← België

ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20091012.10

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 12 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20091012.10 Rolnummer: 2007/AR/3105 Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2009-12-14 Raadplegingen: 95 - laatst gezien 2026-07-02 20:23 Fiche Bij de splitsing van een vennootschap heeft er een vereffening zonder ontbinding plaats van de gesplitste vennootschap, die van rechtswege ophoudt te bestaan. Een ontbonden vennootschap, die van rechtswege ophoudt te bestaan, heeft niet (meer) de vereiste hoedanigheid om nog in rechte op te treden. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VENNOOTSCHAPPEN - Vennootschappen met rechtspersoonlijkheid: gemeenschappelijke bepalingen - Ontbinding Vrije woorden: Vennootschap - ontbinding - hoedanigheid om in rechte op te treden Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 7 de BIS Kamer ________ Terechtzitting van 12-10 2009 Nr. 2007/AR/3105 ------------------------ in de zaak van :

  1. N.V. EXPORTSLACHTHUIS DE COSTER, met maatschappelijke zetel te 8755 Ruislede, Bruggestraat 140A en met ondernemingsnummer 0456.991.942,
  2. N.V. IMMODECO, met maatschappelijke zetel te 8755 Ruislede, Bruggestraat 82 en met ondernemingsnummer 0456.955.122,
  3. wijlen G. D. C., in leven bestuurder en wonende te ......................., overleden op 10.09.2008, voor wie het geding hervat werd door : 3a. M. D. N., wonende te .................................., 3b. I. D. C., wonende te ...................................., 3c. J. D. C., wonende te ...................................., 3d. I. D.C., wonende te ....................................., appellanten, hebbende als raadsman mr. Philip Vancaeneghem, advocaat met kantoor te 9000 Gent, Twaalfkameren 17, tegen A. D., bediende, wonende te ...................................., geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. Jozef Lievens, advocaat met kantoor te 8500 Kortrijk, President Kennedypark 37, velt het Hof volgend arrest : Partijen werden gehoord ter openbare terechtzitting in hun middelen en conclusies, alsook werden de stukken ingezien.
  4. Bij verzoekschrift, neergelegd op 28 december 2007, hebben appellanten hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen van resp. 26 september 2006 en 6 november 2007 op tegenspraak gewezen door de 2de kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk (AR. 05/27/A). Een exploot van betekening ligt niet voor. Feiten en procedure in eerste aanleg
  5. Op 22 november 1994 hebben de NV EXPORTSLACHTHUIS DE COSTER (KBO 0406.062.388) en G. D. C. hun 5800 aandelen in de NV ABI overgedragen aan de BVBA STOBO en A. D. (hierna: "geïntimeerde"). De BVBA STOBO werd reeds in 1995 ontbonden en vereffend. Bij de overname had de NV ABI bij vonnissen van resp. 19 september 1994 en 10 oktober 1994 van de rechtbank van koophandel te Kortrijk veroordeling bekomen lastens de NV CHEVIDECO wegens openstaande facturen voor de levering van vleeswaren. De NV CHEVIDECO had hier-tegen hoger beroep aangetekend, zodat de waarde van deze schuld-vorderingen niet vaststond bij de waardering van de aandelen van de NV ABI. In artikel 4 van een aanvullende overeenkomst van 14 februari 1995 tussen voormelde partijen werd bedongen: "Partij A maakt zich sterk dat de NV ABI alle bedragen, die aan haar zouden worden betaald uit hoofde van de procedure tegen CHEVIDECO, aan partij B zal overmaken, in voorkomend geval onder aftrek van de kosten die de NV ABI in het kader van voormelde procedure heeft gespendeerd. Er wordt