id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 12 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20091112.19 Rolnummer: 2009/AR/1028 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-01-28 Raadplegingen: 92 - laatst gezien 2026-07-02 20:34 Fiche Fraude, gepleegd bij het bekomen van de Belgische nationaliteit, voor de inwerkingtreding van het nieuw artikel 23 WBN (28 december 2006), kan niet worden gesanctioneerd met de vervallenverklaring van de nationaliteit. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - NATIONALITEIT - Algemeen (nationaliteit) Vrije woorden: Nationaliteit - Vervallenverklaring - Fraude. Tekst van de beslissing HOF VAN BEROEP TE GENT *** 1e kamer *** terechtzitting van 12 november 2009 vervallenverklaring van de Belgische nationaliteit (art. 23 W.B.N.) - vordering ongegrond 2009/AR/1028 in de zaak op rechtstreekse dagvaarding van: de PROCUREUR-GENERAAL bij het HOF VAN BEROEP TE GENT, woonst kiezende op zijn parket-generaal te 9000 GENT, gerechtshof, Koophandelsplein 23, verschijnend in de persoon van substituut-procureur-generaal Carl Bergen, tegen: de zich noemende E. B. M. H., geboren te op , wiens werkelijke identiteit is: H. M. H. K., geboren te op , wonende te , gedaagde op rechtstreekse vordering vanwege het openbaar ministerie, verweerder, hebbende als raadsman mr. VRIJENS Bertrand, advocaat te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 641 wijst het hof het volgend arrest: Gezien de dagvaarding tot vervallenverklaring van de Belgische nationaliteit, op 9 april 2009 betekend aan M.H.E.B., alias M.H.K.H., ten verzoeke van de procureur-generaal bij het hof van beroep te Gent; De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting en de neergelegde conclusies en stukken werden ingezien. voorgaanden
- De vordering van de procureur-generaal strekt ertoe te horen zeggen voor recht dat M.H.E.B. (hierna genoemd verweerder), van Jordaanse afkomst, vervallen wordt verklaard van de Belgische nationaliteit, op basis van artikel 23, §§ 1 en 2 van het Wetboek van de Belgische Nationaliteit (vroegere versie). Deze vordering is gesteund op de overweging dat betrokkene bij zijn aankomst in België zijn werkelijke identiteit (M.H.K.H.) en nationaliteit (hij verklaarde van Iraakse afkomst te zijn) heeft verzwegen en op 30 augustus 2004 op een bedrieglijke en frauduleuze wijze de Belgische nationaliteit heeft bekomen, na op 18 december 2003 een verklaring in die zin te hebben afgelegd, overeenkomstig artikel 12bis, § 1, 3° van het Wetboek van de Belgische Nationaliteit.
- Verweerder betwist niet dat hij een valse identiteit heeft aangenomen. Hij zou dit gedaan hebben uit schrik om zijn ware identiteit bekend te maken. Hij werpt vooreerst op dat er in verband met het gebruik van een valse identiteit en van valse Iraakse stukken nog een strafonderzoek hangende is en dat de beoordeling van de huidige vordering zou dienen te worden opgeschort tot na afhandeling van de strafprocedure. Ten gronde is hij van mening dat de vordering van de procureur-generaal ongegrond is, omdat de wettelijke bepaling die het gebruik van een valse identiteit en valse stukken bij het verkrijgen van de Belgische nationaliteit sanctioneert met het verlies van de nationaliteit, pas werd ingevoerd door de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen, die in werking is getreden op 28 december
- Aldus zou de vervallenverklaring voorzien in het (oud) artikel 23 van het Wetboek van de Belgische Nationaliteit niet in aanmerking komen om gevallen van fraude ook effectief met het verlies van de Belgische nationaliteit te sanctioneren, nu deze sanctie enkel van toepassing was op een persoon die ernstig tekort komt aan zijn of haar verplichtingen als Belgisch burger. De bepaling van het (oud) artikel 23 laat volgens hem niet toe de vervallenverklaring van de nationaliteit uit te spreken op grond van feiten die zich hebben voorgedaan vóór het verkrijgen van de nationaliteit. Verweerder besluit dienvolgens tot de afwijzing van de vordering van de procureur-generaal. beoordeling
- De feiten in verband met de valse identiteit werden door de betrokkene toegegeven naar aanleiding van een huiszoeking. De vordering van de procureur-generaal is gesteund op deze feiten, zodat de zaak in staat is om beoordeeld te worden. Of deze feiten al dan niet aanleiding zullen zijn tot een vervolging van de betrokkene voor de strafrechter, is hierbij niet relevant. Er is bijgevolg geen reden om de behandeling van de zaak op te schorten.
