id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 14 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20091014.9 Rolnummer: 2007/AR/1977 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2009-12-11 Raadplegingen: 305 - laatst gezien 2026-07-03 02:56 Fiche 1. Iemand heeft slechts de vereiste hoedanigheid om hoger beroep in te stellen indien hij partij is geweest in het geding in eerste aanleg. Hieruit volgt dat het hoger beroep slechts toelaatbaar is voor zover de appellant dit hoger beroep heeft ingesteld in dezelfde hoedanigheid als deze waarin hij in eerste aanleg is opgetreden. De partij die voor de eerste rechter uitsluitend is opgetreden als vertegenwoordiger van een andere partij, kan nadien geen hoger beroep instellen in eigen naam. 2. Gelet op de inhoud van artikel 488bis,
- f)§ 3 B.W., dienen de betekeningen en kennisgevingen niet gedaan te worden aan de persoon, die onder voorlopig bewind is gesteld, maar wel aan de voorlopige bewindvoerder, als vertegenwoordiger van de persoon onder voorlopig bewind. 3. Kennisgevingen en betekeningen aan de beschermde persoon blijven zonder uitwerking. 4. Overeenkomstig artikel 1690 § 1, tweede lid B.W. kan de overdracht slechts tegen de gecedeerde schuldenaar worden ingeroepen vanaf het ogenblik dat zij aan de gecedeerde schuldenaar ter kennis werd gebracht of door hem werd erkend. 5. Onder 'kennisgeving' moet worden verstaan de 'mededeling aan de debiteur', zonder dat vereist is dat de akte van de overdracht van de schuldvordering moet worden betekend. Aan de gecedeerde schuldenaar dient enkel het feit van de overdracht ter kennis te worden gebracht en die kennisgeving kan zowel door de overdrager als door de overnemer gebeuren. 6. Art. 2277 B.W. strekt ertoe de termijnschuldenaar te beschermen tegen een voortdurende aangroei van zijn schuld doordat geldsommen op basis van een zelfde rechtsgrond, op opeenvolgende vervaldagen, die bij het jaar of bij kortere termijnen zijn bepaald, betaalbaar worden. 7. De vordering in verband met het debet van een rekening-courant is niet verjaard, ook niet in de mate dat dit debet mede veroorzaakt werd door intresten. De intresten op de rekening werden immers telkens automatisch gekapitaliseerd, wat betekent dat zij bij het kapitaal werden gevoegd, er één geheel mee uitmaakten en daardoor op hun beurt ook intresten opbrachten. Zolang de rekening niet was afgesloten, werden de intresten dus bij de hoofdsom gevoegd en verloren zij hun individualiteit, zodat het openstaande saldo van de rekening niet onderworpen is aan de vijfjarige verjaringstermijn van artikel 2277 B.W. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSMIDDELEN - GERECHTELIJK RECHT EN CASSATIE - Hoger beroep (gerechtelijk recht) Vrije woorden: Hoger beroep - hoedanigheden - zelfde hoedanigheid als in eerste aanleg - betekening en kennisgeving aan personen onder voorlopig bewind - overdracht van schuldvordering - kennisgeving - verjaring - artikel 2277 B.W. - niet-toepasselijkheid op de rekening-courant. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 12 Kamer ________ Terechtzitting van 14 oktober 2009 EINDARREST samenvoeging der zakenmet de rolnrs.- 2007/AR/1977- 2007/AR/1980- 2009/AR/1441 - In de zaak met het rolnummer 2007/AR/1977 van: W. J.-P., arbeider, wonende te ............................................., appellant tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op tegenspraak gewezen door de dertiende kamer dd. 25-4-2007, oorspronkelijk eerste verweerder, hebbende als raadslieden mr. VAN DE VOORDE Tom en mr. GIJSSELS Filip, beiden advocaat te 9900 Eeklo, Gentsesteenweg 56 tegen : 1. nv FIDUSUD, met zetel te 5101 Erpent Namur, Chaussée de Marche 511, met ondernemingsnr. 0416.526.908, eerste geïntimeerde, oorspronkelijk eiseres, hebbende als raadsman mr. VANDAMME Louis, advocaat te 8200 Brugge, Gistelsesteenweg 511 2. W. R., gepensioneerde, geboren op 1-5-1931, wonende te .................................. in zijn hoedanigheid van voorlopig bewindvoerder van D....... M............, tweede geïntimeerde, oorspronkelijk tweede verweerder, hebbende als raadsman mr. VEYS Jan, advocaat te 9000 Gent, Koning Albertlaan 128 en - In de zaak met het rolnummer 2007/AR/1980 van: W. R., gepensioneerde, geboren op 1-5-1931, wonende te ........................................, appellant tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op tegenspraak gewezen door de dertiende kamer dd. 25-4-2007, hebbende als raadsman mr. VEYS Jan, advocaat te 9000 Gent, Koning Albertlaan 128 tegen : 1. nv FIDUSUD, met zetel te 5101 Erpent, Chaussée de Marche 511, met ondernemingsnr.: 0416.526.908, eerste geïntimeerde, oorspronkelijk eiseres, hebbende als raadsman mr. VANDAMME Louis, advocaat te 8200 Brugge, Gistelsesteenweg 511 2. W. J.-P., wonende te ........................................, tweede geïntimeerde, oorspronkelijk eerste verweerder, hebbende als raadsman mr. VAN DE VOORDE Tom, advocaat te 9900 Eeklo, Gentsesteenweg 56 en - In de zaak met het rolnummer 2009/AR/1441 van: W. R., gepensioneerde, geboren op 1-5-1931, wonende te ................................................., in zijn hoedanigheid van voorlopig bewindvoerder van D. M., geboren te Gent op 28-1-1958, en wonende te ......................................, appellant tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op tegenspraak gewezen door de dertiende kamer dd. 25-4-2007, oorspronkelijk tweede verweerder, hebbende als raadsman mr. VEYS Jan, advocaat te 9000 Gent, Koning Albertlaan 128 tegen : 1. nv FIDUSUD, met zetel te 5101 Erpent, Chaussée de Marche 511, met ondernemingsnr.: 0416.526.908, eerste geïntimeerde, oorspronkelijk eiseres, hebbende als raadsman mr. VANDAMME Louis, advocaat te 8200 Brugge, Gistelsesteenweg 511 2. W. J.-P., wonende te ........................................., tweede geïntimeerde, oorspronkelijk eerste verweerder, hebbende als raadsman mr. VAN DE VOORDE Tom, advocaat te 9900 Eeklo, Gentsesteenweg 56 velt het hof het volgend arrest. Het hof heeft de partijen in openbare terechtzitting gehoord en kennis genomen van hun stukken en conclusies. De hoger beroepen van J.-P. W. (.A.R. nr. 2007/AR/1977) en R. W. (A.R. nr. 2007/AR/1980) tegen het vonnis op tegenspraak van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, dertiende kamer, van 25 april 2007 (AR nr. 06/3353/A), werden ingesteld bij verzoekschriften, neergelegd ter griffie van het hof op 1 augustus 2007. Het hoger beroep van R. W., in zijn hoedanigheid van voorlopig bewindvoerder van M. D., tegen hetzelfde vonnis werd ingesteld bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof op 26 mei 2009 en heeft het A.R. nr. 2009/AR/1441. Aangezien alle hoger beroepen betrekking hebben op hetzelfde vonnis, zijn zij samenhangend en dienen zij samen behandeld te worden, zodat het hof de drie zaken samenvoegt. De hoger beroepen zijn regelmatig naar de vorm. Ze zijn eveneens tijdig aangezien er geen betekeningsakte wordt voorgelegd en door geen van de partijen beweerd wordt dat het vonnis betekend is. Antecedenten 1. In de dagvaarding van 2 oktober 2006, betekend aan J.