id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 28 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20091028.8 Rolnummer: 2008/AR/0254 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2010-02-02 Raadplegingen: 130 - laatst gezien 2026-07-02 20:30 Fiche
- Als de algemene factuurvoorwaarden worden betwist, kan een bevoegdheidsincident niet worden opgelost aan de hand van een bevoegdheidsbeding dat daar deel van uitmaakt. De territoriale bevoegdheid wordt immers beoordeeld los van de grond van de zaak, waartoe in dat geval het onderzoek naar de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden behoort. Dan moet teruggevallen worden op de gemeenrechtelijke regels van onder meer artikel 624 van het gerechtelijk wetboek.
- Wanneer er geen betwisting is over toepasselijkheid van de algemene voorwaarden, waarin het bevoegdheidsbeding is opgenomen, geldt een bevoegdheids-overeenkomst die de partijen bindt (artikel 1134 B.W.). Deze bevoegdheidsovereenkomst kan slechts herroepen worden mits wederzijdse toestemming door beide partijen. Deze wederzijdse toestemming kan blijken uit het feit dat - enerzijds - de eisende partij voor een andere rechtbank dagvaardt én - anderzijds - de verweerder nalaat vóór elke andere exceptie of verweer de onbevoegdheid op te werpen.
- Eén partij kan niet eenzijdig afstand doen van de bevoegdheidsovereenkomst, zelfs indien deze overeenkomst uitsluitend in haar voordeel werd bedongen (LAENENS, J., De bevoegdheidsovereenkomsten naar Belgisch recht, p. 108-109, nr. 386-387). De regels inzake territoriale bevoegdheid hebben immers een aanvullend karakter en moeten wijken voor de geldende overeenkomsten tussen partijen. Slechts wanneer de overeenkomst de mogelijkheid om ervan af te wijken zou bedingen, kan de eisende partij zich alsnog beroepen op de aanvullende regel van artikel 624,1° Ger.W.
- Op grond van artikel 78 van het wetboek van vennootschappen dienen alle facturen van een vennootschap onder meer haar naam te vermelden. Het ontbreken van één van de vermeldingen van artikel 78 W.Venn. in akten die uitgaan van de vennootschap, belet evenwel niet noodzakelijk dat de betreffende akte aan derden kan worden tegengeworpen en uitwerking heeft (Vr. en Antw. Senaat, 18 juli 2006, 7422). De sanctie bestaat niet in de ontoelaatbaarheid of onontvankelijkheid van de daarop gesteunde vordering. Enkel zou hij die, namens de vennootschap meewerkt aan een akte die niet voldoet aan de voorschriften van artikel 78, naar gelang van de omstandigheden, persoonlijk aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de daarin door de vennootschap aangegane verbintenissen (artikel 80 W.Venn.).
- Er kan geen sprake zijn van samenhang wanneer de ene vordering hangende is voor een rechtscollege dat in eerste aanleg uitspraak dient te doen en de andere voor een rechtscollege dat in hoger beroep uitspraak moet doen. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENISSEN UIT OVEREENKOMST - Grondpijlers - Bindende kracht Vrije woorden: - Territoriale bevoegdheid - bevoegdheidsovereenkomst - bindende kracht - (geen) eenzijdige afstand - Vennootschappen - verplichte vermeldingen op factuur - sanctie - Samenhang - voorwaarde - zaken hangend in zelfde aanleg. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 12 Kamer ________ Terechtzitting van 28 oktober 2009 EINDARREST - In de zaak met het rolnummer 2008/AR/254 van: bvba KIMAUD, met zetel te 9750 Zingem, Sportstraat 2a, met ondernemingsnr. 0461.871.438, appellante tegen het vonnis van de rechtbank van koophandel te Oudenaarde, op tegenspraak gewezen door de eerste kamer dd. 18-12-2007, oorspronkelijk verweerster op hoofdeis en eiseres op tegeneis, hebbende als raadsman mr. DIERICKX Willy, advocaat te 9290 Berlare, A. De Grauwelaan 3 tegen : nv ASPERSE MARMERINDUSTRIE, met zetel te 9890 Gavere, Legen Heirweg 49, geïntimeerde, oorspronkelijk eiseres op hoofdeis en verweerster op tegeneis, hebbende als raadsman mr. DECABOOTER Lucie, advocaat te 9700 Oudenaarde, Voorburg 3 velt het hof het volgend arrest. De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting in hun middelen en conclusies en de door hen neergelegde stukken werden ingezien. Bij akte van hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit hof op 25 januari 2008, heeft de bvba Kimaud hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat op 18 december 2007 tussen partijen op tegenspraak gewezen werd door de eerste kamer van de rechtbank van koophandel te Oudenaarde. Antecedenten I.
