id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 17 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20091117.13 Rolnummer: 2009/AR/0703 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2010-02-02 Raadplegingen: 94 - laatst gezien 2026-07-02 20:37 Fiche Een exploot van beslag, dat de gevorderde bedragen vermeldt, alsook uitdrukkelijk verwijst naar de verschuldigheid van interesten, zij het 'pro memorie' en van uitvoeringskosten eveneens 'pro memorie' voldoet aan de vereisten van art. 1389,3° Ger.W.. Van de schuldeiser kan niet worden verwacht dat hij de afrekening permanent aanpast en actualiseert. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BESLAG EN EXECUTIE - Uitvoerend beslag - Uitvoerend beslag op roerend goed - Beslagexploot Vrije woorden: Beslag - en executierecht - Vermeldingen - Gevorderde bedrag - Interesten 'pro memorie' - Verzet - Schuldenaar. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 14b Kamer ________ Terechtzitting van 17 november 2009 ________ 2009/AR/703 in de zaak van: M. W., wonende te , appellante, hebbende als raadsman mr. BOEDTS Herman, advocaat te 8970 POPERINGE, Burgemeester Bertenplein 31 tegen:
- D. H., , wonende te , geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. THOMAS Paul, advocaat te 8670 KOKSIJDE, Zeelaan 172
- R. B., wonende te , geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. SUY Geert, advocaat te 9300 AALST, Albrechtlaan 18 Wijst het Hof volgend arrest: Het Hof neemt kennis van de op 21 december 2007 en 16 december 2008 door de beslagrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde verleende beschikkingen, waartegen appellante, met haar op 16 maart 2009 ter griffie neergelegd verzoekschrift tijdig en op regelmatige wijze hoger beroep heeft ingesteld. Artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werd in acht genomen. I. Voorgaanden 1.1.Bij vonnis van 17 mei 1989 heeft de rechtbank van eerste aanleg te Ieper de echtscheiding uitgesproken tussen appellante en eerste geïntimeerde en notaris Albert Van Eecke en als opvolger notaris Wim Van de Putte aangesteld om over te gaan tot de vereffening-verdeling van het gemeenschappelijk vermogen en het vermogen in onverdeeldheid. Op 19 januari 2004 werd de staat van vereffening-verdeling opgemaakt. Daarin werd o.m. bepaald dat eerste geïntimeerde aan appellante een bedrag verschuldigd is van 29.003,54 EUR, ‘te verhogen met de intresten van rechtswege verschuldigd te rekenen vanaf de ontbinding van het stelsel, berekend tegen de wettelijke intrestvoet', alsook een bedrag van 5.231,67 EUR, hetzij de helft van de waarde van 20 aandelen N.V. SUGRO. Aangezien partijen niet akkoord konden gaan met de voorgelegde staat en het erin vervatte delingsontwerp, heeft de notaris op 4 maart 2004 een proces-verbaal van zwarigheden opgesteld en afgesloten en dit op 5 april 2004 neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Ieper. Bij vonnis van 15 april 2005 heeft deze rechtbank de zwarigheden van eerste geïntimeerde ongegrond verklaard en de staat van vereffening-verdeling, zoals opgesteld bij notariële akte van 19 januari 2004 gehomologeerd. Het vonnis werd betekend op 24 mei 2005 en eerste geïntimeerde stelde hoger beroep in, dat bij arrest van 23 november 2006 als ongegrond werd afgewezen (stukken 2 en 3 appellante). 1.
- Op 12 maart 2007 stuurt de raadsman van appellante aan de raadsman van eerste geïntimeerde de afrekening, samengesteld als volgt: - gerechtskosten begroot in het arrest: 242,94 EUR - expeditie: 19,95 EUR - betekening: 204,97 EUR - vergoeding toegekend in het arrest: 750,00 EUR - intresten op 750,00 EUR vanaf 01.07.05 tot 01.04.07: 90,19 EUR Totaal: 1.308,05 EUR Vordering op basis van de vereffening: - hoofdsom: 29.003,54 EUR - intresten vanaf 24.03.88 tot 01.04.07: 41.024,52 EUR - hoofdsom: 5.231,67 EUR Totaal: 75.259,73 EUR Er wordt aangedrongen op de betaling van deze bedragen vóór 26 maart 2007 (stuk 4 appellante). 1.