-P. W. en R. W. in zijn hoedanigheid van voorlopig bewindvoerder van M. D. (hierna "R. W. qq." genoemd), zette de nv Fidusud (hierna "Fidusud" genoemd) uiteen dat het Gemeentekrediet van België op 15 maart 1991 aan de gedaagden een krediet van 444.000 BEF, terugbetaalbaar in 48 maandelijkse schijven van 11.780 BEF, toekende met het oog op de aankoop van een voertuig, en dat de gedaagden middels aangetekende brief van 7.4.1992 in gebreke werden gesteld om de openstaande achterstand onmiddellijk te betalen, waarna op 5.5.1992 een einde aan het krediet werd gesteld. Daarnaast vertoonde volgens Fidusud de rekening 063-0972877-02 een negatief saldo van 524.380 BEF. Zij wees erop dat het Gemeentekrediet haar schuldvorderingen aan haar had over-gedragen, middels brieven van 2 en 17 februari 1999, en dat zij in juli 1999 nog enkele betalingen had ontvangen via de Rijksdienst voor de Jaarlijkse Vakantie. Zij vorderde de veroordeling van J.-P. W. en R. W. qq., "solidair en in solidum, de ene bij gebreke aan de andere" (hierna samen de "appellanten" genoemd) tot betaling van 37.657,79 EUR in hoofdsom, meer de verwijlintrest aan de gerechtelijke intrest op 23.341,82 EUR vanaf 26.10.2004 tot op "heden", meer de gerechtelijke intrest vanaf "heden" tot op de dag van volledige betaling en meer de gerechtskosten. Fidusud vorderde dit alles bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal, zonder borgstelling, en met uitsluiting van het kantonnement. Het bedrag van 37.657,79 EUR was als volgt samengesteld: "- Hoofdsom 1 8.940,97 euro - Hoofdsom 2 12.780,15 euro - Intresten op hoofdsommen vrijwillig beperkt tot 5 jaar 15.855,13 euro - Schadebeding 1.620,70 euro Min betalingen juli 1999 1.539,16 euro" 2. J.-P. W. betwistte de ontvankelijkheid van de vordering omdat de overdracht van schuldvordering hem niet tegenstelbaar was bij gebrek aan geldige kennisgeving of erkenning, vermits de kennisgeving werd verstuurd naar een adres, waar hij op dat ogenblik niet meer woonachtig was. Bovendien was hij van oordeel dat, aangezien het Gemeentekrediet de schuldvordering in het jaar 1996 definitief had afgesloten, deze niet meer kon worden overgedragen. Ten gronde argumenteerde hij dat de vordering op grond van artikel 2277 B.W. verjaard was, dat het niet bewezen was dat hij titularis was van de rekening met nr. 063-0972877-02 en dat de bank onzorgvuldig was geweest door toe te laten een bedrag van 500.000 BEF op te nemen. Bij tegeneis vorderde hij de nietigverklaring van het krediet, toegestaan op de zichtrekening 063-0972877-02. Ten slotte verzette hij zich tegen de voorlopige uitvoerbaarverklaring van het vonnis. R. W., gedagvaard in zijn hoedanigheid van voorlopig bewindvoerder, betwistte eveneens de ontvankelijkheid van de vordering, tegen hem gericht, omdat niet hijzelf maar wel M. D. diende gedagvaard te worden, weliswaar met betekening van de dagvaarding aan hemzelf. Verder wees hij erop dat M. D. reeds op het ogenblik van het ondertekenen van de autolening en het beweerde debet op de rekening, ernstige gezondheidsproblemen van lichamelijke en geestelijke aard kende, zodat er zeer ernstig kon getwijfeld worden aan haar toestemming bij het ondertekenen van de leningsovereenkomst en aan haar aansprakelijkheid bij het ontstaan van het negatief saldo op de rekening. Voor het overige sloot hij zich aan bij het verweer van J.-P. W. en vorderde hij eveneens de nietigverklaring van het krediet, toegestaan op 15.3.1991. 3. Bij vonnis van 25.4.2007 veroordeelde de eerste rechter J.-P. W. en R. W. qq. "solidair, de ene bij gebreke aan de andere, tot betaling aan eiseres van de som van 21.721,12 EUR (= 8.940,97 + 12.780,15 EUR), te vermeerderen met de intresten aan de wettelijke intrestvoet (7%) vanaf 16 oktober 2004 - vanaf de dagvaarding als gerechtelijke moratoire intrest - tot de dag van de volledige betaling". Hij voegde eraan toe dat overeenkomstig artikel 1254 B.W. de som van 1.539,16 EUR in mindering diende gebracht te worden. Hij verwees ten slotte de "verweerder" in de gerechtskosten. De motivering van de eerste rechter kan als volgt worden samengevat: - de dagvaarding werd overeenkomstig artikel 488bis,
- k)B.W. terecht betekend aan de voorlopige bewindvoerder en aan diens woonplaats; - het Gemeentekrediet van België heeft de overdrachten van de schuldvorderingen rechtsgeldig ter kennis gebracht van J.-P. W. en M. D. Overeenkomstig artikel 8 van de algemene voorwaarden van leningsovereenkomsten hadden de ontleners en de borgen, zo ze er zijn, zich ertoe verbonden elke wijziging van woonplaats onverwijld mee te delen, terwijl J.-P. W. en M. D. niet aantoonden dat zij hun nieuw adres onverwijld aan het Gemeentekrediet hadden meegedeeld; - op het stuk 5 van Fidusud is duidelijk het rekeningnummer, de contractpartijen, de datum en de handtekeningen van de partijen leesbaar; - de vermeldingen "definitieve afsluiting" en "definitief verlies" op een document van de bank zijn voor intern gebruik en kunnen een schuldvordering niet teniet doen gaan; - overeenkomstig artikel 41.2. van het algemeen reglement van de bank, moet de cliënt onmiddellijk elke vergissing, die hij vaststelt in documenten, standen, enz, die hem door de bank worden bezorgd, schriftelijk meedelen; bij gebrek aan klacht binnen een termijn van 30 dagen worden de documenten en standen geacht door de cliënt te zijn goedgekeurd en vormen zij een titel voor de bank; J.-P. W. toont niet aan op welk ogenblik dan ook een klacht te hebben ingediend bij de bank betreffende de negatieve stand van zijn rekening, noch toont hij enige fout in hoofde van de bank aan; - de vijfjarige verjaringstermijn van artikel 2277 B.W. is enkel van toepassing op schulden, die een inkomen uitmaken in hoofde van de schuldeiser, zijnde de intresten en niet op kapitaalschulden; - de gevorderde schadevergoeding van 1.620,70 EUR kan niet worden toegekend, aangezien Fidusud niet aantoont dat een dergelijk schadebeding werd opgenomen in de overeenkomst. 4. J.-P. W. vraagt het bestreden vonnis te vernietigen en opnieuw wijzende de vordering van Fidusud onontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren, met verwijzing van Fidusud in de gerechtskosten. Tevens herneemt hij zijn vordering tot nietigverklaring van het krediet, toegestaan op de rekening nr. 063-0972877-02. Hij vraagt het arrest uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, niettegenstaande alle verhaal en zonder borg, noch aanbod tot kantonnement. R. W., zowel optredend in eigen naam als in zijn hoedanigheid van voorlopig bewindvoerder van M. D., vraagt het bestreden vonnis te vernietigen en in hoofdorde, de vordering van Fidusud tegen hemzelf in zijn hoedanigheid van voorlopig bewindvoerder onontvankelijk te verklaren, ondergeschikt de vordering van Fidusud ongegrond te verklaren, de kredietovereenkomst van 15.3.1991 van het Gemeentekrediet nietig te verklaren en minstens te oordelen dat in elk geval niet gedwongen kan uitgevoerd worden tegen het vermogen van R. W. zelf. Ten slotte vraagt hij de veroordeling van Fidusud, dan wel J.