- In haar dagvaarding van 21 november 2007 zette de nv Asperse Marmerindustrie uiteen dat de bvba Kimaud haar betaling verschuldigd bleef van een factuur nr. 260109 van 30 juni 2006 voor een bedrag van 13.026,25 EUR, te vermeerderen met 2.344,73 EUR verwijlintresten aan 12% per jaar vanaf de factuurdatum en een verhoging wegens wanbetaling van 15% of 1.953,94 EUR. Zij vorderde de veroordeling van de bvba Kimaud tot betaling van 17.234,92 EUR, te vermeerderen met de gerechtelijke intresten aan de conventionele rente op 14.980,19 EUR, meer alle kosten van het geding.
- In hoofdorde besloot de bvba Kimaud tot de territoriale onbevoegdheid van de gevatte rechtbank van koophandel te Oudenaarde. Zij wees erop dat, volgens de algemene voorwaarden vermeld op de factuur waarvan betaling werd gevorderd, alleen de rechtbank van Gent bevoegd is. Zij vroeg de verwijzing naar de rechtbank van koophandel te Gent. Verder betwistte de bvba Kimaud de ontvankelijkheid van de vordering. Zij stelde dat de factuur uitging van "MARMER AM GRANIET NV" en dat noch op deze factuur, noch in de voorwaarden op de keerzijde, een andere benaming vermeld werd. Zij wees erop dat iedere factuur de naam van de "uitschrijvende partij" diende te vermelden en dat uit niets bleek dat de nv Asperse Marmerindustrie, die de dagvaarding had uitgestuurd, gemachtigd was een vordering in te stellen namens de nv MARMER AM GRANIET. De bvba Kimaud stelde bovendien een tegeneis in die ertoe strekte de nv Asperse Marmerindustrie te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding, provisioneel begroot op 2.400,00 EUR. De bvba Kimaud hield voor dat de nv Asperse Marmerindustrie de werken had uitgevoerd met een vertraging van meer dan zes maanden en dat daardoor schade was veroorzaakt, aangezien de bouwheer weigerde haar facturen te betalen. Ten slotte vroeg de bvba Kimaud de veroordeling van de nv Asperse Marmerindustrie tot de kosten van het geding. II.
- Met betrekking tot de territoriale bevoegdheid overwoog de eerste rechter dat zij dient beoordeeld te worden op het tijdstip van de dagvaarding en los van de grond van de zaak, aan de hand van wat in de dagvaarding wordt gesteld. Hij achtte zich, als rechter van de woonplaats van de bvba Kimaud, bevoegd op grond van artikel 624,1° van het gerechtelijk wetboek.
- De eerste rechter stelde vast dat op de stukken, die door de partijen werden voorgelegd, de nv Asperse Marmerindustrie werd vermeld als AMI NV natuursteen, AMI marmer & graniet of marmer AMI graniet, met zetel te 9890 Gavere, Legen Heirweg
- Volgens hem was het duidelijk dat AMI een afkorting was voor Asperse Marmerindustrie en dat het een en dezelfde vennootschap betrof, wat ook bleek uit het ondernemingsnummer. Hij besloot dat er van verwarring geen sprake kon zijn en dat de vordering ontvankelijk was.
- Verder overwoog de eerste rechter dat de bvba Kimaud niet betwistte de factuur te hebben ontvangen. Uit haar gebrek aan tijdig en concreet protest tegen deze factuur en het onbeantwoord laten van een reactie op de aanmaning tot betaling ervan, leidde hij af dat de bvba Kimaud de litigieuze factuur aanvaard had, zodat de hoofdeis alvast gegrond was tot beloop van de hoofdsom van 13.026,25 EUR. Hij oordeelde dat de aanvaarding van de factuur ook gold als aanvaarding van de verkoopvoorwaarden, die daarop vermeld waren. De conventionele rente van 12% achtte hij evenwel kennelijk overdreven en hij herleidde ze tot de wettelijke rentevoet zoals vastgesteld door artikel 5 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties. Ook de conventioneel bedongen schadevergoeding van 15% wegens wanbetaling achtte hij buitenmatig. Hij herleidde ze tot 10% van de hoofdsom of 1.302,63 EUR. Hij verklaarde de vordering van de nv Asperse Marmerindustrie in de volgende mate gegrond: hij veroordeelde de bvba Kimaud tot betaling aan de nv Asperse Marmerindustrie van 14.328,88 EUR, te vermeerderen met de wettelijke interesten aan de rentevoet zoals vastgesteld in artikel 5 van de voormelde wet van 2 augustus 2002 op 13.026,25 EUR vanaf 30 juli 2006 tot de datum van de betaling, vanaf de dagvaarding te aanzien als gerechtelijke intresten, en met de gerechtelijke intresten aan de wettelijke rentevoet op 1.302,63 EUR; het meer gevorderde van de hoofdeis verklaarde hij ongegrond.
