← België

ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20091012.9

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 12 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20091012.9 Rolnummer: 2008/AR/649 Rechtsgebied: Insolventierecht Invoerdatum: 2009-12-14 Raadplegingen: 88 - laatst gezien 2026-07-02 20:23 Fiche Afwijzing van de vordering: appellante toont niet aan dat juist de vernietigde documenten in haar voordeel nuttig bewijs konden inhouden van de beweerde contractuele inbreuken. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INSOLVENTIE - Faillissement Vrije woorden: Faillissement - aansprakelijkheid curator - het niet voorhanden hebben van de boekhouding als bewijsmiddel (voor omzetvergelijking). Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 7 de BIS Kamer ________ Terechtzitting van 12-10 2009 Nr. 2008/AR/649 ---------------------- in de zaak van : A. D., wonende te ..............................................., appellante, hebbende als raadsman mr. Gregor Keppens, advocaat met kantoor te 9200 Dendermonde, Franz Courtensstraat 2, tegen S. V. E., advocaat, wonende te ..................................., geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. Hans Spriet, advocaat met kantoor te 8000 Brugge, Maria van Bourgondiëlaan 29 bus 8, velt het Hof volgend arrest : Partijen werden gehoord ter openbare terechtzitting in hun middelen en conclusies, alsook werden de stukken ingezien.

  1. Bij verzoekschrift, neergelegd op 5 maart 2008, heeft appellante hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 25 oktober 2007 op tegenspraak gewezen door de 2de kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent (AR. 06/2143/A). Een exploot van betekening ligt niet voor. Feiten en procedure in eerste aanleg
  2. A. D. (hierna: "appellante") kocht op 15 november 1994 voor de som van 2.200.000 BEF vanwege D. V. D. H. zijn 750 aandelen van de BVBA DEGA PLUS (met als activiteit het aantrekken van publiciteit in vakbladen) en werd zaakvoerster van deze vennootschap. Enige tijd later klaagde appellante er over dat de overdrager van de aandelen zijn informatieplicht o.a. inzake de schuldenlast van de vennootschap niet was nagekomen, alsook zelf inbreuk pleegde op het concurrentieverbod. Op 11 mei 1995 dagvaardde appellante lastens D. V. D. H. in het bekomen van schadevergoeding. Bij verstekvonnis van 19 september 1995 kende de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde haar een bedrag toe van 677.780 BEF (= 16.801,73 EUR). Bij dagvaarding, betekend op 16 januari 1996, tekende D. V. D. H. verzet aan tegen dit verstekvonnis. Bij conclusie, neergelegd op 6 januari 1997, breidde appellante haar vordering uit tot het bekomen van 2.720.199 BEF (= 67.431,97 EUR). Bij vonnis van 7 augustus 1997 verklaarde de rechtbank van koophandel te Gent de BVBA DEGA PLUS failliet, waarbij mr. S. V. E. (hierna: "geïntimeerde") als curator werd aangesteld. Op verzet en bij vonnis van 12 mei 1998 bevestigde de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde het verstekvonnis van 19 september
  3. Bij verzoekschrift, neergelegd op 15 september 1998, tekende D. V. D. H. hoger beroep aan tegen het vonnis van 12 mei
  4. Bij incidenteel hoger beroep vorderde appellante een definitieve schade-vergoeding van 37.184,03 EUR, méér de intresten. Bij tussenarrest van 23 april 2002 vroeg het Hof van Beroep te Gent (17e kamer) voorlegging van vennootschapsdocumenten en boekhoudkundige stukken m.b.t. de periode van oktober 1993 tot februari 1995 (1998/AR/2063). Bij eindarrest van 22 oktober 2003 verklaarde het Hof van Beroep te Gent (13e kamer) het hoger beroep van D. V. D. H. gegrond. Het vonnis a quo werd hervormd en de initiële vordering van appellante werd afgewezen. Bij vonnis van 7 april 2005 werd het faillissement van de BVBA DEGA PLUS gesloten en werd appellante als vereffenaar aangesteld. Appellante