id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 29 oktober 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20091029.12 Rolnummer: 2007/AR/2529 Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2010-02-26 Raadplegingen: 103 - laatst gezien 2026-07-02 20:30 Fiche De vordering van de verzekeraar tegen zijn verzekerde met betrekking tot een ten onrechte uitgevoerde betaling is geen regresvordering maar wel een vordering wegens onverschuldigde betaling. De toepasselijke verjaringstermijn is deze bepaald in art 2262 bis § 1 BW. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VERZEKERINGEN - Regresvordering Vrije woorden: Terugvordering door verzekeraar van verzekerde - regresvordering - onverschuldigde betaling - verjaring. Tekst van de beslissing HOF VAN BEROEP TE GENT *** 1e kamer *** terechtzitting van 29 oktober 2009 2007/AR/2529 in de zaak van: P&V VERZEKERINGEN C.V., met maatschappelijke zetel te 1210 BRUSSEL, Koningsstraat 151, ingeschreven met KBO-nummer 0402.236.531, appellante, hebbende als raadsman mr. VANDE WEGHE Philippe, advocaat te 9700 OUDENAARDE, Einestraat 22 tegen: P. C., , wonende te , geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. BRABANT Peter, advocaat te 9600 RONSE, Fostierlaan 36 wijst het hof het volgend arrest: Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit hof op 16 oktober 2007 heeft de cv P&V Verzekeringen hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 25 september 2007 op tegenspraak gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde, achtste kamer. De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting en de neergelegde conclusies en stukken werden ingezien. voorgaanden De cv P&V Verzekeringen was de verzekeraar burgerlijke aansprakelijkheid motorrijtuigen van C. P.. Geïntimeerde deed aangifte van een verkeersongeval dat zich zou hebben voorgedaan te in de . Volgens de aangifte stond haar voertuig geparkeerd op de zeer sterk afhellende oprit van haar schoonouders. Haar voertuig zou zijn aangereden door het voertuig bestuurd door haar schoonvader, waardoor haar voertuig in beweging zou zijn gekomen en achteruit bolde tot tegen een boom die zich bevond aan de overkant van de openbare weg. Op basis van deze aangifte ging de cv P&V Verzekeringen in het kader van de RDR-regeling over tot uitbetaling van de schade aan het voertuig van C. P.. De nv KBC Verzekeringen, verzekeraar van het aanrijdend voertuig van de schoonvader, liet echter weten dat zij een poging tot fraude vermoedde en dit op basis van het verslag van expert Luyts van het expertisebureau Coorevits. Men kwam tot de vaststelling dat het ongeval zich onmogelijk kon hebben voorgedaan zoals aangegeven door de betrokken partijen. De cv P&V Verzekeringen ging over tot dagvaarding van C. P. teneinde haar op grond van een onverschuldigde betaling te horen veroordelen tot terugbetaling van de uitkering ten bedrage van euro 7.863,56, meer intresten vanaf de betaling, zijnde 14 mei 2001, gerechtelijke rente en kosten. De eerste rechter heeft de vordering ingesteld door de cv P&V Verzekeringen gekarakteriseerd als een regresvordering en heeft deze op grond van art. 34 § 3 van de wet op de landverzekeringsovereenkomst vervallen verklaard ingevolge verjaring. De cv P&V Verzekeringen kan zich hiermee niet verzoenen, stellende dat het niet om een regresvordering gaat maar wel om een vordering op grond van onverschuldigde betaling waarvoor geen verjaringstermijn van drie maar wel van tien jaar geldt. C. P. heeft voor de eerste rechter een tegenvordering ingesteld die ertoe strekt de cv P&V Verzekeringen te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding ten bedrage van euro 502,50 omvattende enerzijds de factuur van ir. C. en anderzijds administratieve kosten. Over deze tegenvordering heeft de eerste rechter geen uitspraak gedaan. C. P. stelt impliciet incidenteel hoger beroep in nu zij de bevestiging van het bestreden vonnis vraagt en