- Aangezien betaling uitblijft, geeft appellante opdracht aan tweede geïntimeerde om over te gaan tot betekening en uitvoering op het onroerend goed van eerste geïntimeerde, ter invordering van voornoemde bedragen, op basis van de notariële akte van 19 januari 2004, het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Ieper van 15 april 2005 en het arrest van het Hof van Beroep te Gent van 23 november
- In de aangetekende opdrachtbrief van 11 april 2007 aan tweede geïntimeerde vraagt de raadsman van appellante om over te gaan tot uitvoering voor de voornoemde bedragen, met dien verstand dat wat de intresten betreft op de hoofdsom van 29.003,54 EUR en op de vergoeding van 750,00 EUR, werd gespecifieerd wat volgt: "- intresten op dat bedrag vanaf 24.03.1988 tot de datum van betaling: p.m. (van 24.03.88 tot 01.04.07 bedroegen de intresten 41.024,52 EUR) ... - intresten op 750,00 EUR vanaf 01.07.05 tot de datum van betaling: p.m." (stuk 6 appellante). Tevens wordt gevraagd ook uit te voeren voor de kosten van de uitvoering. Op 25 april 2007 gaat tweede geïntimeerde over tot betekening van een bevel voorafgaand aan onroerend beslag aan eerste geïntimeerde teneinde betaling te verkrijgen van de bedragen, zoals opgesomd in de aangetekende opdrachtbrief van 11 april 2007, d.w.z. met de uitsluitende vermelding van "p.m." wat betreft de intresten op de hoofdsom en op de vergoeding en wat betreft de uitvoeringskosten (stuk 7 appellante). In het bevel wordt niet, zoals in de opdrachtbrief, vermeld dat de intresten op de hoofdsom van 24.03.88 tot 01.04.07 reeds opgelopen waren tot een bedrag van 41.024,52 EUR. De totaliteit van de concreet becijferde bedragen, waarvoor een bevel werd betekend, bedraagt derhalve 35.453,07 EUR. Op 11 mei 2007 heeft eerste geïntimeerde dit bedrag overgeschreven op de rekening van tweede geïntimeerde. Op 30 mei 2007 wordt evenwel uitvoerend onroerend beslag gelegd voor diezelfde bedragen. Naar aanleiding hiervan vermeldt tweede geïntimeerde op het beslagexploot eigenhandig dat op 11 mei 2007 reeds een bedrag van 35.453,07 EUR is betaald (stuk 8 appellante). Op 13 juni 2007 tekent eerste geïntimeerde verzet aan tegen het beslag en vraagt hij dit beslag nietig te verklaren, de opheffing ervan te bevelen en appellante en tweede geïntimeerde te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van 2.500 EUR. Hangende de verzetsprocedure heeft eerste geïntimeerde, die wenste over te gaan tot de verkoop van het in beslag genomen goed, onder voorbehoud van rechten een bedrag van 40.000,00 EUR overgemaakt aan appellante via tussenkomst van de notaris op 20 december 2007, teneinde de opheffing van het beslag te bekomen en de verkoop gerealiseerd te zien (stuk 4 tweede geïntimeerde). Bij het thans bestreden tussenvonnis van 21 december 2007 heeft de eerste rechter reeds de opheffing van het beslag bevolen en, alvorens uitspraak te doen over de gevorderde schadevergoeding, de persoonlijke verschijning bevolen van tweede geïntimeerde. Een week na de uitspraak van deze beschikking vraagt appellante bij niet vertrouwelijk schrijven van haar raadsman van 28 december 2007 de betaling van de interesten, begroot op 41.215,23 EUR en van de uitvoeringskosten - onder aftrok van de kosten van beslag van 30.05.2007-alsook van de twee betalingen, die eerste geïntimeerde