nochtans uitdrukkelijk overeengekomen dat alle erelonen en kosten m.b.t. de procedure uitsluitend door partij A zullen worden voorgeschoten en gedragen". Bij vonnis van 15 juli 1996 werd de NV ABI (waarvan de maatschappe-lijke benaming inmiddels was gewijzigd in NV BARCA MEAT PRODUCTS) failliet verklaard. De curatoren hebben het geding tegen de NV CHEVIDECO hervat. De NV EXPORTSLACHTHUIS DE COSTER (KBO 0406.062.388) en G. D. C. interpreteerden voormeld artikel 4 als een overdracht van schuldvordering met beding van naamlening in de procedure tegen de NV CHEVIDECO, die bij bevestiging door het Hof van Beroep te Gent van haar schulden zou moeten betalen aan hen, als overdragers van de aan-delen. Volgens hen werd er bij de waardering van de aandelen van de NV ABI géén rekening gehouden met de tegoeden op de NV CHEVIDECO en was de bedoeling van partijen dat zij hiervan de netto-opbrengst zouden opstrijken. Bij dagvaarding, betekend op 27 december 2004, vorderden de NV EXPORTSLACHTHUIS DE COSTER (KBO 0406.062.388) en G.D. C. lastens A. D., overnemer destijds van de aandelen en huidige geïntimeerde, betaling van 1,00 EUR provisie op een geschat bedrag van 75.000,00 EUR, aan te passen lopende het geding, méér de kosten. Bij conclusie, neergelegd op 31 augustus 2005, werd deze vordering gepreciseerd:

(1)veroordeling van geïntimeerde tot betaling van 151.721,34 EUR schadevergoeding, méér de gerechtelijke rente ;
(2)voorbehoud te verlenen voor de betaling van 37.184,03 EUR, méér de wettelijke rente vanaf 9 februari 1995, méér de gerechtelijke rente ;
(3)in subsidiaire orde: te zeggen voor recht dat geïntimeerde - voor het onderdeel "CHEVIDECO" - gehouden is tot betaling van hetzelfde bedrag als de NV CHEVIDECO in uitvoering van het arrest van het Hof van Beroep te Gent van 31 januari 2005 heeft betaald aan het faillissement van de NV ABI en dat de zaak voor exacte begroting naar de bijzondere rol wordt verwezen ;
(4)veroordeling van geïntimeerde tot de gedingkosten. Bij akte, neergelegd op 31 augustus 2005, hebben de NV EXPORT-SLACHTHUIS DE COSTER (KBO 0456.991.942) en de NV IMMODECO vrijwillig het geding hervat i.p.v. de NV EXPORT-SLACHTHUIS DE COSTER (KBO 0406.062.388). Ze vorderden dat, voor zover de rechtbank zou oordelen dat de gevorderde bedragen niet meer kunnen worden toegekend aan laatstgenoemde, deze zouden worden toegekend aan:
(1)in hoofdorde: de NV IMMODECO - hierna: "tweede appellante" - ;
(2)subsidiair: de NV EXPORTSLACHTHUIS DE COSTER (KBO 0456.991.942) - hierna: "eerste appellante" - ;
(3)meest subsidiair: aan elk van deze, beiden volgens het aandeel dat de rechtbank zal bepalen. Bij tussenvonnis van 26 september 2006 oordeelde de eerste rechter: - verklaart de gedinghervatting door de NV EXPORTSLACHTHUIS DE COSTER (KBO 0456.991.942) en de NV IMMODECO ontoelaatbaar en stelt deze partijen buiten zake ; - verklaart de vordering, in zoverre zij uitgaat van de NV EXPORT-SLACHTHUIS DE COSTER (KBO 0406.062.388) ontoelaatbaar en stelt deze partij buiten zake ; - verklaart de vordering, in zoverre zij uitgaat van G. D. C., toelaatbaar ; - vooraleer definitief te beslissen, heropent de debatten, om partijen toe te laten te verduidelijken of de NV CHEVIDECO reeds is overgegaan tot uitvoering van de betalingen waartoe zij jegens de gefailleerde NV BARCA MEAT PRODUCTS (voorheen: de NV ABI) is gehouden ingevolge het arrest van 31 januari 2005 ; - houdt de gedingkosten aan. Bij eindvonnis van 6 november 2007 verklaarde de eerste rechter de vordering van G. D.C. ongegrond en veroordeelde hem tot de gedingkosten. Procedure in hoger beroep
