id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 18 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20091118.9 Rolnummer: 2008/AR/0501 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2010-02-09 Raadplegingen: 93 - laatst gezien 2026-07-02 20:38 Fiche Appellanten hebben geen recht van voorkoop aangezien zij niet voldoen aan de dwingende vereisten van de Pachtwet, meer bepaald dat zoals artikel 1 van de Pachtwet voorschrijft zij niet meer bedrijfsmatig exploiteren. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN (BURGERLIJKE ZAKEN) - Rechtspleging pacht en voorkoop - Recht van voorkoop Vrije woorden: Recht van voorkoop Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 13de Kamer ________ Terechtzitting van 18 november 2009 ________ 2008/AR/501 - In de zaak van:
- V. D. L.,
- V. D. G., samenwonende te ............................................................, appellanten, hebbende als raadsman mr. NAEYAERT Bart, advocaat te 8820 TORHOUT, Aartrijkestraat 38, (uw referte: 13.16.207/SB) tegen:
- D. D., wonende te ........................................................., eerste geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. OLIVIER Marc, advocaat te 8000 BRUGGE, Cordoeaniersstraat 17-19, (uw referte: 43.8.120)
- V. V.-D. H., wonende te ..........................................., tweede geïntimeerde,
- L. A., wonende te ...................................................., derde geïntimeerde,
- L. M., wonende te ..................................................., vierde geïntimeerde, tweede, derde en vierde geïntimeerden, hebbende als raadslieden mr. LUST Antoon en mr. VERKINDEREN Piet, beiden advocaat te 8310 ASSEBROEK, Baron Ruzettelaan 27,( uw referte: 29846/1 Lagae/Degryse PV / AB) velt het hof het volgend arrest:
- Het hof heeft de partijen in openbare terechtzitting gehoord in hun middelen en conclusies en heeft de stukken ingezien. Appellanten hebben tijdig en op rechtsgeldige wijze hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat op tegenspraak werd uitgesproken op 7 november 2007 door de eerste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge. Het incidenteel beroep van tweede, derde en vierde geïntimeerde is toelaatbaar.
- Op 1 oktober 2005 heeft eerste geïntimeerde van tweede, derde en vierde geïntimeerde een te Brugge - Sint-Kruis gelegen perceel landbouwgrond gekocht van circa 4ha 20 a onder de opschortende voorwaarde van de niet-uitoefening van het recht van voorkoop door appellanten. Tweede, derde en vierde geïntimeerde hebben met toepassing van artikel 48, 1° Pachtwet op 11 oktober 2005 aan appellanten het recht van voorkoop aangeboden wat door laatstgenoemden op 3 november 2005 uitdrukkelijk aanvaard werd. Voor de eerste rechter stelde eerste geïntimeerde dat appellanten geen aanspraak kunnen maken op een voorkooprecht omdat zij geen landbouwbedrijf uitbaten in de zin van de Pachtwet, en zij voor het overige de kwestieuze percelen niet persoonlijk uitbaten. Appellanten betwistten op diverse gronden de vordering van eerste geïntimeerde, stellende dat, gelet op de opschortende voorwaarde die werd gerealiseerd, de verkoopovereenkomst met eerste geïntimeerde niet is tot stand gekomen, en zij tengevolge van het uitoefenen van hun recht van voorkoop de rechtmatige eigenaars zijn.
- Volgens de eerste rechter tonen appellanten niet aan dat zij een landbouwbedrijf uitbaten in de zin van artikel 1 Pachtwet en beschikken zij derhalve niet over het door de Pachtwet voorziene recht op voorkoop. De eerste rechter voegt daaraan toe dat appellanten niet tegenspreken dat zij hebben onderverpacht aan ene W. C., zodat hen evenzeer op grond van artikel 52, 1° Pachtwet het recht op voorkoop moet ontzegd worden. De eerste rechter beslist daarom dat appellanten op de litigieuze percelen geen pachtrechten hebben, dat het door appellanten uitgeoefende recht van voorkoop van generlei waarde is, dat de opschortende voorwaarde werd gerealiseerd - in het bestreden vonnis is kennelijk bij materiële misslag het woord ‘niet' toegevoegd - en dat eerste geïntimeerde daarom eigenaar is geworden van de door hem aangekochte percelen landbouwgrond. De tegenvorderingen van tweede, derde en vierde geïntimeerde tegen eerste geïntimeerde wijst de eerste rechter af als hetzij ongegrond, hetzij zonder voorwerp. De tussenvordering van tweede, derde en vierde geïntimeerde tegen appellanten tot betaling van intresten op 150.000,00 EUR vanaf 1 januari 2006 tot de datum van het verlijden van de authentieke akte, willigt de eerste rechter voor de helft in, oordelend dat zowel de verpachters als de pachters hadden moeten weten dat aan de vereisten van de Pachtwet niet voldaan was. 4.