- De tegenvordering wees de eerste rechter af als ontvankelijk, doch ongegrond. Hij stelde vast dat zij voor het eerst in besluiten werd gesteld en dat uit geen enkel stuk bleek dat de bvba Kimbaud daarvoor al eerder een ingebrekestelling had gericht aan de nv Asperse Marmerindustrie of daaromtrent enig voorbehoud had gemaakt. Hij veroordeelde de bvba Kimaud tot de gedingkosten. III.
- In hoger beroep vraagt de bvba Kimaud dat het hof het bestreden vonnis teniet doet en, opnieuw wijzende, de zaak verwijst naar de rechtbank van koophandel te Gent. Minstens vordert zij dat de oorspronkelijke hoofdeis wordt afgewezen als onontvankelijk. Nog meer ondergeschikt vraagt zij dat het hof opnieuw uitspraak ten gronde verleent en de oorspronkelijke vordering afwijst als ongegrond. Verder vroeg de bvba Kimaud in haar verzoekschrift tot hoger beroep dat het hof haar tegeneis ontvankelijk en gegrond verklaarde en de nv Asperse Marmerindustrie veroordeelde tot betaling van een schadevergoeding, provisioneel begroot op 2.400,00 EUR, meer de gerechtelijke intresten. In haar conclusie in hoger beroep vraagt de bvba Kimaud dat het hof, alvorens ten gronde uitspraak te doen over de tegeneis, deze naar de bijzondere rol verwijst in afwachting van de afhandeling van de procedure tussen haar en de nv Eurisa, die hangend is voor de rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Minstens vraagt zij dat de tegeneis verwezen wordt naar de rechtbank van eerste aanleg te Brussel om gevoegd te worden bij de procedure, die daar gekend is onder het A.R. nr. 2006/6442/A. Ten slotte vordert de bvba Kimaud dat de nv Asperse Marmerindustrie veroordeeld wordt tot de gedingkosten in beide aanleggen.
- De nv Asperse Marmerindustrie vraagt dat het hof het bestreden vonnis bevestigt in zijn beschikkingen, met dien verstande dat een bedrag van 13.026,25 EUR, betaald op 10 december 2007, in mindering wordt gebracht. Bovendien vraagt zij dat de bvba Kimaud veroordeeld wordt tot de gedingkosten, die zij begroot op 226,13 EUR dagvaardingskosten, 1.100,00 EUR rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg en 1.100,00 EUR rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep. Bespreking I.
- Op 10 december 2005 richtte de nv AMI Natuursteen een faxbericht aan "Kimaud t.a.v. Willy." Dit faxbericht was ondertekend door L. D., in zijn hoedanigheid van gedelegeerd bestuurder. Daarin werd bevestigd, onder verwijzing naar een telefoongesprek, dat "de plaatsing van de gevelbekleding in blauwe hardsteen verzoet zal gebeuren in de laatste 2 weken van januari
- De opmeting zal nog voor eind 2005 gebeuren." Er werd aan toegevoegd dat de vooropgestelde planning kon beïnvloed worden door overmacht, slecht weer e.d. en dat de "firma AMI" in dat geval niet verantwoordelijk kon worden gesteld. Ten slotte werd gesteld: "De verkoop gebeurt enkel en alleen onder onze algemene voorwaarden, die aanzien worden als de enige geldende." Dit faxbericht vermeldde, ter identificatie van de afzender, naast "AMI nv Natuursteen" ook nog "Legen Heirweg 49 9890 GAVERE-ASPER TEL. 09-384.38.91 FAX 09.384.47.77."
- In een brief van 24 maart 2006 bevestigde de bvba Kimaud aan "AMI marmer & graniet", t.a.v. de heer "L. D. B.", "afwerking blauwe hardsteen in week 13 dwz volledig afgewerkt tegen 31 maart 2006". Verder stelde de bvba Kimaud dat zij de voorlopige oplevering zou proberen te verplaatsen van 28 maart 2006 naar 4 april
- Op 30 juni 2006 werd aan de bvba Kimaud 13.026,25 EUR gefactureerd voor "leveren en plaatsen te Brussel van Gevelbekleding in arduin gevlamd." De identiteit van de afzender van deze factuur wordt vermeld onder de vorm van een logo waarin te lezen is: "MARMER AMI GRANIET". Daaronder staat "N.V." en vervolgens "Legen Heirweg 49 - 9890 Gavere (Asper)- Tel. 09/384.38.91 - Fax 09/384.47.77."