reeds had verricht, te weten: 35.453,07 EUR op 11 mei 2007 en 40.000 EUR op 20 december 2007- waardoor als netto verschuldigd bedrag volgens appellante neerkomt op 1.876,35 EUR. Bij het bestreden eindvonnis van 16 december 2008 komt de eerste rechter tot het besluit dat tweede geïntimeerde een fout heeft begaan en onrechtmatig uitvoerend beslag heeft gelegd, en dat ook appellante foutief heeft gehandeld, in gelijke mate als de gerechtsdeurwaarder, door na de betaling van het bedrag van 35.453,07 EUR uitdrukkelijk aan de gerechtsdeurwaarder instructie te geven om verder uit te voeren voor de niet becijferde moratoire intresten. Appellante en tweede geïntimeerde werden samen veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van 1.200 EUR en de gerechtskosten. II. Voorwerp van het hoger beroep Appellante vraagt in hoger beroep de nietigverklaring van de bestreden vonnissen en opnieuw recht doende, de oorspronkelijke vordering van eerste geïntimeerde ontvankelijk, maar ongegrond te verklaren met veroordeling van eerste geïntimeerde tot de kosten van geding. Daar waar appellante in haar beroepsakte nog voor het eerst een vrijwaringsvordering stelt tegen tweede geïntimeerde, doet zij in latere conclusies afstand van deze vordering. Tweede geïntimeerde vraagt de afwijzing van de vrijwaringsvordering als onontvankelijk. Bij conclusie stelt hij incidenteel beroep in en vraagt het bestreden vonnis teniet te doen en opnieuw wijzende, de oorspronkelijke vordering van eerste geïntimeerde af te wijzen als ongegrond, met veroordeling van eerste geïntimeerde tot de kosten van het geding. III. Beoordeling A. Wat betreft de vordering tot vrijwaring 3.
- In haar akte van hoger beroep stelde appellante aanvankelijk een vordering tot vrijwaring in lastens tweede geïntimeerde, die opwerpt dat deze vrijwaringsvordering niet ontvankelijk is omdat deze vordering niet werd gesteld in de procedure voor de eerste rechter en dergelijke nieuwe vordering niet voor het eerst in hoger beroep kan worden geformuleerd. In haar conclusie neergelegd op 29 juni 2009 doet appellante afstand van geding wat betreft deze vrijwaringsvordering, zonder afstand te doen van haar recht. In zijn conclusie neergelegd op 15 september 2009 neemt tweede geïntimeerde akte van het feit dat appellante afstand doet van haar vordering tot vrijwaring. Het Hof stelt aan de hand van de bewoordingen van haar conclusies vast dat appellante uitsluitend beoogt afstand te doen van het geding ‘wat betreft de vrijwaringsvordering', zonder afstand te doen van haar vordering. Noch eerste, noch tweede geïntimeerde blijken zich te verzetten tegen deze afstand van geding, door tweede geïntimeerde verkeerdelijk gekwalificeerd als een afstand van vordering. Afstand van geding die is aangenomen, houdt krachtens artikel 826 Ger.W. van rechtswege in dat de partijen ermee instemmen dat de zaken over een weer in dezelfde staat worden teruggebracht alsof er geen geding was geweest. Het Hof verleent akte aan appellante van haar afstand van geding ten aanzien van tweede geïntimeerde, wat betreft de vrijwaringsvordering. Ten overvloede merkt het Hof op dat deze vordering, die pas voor het eerst in hoger beroep was gesteld, in elk geval niet ontvankelijk was voor dit Hof. B. Wat betreft de gegrondheid van het principaal en incidenteel hoger beroep 3.