stelt dat de curator van de BVBA DEGA PLUS, destijds als bewaarder van de stukken van de gefailleerde, een professionele fout beging door op 13 juli 2001 de boekhouding (die zich bij een externe bewaarder bevond) te laten vernietigen. Ze stelt geïntimeerde ver-antwoordelijk voor het finaal afwijzen van haar vordering en de daaruit voortvloeiende schade. Bij dagvaarding, betekend op 13 juni 2006, vorderde appellante betaling lastens geïntimeerde van een schadevergoeding van 16.801,73 EUR, méér de moratoire rente vanaf 22 oktober 2003, méér de gerechtelijke rente tot betaling, méér de gedingkosten. Gelet op het tussenvonnis van 1 maart 2007 ; Bij eindvonnis a quo van 25 oktober 2007 werd de vordering ontvankelijk, doch ongegrond verklaard. Appellante werd tot de gedingkosten veroordeeld. Procedure in hoger beroep
  5. Voor de uiteenzetting van de middelen en argumenten van partijen in hoger beroep, wordt verwezen naar de beroepsakte en hun conclusies in hoger beroep. Beoordeling
  6. Het eindarrest van 22 oktober 2003 van het Hof van Beroep te Gent (13e kamer) heeft inmiddels kracht van gewijsde. Het Hof oordeelde o.a.: "Tweede geïntimeerde q.q. (= S. V. E. q.q.) deelt aan het Hof mee dat in 2001 beslist werd de boekhouding van de in staat van faillissement verklaarde vennootschap BVBA DEGA PLUS te vernietigen. De boekhouding bevond zich volgens tweede geïntimeerde q.q. bij een externe bewaarder. Volgens tweede geïntimeerde q.q. stonden de kosten die aan de bewaargeving waren verbonden niet in verhouding met het in 2001 gerealiseerd actief, en bestond er voorts geen directe noodzaak meer tot het verder bewaren van de boekhouding van de failliete vennootschap. Die door tweede geïntimeerde q.q. aangehaalde motieven overtuigen niet. Immers, in de appelakte die op 15 september 1998 werd neergelegd en aan eerstgenoemde werd aangezegd, werd door appellant (= D. V. D. H.) subsidiair de toepassing gevorderd van het artikel 877 Ger.W., méér bepaald de voorlegging van alle briefwisseling, dossiers en boek-houdkundige stukken van de vennootschap. Daarenboven vorderde tweede geïntimeerde q.q. in zijn op 22 september 2000 neergelegde appelconclusies bij incidenteel beroep de veroordeling van appellant tot het betalen van 24.789,35 EUR, méér de gerechtelijke rente. Door toedoen van tweede geïntimeerde q.q. worden appellants rechten van verdediging evenwel onomkeerbaar geschaad. ...... Appellant verwijst naar vennootschapsdocumenten waaruit volgens hem moet blijken dat eerste geïntimeerde (= A. D.) tengevolge van haar administratieve taken en werkzaamheden in de schoot van de vennootschap perfect op de hoogte was van de werkelijke toestand. Zoals hierboven vermeld werden echter alle vennootschapsdocumenten in op-dracht van de curator vernietigd. Ook hier is er een manifeste schending van het recht van verdediging in hoofde van appellant." (onderlijning door het Hof) Dat de vernietiging van stukken - hangende voormelde beroepsprocedure waarin de curator overigens zelf als partij q.q. optrad - foutief was, werd derhalve reeds in kracht van gewijsde geoordeeld.
  7. Naast het foutief handelen van de curator, moet appellante ook het causaal verband aantonen met de door haar beweerde schade (zijnde de financiële gevolgen van het definitief afwijzen van haar vordering lastens D. V.D. H.). M.a.w. had het Hof van Beroep te Gent (procedure 1998/AR/2063) aan appellante de door haar lastens D. V. D. H. gevorderde schadevergoeding toegekend indien de betrokken (vernietigde) stukken wel bewaard waren gebleven ? Wat was de kans op slagen en de economische waarde ervan ? Er moet zekerheid bestaan dat de situatie in hoofde van appellante, indien de fout niet was begaan, voor haar gunstiger ware geweest, dan de situatie welke zich (met de fout) thans heeft voorgedaan (cfr. het leerstuk van het kansverlies: Cass., 1 april 2004, R.W. 2004-2005, 106). 5.