- Bij aangetekende brief van 30 oktober 2007 richtte "AMI N.V." een rekeninguittreksel aan de bvba Kimaud, waarin zij aandrong op betaling van de openstaande factuur. Ook dit rekeninguittreksel vermeldde het adres Legen Heirweg 49, 9890 Gavere en, naast een rekeningnummer, het telefoonnummer 09-384.38.
- II. Er ligt geen betekening voor van het vonnis van 18 december 2007 en de partijen houden evenmin voor dat het betekend werd. Het hoger beroep van de bvba Kimaud, dat tijdig werd ingesteld en regelmatig is naar de vorm, is ontvankelijk. III.
- Ook in hoger beroep werpt de bvba Kimaud op dat de eerste rechter zich territoriaal onbevoegd had dienen te verklaren en vraagt zij de verwijzing van de zaak naar de rechtbank van koophandel te Gent. Aangezien de territoriale bevoegdheid niet de openbare orde aanbe-langt, diende de bvba Kimbaud ze op te werpen vóór elke andere exceptie of verweer. Aan deze voorwaarde, gesteld door artikel 854 Ger.W., is voldaan. Bovendien wijst zij de rechter aan die volgens haar wel bevoegd is (artikel 855 Ger.W.).
- De bvba Kimaud beroept zich voor haar exceptie van territoriale onbevoegdheid op het bevoegdheidsbeding, vervat in de algemene voorwaarden, vermeld op de keerzijde van de factuur, waarvan betaling wordt gevorderd. Dit beding luidt als volgt: "In geval van betwistingen is alleen de rechtbank van Gent bevoegd." De bvba Kimaud overweegt dat de contractuele bepalingen inzake de bevoegde rechtbank de partijen binden en hen tot wet strekken. Zij geeft daarmee te kennen dat omtrent de algemene voorwaarden, waarin het bevoegdheidsbeding is opgenomen, een overeenkomst tot stand is gekomen. Ook de nv Asperse Marmerindustrie gaat er van uit dat haar algemene factuurvoorwaarden deel uitmaken van de overeenkomst, aangezien zij daarop steunt om conventionele rente en een conventionele verhoging aan te rekenen.
- De eerste rechter heeft overwogen dat de territoriale bevoegdheid dient beoordeeld te worden op het tijdstip van de dagvaarding en los van de grond van de zaak, aan de hand van wat in de dagvaarding wordt gesteld. Als de algemene factuurvoorwaarden worden betwist, kan een bevoegdheidsincident niet worden opgelost aan de hand van een bevoegdheidsbeding dat daar deel van uitmaakt. De territoriale bevoegdheid wordt immers beoordeeld los van de grond van de zaak, waartoe in dat geval het onderzoek naar de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden behoort. Dan moet teruggevallen worden op de gemeenrechtelijke regels van onder meer artikel 624 van het gerechtelijk wetboek (zie VOET, S., Over de bindende bevoegdheidsovereenkomst, P&B, 2007, 67). Wanneer er evenwel, zoals in het voorliggend geval, geen betwisting is over toepasselijkheid van de algemene voorwaarden, waarin het bevoegdheidsbeding is opgenomen, geldt een bevoegdheids-overeenkomst die de partijen bindt (artikel 1134 B.W.). Deze bevoegdheidsovereenkomst kan slechts herroepen worden mits wederzijdse toestemming door beide partijen. Deze wederzijdse toestemming kan blijken uit het feit dat - enerzijds - de eisende partij voor een andere rechtbank dagvaardt én - anderzijds - de verweerder nalaat vóór elke andere exceptie of verweer de onbevoegdheid op te werpen. Eén partij kan evenwel niet eenzijdig afstand doen van de bevoegdheidsovereenkomst, zelfs indien deze overeenkomst uitsluitend in haar voordeel werd bedongen (LAENENS, J., De bevoegdheidsovereenkomsten naar Belgisch recht, p. 108-109, nr. 386-387). De regels inzake territoriale bevoegdheid hebben immers een aanvullend karakter en moeten wijken voor de geldende overeenkomsten tussen partijen. Slechts wanneer de overeenkomst de mogelijkheid om ervan af te wijken zou bedingen, kan de eisende partij zich alsnog beroepen op de aanvullende regel van artikel 624,1° Ger.W. (vgl. VOET, S., De territoriale bevoegdheid en bevoegdheidsovereenkomsten revisited, R.W. 2007-2008, 326) Aangezien deze afwijkingsmogelijkheid in het voorliggende geval niet bedongen was, was de rechtbank van koophandel te Oudenaarde niet bevoegd. De omstandigheid dat de nv Asperse Marmerindustrie geen melding maakte van de bevoegdheids-overeenkomst in de inleidende dagvaarding, belet niet dat de bvba Kimaud er zich op kon beroepen en dat de gevatte rechter er rekening mee diende te houden bij het beoordelen van de exceptie van onbevoegdheid.
