 3 maart 2008, waarmee de eerste rechter een eigen interpretatie geeft aan de overwegingen van het tussenvonnis van 19 juli 2007, maakt precies mede deel uit van het debat in hoger beroep. Bovendien kunnen de overwegingen die in het vonnis van 19 juli 2007 worden gewijd aan de rechtsgeldigheid van de vergunning niet als noodzakelijk worden beschouwd en zijn zij niet onlosmakelijk verbonden met de door de rechter in dit vonnis genomen beslissingen, met name het ontvankelijk verklaren van het derdenverzet van Knokke-Heist, het tenietdoen van het vonnis van 8 september 2006 omwille van de onbevoegdheid van de vrederechter en, vooraleer verder recht te doen, de aanstelling van de twee deskundigen. 5.
  25. Het is verder ook niet relevant dat geïntimeerden geen annulatieberoep hebben ingesteld bij de Raad van State, vooraleer de rechter toepassing te vragen van artikel 159 van de grondwet. Het verhindert hen geenszins zich tot de burgerlijke rechter te wenden teneinde de schending van hun subjectieve rechten door de onwettige vergunning te doen ophouden. 5.
  26. In verband met de motivering van de op 8 april 2005 verleende stedenbouwkundige vergunning dient niet enkel rekening te worden gehouden met de reglementeringen van stedenbouwkundige aard of met de bepalingen omtrent de normering van zendmasten voor elektromagnetische golven, maar tevens met de bepalingen van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Bij nazicht van de stedenbouwkundige vergunning van 8 april 2005 komt het hof tot het besluit dat deze vergunning gebrekkig en onvoldoende is gemotiveerd, zodat moet worden besloten tot de onwettigheid ervan. Het hof komt tot dit besluit op grond van de volgende overwegingen. - De ‘Beoordeling van de goede ruimtelijke ordening' wordt in de vergunning als volgt gemotiveerd: "Het betreft hier enerzijds de vervanging van een bestaande straatverlichtingspaal, deel uitmakend van bestaande lichtinfrastructuur langs bestaande lijninfrastructuur en in ondergeschikte orde het daarop plaatsen van een technische uitrusting voor mobile radiocommunicatie GSM, dat beschouwd wordt als een grensoverschrijdend netwerk van algemeen belang en openbaar nut waarbij een maximale bedekking van het Vlaams gewest wordt nagestreefd. Overwegend dat de inplanting van een dergelijk radioverbindingspunt afhankelijk is van meerdere factoren zoals daar zijn het verzekeren van de continuïteit van mobiele radioverbinding en de verwerfbaarheid van de gronden; dat bovendien, in de mate van het mogelijke, de aansluiting bij bestaande constructie dient betracht, hier meer bepaald de vervanging van een bestaande mast die zowel dienst doet als verlichting voor de wegenis en ondergeschikt als een zendmast voor telecommunicatie; gezien de materiaalkeuze en de hoogte in harmonie is met deze van de bestaande lichtinfrastructuur is de ruimtelijke impact ten opzichte van de aanliggende ruimtelijke entiteiten aanvaardbaar. Gezien de gedeelde functie, zijnde verlichtings-/zendmast, waarbij de zendinstallatie van ondergeschikte aard is tegenover de verlichtingsinfrastructuur (eigen onderlijning door het hof), mag gesteld worden dat deze bijkomende installatie bestemmingsongevoelig is en als puntopstelling bijgevolg qua bestemming voldoet aan de voorschriften van het BPA en niet als een bijkomend ruimtelijk element aanzien wordt". - Uit de gegevens van het dossier, met name de technische vaststellingen in de verslagen van de deskundigen en de foto's van de opgerichte mast met zendinstallatie, blijkt overduidelijk dat deze motivering totaal onjuist is en dat de beschrijving van de mast waarvoor de vergunning wordt verleend, geenszins overeenstemt met de mast zoals deze effectief werd opgericht. Zo moet worden vastgesteld dat een gewone bestaande verlichtingspaal 7 meter hoog is en een diameter heeft van 14,60 centimeter, terwijl de door de appellante opgerichte mast in het totaal (antenne en bliksemafleider inbegrepen) meer dan 11 meter hoog is (verslag Van Loock - pagina 11) en een diameter heeft van 31,50 centimeter. Voor deze (grotere) mast was ook een zwaardere funderingsokkel noodzakelijk (1,40 x 1,40 meter), waardoor de bakstenen tuinmuur en de trap van de villa Lusot trouwens deels dienden te worden afgebroken. Deze technische beschrijving en de foto's leiden tot het besluit dat er in casu hoegenaamd geen sprake is van een ‘verlichtingspaal met een zendinstallatie van ondergeschikte aard', zoals in de vergunning wordt beschreven. In werkelijkheid betreft het integendeel een zendmast die speciaal bestemd was voor de plaatsing van antennes en waarop een (kleine) verlichtingsarmatuur was aangebracht, zoals op de foto's duidelijk is te zien. Het is derhalve de verlichting en niet de zendinstallatie