de veroordeling van de appellante tot het betalen van de som van euro 502,50. Bijkomend vordert zij de veroordeling van de appellante tot het betalen van de som van euro 500,00 wegens tergend en roekeloos hoger beroep. beoordeling a. karakter van de vordering en verjaring De eerste rechter kan niet gevolgd worden waar hij de door de cv P&V Verzekeringen ingestelde vordering als een regresvordering beschouwt. Het regres of verhaal van de verzekeraar is omschreven in art. 88 van de wet op de landverzekeringsovereenkomsten en heeft betrekking op de vordering die uitgaat van de verzekeraar die krachtens een wettelijke plicht een derde schadelijder heeft vergoed en de terugbetaling van zijn uitgaven vordert van de verzekeringnemer of de verzekerde die niet de verzekeringnemer is op een contractueel afgesproken grond (zie en vgl. L. Schuermans, Grondslagen van het Belgisch Verzekeringsrecht, Intersentia, 2001, 514). De vordering van de cv P&V Verzekeringen is een vordering gericht tegen haar eigen verzekerde aan wie op grond van een frauduleuze aangifte een onterechte betaling zou zijn gebeurd. Deze vordering beantwoordt geenszins aan de definitie van een regresvordering en kan dan ook niet als dusdanig worden beschouwd. Dit betekent dat de verjaringstermijn zoals bepaald in art. 34 § 3 van de wet op de landverzekeringsovereenkomsten evenmin toepassing kan vinden. Voor zover aanvaard zou worden dat er sprake was van een valse aangifte, heeft de cv P&V Verzekeringen een betaling verricht zonder daartoe contractueel gehouden te zijn. De betaling gebeurde dan ten onrechte en was onverschuldigd. Haar vordering is dan ook gesteund op wettelijke bepalingen, meer bepaald de artikelen 1235, 1236, 1376 tot en met 1381 BW. Deze vordering is niet onderworpen aan de specifieke verjaringstermijn van drie jaar bepaald in art. 34 § 1 van de wet op de landverzekeringsovereenkomsten maar wel aan de gemeenrechtelijke verjaringstermijn van tien jaar zoals voorzien in art. 2262bis § 1 BW. Vermits de betaling dateert van 14 mei 2001 en cv P&V Verzekeringen overging tot dagvaarding van C. P. op 29 augustus 2006 is de door de cv P&V Verzekeringen ingestelde vordering niet verjaard. b. hoofdvordering Naar aanleiding van het ongeval van 9 februari 2001 vergoedde de cv P&V Verzekeringen haar eigen verzekerde voor de schade aan een Opel Zafira. De nv KBC Verzekeringen vertrouwde het relaas van het ongeval niet en gelastte haar auto-expert, D. Luyts van het expertisebureau Coorevits, met een onderzoek. Deze kwam tot het besluit dat het ongeval niet kon zijn gebeurd zoals aangegeven, waarop ook de cv P&V Verzekeringen een deskundige aanstelde, J.M. Berghe, die samen met D. Luyts de zaak opnieuw onderzocht. D. Luyts blijft formeel dat wanneer de handrem van de Opel Zafira voldoende was aangetrokken een zeer hevige aanrijding moet hebben plaatsgevonden om dit voertuig in beweging te krijgen. Niets wijst op een dergelijke aanrijding. Van de Opel Zafira was weliswaar de voorbumper beschadigd maar dit werd veroorzaakt door in de diepte terecht te komen. Over de schade aan het aanrijdend voertuig, een Mercedes Sprinter, bestaat onzekerheid. Op de ongevalsaangifte wordt geen melding gemaakt van schade aan dit voertuig. De bestuurder van de Mercedes, J. V., verklaart tijdens zijn verhoor op 6 oktober 2004 dat hij zoals steeds zijn voertuig achteruit liet bollen en dat hij nadat hij plots iets voelde, gestopt is en gemerkt heeft dat hij de Opel Zafira had aangereden. Er was geen noemenswaardige schade aan de achterbumper van de camionette. Hij kon enkel zien waar hij de Opel Zafira met de achterbumper had geraakt omdat op die plaats het vuil was verwijderd. J.M. B. is minder categoriek in zijn besluit. Hij sluit niet uit dat de beide voertuigen lichtjes met elkaar in aanraking kwamen doch hij deelt het standpunt van D. Luyts dat de handrem van de wagen van C. P. niet voldoende opgetrokken was. C. P. wilde pas