- Het uitvoeringsgeschil tussen partijen vindt zijn oorzaak in het feit: - dat in het bevel voorafgaand aan onroerend beslag van 25 april 2007, betekend aan eerste geïntimeerde door het ambt van tweede geïntimeerde in opdracht van appellante, de gevorderde intresten en uitvoeringskosten slechts "pro memorie" zijn begroot, zonder enige concrete becijfering; - dat eerste geïntimeerde op 11 mei 2007 op rekening van tweede geïntimeerde alle bedragen heeft betaald die in het bevel van 25 april 2007 wel concreet becijferd waren, samen 35.453,07 EUR; - dat tweede geïntimeerde in opdracht van appellante ondanks deze betaling op 30 mei 2007 nog overging tot een uitvoerend onroerend beslag, en in het exploot de betaling vroeg van dezelfde bedragen, die reeds na het voorafgaand bevel waren betaald op 11 mei 2007, alsook van de intresten en uitvoeringskosten, andermaal pro memorie begroot, maar met aanduiding van de aanvangsdatum: - wat de intresten betreft op de hoofdsom van 24.03.1988 tot datum der betaling; - wat de intresten betreft op de vergoeding van 750,00 EUR: vanaf 01.07.2005 tot de datum der betaling. De vraag is of appellante en/of haar aangestelde gerechtsdeurwaarder, thans tweede geïntimeerde, foutief gehandeld hebben door beslag te leggen voor intresten en uitvoeringskosten "pro memorie", zonder concrete afrekening van de gevorderde bedragen. Overeenkomstig artikel 1389, 3° van het Gerechtelijk Wetboek bevat het beslagexploot op straffe van nietigheid de vermelding van het gevorderde bedrag en van de titel krachtens welke het beslag wordt gedaan. Het gaat om een relatieve nietigheid, die enkel kan leiden tot de nietigverklaring van het exploot mits bewijs door de beslagen debiteur van belangenschade. Het behoort tot de uitsluitende aansprakelijkheid van de gerechtsdeurwaarder en niet van de opdrachtgevende schuldeiser erover te waken dat het exploot van beslag beantwoordt aan deze wettelijke voorwaarde en de vereiste vermelding van het gevorderde bedrag bevat. Het Hof is evenwel van oordeel dat het exploot van beslag dd.30 mei 2007 voldeed aan de vereisten van artikel 1389, 3° Ger.W. en de gevorderde bedragen vermeldde, zoals wettelijk bepaald, onder aftrok van de reeds op 11 mei gedane betaling - die gelijk was aan de som van de gevorderde bedragen - alsook uitdrukkelijk verwees naar de verschuldigdheid van interesten, zij het "P.M." en van uitvoeringskosten, eveneens vermeld "P.M." Eerste geïntimeerde kan het beslag niet aanvechten louter om reden dat de afrekening in het exploot van beslag de verschuldigde interesten en uitvoeringskosten slechts "pro memorie" vermeldt. Hij was reeds kort voordien ingevolge de brief van de raadsman van appellante dd.12 maart 2007 in kennis gesteld van het aanzienlijk bedrag aan intresten dat nog door appellante werd gevorderd en dat op 1 april 2007 werd begroot op 41.024,52 EUR. Dat dit bedrag niet werd toegevoegd aan de vermelding van de post intresten "pro memorie" in het beslagexploot, neemt niet weg dat blijkens het exploot de interesten werden gevorderd "met ingang van 24.03.1988 tot de dag van betaling en met ingang van 01.07.2005 tot de dag der betaling". Bovendien heeft tweede geïntimeerde n.a.v. zijn persoonlijke verschijning voor de eerste rechter verklaard, zonder hierin door eerste geïntimeerde te worden tegengesproken, dat hij bij de betekening van het bevel aan partijen heeft gezegd dat de intresten de verschuldigde som ruimschoots overtroffen. Eerste geïntimeerde wist bijgevolg zeer goed dat er interesten werden gevorderd op de hoofdsommen, waarvan het bedrag aan de hand van de gegevens in de uitvoerbare titels perfect kon worden begroot en ook in de brief van 12 maart 2007 van de raadsman van appellante duidelijk was medegedeeld. Appellante had in dit schrijven de afrekening met inbegrip van de interesten en gerechtskosten overgemaakt aan de raadsman van eerste geïntimeerde, die naliet de gevorderde bedragen te betalen voor de voorgestelde datum, 26 maart
