id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 02 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20091102.3 Rolnummer: 2008/AR/1584 Rechtsgebied: Intellectuele eigendom Invoerdatum: 2010-01-28 Raadplegingen: 125 - laatst gezien 2026-07-02 20:31 Fiche - Geen inbreuk op de Eenvormige Benelux Tekeningen en Modellen Wet want het model is niet nieuw in de zin van het BVIE en het vertoont geen eigen karakter. - Vordering op grond Auteurswet ongegrond : het is niet aangetoond dat het bestekzakje de uitdrukking is van de intellectuele inspanning van de maker. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - INTELLECTUELE RECHTEN - Tekening of model - Benelux - Samenloop met het auteursrecht - Beneluxtekening of -model Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 7de Kamer ________ Terechtzitting van 02 november 2009 ________ Modelrecht WHPC 2008/AR/1584 - In de zaak van:
- EUROPOCHETTE N.V., met maatschappelijke zetel te 9400 NINOVE, Nederwijk 260, ingeschreven met KBO-nummer 0472.680.604,
- D. N. W., wonende te , appellanten, hebbende als raadsman mr. MAEYAERT Paul, advocaat te 1000 BRUSSEL, Havenlaan 86 C B. 414, (uw referte: PMA/EA/sov/M.0208) tegen: DUNI BENELUX B.V., vennootschap naar Nederlands recht, met maatschappelijke zetel te 4824 EH BREDA (NEDERLAND), Paardeweide 16 C-G, geïntimeerde, hebbende als raadslieden, mr. VAN INNIS Thierry en mr. DEBAENE Stijn, beiden advocaat te 1150 SINT-PIETERS-WOLUWE, Tervurenlaan 268A, (uw referte: TvI/STID/84025-00001 BR:3199262.1) velt het hof het volgend arrest: I Bestreden beslissing - Rechtspleging in hoger beroep
- Bestreden beslissing: het vonnis van de rechtbank van koophandel te Gent (07/239/A) van 14 februari 2008, vijfde kamer.
- Het hoger beroep is ingesteld bij verzoekschrift van 13 juni
- Het is tijdig en regelmatig naar de vorm. Een akte van betekening wordt niet voorgelegd. Het Hof heeft artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken in acht genomen. De procedure gebeurde op tegenspraak. II Overblijvende betwisting - Feiten - Procedure in eerste aanleg
- De overblijvende betwisting betreft de vragen: 1) of het hoger beroep toelaatbaar is; 2) of Europochette over rechtsgeldige modelrechten beschikt; 3) zo ja, of Duni Benelux bv (hierna "Duni" of "geïntimeerde") deze modelrecht(en) geschonden heeft.
- De belangrijkste feiten in deze zaak kunnen als volgt samen gevat worden. De heer D.N. is houder van de modelrechten op een wegwerpverpakking van bestek en servet voor de horeca. Hij beschikt zowel over een gemeenschapsmodel, ingeschreven op 14 november 2002 (stuk 3 van haar dossier), als over een internationaal model DM/062564
(15)met datum van voorrang op 14 november 2002 (stuk 2 van hetzelfde dossier). Enkel dit laatste is hier aan de orde, nu alleen de gerechtelijke instanties van het rechtsgebied Brussel bevoegd zijn voor het gemeenschapsmodel. Op de inschrijving komen de volgende afbeeldingen voor Een dominerend kenmerk van deze bestekhouder bestaat erin dat de achterkant van het zakje recht afgesneden is en 1 à 2 centimeter hoger komt dan de (eveneens recht afgesneden) voorkant van de enveloppe. Partijen benoemen dit kenmerk als het "slaapzakmodel". Deze benaming wordt in dit arrest door het Hof overgenomen. De partijen brengen deze afbeelding van een toepassing bij: Op grond van een licentieovereenkomst tussen de heer D.N. en Europochette van 27 april 2004 is Europochette gemachtigd in eigen naam op te treden tegen inbreukmakers en alle vorderingen tegen inbreukmakers in te stellen, die voortvloeien uit de toepasselijke wetgeving. Duni was gedurende een tweetal jaren afnemer van Europochette voor deze wegwerpverpakkingen. Na het beëindigen van deze overeenkomst is Duni bestekzakjes elders gaan betrekken om ze verder te verkopen. Zij kocht deze aan bij een licentiehouder van Europochette, als bij derden. Dit laatste vormt volgens Europochette een inbreuk op haar modelrechten. Thans is de volgende verpakking van Duni door Europochette be-twist (zie verder ook voor de toelaatbaarheid van het hoger beroep): Alle verpakkingen van Duni dragen dezelfde naam, namelijk "Sachetto". Partijen voerden correspondentie over en weer en toen geen vergelijk mogelijk bleek, dagvaardde Europochette Duni op 6 december
- De eerste rechter verwierp de vordering van Duni tot nietigverklaring van het internationaal model voor zover het op het Benelux grondgebied geldt en oordeelde verder dat de betwistte Sachetto geen inbreuk maakte op de modelrechten van Europochette. III Grieven - Voorwerp van het hoger beroep
- De heer D.N. en Europochette werpen de volgende grieven op: 1) ten onrechte hield de eerste rechter geen rekening met het feit dat Duni gedurende ruim twee jaar bestekzakjes heeft afgenomen bij Europochette vooraleer de beweerde inbreuk te begaan; 2) bij de beoordeling van de modelinbreuk heeft de eerste rechter geen rekening gehouden met de globale indruk en heeft hij te veel de detailverschillen in aanmerking genomen. In graad van beroep beroepen appellanten zich ook nog op: 1) het auteursrecht ter bescherming van hun bestekenveloppe; 2) het feit dat het gebruik van "de" Sachetto een daad van oneerlijke mededinging uitmaakt. Enerzijds wordt het product van Europochette onrechtmatig gekopieerd door Duni. Anderzijds is er volgens appellanten duidelijk sprake van parasitaire mededinging.