-P. W. tot de gerechtskosten. Fidusud vraagt het hoger beroep van R. W. in eigen naam onontvankelijk te verklaren en de hoger beroepen van de appellanten ongegrond te verklaren. Op haar beurt stelt zij incidenteel beroep in en vordert zij de veroordeling van de appellanten, solidair en in solidum, de ene bij gebrek aan de andere, tot betaling van "37.657,79 EUR in hoofdsom, meer de verwijlintrest aan de gerechtelijke intrest op 23.341,82 EUR vanaf 26.10.2004 tot op heden, meer de gerechtelijke intrest vanaf heden tot op de dag van volledige betaling", dit alles met veroordeling van de appellanten tot de gerechtskosten. De partijen hernemen thans in hoger beroep grotendeels hun middelen en argumenten, zoals uiteengezet voor de eerste rechter en hebben deze verder uitgewerkt en aangevuld. De appellanten vragen tevens, indien zij worden veroordeeld, betalingsuitstel, waartegen Fidusud zich verzet. Ondergeschikt vraagt Fidusud, indien betalingsuitstel wordt verleend, dat de appellanten zeker zouden verplicht worden voor de periode van 2.10.2006 tot op de datum van het arrest het aantal verstreken maanden x 100,00 EUR af te lossen tegen de eerste van de maand volgend op het arrest. R. W. en J.-P. W. vragen eveneens dat de aan Fidusud toekomende rechtsplegingsvergoeding zou gereduceerd worden tot 1.000,00 EUR. Ook daartegen verzet Fidusud zich. Beoordeling I. Ontvankelijkheid van de hoger beroepen 1. Door geen van de partijen wordt voorgehouden dat de hoger beroepen van J.-P. W. en van R. W., in zijn hoedanigheid van voorlopig bewindvoerder van M. D., onontvankelijk zijn, terwijl het hof evenmin redenen van onontvankelijkheid vaststelt. Deze hoger beroepen zijn bijgevolg ontvankelijk. 2. Fidusud meent dat het hoger beroep van R. W. in eigen naam onontvankelijk is. De dagvaarding is niet gericht tegen R. Wu. in eigen naam, maar wel tegen hem in zijn hoedanigheid van voorlopig bewindvoerder over mevrouw M. D.. Ook de conclusie van Fidusud in eerste aanleg was enkel gericht tegen R. W. in dezelfde hoedanigheid, en het is in deze hoedanigheid dat hij ook vermeld is in het bestreden vonnis. R. W. was in eigen naam bijgevolg geen partij in eerste aanleg. Iemand heeft slechts de vereiste hoedanigheid om hoger beroep in te stellen indien hij partij is geweest in het geding in eerste aanleg. Hieruit volgt dat het hoger beroep slechts toelaatbaar is voor zover de appellant dit hoger beroep heeft ingesteld in dezelfde hoedanigheid als deze waarin hij in eerste aanleg is opgetreden. De partij die voor de eerste rechter uitsluitend is opgetreden als vertegenwoordiger van een andere partij, kan nadien geen hoger beroep instellen in eigen naam (vgl. Bestendig Handboek Burgerlijk Procesrecht, p. VIII.3.-11). Aangezien R. W. voor de eerste rechter enkel betrokken was in zijn hoedanigheid van voorlopig bewindvoerder, kan hij niet in eigen naam hoger beroep instellen. Bijgevolg is het hoger beroep van R. W. in eigen naam, in de zaak met A.R. nr. 2007/AR/1980, onontvankelijk. II. Ontvankelijkheid van de vordering van Fidusud 1. R. W. houdt voor dat de vordering, tegen hem gericht in zijn hoedanigheid van voorlopig bewindvoerder onontvankelijk is. Bij vonnis van het Vredegerecht van het vijfde kanton Gent dd. 26.6.1992 werd R. W. aangesteld als voorlopig bewindvoerder van M. D. De bevoegdheden van R. W. werden niet nader bepaald, zodat hij overeenkomstig artikel 488bis,
- f)§ 3 B.W. een algemene vertegenwoordigingsbevoegdheid op vermogensrechtelijk vlak had (vgl. WYLLEMAN, A., "Contracteren en procederen met wilsonbekwamen en wilsgestoorden", 2005, p. 35). Daarenboven bepaalt artikel 488bis,
- k)B.W. dat betekeningen en kennisgevingen aan personen aan wie een voorlopige bewindvoerder is toegevoegd, worden gedaan aan diens woonplaats of verblijfplaats. Gelet op de inhoud van artikel 488bis,
- f)§ 3 B.W., dienen de betekeningen en kennisgevingen niet gedaan te worden aan de persoon, die onder voorlopig bewind is gesteld, maar wel aan de voorlopige bewindvoerder, als vertegenwoordiger van de persoon onder voorlopig bewind. Dit blijkt ook uit de Franse versie van artikel 488bis,
- k)B.W., luidend als volgt: "Les significations et notifications à faire aux personnes pourvues d'un administrateur provisoire sont faites à ce dernier à son domicile ou à sa résidence » (onderlijning door het hof), vertaald : « De betekeningen en kennisgevingen aan personen aan wie een voorlopige bewindvoerder is toegevoegd, worden aan deze laatste gedaan aan diens woonplaats of verblijfplaats." Alle kennisgevingen en betekeningen in verband met de vermogensrechten dienen bijgevolg te worden gedaan aan de woonplaats of de verblijfplaats van de voorlopige bewindvoerder en aan de bewindvoerder te worden gericht. Kennisgevingen en betekeningen aan de beschermde persoon blijven zonder uitwerking (vgl. DELAHAYE, Th., CASTELEIN, Chr., "Het voorlopig bewind", Bibliotheek Burgerlijk Recht en Procesrecht Larcier, 2007, p. nr. 257, p. 160-161). Dit houdt in dat vanaf de aanstelling als voorlopig bewindvoerder, R. W., M. D. ook in procedures diende te vertegenwoordigen, voor zover deze een weerslag hadden op het vermogen van M. D. Wanneer R. W. gedagvaard is in zijn hoedanigheid van voorlopig bewindvoerder van M. D., vertegenwoordigt hij in de procedure M. D. Gelet op deze bepalingen is het niet M. D., die diende gedagvaard te worden maar wel R. W. "in zijn hoedanigheid van voorlopig bewindvoerder" of "als vertegenwoordiger van M. D.". Dat de dagvaarding geen betrekking heeft op daden, die R. W. gesteld heeft in zijn hoedanigheid van voorlopig bewindvoerder, maar wel op rechtsfeiten vóór de datum van de aanstelling, doet geen afbreuk aan de wettelijke vereiste dat, wanneer de vertegenwoordigingsbevoegdheid een algemeen karakter heeft, elke dagvaarding met vermogensrechtelijke inslag, vanaf de aanstelling dient gericht te zijn aan de voorlopige bewindvoerder, ook wanneer de dagvaarding betrekking heeft op handelingen die door de beschermde persoon vóór de aanstelling van de voorlopige bewindvoerder zijn gesteld. Ten onrechte vreest R. W. dat, ingevolge de veroordeling in zijn hoedanigheid van voorlopig bewindvoerder, tegen hem in persoon zou kunnen uitgevoerd worden: nogmaals, R. W. is niet gedagvaard in eigen naam, noch op basis van zijn persoonlijke aansprakelijkheid als bewindvoerder, doch louter in zijn hoedanigheid van voorlopig bewindvoerder. Het bestreden vonnis verleent aan Fidusud geen titel om haar schuldvordering te verhalen op het persoonlijk vermogen van R. W. De eerste rechter heeft bijgevolg terecht de vordering van Fidusud tegen R. W., in zijn hoedanigheid van voorlopig bewindvoerder, ontvankelijk verklaard. 