- De bvba Kimaud wordt dan ook bijgetreden in zover zij stelt dat de eerste rechter territoriaal onbevoegd was. Ten onrechte vordert zij evenwel dat het hof de zaak verwijst naar de rechtbank van koophandel te Gent. In de gevallen waarin een exceptie van onbevoegdheid aanhangig kan worden gemaakt voor de rechter in hoger beroep, beslist deze over het middel en verwijst de zaak, indien daartoe grond bestaat, naar de bevoegde rechter in hoger beroep (art. 643 Ger.W.). Na beslist te hebben dat de rechtbank van koophandel te Oudenaarde de zaak had dienen te verzenden naar de rechtbank van koophandel te Gent en het vonnis van de onbevoegde rechter te hebben vernietigd, dient dit hof de zaak aan zich te trekken en ten gronde te statueren, aangezien het de appèlrechter is van de rechter die in eerste aanleg bevoegd was (vgl. CASS. 24 december 1987, Arr. Cass. 1987-1988, 544). IV.
- In haar conclusie in hoger beroep werpt de bvba Kimaud op - zoals zij ook voor de eerste rechter heeft gedaan - dat de eis van de nv Asperse Marmerindustrie onontvankelijk is. De nv Asperse Marmerindustrie houdt ten onrechte voor, onder verwijzing naar de artikelen 807 Ger.W. en 1042 Ger.W., dat deze "nieuwe vordering" niet ontvankelijk is. Het betreft immers geen vordering, maar een exceptie van onontvankelijkheid. Het feit dat deze exceptie niet werd ingeroepen in de beroepsakte, belet niet dat zij nog in conclusies wordt opgeworpen.
- De nv Asperse Marmerindustrie is procesbekwaam en beschikt over hoedanigheid en belang om van de bvba Kimaud betaling te vorderen. Het belang is elk materieel of moreel voordeel dat wie een eis instelt of verweer voert, op het ogenblik van de rechtsingang mag verwachten en waardoor zijn huidige rechtstoestand gewijzigd en verbeterd kan worden (LAENENS, J., BROECKX, K., SCHEERS, D. en THIRIAR, P., Handboek Gerechtelijk Recht, tweede editie, 2008, nr. 131, p. 83). De nv Asperse Marmerindustrie mag bij het instellen van haar vordering tegen de bvba Kimaud, van wie zij betaling eist van een som geld, materieel voordeel verwachten. De vraag of zij gerechtigd is op betaling van de litigieuze factuur, betreft niet de toelaatbaarheid of ontvankelijkheid van de vordering, maar de gegrondheid ervan. De hoedanigheid is de band tussen de procespartij en het subjectieve recht waaromtrent zij in rechte treedt. In zover de nv Asperse Marmerindustrie beweert titularis te zijn van de subjectieve rechten, die bevestigd worden in de factuur waarvan zij betaling vordert, heeft zij hoedanigheid om haar vordering in te stellen, ook al wordt betwist dat zij deze rechten kan uitoefenen. Het onderzoek naar het bestaan of de draagwijdte van het subjectief recht dat wordt ingeroepen, betreft immers niet de toelaatbaarheid of ontvankelijkheid, maar de gegrondheid van de vordering (vgl. CASS. 2 april 2004, Eur. Vervoerr. 2004, 417; CASS., 28 september 2007, www.cass.be).
- Volgens de bvba Kimaud is de vordering van de nv Asperse Marmerindustrie niettemin onontvankelijk. Zij haalt ter verantwoording van deze exceptie vier punten aan: 3.
- Vooreerst stelt zij vast dat op de factuur - zowel op de voorzijde, als in de voorwaarden op de keerzijde - geen andere benaming voorkomt dan "MARMER AMI GRANIET NV." Zij wijst erop dat iedere factuur de naam van de "uitschrijvende" partij dient te vermelden. In zoverre de bvba Kimaud daarmee wil aangeven de nv Asperse Marmerindustrie geen ontvankelijke vordering kan steunen op deze factuur omdat haar vennootschapsnaam daarop niet voorkomt, kan zij niet bijgetreden worden. Op grond van artikel 78 van het wetboek van vennootschappen dienen alle facturen van een vennootschap onder meer haar naam te vermelden. Het ontbreken van één van de vermeldingen van artikel 78 W.Venn. in akten die uitgaan van de vennootschap, belet evenwel niet noodzakelijk dat de betreffende akte aan derden kan worden tegengeworpen en uitwerking heeft (Vr. en Antw. Senaat, 18 juli 2006, 7422). De sanctie bestaat niet in de ontoelaatbaarheid of onontvankelijkheid van de daarop gesteunde vordering. Enkel zou hij die, namens de vennootschap meewerkt aan een akte die niet voldoet aan de voorschriften van artikel 78, naar gelang van de omstandigheden, persoonlijk aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de daarin door de vennootschap aangegane verbintenissen (artikel 80 W.Venn.). 3.