- Duni vordert het hoger beroep ontoelaatbaar te verklaren. Duni stelt verder incidenteel hoger beroep in. Zij vordert het bestreden vonnis te vernietigen in zoverre het haar nietigheidsvordering afwees en dienvolgens het Beneluxdeel van de internationale modelinschrijving DM 062564 overeenkomstig artikel 3.23.1.b van het BVIE te horen nietig verklaren wegens gebrek aan nieuwheid, minstens eigen karakter. Ondergeschikt vraagt Duni: 1) de vorderingen van appellanten ontoelaatbaar te verklaren in zoverre ze gesteund zijn op hun beweerde auteursrechten of op een beweerde oneerlijke handelspraktijk; 2) minstens het gehele hoger beroep ongegrond te verklaren. IV Beoordeling Het hoger beroep is gedeeltelijk toelaatbaar De uiteenzetting in de procedurestukken van de heer D.N. en Europochet-te
- De dagvaarding van 6 december 2006 voor de rechtbank van koophandel te Gent bevat onder meer de volgende vermeldingen: "
- Gedaagde [thans geïntimeerde, Duni] is een van de grootste horecatoeleveranciers ter wereld en was aanvankelijk de grootste afnemer van eerste verzoeker [thans eerste appellante, Europochette]. Thans laat gedaagde echter in eigen beheer, gelijke bestekpochettes produceren. De bestekpochettes die gedaagde op de markt brengt onder de naam "Sachetto" vormen onmiskenbaar een inbreuk op de voormelde modelrechten van verzoekers. De litigieuze bestekpochettes ‘Sachetto' genaamd hebben een identieke strakke vormgeving, de afmetingen, de gevouwen omslag en de maatverhoudingen zijn hetzelfde, evenals het materiaal. Het enige onderscheid tussen beide modellen is dat de bovenzijde van het model van gedaagde een dubbele kromme rand heeft, waarvan de bovenste rand een krul maakt om terug recht te eindigen. [hierna zijn in de dagvaarding twee afbeeldingen opgenomen, in zwart wit. Op het afgebeelde model van de Sachetto is geen afronding, insnijding, krul of wat dan ook zichtbaar.] Gedaagde koopt gelijkaardige modellen aan bij de Nederlandse firma Grafische Industrie Veenendaal bv, doch deze modellen bevatten geen ‘krul' aan de bovenrand. De modellen die worden aangekocht bij Grafische Industrie Veenendaal bv vormen overigens geen inbreuk op de modelrechten van verzoekers aangezien zij geproduceerd worden onder licentie die door Grafische Industrie Veenendaal bv werd bekomen.
- Door de productie en verhandeling van voormelde Sachetto schendt gedaagde artikel 3.19 lid 1 en 2 van het Benelux-Verdrag inzake de Intellectuele Eigendom: "De houder van een tekening of model kan zich op grond van zijn uitsluitend recht verzetten tegen het gebruik van een voortbrengsel waarin de tekening of het model is verwerkt of waarop de tekening of het model is toegepast en dat hetzelfde uiterlijk vertoont als de gedeponeerde tekening of model, dan wel dat bij de geïnformeerde gebruiker geen andere indruk wekt, rekening houdend met de mate van vrijheid van de ontwerper bij de ontwikkeling van de tekening of het model". De wezenlijke kenmerken van beide producten zijn zo gelijklopend dat het om identieke modellen gaat, doch waarop de gedaagde slechts secundaire verschillen heeft aangebracht die voor de geïn-formeerde gebruiker helemaal niet op te merken zijn, aangezien de pochettes steeds in grote hoeveelheden worden geleverd in identie-ke pakketten zoals de distributiepakketten van tweede verzoeker. Het essentieel kenmerk van het 'Europochette'-model van verzoe-kers dat het model een eigen karakter geeft, is de zogeheten ‘slaapzakvorm', waarbij het bestek en de serviette duidelijk zichtbaar worden gepresenteerd. Dit wordt verwezenlijkt door de omslag aan de bovenzijde en de verlijming aan de drie kanten. Het Sachetto model, voorwerp van onderhavige procedure, is op dezelfde wijze gefabriceerd doch met een dubbele insnijding en krul in het bovenblad, hetgeen nauwelijks zichtbaar is. Alle andere karaktereigen-schappen, van lengte- en breedtematen, verhoudingen en afmetingen, zijn identiek.