  1. Voor de uiteenzetting van de middelen en argumenten van partijen in hoger beroep, wordt verwezen naar de beroepsakte en hun conclusies in hoger beroep. Hangende de beroepsprocedure is op 10 september 2008 derde appellant G. D. C. overleden. Bij akte, neergelegd op 23 januari 2009, hervatten zijn erfgenamen het geding. Het betreft M. D. N., I. D. C., J. D. C. en I. D. C. Beoordeling
  2. De initiële vordering, voor zoverre deze werd ingesteld door de NV EXPORTSLACHTHUIS DE COSTER (KBO 0406.062.388) werd door de eerste rechter terecht als ontoelaatbaar afgewezen. Reeds op 27 december 1995 had deze vennootschap opgehouden te be-staan ingevolge een akte van splitsing, verleden voor notaris F. Verhaeghe te Ruiselede (zie bijlagen bij Belgisch Staatsblad van 24 januari 1996 - stuk 40 geïntimeerde). Sinds de wet van 29 juni 1993 heeft er bij de splitsing van een vennoot-schap een ontbinding zonder vereffening plaats van de gesplitste vennootschap, die van rechtswege ophoudt te bestaan (art. 174/38 §1, 1° Venn.W., thans hernomen in art. 682, 1° W.Venn.) Deze onbestaande rechtspersoon kon op 27 december 2004 (9 jaar later) géén vordering in rechte meer instellen. Een proceshandeling stellen veronderstelt een geldige wilsuiting (Cass., 5 februari 1998, R.W. 1998-1999, 40) en de vereiste hoedanigheid om een rechtsvordering in te stellen (art. 17 Ger.W.). Een ontbonden vennootschap, die van rechtswege ophoudt te bestaan, heeft niet (meer) de vereiste hoedanigheid om nog in rechte op te treden (Cass., 9 februari 2000, T.B.H. 2000, 327).
  3. Bij akte, neergelegd op 31 augustus 2005, hebben de NV EXPORTSLACHTHUIS DE COSTER (KBO 0456.991.942) en de NV IMMODECO voor de eerste rechter het geding hervat voor de NV EXPORTSLACHTHUIS DE COSTER (KBO 0406.062.388). Terecht heeft de eerste rechter deze gedinghervatting als ontoelaatbaar afgewezen, verwijzende naar art. 815 Ger.W. Het hervatten van een geding is slechts toelaatbaar in geval van overlijden, verandering van staat of wijziging van hoedanigheid van een procespartij, m.a.w. bij gebeurtenissen die zich tijdens het geding voordoen. De NV EXPORTSLACHTHUIS DE COSTER (KBO 0406.062.388) heeft haar rechtspersoonlijkheid niet verloren lopende het geding, doch was reeds onbestaande sinds 27 december
  4. De NV EXPORTSLACHTHUIS DE COSTER (KBO 0456.991.942) en de NV IMMODECO hadden in eigen naam moeten dagvaarden. Dit brengt mede dat hun hoger beroep eveneens ontoelaatbaar voorkomt.
  5. In de beroepsakte, neergelegd op 28 december 2007, wordt expliciet gesteld dat er hoger beroep wordt aangetekend "tegen de vonnissen d.d. 26.09.2006 en 06.11.2007" (blz. 1). Dat het tweede vonnis van 6 november 2007 kracht van gewijsde zou hebben gekregen omdat het hoger beroep zich beperkt tot het eerste vonnis van 26 september 2006, is der-halve onjuist. Het hoger beroep van G. D.C. is toelaatbaar.
  6. In artikel 4 van een aanvullende overeenkomst van 14 februari 1995 werd bedongen: "Partij A maakt zich sterk dat de NV ABI alle bedragen, die aan haar zouden worden betaald uit hoofde van de procedure tegen CHEVIDECO, aan partij B zal overmaken, in voorkomend geval onder aftrek van de kosten die de NV ABI in het kader van voormelde procedure heeft gespendeerd. Er wordt nochtans uitdrukkelijk overeengekomen dat alle erelonen en kosten m.b.t. de procedure uitsluitend door partij A zullen worden voorgeschoten en gedragen". Het is duidelijk dat oorspronkelijke eiser G. D.C. in bovenstaande clausule onder "partij B" als (mede-) begunstigde werd bedoeld, zodat hij belang had bij zijn initiële vordering, die aldus ontvankelijk is.