- Sinds zijn aankomst in België heeft M.H.K.H. de naam M.H.E.B. aangenomen. Het is onder deze valse naam dat hij op 18 december 2003 de verklaring tot verkrijging van de Belgische nationaliteit heeft afgelegd. Na een huiszoeking in maart 2009 heeft hij bekend dat hij afkomstig is uit Jordanië en in België leeft onder een valse identiteit en met die valse identiteit de Belgische nationaliteit heeft verkregen.
- Artikel 23, §§ 1 en 2 (oud) van het Wetboek van de Belgische Nationaliteit luidt als volgt: "§
- De Belgen die hun nationaliteit niet hebben verkregen van een ouder die Belg was op de dag van hun geboorte en de Belgen wier nationaliteit niet werd toegekend op basis van artikel 11, kunnen indien zij ernstig tekortkomen aan hun verplichtingen als Belgische burgers, van de Belgische nationaliteit vervallen worden verklaard. §
- De vervallenverklaring wordt gevorderd door het openbaar ministerie. De ten laste gelegde tekortkomingen worden in het dagvaardingsexploot nauwkeurig omschreven". Verweerder leidt uit deze tekst af dat nu de vervallenverklaring slechts kan worden gevorderd tegen een persoon die ernstig tekort komt aan zijn verplichtingen als Belg, deze sanctie slechts kan worden toegepast op personen die deze tekortkomingen hebben gepleegd als Belg, zodat feiten gepleegd vóór het bekomen van de Belgische nationaliteit, niet in aanmerking komen. Met andere woorden, een vordering tot vervallenverklaring van de nationaliteit op grond van daden die gesteld werden vóór het verkrijgen van de nationaliteit, zou niet mogelijk zijn. Deze mogelijkheid bestaat volgens verweerder slechts sinds de invoering van het nieuw artikel 23, dat pas op 28 december 2006 in werking is getreden en luidt als volgt: "§
- De Belgen die hun nationaliteit niet hebben verkregen van een ouder die Belg was op de dag van hun geboorte en de Belgen wier nationaliteit niet werd toegekend op basis van artikel 11, kunnen van de Belgische nationaliteit vervallen worden verklaard: 1° indien zij de Belgische nationaliteit hebben verkregen op grond van feiten die zij op een verdraaide manier hebben voorgesteld of die ze hebben achtergehouden, of op grond van valse verklaringen of valse of vervalste documenten die van doorslaggevend belang zijn geweest bij de beslissing tot toekenning van de nationaliteit; 2° indien zij ernstig tekortkomen aan hun verplichtingen als Belgische burger. §
- De vervallenverklaring wordt gevorderd door het openbaar ministerie. De ten laste gelegde tekortkomingen worden in het dagvaardingsexploot nauwkeurig omschreven".
- De procureur-generaal is het met deze interpretatie van de wet niet eens. Volgens hem laat, ook onder het regime van de oude wet, het algemeen principe ‘fraus omnia corrumpit' toe om de Belgische nationaliteit te ontnemen aan een persoon van wie blijkt dat hij bij het bekomen van de Belgische nationaliteit fraude heeft gepleegd (onder meer middels het aannemen van een valse identiteit en het gebruik van valse stukken). In dit verband verwijst de procureur-generaal naar een nota van de minister van justitie aan het parlement van januari 2000, waarin wordt voorgehouden dat fraude aangewend in een procedure tot verwerving van de Belgische nationaliteit, op grond van voormeld adagium als een ernstige tekortkoming in de zin van artikel 23 van het Wetboek van de Belgische Nationaliteit kan worden beschouwd. Volledigheidshalve kan worden opgemerkt dat de vordering uitsluitend gesteund is op de fraude gepleegd vóór of naar aanleiding van het bekomen van de Belgische nationaliteit. Er wordt weliswaar verwezen naar het feit dat betrokkene naderhand in België heeft geleefd onder een valse identiteit en nationaliteit, maar dit wordt niet aangemerkt als een ernstige tekortkoming aan de verplichtingen als Belgisch burger, waarop de vordering tot vervallenverklaring (mede) is gebaseerd.