- Gedaagde is overigens te kwader trouw, nu zij volledig op de hoogte is van de draagwijdte van de modelrechten van verzoekers. Gedaagde liet immers het Sachetto-model produceren bij Grafische Industrie Veenendaal bv, die onder licentie van verzoekers werkt. Gedaagde wou blijkbaar de meerkost aan royalties ontwijken door haar nieuw model elders te laten ontwikkelen, zonder betaling van een licentievergoeding, mits een uiterst minimale aanpassing, met name het aanbrengen van een ‘krul' in de rechterhoek van het bovenblad van de bestekpochette. Overigens was gedaagde gedurende 2 jaar de grootste afnemer van de ‘Europochette'. Gedaagde heeft recentelijk haar afname-overeenkomst niet meer verlengd. Thans blijkt dat zij, met schending van artikel 3.19, lid 1 en 2 van het Benelux-Verdrag inzake de Intellectuele Eigendom zelf de productie en de verhandeling van een nagenoeg identiek model heeft aangevat. ...". Het dispositief van de dagvaarding is als volgt opgesteld: "... - Vast te stellen dat gedaagde een inbreuk pleegt op de modelrechten van verzoekers. - Gedaagde te bevelen, met onmiddellijke ingang na betekening van het vonnis elke inbreuk op de modelrechten van verzoekers te staken, waarbij onder inbreuk dient verstaan te worden de vervaardiging, distributie en verkoop van de litigieuze bestekpochettes. - Gedaagde te veroordelen om binnen de vijf dagen na de betekening van het vonnis opgave te doen van de met de inbreukmakende bestekpochettes behaalde omzet en winst, met een duidelijke uiteenzetting voer de wijze waarop de winst berkeend is. - ...". Het dispositief van het verzoekschrift in hoger beroep van appellanten bevat de volgende vorderingen. "- Vast te stellen dat het gebruik (het vervaardigen, aanbieden, in de handel brengen, verkopen, leveren, verhuren, invoeren, uitvoeren, tentoonstellen, gebruiken of in voorraad hebben vooreen van deze doeleinden) van de "Sachetto" een inbreuk uitmaakt op de modelrechten en de auteursrechten van Europochette, evenals een inbreuk op de eerlijke handelspraktijken; - De staking te bevelen van voormelde inbreuk onder verbeurte van een dwangsom van 2,
- euro per inbreukmakend exemplaar van de "Sachetto" na de betekening van het tussen te komen arrest; - Duni te veroordelen om binnen de vijf dagen na de betekening van het tussen te komen arrest opgave te doen van de met de inbreukmakende bestekpochettes behaalde omzet en winst, met een duidelijke uiteenzetting over de wijze waarop de winst berekend is; - In hoofdorde: Duni te veroordelen tot het afdragen van de winst welke is genoten als gevolg van de handelingen waarvan de staking werd bevolen; In ondergeschikte orde: Duni te veroordelen tot het betalen van een schadever-goeding voorlopig begroot op 0,1 euro per verhandelde bestekpochette; - Duni te veroordelen om binnen de vijf dagen na betekening van het tussen te komen arrest zowel de bij haar aanwezige als de zich binnen haar bereik bevindende exemplaren van de litigieuze bestekpochettes aan ver-zoekers af te staan alsmede Europochette te machtigen deze producten voor rekening van Duni te doen vernie-tigen, onder verbeurte van een dwangsom van 25.000 euro per dag vertraging; - Duni te veroordelen tot de gepaste rechtplegingsvergoeding voor beide aanleggen.". Onder randnummer 40 van hun syntheseconclusie schrijven de heer D.N. en Europochette het volgende (p. 25): "Zoals hoger in randnummer 6 werd gesteld trad Duni tussen medio 2003 en mei 2006 op als verdeler van de "Europochette". Deze samenwerking werd vastgelegd in een afna-meovereenkomst (stuk 5). Duni heeft vervolgens de "Sacchetto" op de markt gebracht nadat zij eerst de samenwer-king met Europochette had verbroken. Dit feit is zeer relevant zowel bij de beoordeling van de modelinbreuk als bij de beoordeling van de daad van oneerlijke mededinging. Niettegenstaande het feit dat het bestaan van deze afnameovereenkomst nooit betwist werd door Duni heeft de eerste rechter gesteld dat het onbewezen is dat een dergelijke af-nameovereenkomst ooit heeft bestaan.". Het dispositief van de syntheseconclusie van appellanten luidt als volgt: "Het hoger beroep ontvankelijk en gegrond verklaren; Het vonnis a quo teniet te doen; Dienvolgens opnieuw rechtdoende; Vast te stellen dat het gebruik (het vervaardigen, aanbieden, in de handel brengen, verkopen, leveren, verhuren, invoeren, uitvoeren, tentoonstellen, gebruiken of in voorraad hebben vooreen van deze doeleinden) van de "Sacchetto" een in-breuk uitmaakt op de modelrechten en de auteursrechten van Europochette, evenals een inbreuk op de eerlijke han-delspraktijken; De staking te bevelen van voormelde inbreuk onder verbeur-te van een dwangsom van 2,5 euro per inbreukmakend exemplaar van de "Sacchetto" na de betekening van het tussen te komen arrest; Duni te veroordelen om binnen de vijf dagen na de betekening van het tussen te komen arrest opgave te doen van de met de inbreukmakende bestekpochettes behaalde omzet en winst, met een duidelijke uiteenzetting over de wijze waarop de winst berekend is; In hoofdorde: Duni te veroordelen tot het afdragen van de winst welke is genoten als gevolg van de handelingen waarvan de staking werd bevolen; In ondergeschikte orde: Duni te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding voorlopig begroot op 0,1 euro per verhandelde bestekpochette; Duni te veroordelen om binnen de vijf dagen na betekening van het tussen te komen arrest zowel de bij haar aanwezige als de zich binnen haar bereik bevindende exemplaren van de litigieuze bestekpochettes aan verzoekers af te staan alsmede Europochette te machtigen deze producten voor re-kening van Duni te doen vernietigen, onder verbeurte van een dwangsom van 25.000 euro per dag vertraging; Duni te veroordelen tot de rechtsplegingsvergoeding voor beide aanlegen overeenkomstig artikel 1022 Ger. Wb.". Analyse en conclusie met betrekking tot de toelaatbaarheid van het hoger beroep
