← België

ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20091117.14

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 17 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20091117.14 Rolnummer: 2009/AR/0003 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2010-02-02 Raadplegingen: 107 - laatst gezien 2026-07-02 20:37 Fiche De foutieve inschatting door appellant van zijn recht op indexaanpassingen op grond van een basisindexcijfer van december 1994, in plaats van de maand voor het veroordelend. vonnis (december 2004), kan worden beschouwd als een fout in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, die een normaal en voorzichtig handelend persoon niet kan hebben begaan. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VERBINTENIS UIT ONRECHTMATIGE DAAD - Rechtstreekse aansprakelijkheid - Fout - de daad - Algemeen Vrije woorden: Beslag- en executierecht - Verkeerde inschatting recht op indexaanpassingen - Fout - Aansprakelijkheid. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 14b Kamer ________ Terechtzitting van 17 november 2009 ________ 2009/AR/3 in de zaak van: B. L.,, wonende te , appellant, hebbende als raadsman mr. VYLS Hugo, advocaat te 9700 OUDENAARDE, Kerkgate 19 tegen: L. N., , wonende te , geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. DEPUTTER T., advocaat te 9600 RONSE, Charles de Gaullestraat 19 Wijst het Hof volgend arrest : Het Hof nam kennis van de op 17 december 2008 door de beslagrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde verleende beschikking, waartegen appellant, met zijn op 2 januari 2009 ter griffie neergelegd verzoekschrift, tijdig en op regelmatige wijze hoger beroep heeft ingesteld. De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting en de neergelegde conclusies en stukken werden ingezien. Artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werd in acht genomen. I. Voorgaanden 1.

  1. Bij vonnis van 6 december 1994 van de rechtbank van eerste aanleg te Oudenaarde werd de echtscheiding bij onder-linge toestemming tussen partijen uitgesproken. In de voorafgaande notariële overeenkomst werd onder meer bepaald dat appellant gehouden is tot betaling van een bijdrage in de kosten van opvoeding en onderhoud van de twee kinderen ten bedrage van 4.000 BEF of 99,15 EUR, aan te passen aan de schommelingen van het indexcijfer van de consumptieprijzen. Ingevolge gewijzigde feitelijke omstandigheden werd bij vonnis van 28 januari 2005 van de Jeugdrechtbank te Oudenaarde: - het recht op uitoefening van het ouderlijk gezag over de twee kinderen N. en J. uitsluitend aan appellant toegekend; - gezegd voor recht dat N. en J. bij appellant zullen verblijven en bij hem zullen gedomicilieerd worden; - geïntimeerde veroordeeld om met ingang van 28 januari 2005 maandelijks ten titel van bijdrage in de kosten van opvoeding en onderhoud van N. en J. aan appellant te betalen "de som van, te indexeren conform art.301, §2 B.W., honderdvijftig Euro (150 euro) per kind", met ontvangstmachtiging voor zover moeder méér dan twee maanden na elkaar mocht in gebreke blijven vrijwillig te betalen (stuk 1 appellante). Het vonnis werd bevestigd bij arrest van het Hof van Beroep te Gent dd.22 mei 2006, met dien verstande dat: - de regeling van het persoonlijk contact van geïntimeerde met de kinderen werd bevestigd; - de uitoefening van het ouderlijk gezag gezamenlijk geschiedt, met huisvesting bij concluant en inschrijving in het bevolkingsregister van de kinderen bij hem als hebbende hun hoofdverblijf (stuk 2 appellante). 1.
