id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 03 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20091103.8 Rolnummer: 2009/JZ/80 Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2009-12-04 Raadplegingen: 335 - laatst gezien 2026-07-02 20:32 Fiche UTU-thesaurus: STRAFRECHT - BIJZONDERE STRAFWETTEN Vrije woorden: Vervolgingen ingesteld tegen personen ten aanzien van wie een beslissing tot uithandengeving is genomen overeenkomstig de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste neming van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dat feit veroorzaakte schade, in het kader van een wanbedrijf en/of correctionaliseerbare misdaad. Nota: De cassatieberoepen werden verworpen bij arrest van het Hof van Cassatie van 16 februari
(4)zijn evenmin gegrond. De vervolging betreft zeer ernstige feiten met meerdere beklaagden. Het onderzoek vereiste ook inzet van forensisch onderzoek. In acht genomen deze gegevens kan er van overschrijding van de redelijke termijn geen sprake zijn. De rechtbank heeft zich voor het overige niet uit te spreken over de modaliteiten van de strafuitvoering. De feiten Inzake de eerste beklaagde Uit de gegevens van het strafonderzoek en de behandeling ter terechtzitting is gebleken dat de feiten A1, B, C, E en J, de eerste beklaagde ten laste gelegd, naar eis van recht bewezen zijn. Het bewezen karakter van de feiten B en C blijkt uit de verklaringen van de twee andere beklaagden die hem formeel noemen als mededader. Inzake de tweede beklaagde Uit de gegevens van het strafonderzoek en de behandeling ter terechtzitting is gebleken dat de feiten A1, B, C, D, E en G, de tweede beklaagde ten laste gelegd, naar eis van recht bewezen zijn. Het bewezen karakter van het feit G blijkt uit de volgende feitelijke gegevens: - de accurate persoonsbeschrijving die in grote mate overeenstemt met de persoon van de tweede beklaagde - de fotoherkenning - de verklaring van M.. Inzake de derde beklaagde Uit de gegevens van het strafonderzoek en de behandeling ter terechtzitting is gebleken dat de feiten A1, A2, B, C, D, F, H, I1, I2, I3, K, L, M, N, en O, de derde beklaagde ten laste gelegd, naar eis van recht bewezen zijn. Het bewezen karakter van het feit F blijkt uit de gelijkenis tussen de beschrijving van het wapen door het slachtoffer en het wapen aangetroffen op de derde beklaagde en de bevindingen van de wapendeskundige. Inzake het feit M is de verzwarende omstandigheid van ongeschiktheid niet bewezen. Deze omstandigheid kan dan ook niet worden weerhouden. ....." werd als volgt beslist: "Verbetert de dagvaarding en vult ze aan : - wat de tenlastelegging B betreft als volgt: " ... ten nadele van de c.v.b.a. COOP. VOORUIT nr. 1 en/of V. L. ..." - wat de tenlastelegging C betreft als volgt: "... ten nadele van V. L. en/of c.v.b.a. COOP. VOORUIT nr. 1 ... " STRAFRECHTELIJK M. F. O. Veroordeelt de beklaagde M. F. O. voor de hierboven omschreven en bewezen verklaarde tenlasteleggingen A1, B, C, E en J, SAMEN, tot een HOOFDGEVANGENISSTRAF van VIER JAAR. Zegt dat de beklaagde verplicht is een bedrag van VIJFENTWINTIG EUR. verhoogd met 45 opdeciemen, aldus gebracht op HONDERD ZEVENENDERTIG KOMMA VIJFTIG EURO te betalen als bijdrage tot het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders. Legt de veroordeelde M. F. O. eveneens een vergoeding op van VIJFENTWINTIG EUR in uitvoering van artikel 71 van de wet van 28 juli 1992 en het Koninklijk Besluit van 29 juli 1992 tot wijziging van artikel 91 van het Koninklijk Besluit van 28 december 1950 houdende het algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken, zoals gewijzigd door K.B. 23.12.1993 en bij K.B. 11.12.2001. K. V. Veroordeelt de beklaagde K. V. voor de hierboven omschreven en bewezen verklaarde tenlasteleggingen A1, B, C, D, E en G, SAMEN, tot een HOOFDGEVANGENISSTRAF van VIER JAAR. Zegt dat de beklaagde verplicht is een bedrag van VIJFENTWINTIG EUR. verhoogd met 45 opdeciemen, aldus gebracht op HONDERD ZEVENENDERTIG KOMMA VIJFTIG EURO te betalen als bijdrage tot het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders. Legt de veroordeelde K. V. eveneens een vergoeding op van VIJFENTWINTIG EUR in uitvoering van artikel 71 van de wet van 28 juli 1992 en het Koninklijk Besluit van 29 juli 1992 tot wijziging van artikel 91 van het Koninklijk Besluit van 28 december 1950 houdende het algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken, zoals gewijzigd door K.B. 23.12.1993 en bij K.B. 11.12.2001. S. A. Veroordeelt de beklaagde S. A. voor de hierboven omschreven en bewezen verklaarde tenlasteleggingen A1, A2, B, C, D, F, H, I1, I2, I3, K, L, M (behoudens de verzwarende omstandigheid dat de opzettelijk toegebrachte verwondingen of slagen een ziekte of ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid ten gevolge had), N en O, SAMEN, tot een HOOFDGEVANGENISSTRAF van VIER JAAR. Zegt dat de beklaagde verplicht is een bedrag van VIJFENTWINTIG EUR. verhoogd met 45 opdeciemen, aldus gebracht op HONDERD ZEVENENDERTIG KOMMA VIJFTIG EURO te betalen als bijdrage tot het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders. Legt de veroordeelde S. A. eveneens een vergoeding op van VIJFENTWINTIG EUR in uitvoering van artikel 71 van de wet van 28 juli 1992 en het Koninklijk Besluit van 29 juli 1992 tot wijziging van artikel 91 van het Koninklijk Besluit van 28 december 1950 houdende het algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken, zoals gewijzigd door K.B. 23.12.1993 en bij K.B. 11.12.2001. Gerechtskosten Begroot de gerechtskosten in hun geheel op 1.710,28 EUR. Veroordeelt de beklaagde M. F. O. tot zijn eigen kosten, gevallen aan de zijde van het openbaar ministerie, ten bate van de Staat tot heden begroot op 565,84 EUR. Veroordeelt de beklaagde K. V. tot zijn eigen kosten, gevallen aan de zijde van het openbaar ministerie, ten bate van de Staat tot heden begroot op 131,84 EUR. Veroordeelt de beklaagde S. A. tot zijn eigen kosten, gevallen aan de zijde van het openbaar ministerie, ten bate van de Staat tot heden begroot op 559,66 EUR. Veroordeelt de beklaagden M. F. O., K. V. en S. A. HOOFDELIJK tot de overige kosten, gevallen aan de zijde van het openbaar ministerie, ten bate van de Staat tot heden begroot op 452,94 EUR. Verklaart de burgerrechtelijk aansprakelijke partijen M. F. M. en Z. N. burgerrechtelijk aansprakelijk voor de kosten ten laste gelegd van de beklaagde M. F. O., en veroordeelt hen hoofdelijk met de beklaagde M. F. O. tot betaling van deze kosten. Verklaart de burgerrechtelijk aansprakelijke partijen K. I. en Z. L. burgerrechtelijk aansprakelijk voor de kosten ten laste gelegd van de beklaagde K. V., en veroordeelt hen hoofdelijk met de beklaagde K. V. tot betaling van deze kosten. Verklaart de burgerrechtelijk aansprakelijke partijen S. N. en S. I. burgerrechtelijk aansprakelijk voor de kosten ten taste gelegd van de beklaagde S. A., en veroordeelt hen hoofdelijk met de beklaagde S. A. tot betaling van deze kosten. Overtuigingsstukken Verklaart verbeurd de overtuigingsstukken neergelegd ter correctionele griffie alhier onder de nummers 2009 1081, 2007 7542 en 2007 7114 eigendom van de eerste beklaagde en gediend hebbend om het misdrijf te plegen. Verklaart verbeurd de overtuigingsstukken neergelegd ter correctionele griffie alhier onder de nummers 2008 7581 (behoudens een lederen jas), 2009 1082 en 2009 1083 (behoudens een Spaans IK), eigendom van de tweede beklaagde en gediend hebbend om het misdrijf te plegen. Beveelt de teruggave aan de rechtmatige eigenaar, zijnde de eerste beklaagde, van de overtuigingsstukken neergelegd ter correctionele griffie van deze rechtbank gekend onder nummer 2009 1080. Beveelt de teruggave aan de rechtmatige eigenaar, zijnde de tweede beklaagde, van de overtuigingsstukken neergelegd ter correctionele griffie van deze rechtbank gekend onder de nummers 2008 7581 (wat betreft een lederen jas) en 2009 1079. Beveelt de teruggave aan de rechtmatige eigenaar, zijnde de derde beklaagde, van de overtuigingsstukken neergelegd ter correctionele griffie van deze rechtbank gekend onder nummer 2998 3884. Beveelt de overmaking aan het openbaar ministerie van de overtuigingsstukken neergelegd ter correctionele griffie van deze rechtbank onder de nummers 2008 7770, 2008 7771, 2008 7772, 2009 1083 (wat betreft een Spaans IK), 2008 7582 en 2008 7969, teneinde te handelen als naar recht. Verklaart verbeurd in hoofde van derde beklaagde A. S. en beveelt de