- Zowel het verzoekschrift in hoger beroep als de syntheseconclusie van appellanten zijn verwarrend. Zonder eenduidig en open te zijn handelen deze processtukken zowel over de bestekenveloppe waarover het tijdens de procedure in eerste aanleg ging als over andere bestekhouders die Duni verkoopt en zelfs zou kunnen verkopen. Op vele plaatsen is het onduidelijk over welk beweerd inbreukmakend zakje de heer D.N. en Europochette argumenteren en middelen formuleren. Steeds wordt gesproken over "de Sacchetto", terwijl appellanten zelf schrijven dat Duni verschillende bestekzakjes op de markt brengt onder die naam. In het verzoekschrift in hoger beroep kan slechts aan de hand van één element, namelijk de verwijzing op pagina 5 naar "(zie ook stuk 17)", uitgemaakt worden dat dit verzoekschrift - gedeeltelijk - over de bestekenveloppe van Duni handelt, zoals afgebeeld onder de feitelijke uiteenzetting, hierna gemakshalve "de Duni bestekenveloppe met de krul" genoemd. Bij het verzoekschrift zijn geen stukken gevoegd en ook geen inventaris. Dit stuk was wel gekend door de partijen tijdens de procedure in eerste aanleg. Aangezien de gedinginleidende dagvaarding enkel over dit voorwerp handelt en aangezien het hoger beroep onder meer over dezelfde bestekenveloppe handelt, moet het hoger beroep in toepassing van artikel 807 Ger. Wb. beperkt worden tot alle uiteenzettingen, middelen en argumenten die op de Duni bestekenveloppe met krul betrekking hebben. In zoverre is het hoger beroep toelaatbaar. Voor zover het gaat om andere bestekenveloppen van Duni is het hoger beroep niet toelaatbaar. Het spreekt voor zich dat deze beweerdelijk inbreukmakende Duni bestekenveloppe met krul vergeleken wordt met het internationaal depot, voor zover het de Benelux betreft (stuk 2 van het dossier van appellanten). De tegenvordering tot nietigverklaring van het model DM/062564
(15)van 14 november 2002 Toepasselijk recht
- Er is betwisting ontstaan tussen partijen of de Eenvormige Benelux Tekeningen en Modellen wet, dan wel het Benelux Verdrag inzake Intellectuele Eigendom moet worden toegepast. Deze laatste kwam tot stand als aanpassing van de wetgeving aan de Richtlijn 98/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 1998 inzake de rechtsbescherming van modellen. De nieuwe regelgeving is van kracht sedert 1 december
- Het depot dateert van 14 november
- De beantwoording van deze vraag is van belang voor de voorwaarden waaraan een model moet voldoen. Voor 1 december 2003 volstond de nieuwheid als criterium om een inschrijving te kunnen krijgen. Vanaf die datum is het vereist dat een voortbrengsel zowel nieuw is als een eigen karakter vertoont. Bovendien is de toetsing van de nieuwheid voor niet ingeschreven modellen anders voor de datum van 1 december 2003 dan erna. De lidstaten waren verplicht hun wetgeving aan te passen aan de Richtlijn 98/71/EG voor 28 oktober
- Een richtlijn heeft in beginsel geen horizontale rechtstreekse wer-king. Omwille van de primauteit van het gemeenschapsrecht zijn hoven en rechtbanken er wel toe gehouden de wetgeving richtlijnconform te interpreteren, in geval de omzettingsdatum verstreken is en de feiten van nadien dateren (LENAERTS, K. en VAN NUFFEL, P., Europees recht in hoofdlijnen, Antwerpen-Apeldoorn, Maklu, 2008, 471, nr. 788, met referenties naar de rechtspraak van het Hof van Justitie in de voetnoten 430 en 431) en voor zover er geen interpretatie contra legem gebeurt, het rechtszekerheidsbeginsel gerespecteerd blijft en het verbod van terugwerkende kracht niet geschonden wordt. Nu in deze zaak de inschrijving dateert van na de verplichte datum voor de omzetting van de richtlijn, nu er geen gevaar is voor de rechtszekerheid, het verbod van terugwerkende kracht niet overtreden wordt en er niet tegen de wet geïnterpreteerd wordt, besluit het Hof dat de criteria van het BVIE van toepassing zijn bij de beoordeling of het model al dan niet rechtsgeldig is. Niets belet het criterium van nieuwheid uit de BTMW zo toe te passen dat het beantwoordt aan de bepaling van het BVIE, ook als dat een wijziging van de rechtspraak impliceert. Dit is in overeenstemming met de Belgische beginselen van uitlegging van een wettekst. Dit druist verder niet in tegen de bestaande wet. Hiermee is de rechtszekerheid ook niet geschonden. Evenmin is er een inbreuk op het verbod van terugwerkende kracht, dat in essentie een toepassing is van het beginsel "geen straf zonder wet" en dus vooral in strafzaken geldt (zie ook LENAERTS, K. en VAN NUFFEL, P., op.cit., 472, nr. 790, met verwijzingen naar de rechtspraak van het Hof van Justitie). Minstens geldt al het voorgaande voor de invulling van het begrip "nieuwheid". Uit wat hierna volgt zal blijken dat dit voldoende is in deze zaak. Voor zover nodig merkt het Hof op dat de rechtsleer waarnaar Europochette en de heer D.N. verwijzen van 1999 dateert. Sedertdien is er nieuwe rechtspraak, met name van het Hof van Justitie uitgesproken en nieuwe rechtsleer geschreven. Het is met deze laatste rechtsbronnen dat het Hof rekening gehouden heeft. De middelen en argumenten ter zake van appellanten worden verworpen. Het model DM/062564 is niet nieuw in de zin van het BVIE - hervorming van het bestreden vonnis
- Een model is het uiterlijk, de verschijningsvorm van een voort-brengsel of een deel ervan (artikel 3.1, lid 2 BVIE). Het uiterlijk wordt afgeleid uit de kenmerken van de lijnen, de omtrek, de kleuren, de vorm, de textuur of de materialen van het voortbrengsel zelf en / of de versiering ervan (artikel 3.1, lid 3 BVIE). Het uiterlijk omvat ieder element dat door de menselijke zintuigen kan worden waargenomen (VANHEES, H., Het Beneluxmodel, Bi-bliotheek Handelsrecht Larcier, Mededinging, Handelspraktijken en Intellectuele Rechten, Brussel, 2006, p. 9, nr. 15).