  2. Tussen partijen is een geschil gerezen omtrent de toepassing van de indexatieformule. Geïntimeerde stelt dat de basisindex bij de indexatieberekening deze is van de maand vóór de uitspraak van het vonnis a quo, zijnde het vonnis van de Jeugdrechtbank van 28 januari
  3. Appellant daarentegen stelt dat moet worden teruggegaan tot de datum van het vonnis van echtscheiding (6 december 1994). Appellant liet op 27 december 2006 uitvoerend beslag leggen op de meubelen en inboedel van geïntimeerde tot betaling van een som van 8.533,56 EUR onder de vermelding "onderhoudsgelden tot december 2006", waarop 6.686,60 EUR werd betaald buiten studie. Bij exploot van 3 januari 2007 heeft geïntimeerde zich verzet tegen dit uitvoerend roerend beslag, stellende dat zij alle verschuldigde onderhoudsbijdragen heeft vereffend. Zij vroeg de opheffing van het beslag en de veroordeling van geïntimeerde tot betaling van een schadevergoeding van 2.500 EUR en tot de kosten van het geding. Op verzoek van de eerste rechter hebben partijen door middel van een vrijwillige verschijning de Jeugdrechtbank te Oudenaarde gevat met een verzoek tot uitlegging van het vonnis van 28 januari 2005 met betrekking tot de indexatie van de door geïntimeerde te betalen onderhoudsbijdrage, met name de bewoordingen in het vonnis "conform art.301, par.2 B.W.". Bij vonnis dd.8 februari 2008 heeft de Jeugdrechtbank te Oudenaarde gezegd dat de vraag tot uitlegging niet behoorde tot haar rechtsmacht, doch tot deze van de Jeugdkamer bij het Hof van Beroep te Gent en heeft de zaak overgemaakt aan de Jeugdkamer van het Hof te Gent. Bij arrest van 9 juni 2008 heeft het Hof van Beroep te Gent geoordeeld dat het aanvangsindexcijfer dat van de maand december 2004 hoorde te zijn, met name dat van de maand vóór de uitspraak van het vonnis a quo, zijnde het vonnis van de Jeugdrechtbank van 28 januari
  4. Op basis van dit uitleggend arrest heeft de eerste rechter het verzet van geïntimeerde ontvankelijk en gegrond verklaard. De eerste rechter beval de opheffing van het beslag en veroordeelde appellant tot betaling van een schadevergoeding van 2.500 EUR wegens tergend en roekeloos beslag, de kosten van het geding en 350 EUR rechtsplegingsvergoeding. II. Hoger beroep Bij zijn beperkt hoger beroep vraagt appellant de bestreden beschikking van 17 december 2008 teniet te doen, voor zover het hem veroordeelt om aan geïntimeerde een som van 2.500 EUR te betalen wegens tergend en roekeloos beslag en de vordering van geïntimeerde in betaling van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos beslag ongegrond te verklaren. III. Beoordeling 3.
  5. De enige vraag die aan de orde is voor dit Hof is of appellant al dan niet tergend en roekeloos gehandeld heeft door op 27 december 2006 uitvoerend roerend beslag te leggen ten laste van geïntimeerde met het oog op de invordering van achterstallige indexaanpassingen van de onderhoudsbijdragen. Appellant heeft steeds het standpunt verdedigd dat de aanvangsindex voor de berekening van de aanpassing deze zou zijn van de maand van het echtscheidingsvonnis, te weten december 1994, daar waar geïntimeerde ervan uitging dat dit de index is van de maand voorafgaand aan het veroordelend vonnis van 28 januari 2005, dat in hoger beroep werd bevestigd bij arrest van 22 mei
  6. In het uitleggend arrest dat de Jeugdkamer van dit Hof op 9 juni 2008 heeft gewezen naar aanleiding van het executiegeschil tussen partijen, heeft het Hof in zeer duidelijke bewoordingen het standpunt van appellant volledig verworpen. Volgens het Hof is het ‘duidelijk' dat het verwijzen naar artikel 301 B.W. alleen betrekking had op het indexeringsmechanisme en kan die verwijzing "'certie certius", zekerder dan zeker" geen betrekking gehad hebben op de aanvangsindex. De stelling van appellant, die door het uitleggend arrest werd verworpen, had het onaanvaardbare en onmogelijke gevolg dat geïntimeerde gevraagd werd indexaanpassingen te betalen voor de lange periode dat de kinderen nog bij haar waren. Het Hof wees er in het uitleggend arrest op dat het volstrekt zinloos is dat