ter hand stelling aan de directeur van de proefbank met het oog op de vernietiging, van het overtuigingsstuk neergelegd ter griffie van de correctionele rechtbank te Gent onder nummer 2008 3141 als voorwerp van het misdrijf K en eigendom van de veroordeelde, overeenkomstig artikel 23 al.4 en 24 al.1 Wapenwet 8 juni 2006. BURGERRECHTELIJK Vordering van M. A. Verklaart de eis van de burgerlijke partij M. A. toelaatbaar en gegrond. Veroordeelt de tweede beklaagde om te betalen aan de burgerlijke partij M. A. de som van vierduizend zeshonderd zevenen negentig komma achttien { euro 4.697,18) euro, te vermeerderen met de vergoedende intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf 31 juli 2008 tot heden en vanaf heden met de gerechtelijke moratoire intrest op de hoofdsom en de vergoedende intrest tot de dag der algehele betaling, meer de kosten, hierin begrepen de kosten van rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van negenhonderd euro. Vordering van c.v.b.a. VOORUIT nr. 1 Verklaart de eis van de burgerlijke partij c.v.b.a. VOORUIT nr. 1 toelaatbaar en gegrond. Veroordeelt de eerste, de tweede en de derde beklaagde en de vierde, de vijfde, de zesde, de zevende, de achtste en de negende gedaagde, als burgerrechtelijke aansprakelijke partijen, solidair om te betalen aan de burgerlijke partij c.v.b.a. VOORUIT nr. 1 de som van vierhonderd éénenveertig komma vijftien ( euro 441,15) euro, te vermeerderen met de vergoedende intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf 24 oktober 2008 tot heden en vanaf heden met de gerechtelijke moratoire intrest aan de wettelijke intrestvoet op het geheel van de hoofdsom en de vergoedende intrest tot de dag van de betaling en de kosten. Vordering van V. L. Verklaart de eis van de burgerlijke partij V. L. toelaatbaar en gegrond. Veroordeelt de eerste, de tweede en de derde beklaagde en de vierde, de vijfde, de zesde, de zevende, de achtste en de negende gedaagde, als burgerrechtelijke aansprakelijke partijen, solidair om te betalen aan de burgerlijke partij V. L. de som van tweeduizend vijfhonderd ( euro 2.500,00) euro, te vermeerderen met de vergoedende intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf 24 oktober 2008 tot heden en vanaf heden met de gerechtelijke moratoire intrest aan de wettelijke intrestvoet op het geheel van de hoofdsom en de vergoedende intrest tot de dag van de betaling en de kosten. Rechtsplegingsvergoeding Begroot de toe te kennen rechtsplegingsvergoeding voor de burgerlijke partij c.v.b.a. VOORUIT nr. 1 en L. V. samen op 650,00 EUR. Vordering van V.Z.W. HUIS VAN DE ECONOMIE Verklaart de eis van de burgerlijke partij V.Z.W. HUIS VAN DE ECONOMIE toelaatbaar en gegrond. Veroordeelt de derde beklaagde om te betalen aan de burgerlijke partij VZ.W. HUIS VAN DE ECONOMIE de som van duizend vierhonderd dertig komma achtendertig ( euro 1.430,38) euro, te vermeerderen met de vergoedende intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf 16 juni 2008 tot heden en vanaf heden met de gerechtelijke moratoire intrest aan de wettelijke intrestvoet op het geheel van de hoofdsom en de vergoedende intrest tot de dag van de betaling en de kosten, hierin begrepen de kosten van rechtspleqingsvergoeding ten bedrage van vierhonderd euro. Vordering van N.V. AUTOMATEN SERVICE V. Verklaart de eis van de burgerlijke partij de N.V. AUTOMATEN SERVICE V. wat betreft de 105 pakjes sigaretten toelaatbaar doch niet gegrond. Verklaart de eis van de burgerlijke partij de N.V. AUTOMATEN SERVICE V. voor het overige toelaatbaar en gegrond. Veroordeelt de derde beklaagde en de achtste en de negende gedaagde, als burgerrechtelijke aansprakelijke partijen, solidair om te betalen .aan de burgerlijke partij N.V. AUTOMATEN SERVICE V. de som van duizend vijfhonderd vijfendertig komma nul twee ( euro 1.535,02) euro, te vermeerderen met de vergoedende intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf 16 juni 2008 tot heden en vanaf heden met de gerechtelijke moratoire intrest aan de wettelijke intrestvoet op het geheel van de hoofdsom en de vergoedende intrest tot de dag van de betaling en de kosten, hierin begrepen de kosten van rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van vierhonderd euro. De overige burgerlijke belangen Houdt ambtshalve de overige burgerrechtelijke belangen aan." * * * Tegen dit vonnis werd hoger beroep ingesteld: · op 10.06.2009, door K. V., vanuit de gevangenis te Gent, overgeschreven in het register ad hoc van de rechtbank van eerste aanleg te Gent dd. 11.06.2009, tegen alle schikkingen ervan · op 12.06.2009, door het openbaar ministerie, tegen al de beschikkingen ervan, tegen K. V. · op 23.06.2009, voor en namens M. F. O., beklaagde, tegen alle beschikkingen ervan, te zijnen laste uitgesproken · op 23.06.2009, voor en namens S. A., beklaagde, tegen alle beschikkingen ervan, te zijnen laste uitgesproken · op 23.06.2009, door het openbaar ministerie, tegen M. F. O. en S. A., beklaagden, tegen al de beschikkingen ervan * * * Werden gehoord in openbare terechtzitting in het Nederlands en buiten de aanwezigheid van andere minderjarigen: · K. V., tweede gedaagde, in zijn middelen van verdediging en een conclusie, in persoon, bijgestaan door Mr P. Deurbroeck, advocaat te Gent · M. F. O., eerste gedaagde, in zijn middelen van verdediging en een conclusie en een dossier, in persoon, bijgestaan door Mr J. De Winter, advocaat te Gent · S. A., derde gedaagde, in zijn middelen van verdediging en een conclusie en een dossier, in persoon, bijgestaan door Mr A. De Clerck, advocaat te Merelbeke · Het openbaar ministerie, in zijn vordering, bij monde van substituut-procureur-generaal Inge T'Hooft · Z. N., vijfde gedaagde, in persoon, · M. A., burgerlijke partij, in haar eis, vertegenwoordigd door Mr Veronique De Coster, loco Mr F. Van Hende, beiden advocaat te Gent · VZW Huis van de Economie, burgerlijke partij, in haar eis, vertegenwoordigd door Mr S. De Bosschere, advocaat te Gent · CVBA Vooruit nr 1 en Vlassenbroeck Leen, burgerlijke partijen, in hun eis, vertegenwoordigd door Mr P. Crispyn, advocaat te Mariakerke · NV Automatenservice V., burgerlijke partij, in haar eis, vertegenwoordigd door Mr P. Crispyn, advocaat te Mariakerke, loco Mr L. Machtelings, advocaat te Zottegem M. F. M., K. I., Z. L., S. N. en S. I., vierde, zesde, zevende, achtste en negende gedaagden, verschijnen niet, noch iemand voor hen. * * * Op procesrechtelijk gebied a. De rechtsgeldige samenstelling De verdediging van de eerste beklaagde, O. M. F. verzoekt het Hof na te gaan in welke mate de zetel van de bijzondere jeugdkamer rechtsgeldig is samengesteld. Het Hof heeft ter terechtzitting van 7 oktober 2009 de verdediging gewezen op de regelmatigheid (conform artikel 101 lid 6 Ger.W. - zoals ingevoegd bij art. 36,2° van de Wet van 13 juni 2006, B.S. 19 juli 2006, ed. 2) van de samenstelling van de zetel van dit Hof. Trouwens - mocht de zetel niet rechtsgeldig zijn samengesteld - dan zou het Hof zich ambtshalve onbevoegd dienen te verklaren ratione personae (R. Declercq "Beginselen van strafrechtspleging " 4°ed. 2007, nr. 628). Louter volledigheidshalve kan worden gesteld dat de verdediging wel degelijk aan de hand van de gepubliceerde dienstregeling van dit Hof kan nagaan welke magistraten zetelen in correctionele kamers en welke tot jeugdkamers behoren en derhalve over het ingevolge het artikel 259 sexies §1 Ger.W. vereiste opleidingsattest beschikken. b. De bevoegdheid - regelmatigheid van de saisine De drie beklaagden, O. M. F., V. K. en A. S. werpen, zoals ook voor de eerste rechter, op dat de bijzondere kamer binnen de jeugdrechtbank niet rechtsgeldig werd gevat, gelet op de onregelmatigheid van de verwijzingbeschikking van de raadkamer van 20 april 2009, die de zaak overeenkomstig artikel 130 van het Wetboek van Strafvordering niet naar de bijzondere kamer van de Jeugdrechtbank, doch naar de correctionele rechtbank heeft verwezen. De stelling van de drie beklaagden dat de voormelde onregelmatigheid zou leiden tot het feit dat de 30bis kamer van de Jeugdrechtbank en bijgevolg ook de jeugdkamer van dit Hof niet rechtsgeldig werd gevat, kan duidelijk niet worden bijgetreden. In casu werd onderhavige zaak ingevolge de verwijzingsbeschikking van de Raadkamer te Gent van 20 april 2009 aanhangig gemaakt bij de rechtbank van eerste aanleg te Gent (waarvan de correctionele kamers deel uitmaken) en dit ingevolge het artikel 130 van het Wetboek van Strafvordering. Zoals