- Artikel 3.3 van het Benelux Verdrag inzake Intellectuele Eigendom bepaalt het volgende: "
- Een tekening of model wordt als nieuw beschouwd, indien er geen identieke tekening of identiek model voor het publiek beschikbaar is gesteld vóór de datum van depot of vóór de datum van voorrang. Tekeningen of modellen worden geacht identiek te zijn, indien de kenmerken ervan slechts in onbelangrijke details verschillen.
- Een tekening of model wordt geacht een eigen karakter te hebben, indien de algemene indruk die deze tekening of dit model bij de geïnformeerde gebruiker wekt, verschilt van de algemene indruk die bij die gebruiker wordt gewekt door tekeningen of modellen die voor het publiek beschikbaar zijn gesteld vóór de datum van depot of vóór de datum van voor-rang. Bij de beoordeling van het eigen karakter wordt rekening gehouden met de mate van vrijheid van de ontwerper bij de ontwikkeling van de tekening of het model.
- Voor de beoordeling van de nieuwheid en het eigen karakter wordt een tekening of model geacht voor het publiek beschikbaar te zijn gesteld, indien deze tekening of dit model is gepubliceerd na inschrijving of op andere wijze, of is tentoongesteld, in de handel is gebracht of anderszins openbaar is gemaakt, tenzij deze feiten bij een normale gang van zaken redelijkerwijs niet vóór de datum van depot of vóór de datum van voorrang ter kennis konden zijn gekomen van ingewijden in de betrokken sector, die in de Europese Gemeenschap of de Europese Economische Ruimte werkzaam zijn. De tekening of het model wordt echter niet geacht voor het publiek beschikbaar te zijn gesteld, louter omdat het onder uitdrukkelijke of stilzwijgende voorwaarde van geheimhouding aan een derde bekendgemaakt is.
- Voor de beoordeling van de nieuwheid en het eigen karakter wordt beschikbaarstelling voor het publiek van een tekening of model waarvoor op grond van een inschrijving aanspraak op bescherming wordt gemaakt, niet in aanmerking genomen, indien, binnen twaalf maanden voorafgaand aan de datum van depot of de datum van voorrang : a. de beschikbaarstelling is geschied door de ontwerper, zijn rechtverkrijgende of een derde op grond van door de ontwerper of diens rechtverkrijgende verstrekte informatie of genomen maatregelen, of b. de beschikbaarstelling is geschied ten gevolge van misbruik jegens de ontwerper of diens rechtverkrijgende.
- Onder het recht van voorrang wordt verstaan het recht als bedoeld in artikel 4 van het Verdrag van Parijs. Hierop kan een beroep gedaan worden door degene die op regelmatige wijze een aanvraag om een tekening of model of een gebruiksmodel heeft ingediend in een der landen die partij zijn bij genoemd verdrag of bij het TRIPS verdrag.". Het uiterlijk van het gebruiksvoorwerp waarvoor bescherming wordt gevraagd moet op basis van deze bepalingen nieuw zijn en een eigen karakter bezitten. Deze voorwaarden zijn cumulatief. Niet het gebruiksvoorwerp zelf of de gebruiksfunctie moet nieuw zijn, wel het uiterlijk (VANHEES, H., op. cit., p. 40, nr. 81). Modellen worden geacht identiek te zijn indien ze werkelijk identiek zijn of wanneer de kenmerken ervan slechts in onbelangrijke details verschillen. De vergelijking van de modellen moet in hun geheel gebeuren en niet kenmerk per kenmerk (VANHEES, H. op. cit., p. 16, nr. 33, met referenties). Om na te gaan of een model nieuw is, moet het model waarvoor bescherming gevorderd wordt, vergeleken worden met individuele modellen die vóór de depot- of voorrangsdatum ter beschikking van het publiek zijn gesteld. Een model is ter beschikking van het publiek gesteld als het bij een normale gang van zaken redelijkerwijze voor het aangegeven tijdstip ter kennis was of kon gekomen zijn van ingewijden in de betrokken sector die in de EG of de EER werkzaam zijn. De sector is de beroepskring die zich met dezelfde tak van handel en nijverheid bezighoudt. In de voorliggende zaak wordt derhalve het uiterlijk van bestekzakjes vergeleken.