- De grieven van appellanten kunnen als volgt samengevat worden. De eerste rechter heeft volgens appellanten ten onrechte geoordeeld dat eerste geïntimeerde de rechtsgeldigheid van de uitoefening van het recht van voorkoop kon aanvechten. Tweedes heeft volgens appellanten de eerste rechter ten onrechte geoordeeld dat zij geen recht van voorkoop hadden omdat zij geen titularis waren van pachtrechten in de zin van artikel 1 van de Pachtwet. Daarnaast heeft volgens appellanten de eerste rechter hen ten onrechte veroordeeld tot het betalen van intresten op 150.000,00 EUR. Appellanten vorderen daarom dat het hoger beroep ontvankelijk en gegrond zou verklaard worden, dat het bestreden vonnis zou worden teniet gedaan en dat, opnieuw recht doende, de oorspronkelijke vordering van eerste geïntimeerde als onontvankelijk, minstens ongegrond zou worden afgewezen, en dat voor recht zou worden gezegd dat zij tengevolge van de uitoefening van hun recht van voorkoop de eigenaars zijn geworden van de litigieuze percelen landbouwgrond. Ook vorderen appellanten dat de oorspronkelijke tussenvordering van tweede, derde en vierde geïntimeerde als onontvankelijk, minstens ongegrond zou worden afgewezen. Ondergeschikt vorderen appellanten dat de helft van de intresten hooguit op het bedrag van 84.610,00 EUR is verschuldigd. Ten slotte vorderen appellanten dat geïntimeerden hetzij solidair, hetzij in solidum, hetzij de ene bij gebreke aan de andere, zou-den worden veroordeeld tot de in beide aanleggen gevallen gedingkosten. 4.
- Eerste geïntimeerde vordert dat het principaal beroep als ongegrond zou worden afgewezen, dat het bestreden vonnis integraal zou worden bevestigd en appellanten tot de gedingkosten zouden veroordeeld worden. 4.
- Tweede, derde en vierde geïntimeerde gedragen zich betreffende de oorspronkelijke hoofdeis naar het oordeel van het hof. Bij incidenteel beroep vorderen zij dat de partij die in het ongelijk gesteld wordt zou worden veroordeeld tot de vergoedende intresten tegen de wettelijke rentevoet op 150.000,00 EUR, te rekenen vanaf 1 januari 2006 of minstens vanaf 12 februari 2007 tot de datum van het verlijden van de authentieke akte en tot alle gedingkosten. BEOORDELING processuele voorgaanden 1.
- Ter beoordeling liggen de concurrerende aanspraken van twee kopers van eenzelfde onroerend goed, waarbij enerzijds eerste geïntimeerde voorhoudt dat de opschortende voorwaarde waar-onder hij van tweede, derde en vierde geïntimeerde heeft gekocht zich heeft gerealiseerd en hij aldus eigenaar is geworden, terwijl anderzijds appellanten stellen dat zij tengevolge van de aanvaarding van het hen door tweede, derde en vierde geïntimeerde aangeboden voorkooprecht eigenaar zijn. 1.
- Eerste geïntimeerde kocht bij onderhandse koopverkoopovereenkomst d.d. 1 oktober 2005 van tweede, derde en vierde geïntimeerde te Brugge (Sint-Kruis) landbouwgronden met een oppervlakte van 7ha 42a 20ca. De prijs werd gesplitst in functie van het voorkooprecht dat aan de twee zittende pachters werd aangeboden, respectievelijk 65.390,00 EUR voor het gedeelte van ongeveer 3ha 20 a dat verpacht was aan R. D.-V., en 84.610,00 EUR voor het gedeelte van ongeveer 4ha 20a dat aan appellanten was verpacht. Die verkoop door tweede, derde en vierde geïntimeerde aan eerste geïntimeerde geschiedde onder de opschortende voorwaarde van de niet-uitoefening van het voorkooprecht door de zittende pachters. (zie stuk 1 in het dossier van tweede, derde en vierde geïntimeerde) Tweede, derde en vierde geïntimeerde hebben op 11 oktober 2005 met toepassing van artikel 48, 1° Pachtwet aan appellanten het voorkooprecht aangeboden. In een op 3 november 2005 verstuurd aangetekend schrijven (gedateerd 27 oktober 2005) hebben appellanten aan tweede, derde en vierde geïntimeerde meegedeeld dat zij het hen aangeboden voorkooprecht wensten uit te oefenen. (zie de stukken 2, 3 en 4 in het dossier van tweede, derde en vierde geïntimeerde en de stukken 8a en 8b in het dossier van eerste geïntimeerde) De beoordeling van de rechtsgeldigheid van de uitoefening door appellanten van het recht van voorkoop situeert zich derhalve op 3 november
- 1.