  7. De oorspronkelijke vordering van G. D. C., ingesteld bij dagvaarding betekend op 27 december 2004, was niet verjaard. Deze vordering is gebaseerd op artikel 1120 B.W., nl. een contractuele verbintenis, zodat ze valt onder de 10-jarige verjaringstermijn van art. 2262 bis §1, 1° B.W. Art. 2262 bis B.W. werd ingevoerd bij wet van 10 juni 1998, die op 27 juli 1998 in werking is getreden. Vóór de inwerkingtreding van deze wet, verjaarde de betrokken vordering door verloop van 30 jaar. Art. 10 van de wet van 10 juni 1998 bepaalt: "Wanneer de rechtsvordering is ontstaan vóór de inwerkingtreding van deze wet, beginnen de nieuwe verjaringstermijnen waarin zij voorziet te lopen vanaf haar inwerkingtreding...". De vordering van G. D. C. is ontstaan op 14 februari
  8. Bij dagvaarding op 27 december 2004 was er nog géén 10 jaar verstreken sinds 27 juli 1998, zodat de vordering niet verjaard was.
  9. In artikel 4 van de overeenkomst van 14 februari 1995 werd bedongen: "Partij A maakt zich sterk dat de NV ABI alle bedragen, die aan haar zouden worden betaald uit hoofde van de procedure tegen CHEVIDECO, aan partij B zal overmaken..." Dit betreft een expliciete sterkmaking in de zin van art. 1120 B.W.: "Niettemin kan men zich sterk maken voor een derde, door te beloven dat deze iets doen zal ; behoudens schadevergoeding ten laste van hem die zich heeft sterk gemaakt of die beloofd heeft de verbintenis te zullen doen bekrachtigen, indien de derde weigert ze na te komen." Het is een zuivere sterkmaking én géén borgstelling. Dit werd reeds bevestigd in het arrest van het Hof van Beroep te Gent van 31 januari 2005 (beroepsprocedure tegen NV CHEVIDECO - stuk 38 geïntimeerde). Geïntimeerde (overnemer van de aandelen) maakte zich sterk voor het opnemen van de éénzijdige verbintenis door de NV ABI om de nog te ontvangen betalingen vanwege schuldenaar NV CHEVIDECO niet zelf te behouden, maar deze gelden over te maken aan o.a. G. D. C. (overlater van de aandelen), gezien de schuldvordering op NV CHEVIDECO (ingevolge hangende procedures) buiten de prijsbepaling van de aandelen was gebleven. Een sterkmaker verbindt zich er enkel toe dat de derde een verbintenis tegenover de wederpartij zal opnemen, maar waarborgt niet dat de verbintenis door deze derde ook zal worden uitgevoerd. De sterkmaker is bevrijd vanaf het ogenblik dat de derde het engagement heeft opgenomen. De sterkmaker garandeert evenmin de solvabiliteit van de derde. Sterkmaking is immers géén borg.