- Vervolgens stelt de bvba Kimaud dat zij haar briefwisseling richtte aan "AMI MARMER & GRANIET", zonder evenwel te verduidelijken waarom zij dit aanhaalt. In ieder geval kan zij tegen haar medecontractant geen argument putten uit de wijze waarop zij hem benoemt. 3.
- Verder betoogt de bvba Kimaud dat haar contractpartij de uitvoering van de bestelling bevestigde op briefpapier van "AMI NV NATUURSTEEN." Ook daarbij geeft zij geen verdere toelichting. Daaruit blijkt alvast dat zij effectief een overeenkomst heeft gesloten - wat zij trouwens niet betwist -, doch schijnt zij te suggereren dat dit de vennootschapsnaam van haar medecontractant zou zijn. 3.
- Ten slotte stelt zij dat uit niets blijkt dat de nv Asperse Marmerindustrie, die haar tegenpartij is in het geding, gemachtigd is een vordering te stellen in naam van de firma vermeld op de factuur. Zonder dit met zoveel woorden te stellen, geeft de bvba Kimaud hiermee te kennen dat haar medecontractant een andere vennootschap zou zijn dan de nv Asperse Marmerindustrie. Dit blijkt evenwel uit geen enkel gegeven van het dossier.
- De bvba Kimaud kan de nv Asperse Marmerindustrie een zekere slordigheid verwijten bij het gebruik van haar naam, maar zij kan daaruit geen argument putten om tot afwijzing van de vordering te doen besluiten. Het adres en het telefoonnummer op de hoger opgesomde stukken (fax en rekeninguittreksel) zijn identiek aan dezelfde gegevens, vermeld op de factuur, waarvan de nv Asperse Marmerindustrie betaling vordert. Bovendien is AMI een afkorting van Asperse MarmerIndustrie. Dat dit verweer van de bvba Kimaud hoe dan ook volstrekt ongeloofwaardig en puur dilatoir is, blijkt uit de vaststelling dat zij op 10 december 2007, dit is vooraleer de eerste rechter uitspraak heeft gedaan maar nadat de zaak voor hem gepleit was, vrijwillig 13.026,25 EUR - zijnde een bedrag dat overeenstemt met de hoofdsom van de factuur - betaald heeft aan "AMI" op een rekeningnummer vermeld op de factuur. V.
- Uit de voormelde betaling blijkt dat de bvba Kimaud haar schuld (in hoofdsom) aan de nv Asperse Marmerindustrie niet (meer) betwist. Dat zij bij vonnis van 18 december 2008 (bedoeld wordt 2007) vooralsnog veroordeeld werd tot betaling van dit bedrag, kan als zodanig niet als onterecht beschouwd worden. De zaak werd voor de eerste rechter behandeld op de openbare terechtzitting van 4 december 2007 en vervolgens in beraad genomen. De bvba Kimaud betaalde de som van 13.026,25 EUR pas op 10 december 2007 en liet na de heropening der debatten te vragen, zodat de eerste rechter geen kennis kon hebben van deze betaling.
- De bvba Kimaud voert geen specifiek verweer nopens het verschuldigd zijn van conventionele rente en een conventioneel schadebeding, die steunen op de algemene factuurvoorwaarden van de nv Asperse Marmerindustrie, waarvan de bvba Kimaud trouwens uitdrukkelijk heeft gesteld dat zij op de overeenkomst van toepassing zijn. De nv Asperse Marmerindustrie heeft geen incidenteel hoger beroep aangetekend in zover de door haar initieel gevorderde rente en schadebeding werden herleid, maar vraagt een bevestiging van het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen. Zoals de eerste rechter is het hof van oordeel dat de door de nv Asperse Marmerindustrie oorspronkelijk gevorderde conventionele rente kennelijk de ten gevolge van de vertraging geleden schade te boven gaat en dient herleid te worden tot de wettelijke rentevoet zoals vastgesteld door artikel 5 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand inzake handelstransacties. Bovendien gaat de oorspronkelijk gevorderde conventionele schadevergoeding van 15% van de hoofdsom kennelijk het bedrag te boven dat de partijen konden vaststellen om de schade wegens de niet-uitvoering van de overeenkomst te vergoeden en dient deze vergoeding herleid te worden tot 10% of 1.302,63 EUR.