- Met een op 9 februari 2006 ter griffie van het vredegerecht van het eerste kanton te Brugge neergelegd verzoekschrift vordert eerste geïntimeerde de oproeping van appellanten en van tweede, derde en vierde geïntimeerde met het oog op een minnelijke schikking. Eerste geïntimeerde vordert dat, bij gebreke aan een minnelijke schikking, voor recht zou worden gezegd dat appellanten geen door de Pachtwet beschermde pachtrechten bezitten op de door hem van tweede, derde en vierde geïntimeerde aangekochte goederen, dat appellanten op de kwestieuze percelen geen recht van voorkooprecht hebben en dat het hen door tweede, derde en vierde aangeboden voorkooprecht nietig is en van generlei waarde. Ondergeschikt vordert eerste geïntimeerde dat een gerechtsdeskundige zou worden aangewezen teneinde na te gaan of appellanten al dan niet een door de Pachtwet beschermde landbouwactiviteit uitoefenen. Op 16 maart 2006 wordt een proces-verbaal opgesteld waaruit blijkt dat geen minnelijke schikking is tot stand gekomen. 1.
- Op 11 april 2006 dagvaardt eerste geïntimeerde appellanten en tweede, derde en vierde geïntimeerde voor de vrederechter van het eerste kanton te Brugge, en herneemt hij zijn vorderingen. 1.
- In een op 17 mei 2006 ter griffie van het vredegerecht van het eerste kanton te Brugge neergelegde conclusie houden tweede, derde en vierde geïntimeerde voor dat appellanten pachters zijn in de zin van de Pachtwet, en dat het feit dat zij mogelijk gepensioneerd zijn niet belet dat zij nog steeds als landbouwer actief kunnen zijn. Tweede, derde en vierde geïntimeerde voegen er aan toe dat appellanten tot dusver geen opzeg van hun pachtrechten hebben gedaan, en dat zij jaarlijks op de vervaldag de verschuldigde pachtgelden betalen. Tweede, derde en vierde geïntimeerden besluiten dat zij als eigenaars-verpachters appellanten nog steeds als pachters in de zin van de Pachtwet beschouwen. 1.
- Appellanten hebben in een op 24 mei 2006 neergelegde conclusie in hoofdorde gesteld dat de vrederechter onbevoegd was om van de vordering kennis te nemen en de verwijzing van de zaak gevorderd naar de rechtbank van eerste aanleg te Brugge. Ondergeschikt concludeerden appellanten tot de ongegrondheid van de vordering van eerste geïntimeerde. 1.
- Op 24 oktober 2006 heeft de Vrederechter zich onbevoegd verklaard en de zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Brugge verzonden.
- De eerste rechter heeft in eerste aanleg over de diverse vorderingen van partijen beslist zoals hierboven al werd uiteengezet. wat het principaal beroep betreft eerste grief
- Het in de Pachtwet voorziene recht van voorkoop heeft tot doel de uitbating van de pachter te beschermen. Het moet gaan om de uitbating van een landbouwbedrijf zoals bepaald in artikel 1 Pachtwet. Artikel 52, 1° Pachtwet laat er verder geen twijfel over bestaan dat de pachter geen recht van voorkoop heeft indien hij het landbouwbedrijf niet persoonlijk exploiteert. De verpachter die zijn pachter in kennis stelt van de inhoud van de verkoopakte, die is opgesteld onder de opschortende voorwaarde van niet-uitoefening van het recht van voorkoop, leeft een wettelijke verplichting na. Dat neemt niet weg dat op de pachter de last rust om desgevallend het sluitend bewijs te leveren van een reële economische exploitatie van het door hem gepachte goed.