verhoord worden nadat de door haar aangestelde expert zijn rapport zou hebben voltooid. Deze deskundige, ir. Catrysse, besluit dat ".. gegeven de specifieke helling - slechts een lage snelheid en een laag vermogen van voertuig 1 (Mercedes) nodig zijn om voertuig 2 (Opel Zafira) in beweging te brengen, zelfs indien een elastische botsing (d.w.z. zonder schade aan beide voertuigen) wordt verondersteld.". Deze deskundige heeft zijn onderzoek gebaseerd op de gegevens en de foto's uit het dossier hem toegestuurd door de raadsman van C. P.. De cv P&V Verzekeringen heeft het rapport overgemaakt aan het expertisebureau Jordens en Mertens dat op haar beurt een analyse heeft gemaakt van het ongeval. Er werd gebruik gemaakt van het PC-crash programma om het ongeval te simuleren. Vooreerst merkt R. M. terecht op dat het rapport van ir. C. niet gevolgd kan worden omdat, wanneer de Opel Zafira op de plaats stond geparkeerd zoals door hem weerhouden, de manoeuvreerruimte vóór de Opel Zafira onvoldoende groot was opdat de Mercedes deze zou kunnen aanrijden. De bestelwagen moet al uit de garage zijn gekomen, wat door geen van de partijen wordt beweerd. Vervolgens is ir. C. uitgegaan van een gewicht van de bestelwagen van 3.000 kg. De Mercedes weegt echter in ongeladen toestand 1.780 kg. Uitgaande van de gegevens weerhouden door ir. C. zou, zoals blijkt uit de bijlage 2 en 3 van het rapport van D. Mertens, de Mercedes een extreem hoge aanrijdingsnelheid moeten hebben gehad. Dit is in tegenspraak zowel met de verklaring van de bestuurder als met het feit dat dit voertuig niet werd beschadigd. Vervolgens heeft D. Mertens een aantal simulaties gedaan (bijlage 6) waaruit blijkt dat bij een vermindering van de wrijvingscoëfficiënt van de hellende oprit, de verhoging van de massa van het aanrijdend voertuig naar 3 ton en een verhoging van de aanrijdingsnelheid door de Mercedes tot 9 km/uur (wat evenwel schade aan dit voertuig voor gevolg zou hebben) en met een remvertraging van 1,5 m/seconde (wettelijk bepaalde gemiddelde remvertraging) de Opel Zafira tot stilstand zou moeten zijn gekomen op de weg en niet verder de berm zijn ingebold. Indien de Opel Zafira met een lagere snelheid zou zijn aangereden dan 9 km/uur, wanneer de Mercedes minder dan 3 ton zou hebben gewogen en wanneer de wrijving van het wegdek meer dan 0,5 My zou hebben bedragen, dan zou de Opel met correct aangetrokken handrem nog vroeger tot stilstand zijn gekomen. In geen enkele door deze deskundige uitgevoerde simulaties gaat de Opel Zafira een afstand afleggen aan een snelheid die voldoende is om over het wegdek van 3 meter te bollen en de steile berm naar beneden te bollen. Het verslag van D. Mertens is uitgebreid gemotiveerd en gedocumenteerd en weerlegt het rapport van ir. Catrysse. D. Mertens besluit als volgt: "We kunnen hier met 100% zekerheid stellen dat de handrem van de Opel Zafira - PATTEAU niet of onvoldoende was aangetrokken en dat deze vermoedelijk op eigen initiatief en zelfs zonder aanrijding achterwaarts de helling is gaan afbollen met de gekende schade tot gevolg. Het was namelijk onmogelijk om een aanrijding te veroorzaken in de omstandigheden zoals aangegeven en zelfs indien deze aanrijding zou hebben plaatsgehad dan was bij een voldoende aangetrokken parkeerrem het voertuig tijdig tot stilstand gekomen op de helling of minstens op de openbare weg.". C. P. heeft pas in haar tweede verhoor, bijna vijf jaar na de feiten, voor het eerst verklaard dat de handrem voldoende was aangetrokken omdat zij bij haar aankomst een wasmand uit het voertuig heeft gehaald. Deze verklaring zoveel jaren na de feiten mist geloofwaardigheid. Daarenboven levert dit niet het bewijs dat de handrem voldoende was aangetrokken. Het hof aanvaardt om de hoger vermelde redenen het besluit van D. Mertens, wat betekent dat J. V. ofwel geen fout heeft begaan, in de hypothese dat er geen aanrijding gebeurde, ofwel toch een fout heeft begaan maar