2. De appellanten menen dat de vordering onontvankelijk is omdat de overdracht van de schuldvordering van het Gemeentekrediet aan Fidusud hen niet tegenstelbaar is. Dit verweer betreft echter niet de ontvankelijkheid van de vordering, maar wel de gegrondheid ervan. Het belang is elk materieel of moreel voordeel dat wie een eis instelt, op het ogenblik van de rechtsingang mag verwachten en waardoor zijn huidige rechtstoestand gewijzigd of verbeterd wordt (LAENENS, J., BROECKX, K. en SCHEERS, D., THIRIAR, P., "Handboek gerechtelijk recht", 2008, p. 84, nr. 131). Fidusud mag bij het instellen van haar vordering materieel voordeel verwachten. Of zij daadwerkelijk aanspraak kan maken op het gevorderde bedrag betreft de gegrondheid van de vordering. De hoedanigheid is de band tussen de procespartij en het subjectieve recht, waaromtrent zij in rechte optreedt. In zover Fidusud voorhoudt titularis te zijn van een subjectief recht, heeft zij hoedanigheid om de vordering in te stellen, ook al wordt dit recht betwist, aangezien het onderzoek naar het bestaan of de draagwijdte van het subjectief recht, dat wordt ingeroepen, niet de toelaatbaarheid of ontvankelijkheid maar wel de gegrondheid van de vordering betreft (vgl. CASS., 26.2.2004, RABG, 2004, p. 612; CASS., 28.9.2007, AR C.06.0180F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070928.1, www.cass.be; CASS., 16.11.2007, AR C.06.0144F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071116.4, www.cass.be). III. Over de gegrondheid van de vorderingen 1. De appellanten houden voor dat de overdracht van schuldvordering hen niet tegenstelbaar is, omdat de kennisgevingen van de overdrachten dd. 2.2.1998 en 17.2.1999 verstuurd zijn naar een adres, waar zij niet meer woonachtig waren. Overeenkomstig artikel 1690 § 1, tweede lid B.W. kan de overdracht slechts tegen de gecedeerde schuldenaar worden ingeroepen vanaf het ogenblik dat zij aan de gecedeerde schuldenaar ter kennis werd gebracht of door hem werd erkend. Partijen discussiëren uitvoerig over de al dan niet rechtsgeldigheid van de kennisgevingen dd. 2.2.1998 en 17.2.1999, doch deze discussie komt het hof niet relevant voor. Immers: - uit de brief dd. 2.2.1998, die betrekking had op de kredietovereenkomst van 15.3.1991, en uit de brief dd. 17.2.1999, die betrekking had op de bankrekening, blijkt dat de vorderingen, die daaruit voorvloeiden, werden overgedragen door het Gemeentekrediet aan Fidusud; - in de dagvaarding van 2.10.2006 wordt nogmaals uitdrukkelijk melding gemaakt van de overdracht van de schuldvorderingen: "Dat het Gemeentekrediet haar schuldvorderingen aan verzoekster overgedragen had middels aangetekend schrijvens van 2 en 17 februari 1999 zodat verzoekster schuldeiser van gedaagde geworden is (stukken 6 en 7)". Onder "kennisgeving" moet worden verstaan de "mededeling aan de debiteur", zonder dat vereist is dat de akte van de overdracht van de schuldvordering moet worden betekend. Aan de gecedeerde schuldenaar dient enkel het feit van de overdracht ter kennis te worden gebracht en die kennisgeving kan zowel door de overdrager als door de overnemer gebeuren (vgl. CASS., 28.10.1994, R.W., 1994-95, 1122; CASS., 27.4.2006, AR C.04.0093.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060427.6, www.cass.be; DEKKERS, R., VERBEKE, A., "Handboek Burgerlijk Recht. Deel III. Verbintenissen, Bewijsleer, Gebruikelijke contracten", 2007, nr. 945, p. 530). Evenmin legt de wet een termijn op binnen dewelke de kennisgeving moet gebeuren. De wet bepaalt enkel dat de overdracht tegenstelbaar is vanaf de kennisgeving of de erkenning van de overdracht. Zelfs indien de kennisgevingen van 2.2.1998 en 17.2.1999 niet rechtsgeldig zijn gebeurd of de overdrachten intussen niet erkend werden, is de kennisgeving in elk geval rechtsgeldig gebeurd door het inleidend exploot van 2.10.2006, waarin uitdrukkelijk melding van de overdracht van de schuldvorderingen is gemaakt (vgl. ANTWERPEN, 18.2.2002, R.W., 2004-05, p. 865). Dus kon Fidusud zich tegenover de appellanten ten laatste vanaf dat ogenblik beroepen op de schuldoverdracht. 2. De appellanten stellen dat de schuldvordering niet meer kon worden overgedragen, omdat deze door het Gemeentekrediet in het jaar 1996 definitief werd afgesloten. Dit betreft enkel het debetsaldo van de rekening 063-0972877-02 en niet de schuldvordering ingevolge de kredietovereenkomst van 15.3.1991. Uit stuk 4 van Fidusud blijkt dat de schuldvordering in verband met de rekening 063-0972877-02 op 30.1.1996 als definitief verlies werd geboekt en de rekening eveneens op dat ogenblik definitief werd afgesloten met de melding de personen, die nog stortingen op deze rekening zouden verrichten, te verwittigen. Echter heeft noch de boeking als definitief verlies, noch de definitieve afsluiting van de rekening, met de melding de personen te verwittigen, die nog stortingen op deze rekening zouden verrichten, tot gevolg dat de schuldvordering zou uitgedoofd zijn. De boeking als definitief verlies houdt enkel in dat de bank van oordeel was dat de schuldvordering op dat ogenblik niet meer recupereerbaar was, wat niet wil zeggen dat zij afstand deed van haar rechten, voortvloeiend uit de schuldvordering. Afstand van recht wordt niet vermoed. Zij kan weliswaar stilzwijgend zijn, doch dan moet zij afgeleid worden uit een gedraging, die voor geen enkele andere interpretatie vatbaar is. De rekening werd afgesloten en geboekt als definitief verlies, niet omdat de bank daarvan afstand deed, maar wel omdat de schuldenaars blijkbaar niet over de financiële middelen beschikten om de schuldvordering te voldoen. De verwittiging van de personen, die nog stortingen op deze rekeningen zouden verrichten, heeft enkel tot doel te verhinderen dat op dit specifiek rekeningnummer nog stortingen zouden gebeuren, aangezien de rekening definitief werd afgesloten. 3. De appellanten zijn van oordeel dat de schuldvordering verjaard is. Zij verwijzen naar artikel 2277 B.W. dat bepaalt dat termijnen van altijddurende renten en van lijfrenten, intresten van geleende sommen, en, in het algemeen, al hetgeen betaalbaar is bij het jaar of bij kortere termijnen, verjaren door verloop van vijf jaren. De bewijslast van de verjaring rust op de partij, die de verjaring inroept, ten deze de appellanten. 3.1. In zover dit verweer betrekking heeft op de hoofdsommen van 8.940,97 EUR en 12.780,15 EUR, kan dit niet worden bijgetreden. 