- Duni brengt een aantal bestekzakjes bij, die voor het depot van het model van de heer D.N. voor het publiek beschikbaar gesteld werden. Uit voetnoot 8 onder randnummer 30 op p. 13 van de conclusie van Duni moet besloten worden dat zij de vergelijking beperkt tot de voorbekendheid van het bestekzakje "Canguro". Er is geen betwisting dat deze bestekhouder voorkomt in een catalogus van het jaar 2000; dit is ruim vóór het depot en de inschrijving van het thans betwiste model. Dit model vertoont de kenmerkende "slaapzakvorm". Het verschil in afmetingen en proporties tussen de beide modellen beschouwt het Hof als een ondergeschikt verschil. Bij een globale vergelijking (op papier) primeert bij beide de zogeheten slaapzakvorm. Terecht merken de heer D.N. en Europochette op dat Duni niet aantoont dat de Canguro ook buiten Spanje, Frankrijk, Groot-Brittanië en Andorra verspreid werd. De verspreiding van de Canguro in deze landen is in deze zaak en met betrekking tot dit product evenwel voldoende om te besluiten dat het ter beschikking is gesteld van het publiek. De ingewijden in de betrokken sector konden dit product kennen, minstens moesten zij het kennen. Bijgevolg is het model niet nieuw. De uitspraak van de voorzieningsrechter te Den Haag, die appellanten bijbrengen, beschikte blijkbaar niet over het Canguro bestekzakje. Minstens is het niet betrokken in het oordeel van de rechters. Deze Nederlandse zaak kan hier dan ook niet als vergelijkingspunt dienen. Ten overvloede oordeelt het Hof nog het volgende. Het model vertoont geen eigen karakter
- Het tweede lid van artikel 3.3 BVIE bepaalt wat de wetgever onder eigen karakter verstaat (zie citaat hiervoor). Het criterium ter beoordeling van het eigen karakter is het verschil tussen de algemene indruk die wordt gewekt bij een geïnformeerde gebruiker die het model bekijkt en de indruk die bij deze gebruiker wordt gewekt door het vormgevingserfgoed. Rechtsoverweging 13 bij de Richtlijn Modellen deelt mee dat dit verschil "duidelijk" moet zijn. De test van het eigen karakter is bedoeld om te voorkomen dat (kleine) wijzigingen ten aanzien van reeds bestaande voorwerpen recht op bescherming zouden verwerven (VANHEES, H., op. cit., p. 18, nr. 38, met referenties). Er moet dus een scheppingsdaad zijn en wel een scheppingsdaad waardoor een afstand wordt gecreëerd met de reeds bestaande modellen. De modellen moeten in hun geheel met elkaar vergeleken worden. De totaalindruk telt. Men moet letten op de grote verschillen en niet op de geringe afwijkingen of ondergeschikte verschillen. Bij de beoordeling van het eigen karakter moeten de modellen dus meer van elkaar afwijken dan vereist is op grond van het nieuwheidsvereiste (VANHEES, H., op. cit., p. 19, nr. 39, met referenties). Indien de algemene indruk van de modellen dezelfde is, is er geen eigen karakter. Het is wel zo dat, in geval er weinig ruimte is voor verschillen, het eigen karakter bereikt kan worden met relatief geringe verschilpunten in vergelijking tot vroegere modellen. Kleine verschillen kunnen dan een andere algemene indruk veroorzaken (VANHEES, H., op. cit., p. 21, nr. 44). Dit is een gevolg van het voorschrift van artikel 3.3, lid 3 BVIE de ingewijden in de betrokken sector als referentie te nemen. Omdat het referentiekader bestaat uit het vormgevingserfgoed (zie hiervoor), moet het model waarvoor bescherming wordt gezocht, vergeleken worden met een combinatie van gekende modellen. Opdat er sprake zou zijn van eigen karakter van een model waarvoor bescherming wordt gezocht, moet dit model zich op een dergelijke manier onderscheiden van reeds bestaande modellen, dat er bij een geïnformeerde gebruiker een andere algemene indruk ontstaat. De geïnformeerde gebruiker is een persoon met een verhoogde kennis van de modellen uit de betrokken sector (VANHEES, H., "Recente ontwikkelingen in het Benelux en Europees (Gemeenschaps)tekeningen- en modellenrecht", ICIP, 2009/08, 17-20).
- In deze zaak is de geïnformeerde gebruiker de restauranthouder. De vergelijking van de totaalindruk van het model van de heer D.N. met de Canguro geeft geen duidelijk verschil tussen beide. Zelfs indien het criterium van de duidelijkheid niet in aanmerking genomen zou worden, omdat het niet in de wettekst zelf opgenomen is, maar enkel voorkomt in de rechtsoverweging 13 van de Richtlijn Modellen, dan nog stelt het Hof vast dat er niet voldoende verschil is tussen de beide modellen om te besluiten tot de eigenheid van het model. Er mag niet uit het oog verloren worden dat de eigenheid van een wegwerpproduct onderzocht wordt voor een publiek van restau-ranthouders. Het is gelet op de aard van het product en op de snelheid waarmee gewerkt wordt in restaurants aan te nemen dat zij een bestekhouder niet zo grondig onderzoeken. Zelfs als het tijdstip van aankoop van de bestekhouders (en niet van het dekken van de tafel) in aanmerking genomen wordt, dan nog is het weinig waarschijnlijk dat een diepgaand onderzoek gevoerd wordt. Bij een vrij snelle kennisname valt op dat de globale indruk van de beide modellen gelijk is. Europochette en de heer D.N. brengen geen gegevens (marktstudie of andere) bij, waaruit zou blijken dat restauranthouders wel een duidelijk verschil gewaar worden. Geheel ten overvloede merkt het Hof het volgende op. In tegenstelling tot wat de voorzieningsrechter uit Den Haag oordeelt in de uitspraak van 12 februari 2008, is dit Hof van oordeel dat het gebrek aan eigenheid ook blijkt uit het feit dat reeds lang een "slaapzakmodel" op de markt is voor (wegwerp) chop sticks, die in restaurants die oosterse gerechten aanbieden reeds voor 2002 wereldwijd - en dus ook in Europa en de Benelux - op tafel komen. Het bestekzakje van de heer D.N. met "slaapzakmodel" is een variant voor de westerse keuken. Het feit dat de westerse enveloppe breder en korter is dan het zakje voor de eetstokjes is enkel bepaald door het feit dat in de laatste enkel twee lange stokjes opgeborgen worden (al dan niet met servet) en in de eerste mes en vork of mes, vork en lepel (al dan niet met servet) gepresenteerd worden. Zelfs als de uiterlijke vorm verschilt wat de afmetingen betreft, de globale indruk blijft gelijk. Conclusie