deze niet in oorzakelijk verband staat met de schade aan de Opel Zafira, vermits ook zonder de aanrijding ingevolge het onvoldoende aanspannen van de handrem de wagen aan het bollen zou zijn gegaan met dezelfde schade voor gevolg. Het is niet omdat de partijen akkoord waren over de omvang van de schade en de cv P&V Verzekeringen overging tot betaling overeenkomstig dit verslag dat zij afstand zou hebben gedaan van haar recht om in geval van een onverschuldigde betaling, het uitgekeerd bedrag terug te vorderen. Wel integendeel. Van zodra zij kennis kreeg van de stelling van de nv KBC Verzekeringen heeft zij onmiddellijk haar deskundige een nieuwe opdracht gegeven en heeft zij na ontvangst van het rapport aan C. P. een brief geschreven waarin zij om terugbetaling verzocht. Er kan aan de cv P&V Verzekeringen bij het beheer van dit dossier geen fout ten laste gelegd worden. Zij mag ervan uitgaan dat haar verzekerden op eerlijke wijze en te goeder trouw een ongevalaangifte invullen. Zij moet geen bedrog vermoeden. De vordering van de cv P&V Verzekeringen, waarover cijfermatig geen betwisting wordt gevoerd, is dan ook gegrond. c. tegenvordering De tegenvordering strekt ertoe de cv P&V Verzekeringen te veroordelen tot terugbetaling van de kosten, meer bepaald kosten van een eigen expert en administratie, die C. P. heeft gedragen ten gevolge van deze procedure. Gelet op de gegrondverklaring van de hoofdvordering dienen de kosten die verband houden met de verdediging van C. P. ten hare laste te blijven. Evenmin is er, gelet op het gegrond hoger beroep, sprake van een tergend en roekloos hoger beroep. De tegenvordering is dan ook ongegrond. d. rechtsplegingsvergoeding in graad van beroep De cv P&V Verzekeringen vordert in graad van beroep twee rechtsplegingsvergoedingen, één gebaseerd op haar hoofdvordering en één op de tegenvordering van C. P.. De omvang van de rechtsplegingsvergoeding wordt bepaald door de waarde van de hoofdvordering, zelfs wanneer een tegenvordering werd ingesteld. In de schaal van het KB van 26 oktober 2007 wordt voor de bepaling van de waarde van de vordering verwezen naar de artikelen 557 tot 562 en 618 van het Ger.W.. Mocht het de bedoeling geweest zijn de waarde van de beide vorderingen in aanmerking te nemen dan zou ook verwezen zijn naar art. 620 Ger.W. (zie en vgl. V. Sagaert, Knelpunten verhaalbaarheid erelonen, in Actualia Gerechtelijk Recht: verhaalbaarheid van erelonen en deskundigenonderzoek, CBR 2008-2009, punt 3 en aldaar geciteerde rechtspraak). OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep toelaatbaar en gegrond. Verklaart het incidenteel hoger beroep toelaatbaar doch ongegrond. Doet het bestreden vonnis teniet en opnieuw wijzende: Verklaart de oorspronkelijke vordering van de cv P&V Verzekeringen ontvankelijk en gegrond. Veroordeelt C. P. tot het betalen aan de cv P&V Verzekeringen de som van euro 7.863,56, meer vergoedende rente vanaf 14 mei 2001 tot heden en de gerechtelijke rente vanaf heden tot de dag van uiteindelijke betaling. Verklaart de oorspronkelijke tegenvordering ontvankelijk doch ongegrond. Verwijst C. P. in de kosten van de procedure, die aan haar zijde niet dienen te worden begroot daar zij ten hare laste blijven, en die aan de zijde van de cv P&V Verzekeringen vereffend worden op euro 237,40 dagvaarding en rolstelling, euro 371,85 rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg, euro 186,00 rolrecht hoger beroep en euro 900,00 rechtsplegingsvergoeding in graad van beroep. Aldus gewezen door de EERSTE KAMER van het hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken, samengesteld uit: D. FLOREN, raadsheer-wnd. voorzitter, B. WYLLEMAN, raadsheer, L. TAVERNIER, raadsheer, en uitgesproken door de raadsheer-wnd. voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op NEGENENTWINTIG OKTOBER TWEEDUIZEND EN NEGEN, bijgestaan door D. VAN DEN DRIESSCHE, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.