  8. De overname-overeenkomst werd op 15 november 1994 opgesteld door de externe boekhouder van de BVBA DEGA PLUS, nl. de BVBA VERVECKEN & PARTNERS. Appellante deed volgens de andere partijen reeds vanaf oktober 1993 de administratie van de BVBA DEGA PLUS. In het tussenarrest van 23 april 2002 (stuk 5 appellante) beval het Hof van Beroep te Gent bij toepassing van art. 877 Ger.W. voorlegging van volgende stukken (waarvan de finaliteit belangrijk is): -

(1)alle vennootschapsdocumenten, met inbegrip van de boekhouding, m.b.t. de periode oktober 1993 tot november 1994 ; Dit gebeurde om te kunnen nagaan of huidige appellante in deze periode reeds administratief en/of boekhoudkundig werk uitvoerde in de BVBA DEGA PLUS waardoor zijzelf op de hoogte kon zijn van de hangende procedures (en dus wel voldoende was geïnformeerd). -
(2)alle nodige stukken om toe te laten de omzetten te vergelijken tussen de periodes november tot februari 1994 én november tot februari 1995 (de eerste 4 maanden nà de overname) ; Dit gebeurde om na te gaan welke schade de inbreuk op het concurrentie-verbod door de overnemer zou hebben meegebracht. 5.2. Het gevolg van het niet kunnen voorleggen voor de gevraagde stukken blijkt uit het eindarrest van 22 oktober 2003 (stuk 7 appellante): -
(1)alle vennootschapsdocumenten, met inbegrip van de boekhouding, m.b.t. de periode oktober 1993 tot november 1994 ; Hierdoor slaagde "appellant" (= D. V. D. H.) niet in de bewijslast van zijn bewering dat "eerste geïntimeerde" (= A. D.) vóór de overname van de 750 aandelen reeds administratief en/of boekhoudkundig werk uitvoerde in de BVBA DEGA PLUS waardoor zijzelf op de hoogte was van de hangende procedures. Dus was D. V. D. H. geschaad in zijn rechten, vermits de bewijzen voor zijn stelling (die in het nadeel van A. D. was) ontbraken. Ware D. V. D. H. geslaagd in zijn bewijslast via de betrokken stukken, dan kon appellante zich niet beroepen op het verzwijgen van passiva bij de aandelenoverdracht, zodat haar vordering tot het bekomen van schadevergoeding wellicht (eveneens, doch op andere gronden) zou zijn afgewezen. -
(2)alle nodige stukken om toe te laten de omzetten te vergelijken tussen de periodes november tot februari 1994 én november tot februari 1995 (de eerste 4 maanden nà de overname) ; Hierdoor slaagde "tweede geïntimeerde q.q." (= S. V. E. q.q.) niet in zijn bewijslast omtrent de causaliteit tussen een eventuele inbreuk op het concurrentieverbod en beweerde door de vennootschap geleden schade. Zijn vordering tot schadevergoeding werd hierdoor afgewezen. In haar op 2 oktober 2001 neergelegde appelconclusie had "eerste geïntimeerde" (= A. D.) verklaard géén belang (meer) te hebben bij deze vordering, vermits deze schadevergoeding (exclusief) zou toekomen aan de gefailleerde vennootschap. De aanwezigheid van de betrokken stukken konden aan appellante persoonlijk derhalve géén voordeel opleveren. 5.3. Dat het Hof van Beroep te Gent (procedure 1998/AR/2063) ingevolge de voorlegging door de curator van de gevraagde documenten met zekerheid het vonnis a quo van 12 mei 1998 van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde (8ste kamer) zou hebben bevestigd, wordt niet in het minst aangetoond. Appellante faalt in haar bewijslast nopens het causaal verband. Nergens maakt appellante aannemelijk dat juist de vernietigde documenten in haar voordeel nuttig bewijs konden inhouden van de beweerde contractuele inbreuken begaan door D. V. D. H. Als zaakvoerster van de BVBA DEGA PLUS had appellante tussen 15 november 2004 (overname) en 7 augustus 1997 (faillissement) trouwens volledige toegang tot alle stukken, waaruit ze deze documenten kon selecteren om haar gelijk in de sinds 11 mei 1995 lastens D. V. D. H. ingestelde procedure te bewijzen. Uit haar conclusie, neergelegd op 6 januari 1997 (stuk 10 geïntimeerde), blijkt dat appellante alle volgens haar noodzakelijke stukken in de procedure kon brengen (zie inventaris van haar stukken). Het hoger beroep komt ongegrond voor. OM D E Z E R E D E N E N H E T H O F: Rechtdoende op tegenspraak ; Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken ; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond ; Bevestigt het bestreden vonnis, zij het op andere gronden gemotiveerd ; Veroordeelt appellante tot de gedingkosten van de beroepsprocedure, in hoofde van geïntimeerde vereffend op 1.100,00 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep ; Aldus gewezen door de zevende bis kamer van het Hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken samengesteld uit Frank Deschoolmeester, alleenrechtsprekend raadsheer bijgestaan door Achiel Ferdinande, griffier en uitgesproken door de alleenrechtsprekend raadsheer in openbare terechtzitting op twaalf oktober tweeduizend en negen. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.