- Bij gebrek aan nieuwheid en eigenheid wordt het gedeelte van de internationale modelinschrijving DM 062564 voor de Benelux nietig verklaard wegens gebrek aan nieuwheid en eigenheid, overeenkomstig artikel 3.23.1.b van het BVIE. Nu het model vernietigd is, dient niet verder ingegaan te worden op de vordering van de heer D.N. en Europochette, voor zover ze gegrond is op de modelinbreuk. De vorderingen wegens inbreuken op het auteursrecht en op de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken, de voorlichting en de bescherming van de consument, zoals achteraf gewijzigd (hierna WHPC) De vordering op grond van de Auteurswet is ongegrond
- Daargelaten de vraag of deze vordering toelaatbaar is gelet op de bewoordingen van de dagvaarding en gelet op het feit dat het teke-ningen- en modellenrecht en het auteursrecht verschillende exclusieve rechten vormen, die gegrond zijn op verschillende kenmerken en aspecten, oordeelt het Hof het volgende. Om auteursrechtelijke bescherming te verkrijgen is het een noodzakelijke maar voldoende voorwaarde dat een voortbrengsel de uit-drukking is van de intellectuele inspanning van de maker. Die intellectuele inspanning is de onontbeerlijke voorwaarde om aan het werk het nodige individuele karakter te geven waardoor een vorm ontstaat (Eur. Hof v. Just., 16 juli 2009, C-5/08, Infopaq, r.o. nrs. 33-37; www.curia.eu; Cass., 27 april 1989, Pas., 1989, I, 908; Cass., 2 maart 1993, Pas., I, 234; Cass., 24 februari 1995, R.W., 1995-'96, 433 en I.R. D.I., 1996, 28; Cass., 10 december 1998, R.W. 1999-2000, 325; Cass., 11 maart 2005, www.cass.be). Een origineel werk is een werk, een voortbrengsel met een eigen persoonlijk karakter, dat de stempel draagt van de persoonlijkheid van de maker, op het gebied van de toegepaste kunst (Benelux Ge-rechtshof, inzake Screenoprints, 22 mei 1987, R.W., 1987-'88, 14), zonder dat uit het zicht van het werk moet kunnen afgeleid worden wie de auteur is. Drukt het werk de activiteit uit van zijn auteur? Heeft het werk een individueel karakter? Een zekere mentale activi-teit is vereist, zoniet komt de persoonlijkheid van de auteur niet tot uiting in het werk. Elementen die op zich niet origineel zijn, kunnen door de wijze waarop ze samen gebracht zijn een origineel geheel opleveren. De artistieke noch de esthetische waarde zijn relevant om te bepalen of een werk al dan niet auteursrechtelijk beschermd is (Cass., 27 april 1989, Pas., 1989, I, 908; STROWEL, A., "L' originalité en droit d'auteur: un critère à géométrie variable", J.T., 1991, 513 (inz. 514-515)). Handigheid, technische vaardigheid of omvangrijk werk (zonder de persoonlijke inbreng van de maker) zijn onvoldoende opdat een werk auteursrechtelijk beschermd zou zijn. Nieuwheid is in beginsel geen criterium om een werk auteursrechtelijk te beschermen (DE VISSCHER, F. en MICHAUX, B., Précis du droit d'auteur et des droits voisins, 2000, Brussel, Bruylant, nrs. 23 en 31, met verwijzing; STROWEL, A., "L' originalité en droit d'auteur: un critère à géométrie variable", J.T., 1991, 513-514), net zo min als omvangrijk opzoekingswerk of een grote inspanning om het werk te maken (ibidem). Wat nieuw is, is niet automatisch origineel. Wat origineel is, kan nieuw zijn en zal vaak een aspect van nieuwheid impliceren. De twee begrippen vallen evenwel niet samen. De maker van een later werk mag nog steeds bewijzen dat zijn werk onafhankelijk van het eerste werk tot stand gekomen is. De originaliteit van een bestekzakje is in een veeleer beperkt aantal kenmerken gelegen, gelet op de functionaliteit en de bestemming van dit product. Een origineel werk is niet vanzelfsprekend. Het is ook niet banaal. De bewijslast van Europochette beperkt zich tot het aanduiden waarin de originaliteit van de creatie ligt. Zij dient aan te tonen dat de kenmerken van het bestekzakje niet geheel bepaald zijn door de aard en dat de vormgeving het resultaat is van de eigen keuzes van de ontwerper (DE VISSCHER, F. en MICHAUX, B., Précis du droit d'auteur et des droits voisins, 2000, Brussel, Bruylant, nrs. 24, met referenties).
- Welnu, Europochette slaagt er niet in het bewijs te leveren dat het bestekzakje, waarvan zij de auteursrechtelijke bescherming vordert, de uitdrukking is van de intellectuele inspanning van de maker. De eigen intellectuele schepping van de auteur is niet aangetoond. Dit zakje is in zijn totaliteit niet origineel in de zin van het auteursrecht. De verlijming, waardoor een kader gecreëerd wordt, de rechte afsnijding van het bovenblad en de maat van het zakje, zijn afzonderlijk, noch gecombineerd een voldoende uitdrukking van de inspanning van de maker. Dit onderdeel van de vordering is ongegrond. De vordering wegens schending van artikel 94/3 van de WHPC is ongegrond.