3.1.1. Het bedrag van 8.940,97 EUR heeft betrekking op de kredietovereenkomst, afgesloten op 15.3.1991. Er bestaat geen betwisting over dat de opzegging van deze overeenkomst is gebeurd op 5.5.1992. Art. 2277 B.W. strekt ertoe de termijnschuldenaar te beschermen tegen een voortdurende aangroei van zijn schuld doordat geldsommen op basis van een zelfde rechtsgrond, op opeenvolgende vervaldagen, die bij het jaar of bij kortere termijnen zijn bepaald, betaalbaar worden (vgl. CASS., 13.3.2008, www.cass.be). Ze beoogt de schuldenaar te behoeden voor een gestaag en nagenoeg ongemerkt oplopen van periodieke schulden, die op de duur tot een grote schuld zouden kunnen aangroeien. De kredietovereenkomst van 15.3.1991 betrof een te financieren bedrag van 444.000 BEF, terugbetaalbaar over 48 maanden. De maandelijkse last bedroeg 0,57 %, het jaarkostenpercentage 13,40 %, en het maandelijks te betalen bedrag 11.780 BEF. Het totaal te betalen bedrag werd bepaald op 565.440 BEF. De eerste vervaldag was 5.4.1991. Op 7.4.1992 stelde het Gemeentekrediet de ontleners in gebreke wegens twee onbetaalde maandbedragen. Er waren dus 11 maandbedragen betaald. De verjaring van artikel 2277 B.W. is niet van toepassing op het gedeelte dat betrekking had op de maanden na de opzegging dd. 5.5.1992 en dat ingevolge de opzegging onmiddellijk opeisbaar was geworden, zelfs indien dit ook een gedeelte rente zou bevatten. Het gaat immers niet om een geldsom, die bij het jaar of bij kortere termijnen betaalbaar is gesteld, maar wel om een bedrag dat ineens opeisbaar was geworden. Bovendien is er geen sprake van een risico voor voortdurende aangroei van deze schuld. Eventueel zou er sprake kunnen zijn van verjaring van de rente, die deel uitmaakt van de vervallen maandbedragen, die betrekking hebben op de periode vóór de opzegging van 5.5.1992, doch het blijkt niet dat het bedrag van 8.940,97 EUR deels betrekking heeft op rente betreffende termijnen, die reeds vervallen waren op het ogenblik van de opzegging van de overeenkomst. Dit kan redelijkerwijze zelfs uitgesloten worden rekening houdend met het volgende: op het ogenblik van de ingebrekestelling van 7.4.1992 waren er twee vervallen onbetaalde termijnen; er waren, rekening houdend met de eerste betaling op 5.4.1991 slechts 11 maanden betaald; er diende dus nog 37 maanden x 11.780 BEF = 435.860 BEF betaald te worden in geval van een normale uitvoering van de overeenkomst. De vordering van Fidusud is in hoofdsom betreffende deze overeenkomst echter beperkt tot 8.940,97 EUR (= 360.678 BEF). Er mag dus redelijkerwijze aangenomen worden dat dit geen rente bevat betreffende de maandsommen, die vervallen waren voor de opzeg van 5.5.1992. In elk geval blijkt het tegendeel niet. 3.1.2. De vordering in verband met het debet van de rekening nr. 063-0972877-02 is evenmin verjaard, ook niet in de mate dat dit debet mede veroorzaakt werd door intresten. De intresten op de rekening werden immers telkens automatisch gekapitaliseerd, wat betekent dat zij bij het kapitaal werden gevoegd, er één geheel mee uitmaakten en daardoor op hun beurt ook intresten opbrachten. Zolang de rekening niet was afgesloten, werden de intresten dus bij de hoofdsom gevoegd en verloren zij hun individualiteit, zodat het openstaande saldo van de rekening niet onderworpen is aan de vijfjarige verjaringstermijn van artikel 2277 B.W. (vgl. BRUSSEL, 21.3.2006, R.W., 2008-09, p. 1641). 3.2. Daarnaast vordert Fidusud intresten ten bedrage van 15.855,13 EUR, waarop zij de betalingen van samen 1.539,16 EUR, gedaan in juli 1999, heeft toegerekend. Fidusud verwijst ter staving van haar vordering in verband met deze intresten naar haar stuk 8, waarin zij met betrekking tot het krediet van 15.3.1991, intresten berekent vanaf 5.5.1992 tot en met 5.5.1997, en, wat betreft de rekening met nr. 063-0972877-02, intresten aanrekent vanaf 1.1.1995 tot en met 5.5.1997. Daarin worden intrestvoeten van 21,6 % en 20,4 % gehanteerd. Het betreft dus blijkbaar conventionele intresten. Op deze conventionele intresten is de vijfjarige termijn van artikel 2277 B.W. wel van toepassing. De vordering is verjaard in zoverre deze betrekking heeft op het gedeelte van deze intresten, na aftrek van de verrichte betalingen (omtrent deze betalingen: zie randnummers 8 en 9 hierna), aangezien er meer dan vijf jaar is verstreken tussen deze intresten in hun geheel en de dagvaarding. Ten onrechte betwist Fidusud deze verjaring, stellende dat zij maar vijf jaar intrest vordert. Niet het aantal jaren intresten, dat gevorderd wordt, is van belang, maar wel de duur tussen de periode, waarop de intresten slaan, en de datum van de rechtsvordering. Intresten verjaren immers na verloop van 5 jaren. Er treedt verjaring in van zodra er meer dan vijf jaar verstreken is tussen de periode, waarop de intresten betrekking hebben, en de rechtsvordering. De verjaring van de intresten werd vóór de dagvaarding noch gestuit, noch geschorst. De betalingen, die J.-P. W. gedaan heeft via een doorstorting van zijn vakantiegeld in 1995 en 1999 aan het Gemeentekrediet of Fidusud, kunnen niet beschouwd worden als een erkenning van de schuldvordering van het Gemeentekrediet of Fidusud met betrekking tot de intresten. Overigens, zelfs indien deze betalingen als een erkenning van de vordering in verband met de intresten zouden beschouwd worden, dan nog is er meer dan vijf jaar verstreken tussen deze erkenning en de dagvaarding. 3.3. De vanaf 26.10.2004 gevorderde intresten zijn niet verjaard, aangezien er minder dan vijf jaar verstreken is tussen deze intresten en de dagvaarding. 4. R. W. qq. argumenteert dat M. D. op het ogenblik van het ondertekenen van de autolening en het debet op de rekening zeer ernstige gezondheidsproblemen kende van lichamelijke en geestelijke aard, zodat zeer ernstig getwijfeld dient te worden aan haar toestemming bij het ondertekenen van de leningsovereenkomst en aan haar aansprakelijkheid bij het ontstaan van het negatief saldo op de rekening. Het sluiten van een overeenkomst vereist een volwaardige op de totstandkoming van rechtsgevolgen gerichte wil. Is deze wil niet aanwezig, dan kan er geen wilsovereenstemming zijn en kan er geen overeenkomst gesloten worden. Dit kan het gevolg zijn van een geestesstoornis, die de betrokkene niet in staat stelt een volwaardige wil te hebben. Overeenkomsten, die zonder deze wil zijn tot stand gekomen, zijn vernietigbaar op verzoek van de in die toestand verkerende persoon. Is deze persoon niet wettelijk onbekwaam verklaard, dan rust de bewijslast van de gebrekkige geestestoestand op het ogenblik van de contractsluiting op deze persoon (vgl. VAN GERVEN, W., "Verbintenissenrecht", 2006, p. 112; KRUITHOF, R., BOCKEN, H. e.a., "Overzicht van rechtspraak (1981-1992) Verbintenissenrecht", T.P.R., 1994, deel 1, p. 318). Noch op het ogenblik van het sluiten van de kredietovereenkomst van 15.3.1991, noch op het ogenblik van de opening van de rekening nr. 063-0972877-02 op 26.3.1987 was M. D. wettelijk onbekwaam verklaard en evenmin onder voorlopig bewind geplaatst. R. W. qq. toont niet aan dat M. D. toen niet beschikte over de volwaardige wil om een overeenkomst te sluiten. R. W. qq. toont evenmin aan dat de geestestoestand van M. D. enige invloed heeft op haar "aansprakelijkheid bij het ontstaan van het negatief saldo op de rekening." 5. De appellanten wijzen op de onleesbaarheid van stuk 5 van Fidusud, zijnde een kopie van het openingsdocument betreffende rekening nr. 063-0972877-02. Alhoewel bepaalde voorgetypte teksten van het document onleesbaar zijn, zijn de essentiële elementen, die aantonen dat het om het openen van voormelde rekening gaat, zeer duidelijk en niet voor enige twijfel vatbaar. Het rekeningnummer, het feit dat het om een opening gaat, de namen van J.-P. W. en M. D., hun adres, de datum van 26.3.1987, en de handtekeningen, waarvan niet tegengesproken wordt dat deze van hen afkomstig zijn, zijn duidelijk leesbaar. Bijgevolg wordt het voldoende bewijs van de overeenkomsten geleverd. 