ook de eerste rechter, benadrukt het Hof dat zij geen rechtsmacht bezit om de regelmatigheid van de beslissing van het onderzoeksgerecht rechtstreeks of onrechtstreeks te onderzoeken of te beoordelen. Zolang deze beschikking niet door het Hof van Cassatie of in voorkomend geval door de Kamer van Inbeschuldigingstelling vernietigd wordt, behoudt ze haar kracht (vgl. o.m. Cass. nr. P.09.0079, 3 maart 2009, www.cass.be; R.DECLERCQ " Beginselen van strafrechtspleging " 4° ed. 2007, nr.1940). Het artikel 130 Sv. voorziet niet in de mogelijkheid tot specifieke verwijzing door de raadkamer naar de bijzondere kamer binnen de jeugdrechtbank. De hieraan voorafgaande arresten van uithandengeving resp. dd. 9 maart 2009 (K. V. en M. F. O.) en dd. 16 maart 2009 (S. A.), verleend door de Vijftiende Kamer van dit Hof, recht doende in jeugdzaken, zijn geen verwijzingsbeschikkingen (B.DE SMET " De strafprocedure voor minderjarigen na de wetten van 15 mei 2006 en 13 juni 2006: Jeugdbeschermingsrecht met een vleugje jeugdsanctierecht " R.W.2006-07, blz.356 -357 - sub E.). De leemte in deze wetsbepaling dient noodzakelijkerwijze te worden opgevuld, zoniet zal in geval van een gerechtelijk onderzoek elke verdere beoordeling ten gronde van de uithanden gegeven minderjarige (mede)beklaagde(
- n)worden gehypothekeerd. c. Nietigheid van de dagvaarding In deze heeft het Openbaar Ministerie - dat, behoudens de gevallen van een uithandengeving in het kader van een gerechtelijk onderzoek, belast is met het aanhangig maken van de zaak voor de bijzondere jeugdkamer - overeenkomstig het artikel 57bis §1 van de Wet betreffende de Jeugdbescherming de zaak gedagvaard voor de bijzondere jeugdkamer (30 bis) van de jeugdrechtbank. Dat deze handelwijze zou leiden tot enige onregelmatigheid in de wijze waarop de bijzondere kamer van de jeugdrechtbank werd gevat, kan niet worden bijgetreden. Immers de bijzondere kamer binnen de jeugdrechtbank maakt evenzeer deel uit van de Rechtbank van eerste aanleg. De problematiek omtrent de dagvaarding voor de bijzondere kamer van de jeugdrechtbank (terwijl er door de raadkamer werd verwezen naar de correctionele rechtbank) houdt derhalve verband met de rechterlijke organisatie, nl. teneinde te kunnen voldoen aan de vereisten inzake de bevoegdheid ratione personae, zoals vervat in de artikelen 76 lid 5 en 78 lid 3 Ger.W. - zoals ingevoegd bij de artikelen 32 en 33 van de Wet van 13 juni 2006). Deze specifieke vereiste inzake bevoegdheid ratione personae bleek namelijk uit de inhoud zelf van de verwijzingsbeschikking dd. 20 april 2009, met name uit de aanhef van de verwijzingsvordering, op 14 april 2009 genomen door de Procureur des Konings te Gent, waarvan de beweegredenen door de Raadkamer te Gent werden aangenomen en overgenomen. Gelet op hetgeen hierboven werd overwogen maakt de opgeworpen niet-conformiteit van de dagvaarding met de verwijzingsbeschikking deze inleidende akte niet nietig. Het enkel feit dat in de dagvaarding het opleggen van maatregelen van bewaring, behoeding of opvoeding wordt gevorderd, daar waar de uithandengeving de toepassing van het gemeen strafrecht inhoudt, leidt evenmin tot nietigheid. Enerzijds kan aan de inleidende dagvaarding immers slechts de draagwijdte van een dagstelling worden toegekend. Overigens, op basis van de omschrijving van de feiten voorwerp van de tenlasteleggingen zoals weerhouden in de verwijzingsbeschikking zijn de drie beklaagden perfect op de hoogte van het voorwerp van de strafvordering waaromtrent zij zich dienen te verdedigen, zodat de rechten van verdediging evenmin in het gedrang werden gebracht. Anderzijds werd ingevolge deze dagvaarding het uiteindelijke door de wet vooropgestelde doel bereikt: de drie beklaagden verschenen uiteindelijk voor de bijzondere jeugdkamer van de jeugdrechtbank (samengesteld conform de artikelen 76 lid 5 en 78 lid 3 Ger.W. - zoals ingevoegd bij de artikelen 32 en 33 van de Wet van 13 juni 2006). De bijzondere jeugdkamer in de Rechtbank van eerste aanleg te Gent, die krachtens artikel 57bis§1lid 1 JBW bevoegd is om na uithandengeving toepassing te maken van het gemeen strafrecht in zake wanbedrijven en gecorrectionaliseerde misdaden op basis van de gemeenrechtelijke strafprocedure, werd derhalve ingevolge de verwijzingsbeschikking terecht door het Openbaar Ministerie gevat als zijnde het bevoegde vonnisgerecht. d. ontvankelijkheid De tegen het op tegenspraak gewezen vonnis van de 30ste bis kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, afdeling Jeugdrechtbank dd. 10 juni 2009 ingestelde hoger beroepen zijn regelmatig naar tijd en vorm. Elk hoger beroep is ontvankelijk. De verjaring van de strafvordering is op heden niet ingetreden. e. saisine van het Hof De tweede beklaagde V. K. tekende op 10 juni 2009 hoger beroep aan tegen alle schikkingen van het door de 30bis kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, afdeling Jeugdrechtbank, op 10 juni 2009 gewezen vonnis. Dit hoger beroep werd op 12 juni 2006 gevolgd door het hoger beroep van het Openbaar Ministerie. Op 23 juni 2009 tekende ook de eerste beklaagde, O. M. F. en de derde beklaagde A. S. hoger beroep aan tegen alle schikkingen van vermeld vonnis, gevolgd door het hoger beroep van dezelfde datum van het Openbaar Ministerie. Het hoger beroep ingesteld door de drie vernoemde beklaagden kan zich bij gebrek aan belang niet uitstrekken tot de beslissing van de eerste rechter nopens de solidaire gehoudenheid van de burgerlijk aansprakelijke partijen te weten: de vierde gedaagde, M. M. F., de vijfde gedaagde, N. Z., de zesde gedaagde I. O. K., de zevende gedaagde, L., A. Z., de achtste gedaagde, N. S. en de negende gedaagde, I. S.. Alwaar het Openbaar Ministerie, noch de burgerlijke partijen zelf hoger beroep hebben ingesteld tegen deze burgerlijk aansprakelijke partijen, is het Hof ten aanzien van diezelfde burgerlijk aansprakelijke partijen noch op strafrechtelijk gebied noch op burgerrechtelijk gebied gevat. f. kwalificaties f.1. De in het vonnis a quo, onder de tenlastelegging J opgenomen kwalificatie inzake de drugwet, zoals vervat in de verwijzingsbeschikking, is op zich correct, doch dient vervolledigd te worden daar deze geen enkele melding maakt van de meerdere wijzigende wetsbepalingen, die aan de basis liggen van de erin opgesomde artikelen en dit als volgt : In de aanhef van de tenlastelegging J dient na de Wet van 24.2.1921 te worden vermeld : " zoals laatst gewijzigd bij wetten van 4 april 2003 en 3 mei 2003", Tevens dient daarbij in de kwalificatie na het K.B. van 31.12.1930 te worden vermeld: " zoals laatst gewijzigd bij K.B. van 16 mei 2003 (B.S. 2.6.2003). De eerste beklaagde voornoemd werd hieromtrent ter terechtzitting van 7 oktober 2009 ingelicht en heeft zich erop verdedigd. f.2. Ter terechtzitting van 7 oktober 2009 bracht het Hof de derde beklaagde, A. S. ter kennis dat het zich het recht voorbehoudt om de tenlastelegging M te heromschrijven in: " Te op 15 juni 2008: Opzettelijk verwondingen of slagen te hebben toegebracht aan D. H.." Het aldus te omschrijven feit stemt overeen met het feit voorwerp van de tenlastelegging zoals omschreven in de beschikking tot verwijzing van de raadkamer van 20 april 2009 en daartoe op de terechtzitting van 7 oktober 2009 uitgenodigd, heeft de derde beklaagde voornoemd met betrekking tot het voorgaande zijn verdediging aangepast. f.3. De eerste rechter heeft terecht en oordeelkundig op het 24ste blad van het bestreden vonnis de tenlasteleggingen B en C in hoofde van de eerste beklaagde, O. M. F., de tweede beklaagde, V. K. en de derde beklaagde, A. S. naar omschrijving der benadeelden aangevuld. Al de hierboven vermelde tenlasteleggingen dienen dan ook te worden gelezen als zijnde heromschreven of naar omschrijving geactualiseerd of aangevuld zoals hierboven bepaald. Op strafrechtelijk gebied: 1. Algemeen a. De schending van de artikelen 10 IVBPR en artikel 37 IVRK Zoals voor de eerste rechter, werpen de eerste en de tweede beklaagde voornoemd op dat hun gevangenzetting strijdig is met artikel 10 IVBPR en artikel 37 IVRK. De tweede beklaagde had deze middelen reeds aangevoerd in zijn cassatieberoep dat werd verworpen bij arrest, verleend door de Tweede Kamer van dit Hof op 14 april 2009. De beklaagden zijn allen bij afzonderlijke beschikking onder de banden van het aanhoudingsmandaat verwezen door de Raadkamer te Gent in toepassing van de artikelen 16§1 en 26§3 van de Wet van 20 juli 1990. Het