- Het verweer van eerste geïntimeerde dat tweede geïntimeerde geen beslag had mogen leggen zolang hij niet eerst de kans had gekregen om het saldo te betalen, na ontvangst van een duidelijke en volledige afrekening, kan niet worden bijgetreden. Het exploot van beslag is bijgevolg volstrekt rechtsgeldig en regelmatig betekend en de gedwongen uitvoering rechtmatig geschied ter invordering van de nog verschuldigde interesten en uitvoeringskosten. Eerste geïntimeerde toont op geen enkele wijze aan dat de vermelding in het exploot niet voldoet aan de wettelijke vereisten. Van de schuldeiser kan niet worden verwacht dat hij de afrekening permanent aanpast en actualiseert. De debiteur is het beste geplaatst om te bewijzen wat hij betaald heeft. Eerste geïntimeerde diende te weten en wist ook dat de betaling op 11 mei 2007 van 35.453,07 EUR nog geen volledige betaling was van alle verschuldigde bedragen en dat hij ook nog interesten en uitvoeringskosten diende te betalen, ook al waren deze in het exploot van beslag slechts pro memorie opgenomen. Eerste geïntimeerde, die ingevolge de ingebrekestelling van 12 maart 2007 zeer goed wist dat hij ook moratoire interest verschuldigd was, en dat het bedrag van de gevorderde interesten reeds de hoofdsom overschreed, kan thans niet de regelmatigheid noch de rechtmatigheid van het beslag aanvechten omdat in het exploot van beslag de gevorderde intresten "pro memorie" vermeld staan. Blijkbaar besefte eerste geïntimeerde dat hij ook gehouden was om de interesten te betalen, nu hij hangende de verzetsprocedure voor de eerste rechter en teneinde het beslagen onroerend goed te kunnen verkopen op 20 december 2007 op de derdenrekening van de raadsman appellante een bedrag van 40.000 EUR overmaakte, zonder dat hij naderhand - na de opheffing van het beslag ingevolge het vonnis van 21 december 2007- nog enig bezwaar heeft geformuleerd omtrent het verschuldigd zijn van dit bedrag. Eerste geïntimeerde heeft nooit gesteld dat hij de door appellante gevorderde en inmiddels betaalde interesten uiteindelijk niet verschuldigd was. Op grond van deze feiten staat vast dat het uitvoerend beslag op onroerend goed dd.30 mei 2007 regelmatig en rechtmatig werd gelegd. Gelet op het feit dat hij in het ongelijk is gesteld in hoger beroep, dient eerste geïntimeerde in te staan voor de kosten van het geding in beide aanleggen. Bij de bepaling van de rechtsplegingsvergoedingen vinden de basisbedragen toepassing, in voege vanaf 1 januari 2008 als gevolg van het K.B. van 26 oktober 2007 ter uitvoering van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van kosten en erelonen van advocaten. Gelet op het niet in geld waardeerbaar karakter van de vordering dient dit basisbedrag te worden vastgesteld op 1.200 EUR. OM DEZE REDENEN HET HOF Verleent akte aan appellante van haar afstand van geding ten aanzien van tweede geïntimeerde, wat betreft de vrijwaringsvordering Verklaart het hoger beroep van appellante en het incidenteel hoger beroep van tweede geïntimeerde ontvankelijk en gegrond; Doet de bestreden beschikkingen teniet en opnieuw recht doende; Verklaart het oorspronkelijk verzet van eerste geïntimeerde ontvankelijk, doch ongegrond; Veroordeelt eerste geïntimeerde tot de kosten van het geding in beide aanleggen, aan zijn zijde niet nader te begroten en aan de zijde van appellante en tweede geïntimeerde begroot op: - aan de zijde van appellante: - rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 1.200 EUR - rechtspleginsvergoeding hoger beroep: 1.200 EUR - rolrecht: 186 EUR - aan de zijde van tweede geïntimeerde: -rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 1.200 EUR - rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 1.200 EUR Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, VEERTIENDE bis KAMER, zitting houdende in burgerlijke zaken, van 17 november 2009 Aanwezig: Karen Broeckx, Raadsheer wn. Voorzitter Carine Sonneville, griffier C. Sonneville K.Broeckx Rep. 2009/ Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div