6. J.-P. W. beweert dat, wat de rekening nr. 063-0972877-02 betreft, het openstaande saldo geenszins bewezen is. Dit verweer kan niet worden aangenomen. Ter staving van het openstaande saldo verwijst Fidusud naar een historiek van de rekening vanaf 1.1.1993 tot en met 30.1.1996, datum waarop de rekening werd afgesloten. Noch J.-P. W., noch R. W. qq. hebben dit stuk ooit inhoudelijk betwist. Zij brengen evenmin gegevens aan die toelaten de inhoud van dit stuk in twijfel te trekken. Indien het negatief saldo onjuist zou zijn, zou het voor J.-P. W. volstaan de rekeninguittreksels voor te leggen, doch hij doet dit niet. Evenmin hebben de appellanten of M. D. ooit inhoudelijk geprotesteerd tegen de rekeninguittreksels, die zij ongetwijfeld hebben ontvangen. Dit alles toont voldoende de juistheid van de door Fidusud vermelde debetstand aan. Zelfs voor de eerste rechter hebben zij het door Fidusud vermelde bedrag van het openstaande saldo betreffende deze rekening nooit in twijfel getrokken, zodat deze betwisting, thans voor het eerst in hoger beroep opgeworpen, elke geloofwaardigheid mist. 7. De appellanten verwijten het Gemeentekrediet foutief te hebben gehandeld bij de toekenning van de kredieten. Volgens hen heeft het Gemeentekrediet onzorgvuldig gehandeld door zich onvoldoende te vergewissen van de financiële situatie en de terugbetalings-mogelijkheden van de kredietnemers. Een zorgvuldig bankier dient, alvorens een krediet toe te kennen, nauwgezet te informeren naar de financiële, vermogensrechtelijke en economische situatie en de perspectieven van zijn potentiële contractant. Om te toetsen of de bankier de algemene zorg-vuldigheidsplicht heeft geschonden, moet het criterium van de normaal zorgvuldige en redelijke bankier, geplaatst in dezelfde omstandig-heden, worden gehanteerd (CORNELIS, L., ""De aansprakelijkheid van de bankier bij kredietverlening", T.P.R., 1986, p. 349, nr. 19). De verantwoordelijkheid voor de toekenning van het krediet dient beoordeeld te worden rekening houdend met alle externe omstandigheden en gegevens waarvan de bank kennis had of moest hebben op het ogenblik van de beslissing om het krediet toe te kennen. Gebeurtenissen, die zich nadien hebben voorgedaan en die niet konden worden voorzien op het ogenblik van het toestaan van het krediet kunnen niet in aanmerking worden genomen. Wanneer de bankier aan de hand van zijn onderzoek bij de kredietaanvraag vaststelt dat de kredietnemer de verbintenissen uit zijn aangevraagde kredieten redelijkerwijze niet zal kunnen naleven, gedraagt hij zich onrechtmatig door niettemin krediet toe te kennen, zelfs wanneer hij over voldoende zekerheden beschikt (vgl. WYMEERSCH, E., DAMBRE, , M. en TROCH, K., "Overzicht van rechtspraak. Privaat bankrecht, 1992-1998", T.P.R., 1999, nr. 18, p. 1800 en nr. 24, p. 1802). Wie beweert dat een krediet ten onrechte werd toegekend, dient de fout van de bank te bewijzen. Uit geen enkel gegeven van het dossier blijkt dat het in maart 1991 of op het ogenblik waarop het krediet in het kader van de rekening 063-0972877-02 werd toegestaan vaststond dat de ter beschikking gestelde gelden niet zouden kunnen terugbetaald worden. De omstandigheid dat J.-P. W. op 28.9.1984 failliet werd verklaard, bewijst hun bewering niet, nu uit de kredietovereenkomst van 15.3.1991 blijkt dat zowel J.-P. W., sinds twee jaar, als M. D., sinds elf jaar, tewerkgesteld waren, en dat zij 11 afbetalingen gedaan hebben, vermits er op 7 april 1992, datum waarop zij door het Gemeentekrediet in gebreke werden gesteld slechts een achterstal van 2 maanden was. Evenmin kan uit het feit dat zich in hoofde van M. D. sinds 24.10.1990 de ziekte van Huntington manifesteerde worden afgeleid dat het Gemeentekrediet in gebreke was gebleven. Er wordt immers niet aangetoond dat M. D. het Gemeentekrediet daarvan op de hoogte had gesteld, noch dat het Gemeentekrediet dit wist of moest weten via andere kanalen, temeer zij op het ogenblik van het sluiten van de kredietovereenkomst van 15.3.1991 nog tewerkgesteld was als ziekenverzorgster in het Universitair Ziekenhuis te Gent. De appellanten verwijzen in dit verband ook naar de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet, meer bepaald naar de artikelen 10, 11,2° en 15. Deze wet is gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 9 juli 1991 en bestond niet of was nog niet in werking getreden op het ogenblik van de kredietovereenkomsten. Overigens, zelfs al zouden de kredietovereenkomsten onder toepassing van deze wet vallen, dan nog bewijzen de appellanten geen inbreuk van het Gemeentekrediet op de bepalingen van deze wet. Er is bijgevolg geen reden om de overeenkomst van 15.3.1991 of het krediet, toegestaan op de rekening 063-0972877-02, nietig te verklaren of de vordering van Fidusud te beperken omwille van enig onzorgvuldig optreden van het Gemeentekrediet bij de toekenning van de kredieten. Nu de eerste rechter in het beschikkend gedeelte van het vonnis de tegenvorderingen tot vernietiging van deze kredieten niet expliciet ongegrond heeft verklaard, dient dit in het dispositief van dit arrest te worden toegevoegd. 8. J.-P. W. houdt voor dat hij een deel van de gevorderde bedragen heeft terugbetaald door middel van een inhouding van de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie. Als bewijs legt hij twee brieven van de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie voor, resp. dd. 26.6.1995 en 7.10.1995, waarin resp. 31.265 BEF en 2.620 BEF werd weerhouden in het belang van het Gemeentekrediet (stukken 3 van J.-P. W.). Terwijl Fidusud op p. 11 van haar vierde besluiten stelt dat het stuk 3 van J.-P. W. haar niet is meegedeeld, erkent zij voorafgaandelijk op p. 2 van dezelfde besluiten dat zij de stukken 2 en 3 van J.-P. W. wel heeft ontvangen, zodat haar bewering op p. 11 blijkbaar een vergissing is, vermoedelijk ingevolge de overname ervan uit haar eerdere besluiten. Na ontvangst van dit stuk heeft Fidusud de betaling van voormelde bedragen niet tegengesproken. Dat deze betalingen plaatsvonden vóór de overdracht van de schuldvorderingen, belet niet dat zij van de ene of de andere schuldvordering moeten afgetrokken worden, voor zover deze betalingen daarop betrekking hebben en deze nog niet eerder in mindering van de vordering zijn gebracht. Volgens de door J.