artikel 37 IVRK schrijft daarbij niet voor dat het onderzoeksgerecht dat uitspraak doet over de vrijheidsberoving van minderjarigen tegen wie, ingevolge een beslissing tot uithandengeving door de jeugdrechter, door de onderzoeksrechter een aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, dient kennis te nemen van de precieze detentiesituatie van die minderjarigen (Cass. 22 maart 2005, P.05.0340.N ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050322.34/2, Arr. Cass. 2005, nr.178). Het Hof kan enkel vaststellen dat het thans door de verdediging gevoerde verweer de modaliteiten van de detentiesituatie van de beklaagden raakt, waarbij de Raadkamer als onderzoeksgerecht over de vrijheidsberoving op zich reeds had beslist en waaromtrent dit Hof als vonnisgerecht geen rechtsmacht bezit. b. De redelijke termijn De oordeelkundige beweegredenen van de eerste rechter, zoals vervat op het zeventiende blad van het bestreden vonnis worden niet ontkracht noch weerlegd in de onderscheiden besluiten van de eerste en de tweede beklaagden voornoemd. Het Hof voegt er de navolgende elementen aan toe : - Bij de aanvang van hun voorlopige hechtenis op 4 februari 2009 hebben de eerste en de tweede beklaagden het rechtsmiddel van hoger beroep aangewend tegen hun uithandengeving door de jeugdrechtbank; navolgend heeft de tweede beklaagde tevens cassatieberoep aangetekend, waaromtrent het Hof van Cassatie arrest heeft gewezen op 14 april 2009. Het Openbaar Ministerie heeft dezelfde dag nog de verwijzingsvordering opgesteld. Een vertraging van de rechtsgang kan dan niet verweten worden aan de actoren van justitie ; - Op de inleidende zitting voor de eerste rechter op 13 mei 2009 (dit is binnen de maand na de verwijzing) werd uitstel gevraagd door de raadsman van de eerste beklaagde. De zaak werd verdaagd naar 3 juni 2009 en de Rechtbank heeft reeds op 10 juni 2009 eindvonnis verleend; - Het volledig dossier werd aan het Parket-generaal overgemaakt op 27 augustus 2009 na inventarisatie en reeds op 7 september 2009 werden de bevelen tot dagvaarding door het Ambt van de Procureur-generaal aan de resp. gerechtsdeurwaarders overgemaakt; - De zaak werd behandeld door dit Hof op 7 oktober 2009; er werden conclusies in rechte neergelegd en er werd binnen een termijn van één maand eindarrest verleend. Al de voorgaande elementen wijzen er op dat de rechtspleging in de beide aanleggen in concreto zonder enige onverantwoorde vertraging is verlopen. Het verlenen van "onmiddellijk rechtsherstel" door de in vrijheid stelling van de beklaagden te bevelen op basis van de vermeende schending van de artikelen 5.3. en 5.4. EVRM, zoals in besluiten opgeworpen door de eerste en de tweede beklaagden, is in de huidige stand van het geding niet aan de orde, nu geen enkel grondrecht werd geschonden en gaat trouwens volkomen voorbij aan de daartoe geëigende procedure voorzien bij het artikel 27 §1 V.H.-Wet. 2 . Ten aanzien van de eerste beklaagde, O. M. F.: a. De eerste beklaagde betwist, zoals ook voor de eerste rechter, enkel de hem ten laste gelegde feiten, voorwerp van de tenlasteleggingen B en C. Op grond van de voor het Hof gevoerde debatten getoetst aan een nieuw onderzoek van alle gegevens zoals vervat in het voorliggend strafdossier zijn de aan de eerste beklaagde ten laste gelegde feiten, voorwerp van de tenlasteleggingen A1, B, C, E en J - zoals hiervoren sub. f.1 aangepast - in zijnen hoofde zoals voor de eerste rechter ook voor het Hof ten genoegen van rechte bewezen gebleven. Het Hof treedt met betrekking tot dit besluit de oordeelkundige beweegredenen van de eerste rechter - zoals vervat op het twaalfde tot en met het zeventiende blad van het bestreden vonnis - dan ook bij en neemt deze over, nu zij in rechte voldoende grond vinden in de gegevens van het voorliggende strafdossier. De door de eerste beklaagde in zijn regelmatig ter terechtzitting van het Hof van 7 oktober 2009 neergelegde beroepsconclusie ontwikkelde argumenten zijn in rechte niet van voldoende grond om voormeld besluit van het Hof te ontkrachten. Wat betreft de feiten, voorwerp van de tenlasteleggingen B en C (de overval op de apotheek COOP. VOORUIT nr 1 en de afpersing ten nadele van L. V.) verwijst het Hof ten overvloede naar: - de verklaring van de getuige L. K. (die drie ongemaskerde mannen een tijd lang in de omgeving van de apotheek heeft opgemerkt) die de eerste beklaagde als heel sterk gelijkend op één van de daders aanduidt (cf. o.m. PV nummer 87151 dd. 29 oktober 2008, stuk 39; dossier nr. 236/08, Kaft I) - de verklaring van B. C. (PV nummer 87760 dd. 31 oktober 208, stuk 46, dossier nr. 236/08, Kaft I) - de verklaring van B. V. (PV nummer 088800 dd. 4 november 2008, stuk 78, dossier nr. 236/08, Kaft I) - de gedetailleerde verklaring van de derde beklaagde. Deze gegevens sluiten elke redelijke twijfel omtrent de betrokkenheid van de eerste beklaagde bij deze feiten uit. b. Zoals terecht aanvaard door de eerste rechter zijn de door de eerste beklaagde gepleegde feiten voorwerp van de in zijnen hoofde bewezen gebleven tenlasteleggingen A1, B, C, E en J - zoals hiervoren sub. f.1 aangepast - de uitwerking van éénzelfde misdadig opzet. In zijn regelmatig ter terechtzitting van het Hof van 7 oktober 2009 neergelegde beroepsconclusie verzoekt de eerste beklaagde een passende straf te horen opleggen "die de drie jaar niet te boven gaat, eventueel onder strikte voorwaarden". Het Hof kan dit in ondergeschikte orde geformuleerd verzoek van de eerste beklaagde ertoe strekkende hem wegens de bewezen tenlasteleggingen A1, B, C, E en J - zoals hiervoren sub.f.1 aangepast - in zijnen hoofde een straf van maximaal drie jaar - al dan niet gedeeltelijk - met probatieuitstel te horen opleggen niet inwilligen, nu dit bij hem zou leiden tot een onvoldoende bewustwording van de bijzondere ernst van de door hem gepleegde en bewezen gebleven feiten. Aan diezelfde feiten dient vooreerst een bijzonder ernstig karakter te worden toegekend. Het Hof benadrukt dat verschillende plaatsingen in het centrum "De Grubbe" in Everberg en de Gemeenschapsinstelling voor Bijzondere Jeugdbijstand "De Zande" te Ruislede sinds begin 2007 niet hebben geleid tot enige verbetering in het gedrag van de eerste beklaagde, die hardnekkig weigert zich te conformeren aan de geldende maatschappelijke regels. Bij vonnis van de vakantiekamer van de jeugdrechtbank te Gent dd. 9 juli 2008 werd de eerste beklaagde voor zes maanden toevertrouwd aan een gemeenschapsinstelling en dit met uitstel, mits het uitvoeren van een prestatie van opvoedkundige aard en algemeen nut. (cf. OK "Rechtspleging en gerechtelijke beslissingen" Kaft III, vonnis van de Jeugdrechter te Gent dd. 4 februari 2009 inhoudende de uithandengeving van de eerste beklaagde). De uitvoering van deze prestatie mislukte echter wegens totaal gebrek aan motivatie vanwege de eerste beklaagde. Bovendien weerhoudt het Hof, naast de bijzondere drieste wijze waarop de feiten werden gepleegd, het bijzonder somber beeld dat door Dr. W. Ducheyne (aangesteld bij beschikking van de Jeugdrechter te Gent van 6 november 2008) in zijn verslag van 12 november 2008 van de eerste beklaagde wordt geschetst. De beklaagde wordt hierin omschreven als een einzelgänger, die zichzelf niet in vraag stelt en al evenmin wordt gekweld door angst, wroeging of schuldbesef. Hij staat, aldus de gerechtsdeskundige, onverschillig ten opzichte van het leed dat hij zijn slachtoffers heeft aangedaan. Hij is niet toekomstgericht en plannen na zijn ontslag uit de gevangenis heeft hij al evenmin. De deskundige besluit dan ook dat de eerste beklaagde voornoemd een afwijkend toekomstperspectief heeft en niet veel voelt voor een aangepaste en geregelde maatschappelijke carrière. (cf. p. 5 van het verslag; OK "Verslagen van deskundigen, Kaft III). Het Hof heeft dan ook, rekening houdend met dit advies, de grootst mogelijke twijfel omtrent de motivatie van de eerste beklaagde om middels het aanvaarden van ‘strikte voorwaarden' (die niet eens in de aangehaalde zittingsconclusie worden geconcretiseerd) aan zijn toekomst te werken. Het geven van een krachtig signaal enerzijds en de maatschappelijke beveiliging anderzijds dienen bij het opleggen van de bestraffing derhalve te primeren. De door de eerste rechter bij toepassing van artikel 65 lid1 Strafwetboek, lastens de eerste beklaagde, wegens de in zijnen hoofde bewezen gebleven tenlasteleggingen A1, B, C, E en J - zoals hierboven sub. f.1 aangepast - opgelegde bestraffing (hoofdgevangenisstraf), is dan ook de passende en wetmatige beteugeling van de in zijnen hoofde aangehouden misdrijven. Zij werd bepaald op basis van oordeelkundige motieven, die het Hof beaamt en dan ook overneemt. 