id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 15 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20091015.9 Rolnummer: 2008/AR/2391 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2010-02-23 Raadplegingen: 98 - laatst gezien 2026-07-02 20:25 Fiche Het hof stelt vast dat de overeengekomen duur van een beding vanaanwas verstreken is, zodat het bij overlijden geen uitwerking meer kan hebben. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ZAKELIJKE RECHTEN - Vruchtgebruik - Algemeen BURGERLIJK RECHT - BIJZONDERE OVEREENKOMSTEN - Gezinswoning Vrije woorden: Beding van aanwas - aankoop woning - vruchtgebruik - termijn - verval - uitwerking Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 11b Kamer ________ Terechtzitting van 15 oktober 2009 EINDARREST - In de zaak met het rolnummer 2008/AR/2391 van: D. L., politieagent, wonende te ........................, appellant tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk, op tegenspraak gewezen door de vijfde kamer dd. 26-2-2008, oorspronkelijk verweerder, hebbende als raadsman mr. CASTRYCK Pascal, advocaat te 8650 Houthulst, Iepersteenweg 71 tegen :
- S. D., textielarbeider, wonende te ............,
- S. N., schilder, wonende te ...............,
- S. G., stikster, wonende te ..................,
- S. L., verkoopster, wonende te ................,
- S. G., houtbewerker, wonende te .................., 6.S .R.meestergast, wonende te ...................,
- S. M., schoonmaakster, wonende te ......................, geïntimeerde, oorspronkelijk eisers, hebbende als raadsman mr. TREMMERY Jacques, advocaat te 8930 Menen, Ieperstraat 116 velt het hof het volgend arrest.
- 1.
- Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van dit Hof op 16 september 2008, heeft appellant tijdig en regelmatig naar de vorm hoger beroep ingesteld tegen een vonnis dat op 26 februari 2008 werd uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk, vijfde kamer, en waarbij geoordeeld werd over de zwarigheden op de tussentijdse staat van bewerkingen van vereffening en verdeling die op 26 april 2007 werd opgemaakt door notaris P. V. De eerste rechter zegde dat het geding ging om een beding van aanwas van vruchtgebruik, dat was opgenomen in de akte van aankoop d.d. 16.01.1998, en dat dit beding geen uitwerking meer had toen M. S. overleed. Hij zegde voor recht dat geïntimeerden mede-eigenaars zijn voor de helft van de woning gelegen te ..................... Hij verwees partijen terug naar de boedelnotaris teneinde de werkzaamheden en de opdracht zoals vervat in het vonnis van 20 juni 2006 verder te zetten en te voleindigen. 1.
- De laatste conclusies, die de partijen namen en die volgens artikel 748 bis Ger.W de vorm aannemen van syntheseconclusies zijn de conclusies die appellant en geïntimeerden tijdig hebben neergelegd respectievelijk op 20.03.2009 en op 22.04.
- 1.
- Geïntimeerden vragen dat het beroep ongegrond zou worden verklaard en dat het bestreden vonnis zou worden bevestigd.
- M. S., de rechtsvoorgangster van geïntimeerden, was de zus van laatstgenoemden. Ze heeft meer dan 20 jaar feitelijk samengewoond met appellant. Ze heeft zich op 15.10.2005 van het leven beroofd. Volgens geïntimeerden had appellant in juni 2005 M. S. verlaten om met een andere vrouw te gaan samenwonen. Appellant heeft deze bewering niet betwist. Bij akte van 16.01.1998 hadden M. S. en L. D. hogervermelde woning gekocht, ieder voor de onverdeelde helft. De kopers kwamen overeen dat bij overlijden van één van hen, het vruchtgebruik van het aandeel van de eerststervende in voormeld onroerend goed zal aangroeien bij het aandeel van de langstlevende en dit zonder terugwerkende kracht. Deze aanwas werd overeengekomen onder bepaalde voorwaarden o.a. "1/de overeenkomst is geldig voor een termijn van twee jaar, te rekenen vanaf heden. Op het einde van de tweejarige termijn zal de overeenkomst automatisch hernieuwd worden voor een nieuwe periode van twee jaar, tenzij één van de partijen bij aangetekend schrijven de overeenkomst heeft opgezegd en dit drie maand voor het eind van de lopende termijn. In dit laatste geval zal elk van de partijen de mogelijkheid hebben om de opzeg vast te leggen bij notariële akte en ze tevens op zijn kosten te laten overschrijven op het hypotheekkantoor. 2/ de overeenkomst vervalt van rechtswege voor het geval de partijen met elkaar huwen. ... 7/ tenslotte zal de langstlevende bij het overlijden van de eerststervende de aangroei ten zijnen voordele dienen vast te stellen bij notariële akte, dewelke zal dienen overgeschreven te worden op het hypotheekkantoor." Op 5 mei 2006 hebben geïntimeerden appellant, wonende te ....., ......, gedagvaard teneinde de gerechtelijke vereffening en verdeling te horen bevelen. Blijkens een schrijven van de raadsman van geïntimeerden d.d. 2 oktober 2007 was appellant zinnens de woning vanaf 1 november 2007 te verhuren en werd in dat verband de opmerking gemaakt dat eerst nog moest uitgemaakt worden of appellant gerechtigd was op het volledige vruchtgebruik van de woning. Appellant blijkt niet de aangroei te hebben laten vaststellen bij notariële akte zoals bepaald in de genoemde akte onder de hoger geciteerde voorwaarde
- De motivering van de eerste rechter om te beslissen dat het beding van aanwas geen uitwerking heeft, is tweeërlei. a. Hij zegde dat er tussen M. S. en L. D. op 16.01.1998 een contract ten bezwarende titel is gesloten waarbij ze een beding van aanwas hebben onderschreven. Hij zegde dat de leer van de verdwijning van de oorzaak op een contract ten bezwarende titel niet van toepassing is maar dat bij rechtsmisbruik een uitzondering op deze regel wordt gemaakt. Verder luidde de uiteenzetting als volgt: "Vanuit deze invalshoek argumenteren eisers terecht dat inderdaad de samenwoning van partijen determinerend was en aan de basis lag van het opnemen van het beding van aanwas in vruchtgebruik in de akte. De feitelijke constellatie in deze zaak en de gewijzigde omstandigheden dagtekenend voor het overlijden van mevrouw S. zijn meer dan afdoende motieven die er toe leiden dat het beding zijn bestaansreden en dan ook zijn oorzaak heeft verloren, zodat er in hoofde van verweerder niets anders kan geconcludeerd worden dan dat er sprake is van rechtsmisbruik in de zin van artikel 1134, laatste lid B.W." b. Hij zegde dat bovendien bepaald werd voor welke termijn de overeenkomst was aangegaan en dat de overeengekomen termijn gedurende dewelke het beding zou gelden, verstreken was. Hij merkte het volgende op: "Er is niet gestipuleerd dat het beding van aanwas wordt aangegaan voor een duur van twee jaar en dat ze na het verstrijken van die termijn automatisch wordt verlengd met opeenvolgende (eigen onderlijning) periodes van twee jaar, hetzij telkens (eigen onderlijning) hernieuwd wordt voor een nieuwe periode met dezelfde duur, tenzij één van de partijen zijn wil te kennen heeft gegeven aan de andere partij om de overeenkomst te beëindigen zoveel maanden voor het beëindigen van de lopende tweejaarlijkse periode."