voor de aanvangsindex van de alimentatie voor de kinderen zou verwezen worden naar de aanvang van een uitkering na echtscheiding. Op grond van het voorgaande is het Hof van oordeel dat de foutieve inschatting door appellant van zijn recht op indexaanpassingen op grond van een basisindexcijfer van december 1994, in plaats van de index van de maand voor het veroordelend vonnis (december 2004), kan worden beschouwd als een fout in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, die een normaal en voorzichtig handelend persoon niet zou hebben begaan. Appellant, die ten gevolge van gewijzigde omstandigheden tien jaar na de echtscheiding tussen partijen, op 28 januari 2005, van de Jeugdrechtbank een veroordeling heeft bekomen tot betaling van onderhoudsbijdragen, aangepast aan de index conform artikel 301, §2 B.W. lastens geïntimeerde, die sinds de echtscheiding in 1994 voor het onderhoud van de kinderen heeft ingestaan, meende volstrekt ten onrechte gerechtigd te zijn op indexaanpassingen over de jarenlange periode dat geïntimeerde zelf nog onderhoudsgerechtigde was. De letterlijke toepassing van artikel 301, §2 B.W. is blijkens de motivering van het uitleggend arrest duidelijk foutief. Deze onverschoonbare verkeerde inschatting heeft geleid tot een tergend en roekeloos beslag, waardoor appellant gehouden is een vergoeding van de door geïntimeerde geleden schade. In haar conclusie voor de eerste rechter omschrijft geïntimeerde deze schade als de verplichting "te moeten meegaan op de lange weg om haar correcte benadering van het onderhoudsgeld bekrachtigd te zien en zo het nutteloze en tegen iedere evidentie ingaand beslag te kunnen ontkrachten en te kunnen bewijzen dat zij gerechtigd is op het vragen van een schadevergoeding." Voor dit Hof stelt geïntimeerde bovendien dat het beslag op de roerende goederen nog steeds niet is gelicht en de verschuldigde gerechtskosten nog niet werden vereffend. Het kan niet worden betwist dat geïntimeerde schade heeft geleden doordat zij verplicht werd tot verschillende procedures, die bij een correcte en voor de hand liggende interpretatie van de uitvoerbare titel niet nodig waren geweest, met name zich verzetten tegen het beslag voor de eerste rechter en het afwachten van het uitleggend arrest in de procedure voor de Jeugdkamer van het Hof. Naast de kosten van de bijstand van geïntimeerde door een raadsman, die geacht worden forfaitair te zijn vergoed door de toegekende rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg, heeft geïntimeerde ook morele schade geleden ingevolge de onzeker-heid en tijdverlies die de verschillende procedures hebben berokkend en het feit dat appellant nog geen gevolg gaf aan de in eerste aanleg bevolen opheffing. Deze schade kan ex aequo et bono worden geraamd op 1.250,00 EUR. Aangezien het eerste vonnis slechts ten dele wordt hervormd, wat betreft het bedrag van de ex aequo et bono toegekende schadevergoeding, en het Hof van oordeel is dat het tergend beslag geïntimeerde gedwongen heeft tot een procedure in verzet, waarbij het foutief karakter van het beslag werd vastgesteld en door dit Hof opnieuw bevestigd, blijft de rechts-plegingsvergoeding in hoger beroep ten laste van appellant. OM DEZE REDENEN HET HOF Verklaart het hoger beroep van appellant toelaatbaar en gegrond in de mate zoals hierna bepaald; Bevestigt het bestreden vonnis, voor zover het van oordeel is dat het beslag van appellant tergend en roekeloos werd gelegd en hervormt het wat betreft het bedrag van de toegekende schadevergoeding, die wordt herleid tot 1.250,00 EUR. Zegt voor recht dat de kosten van het geding in hoger beroep ten laste zijn van appellant en begroot deze kosten als volgt: - rolrecht hoger beroep: 185,00 EUR - rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 850,00 EUR Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, VEERTIENDE bis KAMER, zitting houdende in burgerlijke zaken, van 17 november 2009 Aanwezig: Karen Broeckx, Raadsheer wn. Voorzitter Carine Sonneville, griffier C. Sonneville K.Broeckx Rep. 2009/ Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.