3. Ten aanzien van de tweede beklaagde, V. K.: a. Op grond van de voor het Hof gevoerde debatten getoetst aan een nieuw onderzoek van alle gegevens zoals vervat in het voorliggend strafdossier zijn de aan de tweede beklaagde ten laste gelegde feiten, voorwerp van de tenlasteleggingen A1, B, C, D, E en G in zijnen hoofde zoals voor de eerste rechter ook voor het Hof ten genoegen van rechte bewezen gebleven. Het Hof treedt met betrekking tot dit besluit de oordeelkundige beweegredenen van de eerste rechter - zoals vervat op het twaalfde tot en met het achttiende blad van het bestreden vonnis - dan ook bij en neemt deze over, nu zij in rechte voldoende grond vinden in de gegevens van het voorliggende strafdossier. De door de tweede beklaagde in zijn regelmatig ter terechtzitting van het Hof van 7 oktober 2009 neergelegde beroepsconclusie ontwikkelde argumenten zijn evenmin in rechte van voldoende grond om voormeld besluit van het Hof te ontkrachten. b. Zoals terecht aanvaard door de eerste rechter zijn de door de tweede beklaagde gepleegde feiten voorwerp van de in zijnen hoofde bewezen gebleven tenlasteleggingen A1, B, C, D, E en G de uitwerking van éénzelfde misdadig opzet, Op het in ondergeschikte orde geformuleerde verzoek van de tweede beklaagde hem wegens de tenlasteleggingen A1, B, C, D, E en G een straf met uitstel, gekoppeld aan probatievoorwaarden - zoals vermeld op het vierde blad van zijn ter terechtzitting van 7 oktober 2009 neergelegde beroepsconclusie - te horen toekennen, wordt door het Hof niet ingegaan, nu dit bij de tweede beklaagde evenzeer zou leiden tot een onvoldoende bewustwording van de objectieve zwaarwichtigheid van de gepleegde feiten. De feiten zijn, zoals reeds werd benadrukt, zeer zwaarwichtig. Oprechte en gemeende spijt met betrekking tot de door hem gepleegde feiten heeft het Hof bij de tweede beklaagde, in persoon aanwezig ter terechtzitting van 7 oktober 2009, evenmin kunnen ontwaren. Het inmiddels door de tweede beklaagde afgelegd ‘parcours' toont overigens aan dat hij de hem geboden kansen stuk voor stuk aan zich heeft voorbij laten gaan. Plaatsingen in het centrum "De Grubbe" te Everberg en in de Gemeenschapsinstelling voor Bijzondere Jeugdbijstand "De Zande" te Ruislede brachten niet het verhoopte resultaat. Bij vonnis van 9 juli 2008 werd hij door de vakantiekamer van de jeugdrechtbank te Gent uit hoofde van een diefstal met geweld, gepleegd te Gent op 13 december 2007, onder twee van de in artikel 471 Strafwetboek vermelde omstandigheden, voor een termijn van zes maanden toevertrouwd aan de Gemeenschapsinstelling voor Bijzondere Jeugdbijstand "De Zande", waarbij de bedoelde maatregel werd uitgesteld voor een termijn van zes maanden mits het naleven van een prestatie van opvoedkundige aard en algemeen nut van 120 uur. De uitvoering van deze prestatie kende een meer dan problematisch verloop zoals blijkt uit het verslag van de sociale dienst van de jeugdrechtbank dd. 26 augustus 2008. (kaft IV, OK "rechtsplegingen en gerechtelijke beslissingen"). Het verslag van gerechtsdeskundige Dr. Ducheyne dd. 21 november 2008 schetst al evenmin een hoopgevend portret van de tweede beklaagde, waar de deskundige onomwonden stelt: "Er is bij hem een niet bespreekbare agressieve kern die hij niet kan exterioriseren maar die aan de oorzaak ligt van zijn voortdurend plagen en treiteren, zijn belangstelling voor wapens en zijn nogal verhitte fantasieën" (subkaft ‘verslagen van deskundigen, Kaft IV). Verheerlijking van geweld, lak aan normen en waarden en een misplaatste solidariteit ten aanzien van zijn kompanen zijn tekenend voor de ingesteldheid van de tweede beklaagde. Het is overigens zeer de vraag welke garantie het door de tweede beklaagde als één van de probatievoorwaarden voorgesteld verblijf bij zijn moeder zou hebben, nu deze laatste zelf blijkt te kampen met psychische problemen (zij zou lijden aan manisch - depressieve psychose) en zij niet het minste gezag meer over haar zoon heeft. Al de hiervoren gedane vaststellingen en de daaraan noodzakelijk te verbinden overwegingen laten in hoofde van de tweede beklaagde niet de minste mildering toe van de lastens hem door de eerste rechter opgelegde bestraffing. Tegen het ernstig crimineel gedrag van de tweede beklaagde, die kennelijk van mening is dat enkel zijn wetten in de maatschappij gelden, dienen in de eerste plaats daartegenover de belangen van diezelfde maatschappij te worden beschermd. De door de eerste rechter lastens de tweede beklaagde bij toepassing van artikel 65 Strafwetboek opgelegde bestraffing (hoofdgevangenisstraf) wegens de gezamenlijk in zijnen hoofde bewezen tenlasteleggingen A1, B, C, D, E en G, is dan ook de passende en wetmatige bestraffing van de in zijnen hoofde aangehouden misdrijven. Zij werd bepaald op basis van oordeelkundige motieven, die het Hof beaamt en dan ook overneemt. 4. Ten aanzien van de derde beklaagde A. S. a. De tenlastelegging M. Zoals de derde beklaagde terecht opmerkt hebben de door hem aan D. V. toegebrachte slagen geen arbeidsongeschiktheid bij het slachtoffer teweeggebracht. Er is dan ook aanleiding tot herkwalificatie van dit feit als volgt: " Te op 15 juni 2008: Opzettelijk verwondingen of slagen te hebben toegebracht aan D. H.." b. Op grond van de voor het Hof gevoerde debatten getoetst aan een nieuw onderzoek van alle gegevens zoals vervat in het voorliggend strafdossier zijn de aan de derde beklaagde ten laste gelegde feiten, voorwerp van de tenlasteleggingen A1, A2, B, C, D, F, H, I1, I2, I3, K, L en M - zoals heromschreven door het Hof - , in zijnen hoofde zoals voor de eerste rechter ook voor het Hof ten genoegen van rechte bewezen gebleven. Het Hof treedt met betrekking tot dit besluit de oordeelkundige beweegredenen van de eerste rechter - zoals vervat op het twaalfde tot en met het achttiende blad van het bestreden vonnis - dan ook bij en neemt deze over, nu zij in rechte voldoende grond vinden in de gegevens van het voorliggende strafdossier. De door de beklaagde in zijn regelmatig ter terechtzitting van het Hof van 7 oktober 2009 neergelegde beroepsconclusie ontwikkelde argumenten zijn in rechte niet van voldoende grond om voormeld besluit van het Hof te ontkrachten. Ook voor het Hof blijft de derde beklaagde zijn betrokkenheid bij het feit, voorwerp van de tenlastelegging F, met de meeste klem ontkennen. Aan het door de wapendeskundige gevoerde onderzoek zou, aldus de derde beklaagde geen absolute wetenschappelijke zekerheid kleven, die elke twijfel in zijnen hoofde uitsluit. Deze zienswijze kan evenwel niet worden bijgetreden. De Procureur-generaal stelde in haar rekwisitoor dat er voldoende overeenstemmende en bewijskrachtige elementen m.b.t. dit feit in het strafdossier voorhanden zijn, zodat zij niet is overgegaan tot het gelasten van bijkomende onderzoeksdaden (gevraagd door de verdediging bij brief van 23 september 2009 - in kopie aan het Hof bezorgd). De schuld van een beklaagde wordt volgens de innerlijke overtuiging van de rechter beoordeeld; absolute wetenschappelijke zekerheid is - anders dan de derde beklaagde poogt te doen aannemen - niet vereist. Diezelfde innerlijke overtuiging als leidmotief van de strafrechtelijke besluitvorming is te omschrijven als het resultaat van de vrije bewijswaardering door de rechter. De rechter beoordeelt in beginsel volkomen vrij de bewijswaarde die hij aan een bepaald bewijselement toekent, met dien verstande evenwel dat het moet gaan om op regelmatige wijze ingewonnen en verkregen bewijselementen, die daarenboven aan de tegenspraak van de partijen werden onderworpen. In toepassing van het voormelde beginsel en ten overstaan van het door de derde beklaagde verweer sluiten de volgende objectieve elementen elke redelijke twijfel in hoofde van de derde beklaagde uit: - het gegeven dat A. S. op 11 mei 2008 - hetzij daags na de feiten - in het bezit wordt aangetroffen van een 8 mm alarmpistool; - de stelling van de wapendeskundige E. De Durpel die besluit dat de huls aangetroffen op de plaats van de overval zeer waarschijnlijk werd afgevuurd met het wapen aangetroffen op de persoon van de derde beklaagde; - het feit dat de derde beklaagde voornoemd naar eigen zeggen dit wapen niet heeft