-P. W. voorgelegde uittreksels van de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie gaat het om betalingen op de rekening met nr. 065-7949376-25. Het gaat dus niet om een gedeeltelijke terugbetaling van het negatief saldo van de rekening met nr. 063-0972877-02. Evenmin blijkt dat deze betalingen betrekking hebben op de kredietovereenkomst van 15.3.1991. Doch zelfs indien deze betalingen daarop betrekking hebben, dan waren zij overeenkomstig artikel 1254 B.W. eerst toerekenbaar op de intresten, en vervolgens op het kapitaal. Op het ogenblik van de betalingen in juni en oktober 1995 waren de aangerekende intresten verjaard, aangezien deze slechts aanvingen op 5.5.1992. Deze intresten werden door Fidusud gedetailleerd in haar stuk 8. Weliswaar gaat het daarin om een zeer hoge intrestvoet (21,6 %), doch zelfs indien deze op grond van artikel 1153 B.W. aanzienlijk zou moeten gematigd worden, dan nog is het totaal van de intresten tot juni en oktober 1995 veel hoger dan de in deze maanden betaalde bedragen van resp. 775,10 EUR en 64,95 EUR. Deze betalingen dienen dus niet afgetrokken te worden van de niet-verjaarde hoofdsommen. Evenmin kunnen deze toegerekend worden op de intresten, die slechts verschuldigd zijn vanaf 26.10.2004, vermits de betalingen voordien gebeurd zijn. 9. Fidusud brengt van haar totale vordering de in juli 1999 betaalde bedragen voor een totaal van 1.539,16 EUR in mindering. In toepassing van artikel 1254 B.W. stelt zij terecht dat deze bedragen eerst op de intresten dienen aangerekend te worden. Opnieuw moet aan de hand van stuk 8 van Fidusud vastgesteld worden dat, zelfs nog na aftrek van de betalingen van 775,10 EUR en 64,95 EUR, het bedrag van de intresten, die op het ogenblik van deze betalingen opeisbaar en nog niet verjaard waren, ruimschoots het bedrag van de betalingen overschrijdt, zelfs indien de rentevoeten aanzienlijk zouden moeten gematigd worden. Derhalve is er geen reden om deze betaling toe te rekenen op één van de hoofdsommen. Evenmin kunnen deze toegerekend worden op de intresten, die slechts verschuldigd zijn vanaf 26.10.2004, vermits de betalingen voordien gebeurd zijn. 10. Fidusud vordert in verband met de kredietovereenkomst van 15.3.1991 een schadevergoeding van 15 % van de onbetaalde termijnen, hetzij 1.620,70 EUR. Zij verwijst daarvoor naar artikel 6 van de algemene kredietvoorwaarden, die zij als haar stuk 14 voorlegt. Zonder dat daaromtrent een specifiek concreet verweer gevoerd werd, heeft de eerste rechter dit onderdeel van de vordering afgewezen, omdat Fidusud niet aantoonde dat een dergelijk schadebeding in de overeenkomst werd opgenomen. R. W. qq. en J.-P. W. sluiten zich daarbij aan. Ondergeschikt vragen zij het schadebeding te vernietigen of te matigen op grond van artikel 1231 B.W.. Dit verweer kan echter niet worden bijgetreden. 10.1. Op de voorzijde van de kredietovereenkomst wordt verwezen naar de algemene voorwaarden op de achterzijde. Bovenaan de handtekeningen van J.-P. W. en M. D. is het volgende gestipuleerd: "De kopers en de verkoper verklaren kennis te hebben van de algemene voorwaarden op de keerzijde en gaan ermee akkoord." Derhalve behoorden de algemene voorwaarden, die voorkwamen op de achterzijde van het document, tot de overeenkomst. Alhoewel het niet zeker is dat het de versie van de algemene voorwaarden, die Fidusud als haar stuk 14 voorlegt, was, die voorkwam op de achterzijde van de kredietovereenkomst, kan toch aangenomen worden dat in deze algemene voorwaarden op de achterzijde een schadebeding ten bedrage van 15 % was opgenomen, aangezien het Gemeentekrediet in haar ingebrekestelling dd. 7.4.1992 aan J.-P. W. en M. D., die niet werd tegengesproken, uitdrukkelijk verwees naar de overeengekomen schadevergoeding van 15 % volgens de algemene voorwaarden. Derhalve staat voldoende vast dat in de kredietovereenkomst wel degelijk een schadebeding van 15 % was opgenomen. 10.2. Er is geen reden om dit schadebeding te vernietigen of te matigen. Artikel 1231 § 1 B.W. bepaalt dat de rechter de straf, die bestaat in het betalen van een bepaalde geldsom, kan verminderen, wanneer die som kennelijk het bedrag te boven gaat dat de partijen konden vaststellen om de schade wegens niet-uitvoering van de overeenkomst te vergoeden. Het toetsingscriterium is niet de werkelijke schade, maar wel de potentiële schade die de partijen konden voorzien op het ogenblik van het sluiten van de overeenkomst, indien de schuldenaar zijn verbintenissen niet zou nakomen. Bovendien kan de overeengekomen schadevergoeding slechts verminderd worden indien deze kennelijk overdreven is, met andere woorden indien voor elk redelijk persoon duidelijk en onbetwistbaar vaststaat dat dit bedrag de potentiële schade overschrijdt. R. W. qq. en J.-P. W. tonen niet aan dat de tussen partijen overeengekomen schadevergoeding van 15 % van het nog verschuldigde bedrag kennelijk de potentiële voorzienbare schade overschrijdt. 10.3. Over de berekening van de schadevergoeding van 1.620,70 EUR wordt geen betwisting gevoerd. Daarop is rente aan de wettelijke rentevoet verschuldigd vanaf de datum van de dagvaarding. 11. De appellanten menen dat Fidusud een inbreuk gepleegd heeft op haar schadebeperkingsplicht door vanaf februari 1998 geen enkele actie te hebben ondernomen, wat een fout uitmaakt door te speculeren op zoveel mogelijk intresten. Daarom vragen zij een volledige afwijzing van de gevorderde intresten, inclusief de gevorderde gerechtelijke intresten. Aan Fidusud worden enkel intresten toegekend vanaf 26.10.2004, datum van de ingebrekestelling (en niet 16.10.2004, zoals de eerste rechter per vergissing heeft genoteerd), en worden de andere intresten afgewezen wegens verjaring. Het verweer op basis van de inbreuk op de schadebeperkingsplicht is bijgevolg niet relevant in zover het betrekking heeft op de verjaarde intresten. De periode tussen de ingebrekestelling van 26.10.2004 en de dagvaarding van 2.10.2006, getuigt niet van een foutief stilzitten van Fidusud zodat er dienaangaande geen inbreuk op de schade-beperkingsplicht kan worden weerhouden. Hetzelfde geldt wat betreft de duur van procedure, zodat er ook geen reden is om de gerechtelijke intresten, die lopen vanaf de dagvaarding, af te wijzen. 12. De eerste rechter heeft vanaf 16.10.2004 (wat 26.10.2004 dient te zijn) intresten toegekend aan de wettelijke intrestvoet, die hij bepaald heeft op 7 %. Inzake deze intrestvoet worden door de partijen geen grieven geformuleerd, zodat deze beslissing dient bevestigd te worden, met dien verstande dat het nominaal bedrag van de intrestvoet niet dient bepaald te worden, aangezien deze fluctueert in de tijd. 13. Op het verzoek van R. W. qq. en J.-P. W. uitstel van betaling te verkrijgen kan niet worden ingegaan. De rechter kan slechts een gematigd uitstel verlenen, met grote omzichtigheid en daarbij rekening houdend met de termijnen die de schuldenaar reeds heeft genoten (art. 1244 B.W.). Rekening houdend met de omvang van het bedrag waartoe R. W. qq. veroordeeld wordt, stemt een betalingsfaciliteit, zoals door hem gevraagd, waarbij maandelijks 100,00 EUR zou betaald worden, niet overeen met een gematigd uitstel. J.-P. W. doet zelfs geen voorstel met betrekking tot het maandelijks bedrag dat hij bereid is te betalen. Bovendien toont hij niet aan dat hij ongelukkig en te goeder trouw is. Hij legt geen enkel stuk voor dat het hof zou toelaten zijn financiële toestand correct in te schatten. Ten slotte hebben beide partijen de facto reeds voldoende uitstel van betaling genoten. IV. Gerechtskosten 1. De eerste rechter heeft correct geoordeeld over de gerechtskosten, met dien verstande dat, waar hij "verweerder" verwees tot de gerechtskosten, hij ongetwijfeld de beide appellanten bedoelde. Ten onrechte begroten Fidusud en J.