- Het standpunt van verweerder vindt vooreerst steun in het Verslag aan de Kamer van de Commissie Justitie van 15 december 2006, waarin omtrent de voorgestelde wijziging van artikel 23 van het Wetboek van de Belgische Nationaliteit (het vervallen van de nationaliteit wegens fraude) wordt vermeld: "Op dit ogenblik bevat het WBN geen enkele bepaling die a posteriori toelaat om een persoon de Belgische nationaliteit te ontnemen als deze frauduleus verkregen werd. De minister stelt voor om dit juridisch vacuüm op te vullen. Hierbij worden toestanden geviseerd als bijvoorbeeld: valse verklaringen om de nationaliteit te verkrijgen, bijvoorbeeld door zich onder een valse identiteit kenbaar te maken, of het geval waarbij een vreemdeling die een ander statuut op frauduleuze wijze heeft verkregen die hem toegang verstrekt tot de Belgische nationaliteit (een valse vluchteling die zijn statuut verliest om redenen die verband houden met fraude). Deze maatregel wordt omkaderd door twee belangrijke modaliteiten:
(1)De vervallenverklaring zal slechts uitgesproken worden in de gevallen waarbij de fraude intentioneel was en bepalend voor het verkrijgen van de nationaliteit.
(2)De vordering tot vervallenverklaring moet beperkt worden in de tijd: zij kan ingesteld worden binnen de vijf jaar op het verkrijgen van de nationaliteit". Deze interpretatie van het oud artikel 23 van de wet sluit aan bij de bedenkingen van de toenmalige minister van justitie, die in 2001 in de Commissie voor Justitie van de Kamer moest toegeven dat een letterlijke interpretatie van de wet als gevolg heeft dat enkel tekortkomingen vanaf de naturalisatie tot vervallenverklaring kunnen leiden en dat zou kunnen worden overwogen artikel 23 te wijzigen, in die zin dat de verwerving van de nationaliteit aanleiding kan geven tot vervallenverklaring ten gevolge van fraude (Beknopt Verslag van 16 januari 2001). De minister voegde er weliswaar aan toe dat de rechtspraak mogelijks tot een andere interpretatie zou kunnen komen, maar dit belet niet dat uit het voorgaande moet worden afgeleid dat de wetgever er in 2006 zelf van uitging dat, onder de toen bestaande wetgeving, de nationaliteit niet kon ontnomen worden op grond van fraude gepleegd vóór of naar aanleiding het verkrijgen van de Belgische nationaliteit. Deze stelling wordt bovendien kracht bijgezet door de circulaire van 25 mei 2007 van de minister van justitie, waarin met betrekking tot de wijziging van artikel 23 van het Wetboek van de Belgische Nationaliteit onder meer wordt gesteld: " Artikel 23 van het Wetboek van de Belgische Nationaliteit is gewijzigd teneinde te voorzien in de mogelijkheid om de Belgische nationaliteit te ontnemen aan personen die de nationaliteit op frauduleuze wijze verkregen hebben. Het zal voortaan dus mogelijk zijn een vordering tot vervallenverklaring van de nationaliteit in te stellen op grond van daden, die gesteld werden voor het verkrijgen van de nationaliteit, wat vroeger niet mogelijk was. Aangezien de vervallenverklaring een bijzonder zware sanctie is, wordt uiteraard enkel zware bewezen fraude die een beslissende invloed had op de beslissing tot toekenning van de nationaliteit, in aanmerking genomen voor de toepassing van deze bepaling". Gelet op hetgeen voorafgaat moet worden besloten dat nu er geen elementen voorhanden zijn waaruit blijkt dat verweerder, na de verwerving van de Belgische nationaliteit, ernstig is tekort gekomen aan zijn verplichtingen als Belgisch burger, de voorwaarden om de vervallenverklaring uit te spreken niet vervuld zijn, zodat de vordering dient te worden afgewezen. Waar uit de hiervoor aangehaalde commentaren blijkt dat de vervallenverklaring van de nationaliteit een bijzondere zware sanctie is (hetgeen ook meebrengt dat, in geval van twijfel, de wet strikt moet worden geïnterpreteerd), moet voorrang worden gegeven aan de tekst van de wet boven de toepassing van een algemeen rechtsbeginsel. 6. De kosten van de procedure vallen ten laste van eiser, als in het ongelijk gestelde partij. Een afwijking van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding wordt niet gevraagd, zodat deze dient te worden begroot op euro 1.200,00. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Verklaart de vordering toelaatbaar, doch ongegrond. Verwijst eiser in de kosten van het geding, die aan de zijde van verweerder vereffend worden op euro 1.200,00 rechtsplegingsvergoeding. Aldus gewezen door de EERSTE KAMER van het hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken, samengesteld uit: D. FLOREN, raadsheer-wnd. voorzitter, B. WYLLEMAN, raadsheer, L. TAVERNIER, raadsheer, en uitgesproken door de raadsheer-wnd. voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op TWAALF NOVEMBER TWEEDUIZEND EN NEGEN, bijgestaan door D. VAN DEN DRIESSCHE, griffier. D. Van den Driessche L. Tavernier B. Wylleman D. Floren rep.nr. 2009/ Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div