die van louter bijkomstige aard was. - Nopens de mogelijke alternatieven is de motivering van de vergunning beperkt tot de zin: "Er zijn geen alternatieve constructies in de directe omgeving voorhanden die als antennedrager kunnen dienst doen". Los van de discussie over het standpunt dat in dit verband werd ingenomen door deskundige Van Loock, die in zijn verslag schrijft dat diverse alternatieven in aanmerking komen voor de plaatsing van een antenne (hetgeen door appellante met klem wordt betwist), blijkt uit deze summiere motivering hoe dan ook geenszins dat mogelijke alternatieven op een ernstige wijze werden onderzocht. In de conclusies van partijen is in verband met alternatieve inplantingmogelijkheden wel sprake van een Engelstalige studie (getiteld ‘Rollout Knokke, overview'), doch een dergelijk stuk wordt thans niet voorgelegd, terwijl ook niet is aangetoond dat in het kader van de beoordeling van de aanvraag met dit document rekening werd gehouden. - Wat de mogelijke gezondheidsrisico's betreft, luidt de motivering als volgt: "Regelmatig wordt de vrees geuit dat een zendmast de gezondheid van de buurt zal aantasten door de uitgezonden straling. De wereldgezondheidsorganisatie (WHO) heeft normen aanbevolen die 200 strenger zijn dan de effectieve risicogrens. Uit metingen van het BIPT( te consulteren op www.bipt.be) blijkt dat de in België geplaatste GSM-installaties in de praktijk vele malen onder deze normen van de WHO blijven. Op die wijze wordt het voorzorgsprincipe volledig gerespecteerd. De vergunningsverlenende overheid kan er dan ook in alle redelijkheid van uit gaan dat het gezondheidsaspect voldoende onder controle is en het verlenen van een stedenbouwkundige vergunning niet in de weg staat". Een overheid die zich over een dergelijke aanvraag uitspreekt, dient de nadelige gevolgen van het gebruik of van de exploitatie van een installatie op de gezondheid van de omwonenden in overweging te nemen. De loutere verwijzing naar het feit dat de straling onder de internationale normen zal blijven, is geen afdoende motivering inzake de risico's voor de gezondheid van de installatie waarvoor de vergunning wordt gevraagd. Dit is hier des te meer het geval waar blijkt dat de gsm-mast in de directe omgeving van de villa Lusot zou worden ingeplant en de antennes op nauwelijks enkele meters van de leef- en slaapruimtes van de villa Lusot zouden worden opgesteld. Bovendien was op het ogenblik van het verlenen van de vergunning (3 april 2005) het Koninklijk Besluit van 29 april 2001 houdende de normering van zendmasten voor elektromagnetische golven tussen 10 MHz en 10 GHz, reeds vernietigd bij arrest van de Raad van State van 15 december 2004, terwijl het nieuwe inrichtingsbesluit pas op 10 augustus 2005 zou worden genomen. Het gebrek aan normering op dat ogenblik was voor de vergunningverlenende overheid een reden te meer om het gezondheidsrisico dat van de gsm-mast uitging, in concreto na te gaan. Een dergelijk onderzoek blijkt niet te zijn uitgevoerd. Op grond van de voorgaande vaststellingen dient te worden besloten dat de stedenbouwkundige vergunning van 3 maart 2005, op grond waarvan de mast met zendinstallatie werd opgericht, gebrekkig en onvolledig is gemotiveerd en als zodanig onwettig is.
  27. De technische beschrijving van de mast in de verslagen van de deskundigen en de voorgelegde foto's laten het hof toe zich een objectief beeld te vormen van de toestand zoals deze was toen de gsm-mast door appellante was geplaatst. Het lijdt niet de minste twijfel dat deze mast het zeezicht waarvan men vanuit de villa Lusot genoot, beperkte en aldus een visuele hinder vormde die voordien niet bestond. Los van de discussie over het door deskundige Mommens voorgesteld bedrag, staat het bovendien vast dat er, door de aanwezigheid van de gsm-mast, sprake was van een ernstige waardevermindering van de eigendom van geïntimeerden. In deze omstandigheden moet worden besloten dat, gelet op de onwettigheid van de verleende vergunning, door de instandhouding van de door appellante geplaatste mast (hetgeen in haar hoofde een quasi-delictuele fout uitmaakt), de subjectieve rechten van geïntimeerden werden geschonden. Waar aldus fout en schade, alsmede het causaal verband tussen beide, vaststaan, is het hof van oordeel dat de enige adequate wijze om deze schade te herstellen, bestond in het wegnemen van de mast. De door de eerste rechter (zij het op andere gronden) genomen maatregel dient dan ook te worden bevestigd. Gelet op hetgeen voorafgaat dient niet te worden ingegaan op de vraag of tevens burenhinder dient te worden weerhouden, overeenkomstig artikel 544 van het burgerlijk wetboek, en welke de sancties zijn die daar mogelijks kunnen aan verbonden zijn.