uitgeleend. Gelet op de hogere overeenstemmende elementen, acht ook het Hof het volstrekt onnodig om alsnog bij tussenarrest bijkomende onderzoekshandelingen te gelasten. c. Zoals terecht aanvaard door de eerste rechter zijn de door de derde beklaagde gepleegde feiten voorwerp van de in zijnen hoofde bewezen gebleven tenlasteleggingen A1, A2, B, C, D, F, H, I1, I2, I3, K, L en M - zoals heromschreven door het Hof - de uitwerking van éénzelfde misdadig opzet, Op het in ondergeschikte orde geformuleerde verzoek van de derde beklaagde tot het vervangen van de hem wegens de feiten voorwerp van de tenlasteleggingen A1, A2, B, C, D, F, H, I1, I2, I3, K, L en M - zoals heromschreven door het Hof - opgelegde hoofdgevangenisstraf door een werkstraf gedeeltelijk met uitstel en gekoppeld aan probatievoorwaarden, zoals omschreven op het 10de blad van de ter terechtzitting van het Hof op 7 oktober 2009 neergelegde beroepsconclusie, wordt door het Hof niet ingegaan, nu dit bij de derde beklaagde zou leiden tot een onvoldoende bewustwording van de objectieve zwaarwichtigheid van de gepleegde feiten. De derde beklaagde handelt vanuit verveling en een hang naar sensatie, waarbij het gebruik van geweld niet wordt geschuwd. Herhaalde plaatsingen in het centrum "De Grubbe" te Everberg en de Gemeenschapsinstelling voor Bijzondere Jeugdbijstand "De Zande" te Ruislede hebben bij de derde beklaagde al evenmin een merkbare verbetering in zijn gedrag en zijn houding ten aanzien van de geldende maatschappelijke waarden en normen tot gevolg gehad. Wel integendeel: uit het op 27 november 2008 neergelegd psychiatrisch verslag van Dr. W. Ducheyne (aangesteld bij beschikking van de jeugdrechter dd. 7 november 2008) weerhoudt het Hof dat de derde beklaagde tijdens zijn verblijf in de GBJ "De Zande" zich gedroeg als ‘keizer' van de leerlingen en elke begeleiding resoluut afwees, waardoor hij evenmin in aanmerking kwam voor enig vorm van therapie. De deskundige komt dan ook tot de volgende, weinig bemoedigende vaststellingen en besluiten: "A. vertoont een diep gebrek aan achting voor en schending van de rechten van anderen. Hij houdt zich niet aan de maatschappelijke regels...". Verveling is ook een belangrijk aspect van de problematiek waarbij hij dan sensatie zoekt om de verveling te verdrijven. "Spijtgevoelens zijn hem vreemd" Hij beschikt over een oppervlakkige charme die zijn innerlijke agressie doeltreffend, maar niet blijvend kan camoufleren. "A. heeft een antisociale persoonlijkheid die zelfs, al zou hij het willen, niet behandeld kan worden." (OK "Verslagen van deskundigen Kaft II). Ten overstaan van dergelijke gevaarlijke en antisociale ingesteldheid - de derde beklaagde liet zich voor de feiten naar eigen zeggen inspireren door gangsterfilms - dient in hoofdorde de maatschappelijke beveiliging te primeren, gezien het gevaar voor recidive huizenhoog is. De door de eerste rechter bij toepassing van artikel 65 Strafwetboek, lastens de derde beklaagde, wegens de in zijnen hoofde bewezen gebleven tenlasteleggingen A1, A2, B, C, D, F, H, I1, I2, I3, K, L en M - zoals heromschreven door het Hof - opgelegde bestraffing, (hoofdgevangenisstraf), is derhalve de passende en wetmatige beteugeling van de in zijnen hoofde aangehouden misdrijven. Zij werd bepaald op basis van oordeelkundige motieven, die het Hof beaamt en dan ook overneemt. 5. Wat betreft de gerechtskosten in eerste aanleg, de vaste vergoeding, de bijdrageverplichting en de overtuigingsstukken De oordeelkundige beslissingen van de eerste rechter met betrekking tot de vaste vergoeding en de bijdrageverplichting, alsook de overtuigingsstukken zoals vermeld op het zevenentwintigste blad van het bestreden vonnis zijn te bevestigen, met dien verstande dat ten aanzien van de terechte beslissing omtrent het overtuigingsstuk nummer 2008 3141, de vernietiging dient te gebeuren op kosten van de derde beklaagde A. S.. De eerste rechter heeft de eerste, de tweede en de derde beklaagde voornoemd terecht veroordeeld tot hun eigen kosten, respectievelijk begroot op 565,84 EUR, 131,84 EUR en 559,66 EUR. Rekening houdende met het feit dat de oorspronkelijke drie beklaagden in eerste aanleg niet wegens dezelfde feiten werden veroordeeld, dient de beslissing van de eerste rechter in verband met de overige gerechtskosten voor wat betreft het bedrag van 452,94 EUR hervormd te worden. De eerste, de tweede en de derde beklaagden dienen te worden veroordeeld tot elk 1/3 van de overige gerechtskosten in eerste aanleg derwijze dat de hervorming van de bestreden beslissing in dit verband zich opdringt. Het Hof stelt vast dat deze kosten ondeelbaar veroorzaakt zijn door de in hoofde van ieder van de beklaagden bewezen gebleven misdrijven. De tolkkosten, waaromtrent door de eerste rechter niet was gestatueerd, dienen ten laste van de Staat te worden gelegd. 6. Gerechtskosten in graad van hoger beroep De dagvaardingskosten van de burgerlijk aansprakelijke partijen, M. M. F., N. Z., I. K., L. Z., N. S. en I. S. werden ten onrechte gemaakt, nu deze partijen niet inzake zijn voor het Hof. Deze kosten, in het geheel begroot op 152,80 EUR dienen bijgevolg ten laste te blijven van de Staat. Omtrent de betekeningskosten van het verstekvonnis aan de burgerlijk aansprakelijke partij S. N., is het Hof derhalve niet gevat. De eerste de tweede en de derde beklaagden dienen ieder voor 1/3 veroordeeld te worden tot de overige kosten, in graad van hoger beroep gevallen aan de zijde van het O.M., in het geheel te begroten op 349,28 EUR. Op burgerrechtelijk gebied: 1. Ten aanzien van de burgerlijke partij A. M. Gelet op hetgeen voorgaand bij de beoordeling op strafrechtelijk gebied ten overstaan van V. K. werd overwogen en beslist en nu de beweegredenen aan de grondslag van de op het strafrechtelijk gebied genomen beslissing ook op burgerlijk gebied hun volle geldingskracht behouden, is de oordeelkundige beslissing van de eerste rechter met betrekking tot de vordering van de burgerlijke partij A. M., gesteund op het bewezen gebleven feit G, te bevestigen. Het is dan ook terecht dat de eerste rechter heeft geoordeeld dat het in hoofde van V. K. bewezen gebleven feit G in noodzakelijk oorzakelijk verband staat met de door de burgerlijke partij geleden schade, zodat hij dan ook aansprakelijk is voor diezelfde schade en gehouden is tot integrale vergoeding ervan. Ook op cijfermatig vlak heeft de eerste rechter naar het oordeel van het Hof passend en oordeelkundig beslist met betrekking tot de burgerlijke vordering uitgaande van A. M., temeer deze burgerlijke partij de door de eerste rechter weerhouden beslissing heeft aanvaard. De vergoedingsplichtige, V. K. heeft van zijn kant ten overstaan van diezelfde beslissing van de eerste rechter niet de minste grieven laten gelden. Aangezien krachtens het artikel 1382 B.W. de schadeloosstelling dient te worden begroot op datum van de uitspraak van huidig arrest, dient deze te worden geactualiseerd. De door de eerste rechter op de hoofdsom toegekende vergoedende intresten zijn aldus toewijsbaar tot op vandaag en vanaf heden is de gerechtelijke moratoire intrest toewijsbaar op de hoofdsom en de vergoedende intrest tot de dag der algehele betaling. Inzake de vergoedende intresten dienen de woorden "tot heden" en "vanaf heden" dan ook thans te worden gelezen als zijnde de datum van huidig arrest. De vergoedingsplichtige, V. K., dient tevens te worden veroordeeld tot de kosten, gevallen in graad van hoger beroep aan de zijde van de burgerlijke partij, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, zoals hierna begroot sub 7. 