-P. W. hun rechtsplegingsvergoedingen in eerste aanleg op telkens 2.000,00 EUR. Artikel 10 van het Koninklijk besluit van 26.10.2007 "tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat" bepaalt dat de artikelen 1 tot en met 13 van de wet van 21 april 2007 in werking zijn getreden op 1 januari 2008. De artikelen 1 tot en met 12 van deze wet zijn van toepassing op de zaken die hangende zijn op het moment dat ze in werking treden (artikel 13 van deze wet). Hetzelfde Koninklijk besluit van 26 oktober 2007 heeft het Koninklijk besluit van 30.11.1970 "tot vaststelling van het tarief van de invorderbare kosten bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek" opgeheven (artikel 9). Het heeft nieuwe tarieven voor de rechtsplegingsvergoeding vastgesteld (artikel 2). Deze nieuwe tarieven zijn toepasselijk op het huidig geding in hoger beroep. De rechtsplegingsvergoeding in de procedure voor de eerste rechter dient begroot te worden volgens de op dat ogenblik geldende wetgeving, met name het koninklijk besluit van 30.11.1970, aangezien de nieuwe regeling en bedragen slechts gelden per aanleg. De nieuwe wet is enkel van toepassing op hangende zaken en niet op reeds in eerdere aanleggen beslechte zaken (vgl. VOET, S., "Enkele praktische knelpunten bij de toepassing van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van kosten en erelonen van advocaten", R.W., 2007-08, p. 1130). Een zaak is hangend tot een eindbeslissing wordt geveld in de betrokken aanleg (vgl. LINDEMANS, J.-D., "De toepasselijkheid van de Wet verhaalbaarheid Erelonen op "hangende" geschillen", R.W., 2007-08, p. 1387). Het eindvonnis in eerste aanleg is uitgesproken op 25 april 2007, dus vóór de inwerkingtreding van de wet van 21.4.2007. Aldus gelden voor deze aanleg de rechtsplegingsvergoedingen overeenkomstig het koninklijk besluit van 30.11.1970. 2. Aangezien het hoger beroep van R. W. in eigen naam onontvankelijk is en de hoger beroepen van R. W. qq. en J.-P. W. ongegrond zijn, en het incidenteel beroep van Fidusud deels gegrond is, dienen de eerstgenoemden tot de gerechtskosten van de beroepsprocedure veroordeeld te worden. Partijen zijn het erover eens dat de basisvergoeding in deze zaak dient bepaald te worden op 2.000,00 EUR. R. W., zowel in eigen naam als qq., en J.-P. W. vragen de rechtsplegingsvergoeding van Fidusud ten aanzien van hen te begroten op 1.000,00 EUR, gezien hun precaire financiële situatie. Overeenkomstig artikel 1022, derde lid Ger. W. kan de rechter, op verzoek van een van de partijen, de rechtsplegingsvergoeding verminderen, rekening houdend met de financiële draagkracht van de verliezende partij. Het Hof gaat in op het verzoek van R. W., zowel in eigen naam als qq., om de rechtsplegingsvergoeding van Fidusud ten aanzien van hem te begroten op het minimumbedrag van 1.000,00 EUR, gelet op de verstrekte uitleg en de voorgelegde stukken, die wijzen op zijn beperkte financiële draagkracht en deze van M. D. Het hof gaat echter niet in op hetzelfde verzoek van J.-P. W., aangezien hij geen enkel stuk voorlegt, waaruit zijn beperkte financiële draagkracht blijkt. V. J.-P. W. vraagt het arrest uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Krachtens artikel 1397 Ger. W. schorsen verzet en hoger beroep tegen eindvonnissen de uitvoerbaarheid ervan. Tegen een tegensprekelijk arrest kan geen verzet, noch hoger beroep worden aangetekend, doch staat enkel nog een voorziening in Cassatie open. Deze voorziening heeft echter geen opschortende werking. De partij, die een arrest heeft verkregen dat voor het Hof van Cassatie wordt betwist, kan de tenuitvoerlegging van dat arrest voortzetten, zelfs na de indiening van de voorziening. Het is dan ook overbodig de voorlopige tenuitvoerlegging van een tegensprekelijk arrest te bevelen. VI. Uit het geheel van deze overwegingen volgt dat het bestreden vonnis dient bevestigd te worden, met dien verstande dat: - het bedrag waartoe R. W., in zijn hoedanigheid van voorlopig bewindvoerder van M. D., en J.-P. W. solidair veroordeeld worden, gebracht wordt op 23.341,82 EUR (= 8.940,97 EUR + 12.780,15 EUR + 1.620,70 EUR), meer de moratoire rente aan de wettelijke rentevoet op 21.721,12 EUR vanaf 26.10.2004 tot en met 1.10.2006, en de gerechtelijke rente aan de wettelijke rentevoet op 23.341,82 EUR vanaf 2.10.2006 tot de datum van betaling; - R. W. qq. en J.-P. W. veroordeeld worden tot de gerechtskosten in eerste aanleg; - de tegenvorderingen tot nietigverklaring van het krediet, toegestaan op de rekening nr. 063-0972877-02, en van het krediet, toegestaan op 15.3.1991, ontvankelijk doch ongegrond zijn. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Voegt de zaken met de rolnummers nrs. 2007/AR/1977, 2007/AR/1980 en 2009/AR/1441 samen; Verklaart het hoger beroep van R. W. in eigen naam onontvankelijk; Verklaart de hoger beroepen van J.-P. Wullaert en R. W. in zijn hoedanigheid van voorlopig bewindvoerder van M. D., ontvankelijk; Verklaart het incidenteel beroep van de nv Fidusud ontvankelijk; Verklaart de hoger beroepen van J.-P. W. en R. W., in zijn hoedanigheid van voorlopig bewindvoerder van M. D., ongegrond en het incidenteel beroep van de nv Fidusud in beperkte mate gegrond; Bevestigt het bestreden vonnis, met dien verstande dat: - het bedrag waartoe R. W., in zijn hoedanigheid van voorlopig bewindvoerder van M. D., en J.-P. W. solidair veroordeeld worden, gebracht wordt op DRIEENTWINTIGDUIZEND DRIEHONDERD EENENVEERTIG EURO EN TWEEENTACHTIG CENT (23.341,82 EUR), meer de moratoire rente aan de wettelijke rentevoet op 21.721,12 EUR vanaf 26.10.2004 tot en met 1.10.2006, en de gerechtelijke rente aan de wettelijke rentevoet op 23.341,82 EUR vanaf 2.10.2006 tot de datum van betaling; - R. W., in zijn hoedanigheid van voorlopig bewindvoerder van M. D., en J.-P. W. veroordeeld worden tot de gerechtskosten in eerste aanleg; Veroordeelt R. W., in eigen naam en in zijn hoedanigheid van voorlopig bewindvoerder van M. D., en J.-P. D. tot de gerechtskosten in hoger beroep, aan hun zijde niet te begroten, aangezien ze te hunne laste vallen, en aan de zijde van de nv Fidusud te begroten op 2.000,00 EUR rechtsplegingsvergoeding, evenwel beperkt tot 1.000,00 EUR ten aanzien van R. W. in eigen naam en in zijn hoedanigheid van voorlopig bewindvoerder van M. D.; Onverminderd de toepassing van artikel 1024 Ger. W. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van Beroep te Gent, TWAALFDE KAMER, zetelend in burgerlijke zaken, op heden 14-10-2009. Aanwezig: - A. Van de Putte, raadsheer, wn. voorzitter; - E. Dursin, raadsheer; - G. Danneels, raadsheer; - B. De Wilde, griffier. Gerelateerde publicatie(
- s)citeert: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060427.6 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070928.1 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20071116.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div