  28. Tussen geïntimeerden en Knokke-Heist blijft betwisting bestaan over de ontvankelijkheid van het derdenverzet. Niets staat de ontvankelijkheid van dit derdenverzet in de weg, aangezien Knokke-Heist, gelet op haar contractuele relatie met appellante, blijkt geeft van het vereiste belang. Dienvolgens moet ook op dit punt het vonnis van 19 juli 2007 worden bevestigd. Ten gronde sluiten zowel Knokke-Heist als de Stedenbouwkundig Ambtenaar zich aan bij appellante en vragen zij de afwijzing van de vordering van geïntimeerden. Zoals uit de voorgaande overwegingen blijkt, dient het hoger beroep van appellante echter als ongegrond te worden afgewezen. Besluit: de bestreden vonnissen dienen te worden bevestigd; voor wat betreft het vonnis van 3 maart 2008, dat de verwijdering van de gsm-mast beveelt, gebeurt dit deels op andere gronden en met dien verstande dat de vordering tot het opleggen van een dwangsom thans zonder voorwerp is.
  29. In de mate dat de eerste rechter over bepaalde punten geen uitspraak heeft gedaan, dient het hof de zaak tot zich te trekken, overeenkomstig artikel 1068 van het gerechtelijk wetboek. Van een terugzending naar de eerste rechter, zoals door Knokke-Heist in ondergeschikte orde gesuggereerd, kan geen sprake zijn. Wat de gedingskosten betreft, heeft de eerste rechter appellante veroordeeld tot een provisioneel bedrag van euro 25.000,
  30. Als in het ongelijk gestelde partij dient appellante in te staan voor de gedingkosten gevallen aan de zijde van geïntimeerden. Deze dienen te worden begroot, rekening houdend met de omstandigheid dat de procedure in eerste aanleg werd beslecht door het vonnis van de rechtbank van koophandel van 3 maart
  31. Alle partijen menen dat een verhoging van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding zich opdringt, gelet op de complexiteit van de zaak. Er kan inderdaad worden aangenomen dat, wat het geschil tussen appellante en geïntimeerden betreft, het dossier ingewikkelder is dan een gemiddelde zaak, zodat hiermee rekening dient te worden gehouden bij de begroting van de rechtsplegingsvergoeding. Waar de vordering van geïntimeerden een niet in geld waardeerbare vordering betreft en het basisbedrag derhalve euro 1.200,00 bedraagt, kan in casu de rechtsplegingsvergoeding ten laste van appellante worden begroot op euro 3.000,
  32. De stad Knokke-Heist en de Stedenbouwkundig Ambtenaar dienen in te staan voor hun eigen kosten wat de procedure in eerste aanleg betreft. Aangezien zij door appellante bij het hoger beroep werden betrokken, zonder dat tegen hen enige vordering werd gesteld, dient appellante de kosten van de beroepsinstantie te dragen wat deze partijen betreft. Zij zijn evenwel slechts zijdelings bij het geschil betrokken geweest, zodat in hun hoofde geen sprake is van een bijzonder complexe zaak die een afwijking van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding zou rechtvaardigen. Geïntimeerden dienen tenslotte zelf in te staan voor de kosten van de dagvaarding in tussenkomst en vrijwaring van de stad Knokke-Heist en de Stedenbouwkundig Ambtenaar. De kosten van hun technisch raadsman kunnen niet ten laste gelegd worden van appellante. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Verklaart de hogere beroepen toelaatbaar, het hoofdberoep van appellante ongegrond en de incidentele beroepen in de hierna volgende mate gegrond. Bevestigt het vonnis van 19 juli
  33. Bevestigt het vonnis van 3 maart 2008 waar het appellante veroordeelt tot het wegnemen van de gewraakte gsm-mast, alsook tot herstel van de eigendom van geïntimeerden in de voorafgaande bestaande toestand, en stelt vast dat de vordering tot het opleggen van een dwangsom of tot machtiging voor geïntimeerden om zelf over te gaan tot uitvoering van de werken thans zonder voorwerp is. Doet dit vonnis voor het overige teniet en opnieuw wijzende: Verwijst appellante in de kosten van het geding, die aan haar zijde niet dienen te worden begroot daar zij haar ten laste blijven, en aan de zijde van geïntimeerden vereffend worden op euro 195,31 kosten dagvaarding, euro 22.027,87 (deskundigenonderzoek Van Loock), euro 3.707,44 (deskundigenonderzoek Mommens), euro 3.000,00 rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en euro 3.000,00 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Zegt dat de stad Knokke-Heist en de Stedenbouwkundig Ambtenaar hun eigen kosten zullen dragen wat de procedure in eerste aanleg betreft, en verwijst appellante in de kosten van de beroepsinstantie aan de zijde van de stad Knokke-Heist en de Stedenbouwkundig Ambtenaar, in hoofde van ieder van hen begroot op euro 1.200,
  34. Aldus gewezen door de EERSTE KAMER van het hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken, samengesteld uit: D. FLOREN, raadsheer-wnd. voorzitter, B. WYLLEMAN, raadsheer, L. TAVERNIER, raadsheer, en uitgesproken door de raadsheer-wnd. voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op ACHT OKTOBER TWEEDUIZEND EN NEGEN, bijgestaan door D. VAN DEN DRIESSCHE, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.