2. Ten aanzien van de burgerlijke partij c.v.b.a. VOORUIT nummer 1 Het is terecht dat de eerste rechter heeft geoordeeld dat de in hoofde van O. M. F., V. K. en A. S. bewezen gebleven feiten, voorwerp van de tenlasteleggingen B en C, in noodzakelijk oorzakelijk verband staan met de door de burgerlijke partij c.v.b.a. VOORUIT nummer 1 geleden schade, zodat zij dan ook hoofdelijk aansprakelijk zijn voor diezelfde schade en gehouden zijn tot integrale vergoeding ervan. Ook op cijfermatig vlak heeft de eerste rechter naar het oordeel van het Hof passend en oordeelkundig beslist met betrekking tot de burgerlijke vordering van c.v.b.a. VOORUIT nummer 1, temeer deze burgerlijke partij de door de eerste rechter weerhouden beslissing heeft aanvaard. Noch O. F. M., noch V. K., in hun hoedanigheid van vergoedingsplichtige, hebben ten overstaan van diezelfde beslissing van de eerste rechter enige concrete grieven laten gelden. De vergoedingsplichtige A. S. beperkt zich tot het louter hernemen van zijn besluiten neergelegd in eerste aanleg. In deze op de terechtzitting voor de eerste rechter van 3 juni 2009 neergelegde besluiten heeft A. S. de door de burgerlijke partij c.v.b.a. VOORUIT nummer 1 gevorderde materiële schadevergoeding niet betwist. Het verweer was beperkt tot de rechtsplegingsvergoeding (zie verder). De beslissing van de eerste rechter met betrekking tot deze burgerlijke vordering is dan ook integraal te bevestigen, behoudens de reeds hoger sub 1. uitgewerkte actualisering inzake de toekenning van de intresten, die het Hof herneemt en de begroting van de rechtsplegingsvergoeding, enkel wat A. S. betreft. De drie vergoedingsplichtigen dienen tevens hoofdelijk te worden veroordeeld tot de kosten, gevallen in graad van hoger beroep aan de zijde van de burgerlijke partij, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, zoals hierna begroot sub 7. 3. Ten aanzien van de burgerlijke partij L. V. Het is terecht dat de eerste rechter heeft geoordeeld dat de in hoofde van O. M. F., V. K. en A. S. bewezen gebleven feiten, voorwerp van de tenlasteleggingen B en C, in noodzakelijk oorzakelijk verband staan met de door de burgerlijke partij L. V. geleden schade, zodat zij dan ook allen hoofdelijk aansprakelijk zijn voor diezelfde schade en gehouden zijn tot integrale vergoeding ervan. Ook op cijfermatig vlak heeft de eerste rechter naar het oordeel van het Hof passend en oordeelkundig beslist met betrekking tot de burgerlijke vordering van L. V., temeer deze burgerlijke partij de door de eerste rechter weerhouden beslissing heeft aanvaard. O. M. F. en V. K. in hun hoedanigheid van vergoedingsplichtige, hebben ten overstaan van diezelfde beslissing van de eerste rechter niet de minste grieven laten gelden. Door de vergoedingsplichtige A. S. -, die zich zoals gezegd, beperkt tot het louter hernemen van zijn besluiten neergelegd in eerste aanleg - werden evenmin concrete en bewezen grieven aangevoerd ter ondersteuning van zijn verweer op burgerrechtelijk gebied strekkende tot de herleiding van de door de eerste rechter aan de burgerlijke partij voornoemd uit hoofde van morele schade toegekende schadeloosstelling. De beslissing van de eerste rechter met betrekking tot deze burgerlijke vordering is dan ook integraal te bevestigen, behoudens de reeds hoger sub 1. uitgewerkte actualisering inzake de toekenning van de intresten, die het Hof herneemt en de begroting van de rechtsplegingsvergoeding, enkel wat A. S. betreft. De drie vergoedingsplichtigen dienen tevens hoofdelijk te worden veroordeeld tot de kosten, gevallen in graad van hoger beroep aan de zijde van de burgerlijke partij, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, zoals hierna begroot sub 7. 4. Ten aanzien van de burgerlijke partij V.Z.W. HUIS VAN DE ECONOMIE Het is terecht dat de eerste rechter heeft geoordeeld dat de in hoofde van A. S. bewezen gebleven feiten, voorwerp van de tenlasteleggingen I1 en O, in noodzakelijk oorzakelijk verband staan met de door de burgerlijke partij V.Z.W. HUIS VAN DE ECONOMIE geleden schade, zodat hij dan ook aansprakelijk is voor diezelfde schade en gehouden is tot integrale vergoeding ervan. Ook op cijfermatig vlak heeft de eerste rechter naar het oordeel van het Hof passend en oordeelkundig beslist met betrekking tot de burgerlijke vordering van de V.Z.W. HUIS VAN DE ECONOMIE, temeer deze burgerlijke partij de door de eerste rechter weerhouden beslissing heeft aanvaard. De vergoedingsplichtige A. S. heeft van zijn kant ten overstaan van diezelfde beslissing van de eerste rechter geen afdoende concrete en bewezen grieven laten gelden, behoudens omtrent de rechtsplegingsvergoeding. De beslissing van de eerste rechter is derhalve te bevestigen, behoudens de reeds hoger sub 1. uitgewerkte actualisering inzake de toekenning van de intresten, die het Hof herneemt en de beslissing omtrent de rechtsplegingsvergoeding (cfr.infra sub 7.). De vergoedingsplichtige, A. S., dient tevens te worden veroordeeld tot de kosten, gevallen in graad van hoger beroep aan de zijde van de burgerlijke partij, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, zoals hierna begroot sub 7. 5. Ten aanzien van de burgerlijke partij, N.V. AUTOMATEN V. Het is terecht dat de eerste rechter heeft geoordeeld dat de in hoofde van A. S. bewezen gebleven feiten, voorwerp van de tenlasteleggingen I2 en O, in noodzakelijk oorzakelijk verband staat met de door de burgerlijke partij N.V. AUTOMATEN V. geleden schade. Ook op cijfermatig vlak heeft de eerste rechter naar het oordeel van het Hof passend en oordeelkundig beslist met betrekking tot de vordering van de burgerlijke partij N.V. AUTOMATEN V., temeer deze burgerlijke partij de door de eerste rechter weerhouden beslissing heeft aanvaard A. S., die zich beperkt tot het hernemen van zijn verweer op burgerrechtelijk gebied zoals geformuleerd voor de eerste rechter, heeft ten overstaan van deze beslissing evenmin concrete en afdoende grieven geformuleerd, behoudens omtrent de rechtsplegingsvergoeding. Ook deze beslissing van de eerste rechter kan integraal worden bevestigd behoudens de reeds hoger sub 1. uitgewerkte actualisering inzake de toekenning van de intresten, die het Hof herneemt en de beslissing omtrent de rechtsplegingsvergoeding (cfr.infra sub 7.). De vergoedingsplichtige, A. S., dient tevens te worden veroordeeld tot de kosten, gevallen in graad van hoger beroep aan de zijde van de burgerlijke partij, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, zoals hierna begroot sub 7. 6. De beslissing van de eerste rechter waar hij bij toepassing van artikel 4 van de Wet van 17 april 1878, Wet houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, de overige burgerlijke belangen heeft aangehouden, blijft onverkort gelden. 7. Nopens de rechtsplegingsvergoeding Alle vernoemde burgerlijke partijen vorderen de toekenning van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding. A. S., die zoals gezegd in zijn verweer ten overstaan van de burgerlijke vorderingen verwijst naar zijn besluiten in eerste aanleg, vorderde in deze besluiten de herleiding van de rechtsplegingsvergoeding tot het minimum, gelet op zijn beperkte financiële draagkracht. De eerste rechter heeft A. S. ten aanzien van de burgerlijke partijen c.v.b.a. VOORUIT nr. 1 en L. V. hoofdelijk (met M. O. F. en V. K.) veroordeeld tot betaling van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding bepaald op 650,00 EUR. Aan de burgerlijke partijen de V.Z.W. HUIS VAN DE ECONOMIE en de N.V AUTOMATEN V. werd evenzeer het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding, telkens bepaald op 400,00 EUR., toegekend. Aan A. S. werd evenwel bij beschikking van 20 april 2009 kosteloze rechtsbijstand toegekend. Bij toepassing van artikel 1022 vierde lid Ger.W. (zoals ingevoegd bij artikel 7 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, B.S. 31 mei 2007) wordt de rechtsplegingsvergoeding, indien de in het ongelijk gestelde partij van de tweedelijns juridische bijstand geniet, vastgelegd op het door de Koning vastgestelde minimum, tenzij in geval van een kennelijk onredelijke situatie. De rechter motiveert in het bijzonder zijn beslissing op dat punt. De hervorming van het eerste vonnis dringt zich dan ook op met betrekking tot de door de eerste rechter, lastens A. S. toegekende rechtsplegingsvergoeding, die tot het minimumbedrag zoals bepaald in artikel 2 van het K.B. van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 Ger. W. en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat (B.S. 9 november 2007), dient te worden herleid, zoals hierna bepaald in het dictum. In toepassing van artikel 162bis W. Sv. (ingevoegd door art. 9 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, B.S. 31 mei 2007) alsmede de bepalingen van het K.B. van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding bedoeld in artikel 1022 Ger. W. en tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat (B.S. 9 november 2007) dienen de hierna vermelde vergoedingsplichtigen aan de hierna vermelde burgerlijke partijen ten titel van rechtsplegingsvergoeding in graad van hoger beroep de hierna vermelde bedragen te betalen: - V. K. aan A. M. een bedrag van 900,00 EUR (basisbedrag). - O. M. F., V. K. en A. S., HOOFDELIJK aan de c.v.b.a. VOORUIT nummer 1 en L. V. samen een bedrag van 650,00 EUR (basisbedrag), welk bedrag gelijk wordt verdeeld tussen de beide burgerlijke partijen voornoemd, met dien verstande dat A. S. maximaal kan gehouden zijn tot 375,00 EUR zijnde het minimum bedrag van de rechtsplegingsvergoeding. - A. S. aan de V.Z.W. HUIS VAN DE ECONOMIE een bedrag van 200,00 EUR (minimum). - A. S. aan N.V AUTOMATEN V. een bedrag van 200,00 EUR (minimum). OP DEZE GRONDEN HET HOF, rechtdoende op tegenspraak: Gelet op: - de artikelen 24 en 31 van de wet van 15 juni 1935; - de artikelen 162bis (ingevoegd bij artikel 9 van de Wet van 21 april 2007, B.S. 31 mei 2007), 185, 189, 190, 194, 195, 211 en 332 Wetboek van Strafvordering; - artikel 2 van het KB van 26 oktober 2007 - artikelen 101, lid 6 (zoals ingevoegd bij art. 36,2° van de Wet van 13 juni 2006, B.S. 19 juli 2006, ed. 2) en 1022 (zoals vervangen bij artikel 7 van de Wet van 21 april 2007, B.S. 31 mei 2007) van het Gerechtelijk Wetboek - de wetsbepalingen aangehaald door de eerste rechter, behoudens de wetsbepalingen inzake de Wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming en de bepalingen m.b.t. het Besluit van de Vlaamse Executieve van 22 mei 1991, het gemeen strafrecht van toepassing zijnde ingevolge de arresten tot uithandengeving en tevens behoudens het artikel 399, lid 1 S.W.; - de wetsbepalingen expliciet aangehaald in huidig arrest ; alle voormelde wetsbepalingen ter terechtzitting van heden door de Voorzitter aangehaald ; VERKLAART de hoger beroepen, ontvankelijk en erover beslissende in de mate dat het Hof werd gevat: STELT VAST dat de onderscheiden burgerlijk aansprakelijke partijen, te weten de vierde gedaagde, M. M. F., de vijfde gedaagde, N. Z., de zesde gedaagde I. O. K., de zevende gedaagde, L., A. Z., de achtste gedaagde, N. S. en de negende gedaagde, I. S. niet in zake zijn in graad van hoger beroep; laat de kosten van dagvaarding wat hen betreft ten laste van de Staat; Ten aanzien van de overige kosten is het Hof niet gevat. Op strafrechtelijk gebied: 1. Ten aanzien van de eerste beklaagde O. M. F.: Vervolledigt de tenlastelegging J in hoofde van de eerste beklaagde, O. M. F., zoals in het motiverend gedeelte vermeld onder f.1 "kwalificatie " door toevoeging van de meest recente wijzigende wetsbepalingen ; BEVESTIGT het bestreden vonnis mits deze wijzigingen: · dat de bestraffing, opgelegd door de eerste rechter aan de eerste beklaagde, O. M. F., thans geldt voor de feiten voorwerp van de bewezen gebleven tenlasteleggingen A1, B, C, E en J - zoals geactualiseerd; · dat de eerste beklaagde wordt veroordeeld tot 1/3 van de overige kosten in eerste aanleg gevallen aan de zijde van het Openbaar Ministerie in het geheel begroot op 452,94 EUR; de kosten ondeelbaar te wijten zijnde aan de in zijnen hoofde bewezen gebleven feiten; VEROORDEELT de eerste beklaagde, O. F. M., tot 1/3 van de kosten in graad van hoger beroep, aan de zijde van het Openbaar Ministerie in het geheel begroot op 349,28 EUR, deze kosten ondeelbaar te wijten zijnde aan de in zijnen hoofde bewezen gebleven feiten; 2. Ten aanzien van de tweede beklaagde, V. K. BEVESTIGT het bestreden vonnis mits deze enkele wijziging: dat de tweede beklaagde, V. K. wordt veroordeeld tot 1/3 van de overige kosten in eerste aanleg gevallen aan de zijde van het Openbaar Ministerie in het geheel begroot op 452,94 EUR; de kosten ondeelbaar te wijten zijnde aan de in zijnen hoofde bewezen gebleven feiten VEROORDEELT tweede beklaagde, V. K., tot 1/3 van de kosten in graad van hoger beroep, aan de zijde van het Openbaar Ministerie in het geheel begroot op 349,28 EUR, deze kosten ondeelbaar te wijten zijnde aan de in zijnen hoofde bewezen gebleven feiten; 3. Ten aanzien van de derde beklaagde, A. S.: - HEROMSCHRIJFT de tenlastelegging M in hoofde van de derde beklaagde A. S. als volgt: " Te op 15 juni 2008: Opzettelijk verwondingen of slagen te hebben toegebracht aan D. H.." BEVESTIGT het bestreden vonnis mits deze wijzigingen: · dat de bestraffing, opgelegd door de eerste rechter aan de derde beklaagde, A. S., thans geldt voor de feiten voorwerp van de bewezen gebleven tenlasteleggingen A1, A2, B, C, D, F, H, I1, I2, I3, K, L en M - zoals heromschreven - ; · dat de vernietiging van het terecht verbeurd verklaarde wapen, voorwerp van het misdrijf voorzien onder de bewezen gebleven tenlastelegging K, neergelegd onder OS nummer 2008 3141 op kosten van de veroordeelde, A. S. zal geschieden conform de bepalingen van de artikelen 23 en 24 van de Wet van 8 juni 2006, houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens; · dat de derde beklaagde wordt veroordeeld tot 1/3 van de overige kosten in eerste aanleg gevallen aan de zijde van het Openbaar Ministerie, in het geheel begroot op 452,94 EUR; de kosten ondeelbaar te wijten zijnde aan de in zijnen hoofde bewezen gebleven feiten; VEROORDEELT derde beklaagde, A. S. tot 1/3 van de kosten in graad van hoger beroep, aan de zijde van het Openbaar Ministerie in het geheel begroot op 349,28 EUR, deze kosten ondeelbaar te wijten zijnde aan de in zijnen hoofde bewezen gebleven feiten; Laat de tolkkosten ten laste van de Staat. Op burgerrechtelijk gebied: Ten aanzien van de rechtsvordering van de burgerlijke partij, A. M. BEVESTIGT het bestreden vonnis met dien verstande dat inzake de toegekende intresten de woorden "tot heden" en "vanaf heden" telkens dienen gelezen te worden als zijnde de datum van huidig arrest; VEROORDEELT V. K. tot de kosten in hoger beroep, gevallen aan de zijde van de burgerlijke partij, A. M. met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding bepaald op 900,00 EUR. Ten aanzien van c.v.b.a. VOORUIT nummer 1 en L. V. BEVESTIGT het bestreden vonnis met dien verstande dat: - inzake de toegekende intresten de woorden "tot heden" en "vanaf heden" telkens dienen gelezen te worden als zijnde de datum van huidig arrest ; - wat betreft het toegekende bedrag van de rechtsplegingsvergoeding in hoofde van A. S. dient bepaald dat deze wat hem betreft maximaal 375,00 EUR kan bedragen, zijnde het minimum bedrag van de rechtsplegingsvergoeding. VEROORDEELT O. M. F., V. K. en A. S., HOOFDELIJK tot betaling van de kosten in hoger beroep, gevallen aan de zijde van de burgerlijke partijen de c.v.b.a. VOORUIT nummer 1 en L. V. met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding in graad van beroep bepaald op 650,00 EUR, welk bedrag gelijk wordt verdeeld tussen de beide burgerlijke partijen voornoemd, met dien verstande dat A. S. maximaal kan gehouden zijn tot 375,00 EUR, zijnde het minimum bedrag van de rechtsplegingsvergoeding Ten aanzien van de burgerlijke partij, V.Z.W. HUIS VAN DE ECONOMIE BEVESTIGT het bestreden vonnis met dien verstande dat : - inzake de toegekende intresten de woorden "tot heden" en "vanaf heden" telkens dienen gelezen te worden als zijnde de datum van huidig arrest; - dat de door de eerste rechter toegekende rechtsplegingsvergoeding dient herbegroot te worden op 200,00 EUR, zijnde de minimum rechtsplegingsvergoeding ; VEROORDEELT A. S. tot betaling van de kosten in hoger beroep, gevallen aan de zijde van de V.Z.W. HUIS VAN DE ECONOMIE, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding in graad van hoger beroep, eveneens begroot op 200,00 EUR; Ten aanzien van de burgerlijke partij, N.V. AUTOMATEN V. BEVESTIGT het bestreden vonnis met dien verstande dat : - inzake de toegekende intresten de woorden "tot heden" en "vanaf heden" telkens dienen gelezen te worden als zijnde de datum van huidig arrest; - dat de door de eerste rechter toegekende rechtsplegingsvergoeding dient herbegroot te worden op 200,00 EUR, zijnde de minimum rechtsplegingsvergoeding ; VEROORDEELT A. S. tot betaling van de kosten in hoger beroep, gevallen aan de zijde van de N.V. AUTOMATEN V., met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding in graad van hoger beroep, eveneens begroot op 200,00 EUR; waarbij de voorschriften van artikel 195 van het wetboek van Strafvordering werden nageleefd. Aldus uitgesproken in buitengewone openbare terechtzitting van de bijzondere kamer - 15 bis van het Hof van beroep te Gent van DRIE NOVEMBER TWEEDUIZEND EN NEGEN. aanwezig: I. MALLEMS, raadsheer, wn. Voorzitter, S DE BAUW, raadsheer, C. GASSÉE, raadsheer, I. T'HOOFT, substituut-procureur-generaal, J. DAMMEKENS, griffier. Gerelateerde publicatie(
- s)citeert: ECLI:BE:CASS:2005:ARR.20050322.34 Link JUSTEL: ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100216.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div