- De vordering op grond van de WHPC is toelaatbaar en wel op basis van de beschrijving onder punt 4 van de dagvaarding (zie citaat onder de beoordeling over de toelaatbaarheid van het hoger be-roep).
- De vrijheid van mededinging impliceert de principiële vrijheid van reclame maken, afwerven van personeel en/of cliënteel, nabootsen of kopiëren, aanhaken, verkoops- en/of leveringsweigering, paral-lelimport, doorbreken van distributiesystemen, ... tenzij die vrijheid ingeperkt wordt door specifieke bijzondere wettelijke bepalingen en/of exclusieve rechten, dan wel dat de uitoefening ervan gepaard gaat met specifieke begeleidende bezwarende omstandigheden die de handelspraktijk een onrechtmatig karakter geven, zoals bijvoorbeeld verwarringstichting, misleiding, slechtmaking, bedrieglijke vermeldingen, gebruik van onrechtmatig verkregen vertrouwelijke informatie, het behalen van een onevenredig groot voordeel, para-sitaire aanhaking, rechtsmisbruik en derdemedeplichtigheid aan contractbreuk. Dit geldt ook tussen rechtstreekse concurrenten, zoals hier tussen partijen die er een identieke handelsactiviteit op nahouden. Nu het model DM 062564 hiervoor vernietigd werd, kunnen de heer D.N. en Europochette zich hier niet op beroepen om het commerci-aliseren van het bestekzakje, zoals hiervoor onder de feitelijke uiteenzetting weergegeven onder verwijzing naar de stukken van partijen, aan te vechten. Ook van begeleidende omstandigheden is in deze zaak geen sprake. Duni heeft het recht een afnameovereenkomst te beëindigen. Op zich is dit niet ongeoorloofd, noch vormt dit een begeleidende omstandigheid. Het loutere bestaan van een voormalige handelsrelatie is op zich niet voldoende om tot een schending van artikel 94/3 WHPC te be-sluiten. Er is evenmin aangetoond dat het publiek in verwarring gebracht wordt door de betrokken bestekenveloppe. De globale indruk verschilt voldoende bij het vergelijken van de voortbrengselen. Het zakje van Duni is niet recht afgesneden, maar vertoont een krul. Het model dat de heer D.N. gedeponeerd had, heeft horizontale gelijkvormige strepen. Deze zijn niet aanwezig op het zakje dat Duni koopt en verkoopt. Binnen de beperkte variatie die mogelijk is voor bestekzakjes, zijn deze verschillen voldoende, ook voor een gemiddeld aandachtige consument. Het loutere feit dat beide voortbrengselen van het slaapzakmodel zijn, is niet voldoende om een gelijkende globale indruk te creëren, die verwarring veroorzaakt. Dit is des te meer het geval nu er eerdere en andere bestekzakjes met slaapzakmodel op de markt zijn (zie hiervoor). Uit het bestaan van andere en eerdere bestekzakjes met een slaapzakmodel, zoals de Canguro, blijkt dat Duni niet geteerd heeft op de inspanningen van de heer D.N. en Europochette (voor zover dit al het geval zou kunnen zijn bij loutere aan- en verkoop van de voortbrengselen). Overige middelen en argumenten
- Gelet op het voorgaande is het niet relevant de overige middelen en argumenten van partijen te onderzoeken en te beoordelen. Algemene conclusie
- Op grond van al het voorgaande wordt het bestreden vonnis bevestigd, zij het met een enigszins andere motivering wat de oorspron-kelijke vordering betreft. Deze is ongegrond. Het bestreden vonnis wordt hervormd wat de oorspronkelijke tegenvordering betreft. Kosten
- Op grond van de artikelen 1042, 1017 en 1022 Ger. Wb. worden appellanten in solidum tot betaling van de kosten veroordeeld. Geen van beide partijen preciseert haar vordering met betrekking tot de kosten. De basisvergoeding voor de hoofdvordering bedraagt euro 1.200 (niet in geld waardeerbare vordering. De basisvergoeding voor de tegenvordering bedraagt om dezelfde reden eveneens euro 1.
- Deze bedragen gelden per aanleg. OP DIE GRONDEN, het hof, Het principaal hoger beroep is beperkt toelaatbaar, maar onge-grond. Het incidenteel hoger beroep is toelaatbaar en gegrond in de hierna volgende mate. Het Hof: - bevestigt het bestreden vonnis wat de oorspronkelijke hoofdvordering betreft, zij het op enigszins andere gronden en hervormt het wat de oorspronkelijke tegenvordering betreft; - verklaart het gedeelte van de internationale modelinschrij-ving DM 062564 voor de Benelux nietig overeenkomstig artikel 3.23.1.b van het BVIE; - verwerpt de vorderingen voor het overige; - veroordeelt appellanten in solidum tot betaling van de kosten, bepaald als volgt: geïntimeerde: eerste aanleg: rechtsplegingvergoeding: hoofdvordering: euro 1.200,00 tegenvordering: euro 1.200,00 hoger beroep: rechtsplegingvergoeding hoofdvordering: euro 1.200,00 tegenvordering: euro 1.200,00 Aldus gewezen door de zevende kamer van het Hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken samengesteld uit: Pieter Vanherpe, raadsheer, waarnemend kamervoorzitter, Geneviève Vanderstichele, raadsheer, Geert De la Ruelle, raadsheer, bijgestaan door Kristoffel Goossens, griffier en uitgesproken door de kamervoorzitter in openbare terechtzitting op maandag twee novem-ber tweeduizend en negen. Kristoffel Goossens Geert De la Ruelle Geneviève Vanderstichele Pieter Vanherpe Rep.nr. 2009/ Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div