- De vordering van de nv Asperse Marmerindustrie is aldus gegrond tot beloop van de sommen, zoals ze begroot werden door de eerste rechter, doch onder aftrek van 13.026,25 EUR, betaald op 10 december
- Bij gebrek aan andersluidende overeenkomst tussen de partijen moet deze betaling overeenkomstig artikel 1254 B.W. eerst toegerekend worden op de intresten. VI.
- De bvba Kimaud vordert in hoger beroep, zoals voor de eerste rechter, bij tegeneis een schadevergoeding. Zij is procesbekwaam en beschikt over het vereiste belang en de hoedanigheid om deze tegeneis in te stellen. Haar vordering is ontvankelijk. Het feit dat de bvba Kimaud in haar conclusie in hoger beroep vraagt dat het hof, alvorens ten gronde uitspraak te doen, de zaak naar de bijzondere rol verwijst in afwachting van de afhandeling van de procedure tussen haar en de nv Eurisa, die hangend is voor de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, of dat de zaak minstens verwezen wordt naar de rechtbank van eerste aanleg te Brussel om gevoegd te worden bij de procedure die daar hangend is, leidt niet tot enige onontvankelijkheid. Dit betreft geen vordering, zodat de verwijzing door de nv Asperse Marmerindustrie naar de toepasselijke principes inzake een nieuwe vordering niet ter zake dienend is.
- De bvba Kimaud beweert dat zij schade geleden heeft doordat de blauwe hardsteen, die het voorwerp uitmaakte van de factuur waarvan de nv Asperse Marmerindustrie de betaling vordert, laattijdig werd geleverd en geplaatst. 2.
- Onder verwijzing naar de voorliggende briefwisseling stelt zij dat deze levering en plaatsing, die de nv Asperse Marmerindustrie in onderaanneming uitvoerde voor de bvba Kimaud op een werf in Brussel, diende te gebeuren gedurende de laatste twee weken van januari 2006, dat de afwerking vervolgens werd uitgesteld tot einde maart 2006 en uiteindelijk pas zou gebeurd zijn in juni 2006, zoals blijkt uit het feit dat de facturatie pas op 30 juni 2006 werd opgesteld. Het valt op dat de bvba Kimaud geen ingebrekestelling voorlegt, terwijl zij evenmin na de ontvangst van de factuur geprotesteerd heeft omdat de levering en plaatsing laattijdig zouden zijn gebeurd. 2.
- De bvba Kimaud houdt voor dat, ingevolge de vertraging die door de nv Asperse Marmerindustrie werd veroorzaakt, de bouwheer - de nv Eurisa - nog belangrijke bedragen inhoudt op de facturen van de bvba Kimaud. Het blijkt dat de bvba Kimaud op 9 november 2007 de nv Eurisa voor de rechtbank van koophandel te Gent gedagvaard heeft in betaling van twee facturen. Zij legt welgeteld twee bladzijden voor (namelijk de bladzijden 1 en 8) uit een conclusie die de nv Eurisa in dit geding heeft neergelegd. Daarin is sprake van schade veroorzaakt bij de buren en van beweerde gebreken/onvolledigheden. Slechts in derde orde wordt daarin melding gemaakt van werken die nog niet voltooid zijn en met grote vertraging zijn uitgevoerd. Enerzijds houdt de bvba Kimaud niet voor dat de beweerde schade en gebreken of onvolledigheden aan de nv Asperse Marmerindustrie te wijten zijn, terwijl zij anderzijds op geen enkele wijze aantoont dat de door de nv Eurisa ingeroepen vertraging aan de nv Asperse Marmerindustrie te wijten zou zijn. Indien de bvba Kimaud van oordeel was geweest dat dit wel het geval was, dan zou zij de nv Asperse Marmerindustrie trouwens ongetwijfeld betrokken hebben in het geding tegen de nv Eurisa. Dit geldt des te meer omdat zij zelf door de nv Asperse Marmerindustrie gedagvaard was in betaling. 2.
- Bij vonnis van 21 maart 2008 heeft de rechtbank van koophandel te Gent de zaak, die de bvba Kimaud had ingeleid tegen de nv Eurisa, verzonden naar de rechtbank van koophandel te Brussel, om daar gevoegd te worden met een zaak die door de buur van de nv Eurisa aldaar was ingeleid. Deze dagvaarding dateerde van 12 mei
- Aangezien de nv Asperse Marmerindustrie volgens de bvba Kimaud pas in juni 2006 de goederen leverde en plaatste, kunnen de klachten van deze buur geen betrekking hebben gehad op de leveringen en werken die door de nv Asperse Marmerindustrie waren uitgevoerd.