- 4.
- Zoals de eerste rechter kan het Hof de appellant niet volgen waar hij stelt dat er in akte van 16 januari 1998 geen beding van aanwas maar een tontinebeding is opgenomen (in de zin van de clausule Raucent). Uit de lezing van de akte blijkt duidelijk dat er over het vruchtgebruik niet werd overeengekomen met de verkoper zoals in het tontinebeding volgens de clausule Raucent, maar dat de beide kopers die van verkoper de volle eigendom elk voor de helft overeenkwamen over een beding van aanwas aangaande hun vruchtgebruik. 4.
- Indien het beding van aanwas heeft opgehouden te bestaan omdat de overeengekomen duur ervan verstreken was, dan volstaat uiteraard deze vaststelling als reden om te beslissen dat het beding geen uitwerking meer had toen M. S. overleed. Appellant is niet akkoord met de zienswijze van de eerste rechter dat bij het verstrijken van de overeengekomen duur van twee jaar zonder dat er een opzeg was betekend, een automatische hernieuwing voor een nieuwe periode van twee jaar gebeurde die eenmalig was. Appellant miskent de termen van de overeenkomst als hij zegt dat uit de termen van de overeenkomst blijkt dat het beding van aanwas werd overeengekomen voor onbepaalde duur met conventionele opzegmogelijkheid in perioden van twee jaar. Er is een duur van twee jaar bepaald die bij gebrek aan opzeg drie maand voor het einde van de tweejarige termijn hernieuwd wordt voor een nieuwe periode van twee jaar, hetgeen neerkomt op een maximale duur van 4 jaar. De tekst is duidelijk, meer bepaald zoals de eerste rechter zegde, doordat er niet is gezegd dat het beding van aanwas wordt aangegaan voor een duur van twee jaar en dat ze na het verstrijken van die termijn automatisch wordt verlengd met opeenvolgende (eigen onderlijning) periodes van twee jaar, hetzij telkens (eigen onderlijning) hernieuwd wordt voor een nieuwe periode met dezelfde duur, tenzij één van de partijen zijn wil te kennen heeft gegeven aan de andere partij om de overeenkomst te beëindigen zoveel maanden voor het beëindigen van de lopende tweejaarlijkse periode. Waar partijen zich hebben kunnen bedienen van duidelijke bewoordingen om hun bedoelingen uit te drukken en de overeenkomst geen interpretatie vereist, is het zinloos dat appellant zegt dat een beding van aanwas voor onbepaalde duur met conventionele opzegmogelijkheid de bedoeling was van de partijen. Appellant heeft overigens geen motieven aangehaald waarom deze bewering juist zou zijn. Deze bewering is uiteraard niet juist omdat het absurd zou zijn aan te nemen dat beide concubanten de bedoeling zouden hebben gehad de looptijd te beperken tot 4 jaar. M. S. en L. D.kunnen het plan hebben opgevat om binnen een bepaalde tijd te huwen waardoor de overeenkomst volgens voorwaarde 2 van rechtswege vervallen zou zijn bij het verstrijken van vier jaar na datum van de akte. Aan een duidelijke tekst kan niet geraakt worden. Mogelijks heeft M. S. na de breuk de akte nagelezen en was ze er omwille van de duidelijke tekst gerust in dat de geldigheidsduur van het beding van aanwas verstreken was. Aangezien de duur van het beding van aanwas vanaf 17 januari 2002 verstreken was, is er geen reden meer om een beoordeling te doen van de argumentatie die geïntimeerden hadden aangevoerd in de veronderstelling dat de termijn van twee jaar telkens hernieuwd was geworden voor een nieuwe periode met dezelfde duur. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Verklaart het beroep ontvankelijk en ongegrond; Bevestigt het bestreden vonnis; Verwijst appellant in de kosten van de aanleg in hoger beroep. Begroot deze kosten voor geïntimeerden op 1.200 EUR. Aldus gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Beroep te Gent, de 11e-b kamer, rechtdoende in burgerlijke zaken, op heden 15-10-
- Aanwezig: - P. De Buck, voorzitter ; - B. De Wilde, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div