  10. Uit de stukken blijkt dat de NV ABI destijds deze eenzijdige verbintenis op zich heeft genomen. Zelfs de raadsman van appellanten heeft dit bevestigd aan de curator mr. Herman WILLAERT: - "Door de sterkmaking hebben de aandeelhouders gewoon beloofd dat de derde "ABI" zich zou verbinden. Inmiddels werd deze sterkmaking reeds perfect gehonoreerd door ABI vermits voornoemde in uitvoering van de verbintenis waarvoor betrokkenen zich sterkmaakten het ten onrechte ontvangen bedrag van 1.150.000 F. hebben teruggestort in tempore non suspecto." (brief van 16 september 1996 - stuk 25 geïntimeerde). - "Ik laat uw zgn. argumenten m.b.t. de betaling van de geldsom niet onbeantwoord. U wil mij blijkbaar opzettelijk niet begrijpen. Ik herhaal nogmaals dat de betaling van de geldsom kadert in de honorering van de sterkmaking van de aandeelhouders en bestuurders voor huidige gefailleerde." (brief van 8 oktober 1996 - stuk 29 geïntimeerde). Ook reeds volgens een brief van 5 september 1995 van de raadsman van de partijen die op 27 december 2004 hadden gedagvaard (mr. Vergauwe), gericht aan de NV ABI, was er een overeenkomst gesloten om de gelden die de NV ABI had ontvangen van mr. Vancaeneghem als voorschot in de zaak CHEVIDECO/ABI ten bedrage van 1.150.000 BEF te storten op een geblokkeerde bankrekening ten titel van kantonnement, teneinde dit vrij te geven bij definitieve uitspraak in voormelde zaak door het Hof van Beroep te Gent (stuk 7 t.e.m.18 geïntimeerde). Dit minnelijk kantonnement werd uitgevoerd. Geïntimeerde stelt terecht dat dergelijk kantonnement als voorwaardelijke betaling geldt en de schuldenaar definitief bevrijdt van zodra de voor-waarde zich realiseert (zie ook Cass., 2 februari 2007, www.cass.be ; Cass., 9 november 1990, R.W. 1991-1992, 535). De NV ABI heeft in 1995 deze verbintenis bijgevolg grotendeels zelfs reeds uitgevoerd, nl. voor 1.150.000 BEF (= 28.507,76 EUR) - zie stukken 25, 29 en 37 geïntimeerde. Er wordt niet betwist dat appellanten deze gelden ontvingen vóór het faillissement van de NV ABI (zie bevestiging curator - stuk 42 geïntimeerden).
  11. De NV ABI heeft zich er destijds toe verbonden om de door haar (te) ontvangen gelden vanwege de NV CHEVIDECO over te maken aan o.a. G. D. C., nl. het voorwerp van sterkmaking door geïntimeerde. De sterkmakingsverbintenis in hoofde van o.a. geïntimeerde werd volledig en correct uitgevoerd. Na het arrest van het Hof van Beroep te Gent van 31 januari 2005 (stuk 38 geïntimeerde) heeft de NV CHEVIDECO nog het door haar finaal verschuldigde saldo van 47.764,08 EUR - ingevolge een bij ING gestelde bankwaarborg - betaald op resp. 21 maart 2005 en 6 april 2005 aan de curator van de NV ABI (BARCA MEAT PRODUCTS). Dit faillissement werd gesloten door vereffening op 25 april 2006 (stuk 42 geïntimeerde). Geïntimeerde staat als sterkmaker echter niet in voor de (volledige) uitvoering van de door de gefailleerde destijds opgenomen verbintenis, zoals de eerste rechter terecht heeft geoordeeld. Het hoger beroep komt bijgevolg ongegrond voor.
  12. Huidige zaak is onvoldoende complex om hiervoor af te wijken van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding. OM D E Z E R E D E N E N H E T H O F: Rechtdoende op tegenspraak ; Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken ; Verleent akte van gedinghervatting aan M. D. N., I. D. C., J. D. C. en I. D. C. voor wijlen derde appellant ; Verklaart het hoger beroep, ingesteld door de NV EXPORTSLACHTHUIS DE COSTER (KBO 0456.991.942) en de NV IMMODECO ontoelaat-baar; Verklaart het hoger beroep, ingesteld door G. D. C. met voormelde gedinghervatting, toelaatbaar, doch ongegrond ; Bevestigt de bestreden vonnissen ; Veroordeelt appellanten tot de gedingkosten van de beroepsprocedure, in hoofde van geïntimeerde vereffend op 2.500,00 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep ; Aldus gewezen door de zevende bis kamer van het Hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken samengesteld uit Frank Deschoolmeester, alleenrechtsprekend raadsheer bijgestaan door Achiel Ferdinande, griffier en uitgesproken door de alleenrechtsprekend raadsheer in openbare terechtzitting op twaalf oktober tweeduizend en negen. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.