- Ook in graad van hoger beroep blijft de bvba Kimaud aldus in gebreke aan te tonen dat zij door de fout van de nv Asperse Marmerindustrie schade leed. Evenmin zijn er aanwijzingen dat dit zal blijken uit de gedingen, die hangend zijn voor de rechtbank van koophandel te Brussel - en waarin zij de nv Asperse Marmerindustrie niet heeft betrokken - of dat het voor de beoordeling van haar tegeneis noodzakelijk is om de uitspraak in deze gedingen af te wachten.
- Evenmin kan ingegaan worden op het verzoek tot verzending van deze zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Brussel om gevoegd te worden bij de procedure die daar hangend is. Er kan trouwens geen sprake zijn van samenhang wanneer de ene vordering hangende is voor een rechtscollege dat in eerste aanleg uitspraak dient te doen en de andere voor een rechtscollege dat in hoger beroep uitspraak moet doen (vgl.: CASS. 11 februari 2000, Arr.Cass. 2000, 109; CASS., 7 februari 2008, R.W., 2009-2010, 191). VII.
- Het hoger beroep van de bvba Kimaud is weliswaar gegrond, in zover het ertoe strekt het bestreden vonnis teniet te doen in de mate dat de eerste rechter zich territoriaal bevoegd verklaarde, doch de vordering die de nv Asperse Marmerindustrie instelde, was en is grotendeels gegrond gebleken, terwijl de tegeneis van de bvba Kimaud, volledig ongegrond is. Rekening gehouden daarmee zijn de kosten in beide aanleggen ten laste van de bvba Kimaud.
- Het koninklijk besluit van 26 oktober 2007 "tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat" bepaalt dat de artikelen 1 tot en met 13 van de wet van 21 april 2007 in werking zijn getreden op 1 januari
- De artikelen 1 tot en met 12 van deze wet zijn van toepassing op de zaken die hangende zijn op het moment dat ze in werking treden (artikel 13 van deze wet). Hetzelfde koninklijk besluit van 26 oktober 2007 heeft het koninklijk besluit van 30 november 1970 "tot vaststelling van het tarief van de invorderbare kosten bedoeld in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek" opgeheven (artikel 9 van het K.B. van 26 oktober 2007). Het heeft nieuwe tarieven voor de rechtsplegingsvergoeding vastgesteld (artikel 2 van hetzelfde K.B.). Deze nieuwe tarieven zijn toepasselijk op de procedure in hoger beroep. De door de nv Asperse Marmerindustrie op 1.100,00 EUR begrote rechtsplegingvergoeding kan toegekend worden. De rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg dient begroot te worden volgens de op dat ogenblik geldende wetgeving, met name het koninklijk besluit van 30 november 1970, aangezien de nieuwe regeling en bedragen slechts gelden per aanleg. De nieuwe wet is enkel van toepassing op hangende zaken en niet op reeds in eerdere aanleggen beslechte zaken (vgl.: VOET, S., "Enkele praktische knelpunten bij de toepassing van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van kosten en erelonen van advocaten", R.W., 2007-08, p. 1130). Het vonnis van de eerste rechter dateert van vóór de inwerkingtreding van de wet van 21 april
- OP DEZE GRONDEN, HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak; Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep van de bvba Kimaud ontvankelijk en in de volgende mate gegrond; Zegt voor recht dat de eerste rechter zich ten onrechte territoriaal bevoegd verklaarde; Doet het bestreden vonnis teniet en, opnieuw wijzende, Verklaart de vordering van de nv Asperse Marmerindustrie ontvankelijk en als volgt gegrond; Veroordeelt de bvba Kimaud tot betaling aan de nv Asperse Marmerindustrie van 14.328,88 EUR, te vermeerderen met de wettelijke interesten aan de rentevoet zoals vastgesteld in artikel 5 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties op 13.026,25 EUR vanaf 30 juli 2006 tot de datum van de betaling, vanaf de dagvaarding te aanzien als gerechtelijke intresten, en met de gerechtelijke intresten aan de wettelijke rentevoet op 1.302,63 EUR, dit alles onder aftrek van de som van 13.026,25 EUR, betaald op 10 december 2007; Verklaart de tegenvordering van de bvba Kimaud ontvankelijk, doch ongegrond; Veroordeelt de bvba Kimaud tot de gedingkosten in beide aanleggen, aan haar zijde niet te begroten aangezien zij te haren laste zijn, en aan de zijde van de nv Asperse Marmerindustrie begroot op 226,13 EUR dagvaardingskosten, 371,84 EUR rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg en 1.100,00 EUR rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van Beroep te Gent, TWAALFDE KAMER, zetelend in burgerlijke zaken, op heden 28-10-
- Aanwezig: - A. Van de Putte, raadsheer, wn. voorzitter; - E. Dursin, raadsheer; - G. Danneels, raadsheer; - B. De Wilde, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.