- De pachter begaat een buitencontractuele fout door een hem aangeboden voorkooprecht te aanvaarden, terwijl hij weet of moet weten dat hij niet meer voldoet aan de dwingende vereisten van de Pachtwet, d.i. dat hij zoals artikel 1 Pachtwet voorschrijft niet meer bedrijfsmatig exploiteert, of nog, dat hij zoals artikel 52, 1° Pachtwet voorschrijft het goed niet meer persoonlijk exploiteert. Een aanvaarding in strijd met die wettelijke vereisten heeft geen wettige oorzaak en is dan ook nietig of onbestaande.
- Appellanten stellen dat bij het aanbod van het recht van voorkoop door tweede, derde en vierde geïntimeerden op geen enkel ogenblik is voorgehouden dat de aanvaarding enkel zou gelden wanneer zij in overeenstemming was met de Pachtwet, en dat een dergelijke voorwaarde bij de beoordeling van de rechtsgeldigheid van de aanvaarding aldus niet aan bod kan komen. Of nog, volgens appellanten was het bij de aanvaarding van het aangeboden recht van voorkoop van geen belang dat zij pachters waren in de zin van artikel 1 Pachtwet of van artikel 52 Pachtwet. Het hof valt die stelling van appellanten niet bij gezien er in het aanbod duidelijk is vermeld dat het om het voorkooprecht gaat van de ‘zittende pachter', en er overigens expliciet wordt verwe-zen naar artikel 48 Pachtwet. (zie de stukken 2 en 3 in het dossier van tweede, derde en vierde geïntimeerde) Het gaat te dezen dus niet om een aanbod van recht van voorkoop dat zou losstaan van de dwingende bepalingen van de Pachtwet.
- Appellanten verwijzen daarnaast naar de koopverkoopovereenkomst d.d. 1 oktober 2005 tussen eerste geïntimeerde als koper en tweede, derde en vierde geïntimeerde als verkopers, waarbij laatstgenoemden hebben bedongen dat zij een recht van voorkoop konden aanbieden zonder dat als voorwaarde werd gesteld dat de pachter enkel op grond van de Pachtwet zou kunnen aanvaarden. Ook deze stelling van appellanten snijdt geen hout gezien in de overeenkomst van 1 oktober 2005 expliciet is vermeld dat het verkochte goed ‘bezwaard' is met een voorkooprecht van de zit-tende pachter. (zie stuk 1, ibidem)
- Ten onrechte houden appellanten staande dat eerste geïnti-meerde geen hoedanigheid en/of rechtmatig belang zou hebben om tegen hen een vordering in te stellen. Appellanten gaan er aan voorbij dat eerste geïntimeerde als koper onder opschortende voorwaarde hoe dan ook de hoedanigheid en het vereiste belang heeft om tegen appellanten een buitencontractuele vordering aan te spannen. De in artikel 1165 B.W. bepaalde betrekkelijkheid van het litigieuze pachtcontract staat er niet aan in de weg dat eerste geïntimeerde zich kan beroepen op het bestaan en de gevolgen tussen de contractpartijen om zijn buitencontractuele vordering tegen appellanten te staven. Immers, indien zou blijken dat appellanten zich als zittende pachters hebben beroepen op een recht van voorkoop hoewel zij wisten of dienden te weten dat zij niet in de daartoe vereiste wettelijke voorwaarden verkeerden, hebben zij een fout begaan. Voor zover eerste geïntimeerde door die bewezen contractuele fout van appellanten schade zou hebben geleden is hij gerechtigd op het herstel van die schade. De reparatie van eerste geïntimeerdes schade kan ondermeer in natura geschieden, d.w.z. dat hij alsnog in zijn rechten als eigenaar van de door hem aangekochte gronden wordt bevestigd, onverminderd de vergoeding voor andere schadeposten die door de fout van appellanten zijn veroorzaakt. Kortom, de vordering van eerste geïntimeerde was van meet af aan ontvankelijk en toelaatbaar. tweede grief
- Appellanten dragen de last van het bewijs dat zij op het tijdstip van de aanvaarding van het hen door de verpachter aangeboden recht van voorkoop, d.i. op 3 november 2005, voldeden aan de in de Pachtwet voorziene dwingende voorwaarden.
- Artikel 1 Pachtwet bepaalt dat onder "landbouwbedrijf" wordt ver-staan: de bedrijfsmatige exploitatie van onroerende goederen met het oog op het voortbrengen van landbouwproducten die in hoofdzaak bestemd zijn voor de verkoop. M.a.w., het moet gaan om een marktgerichte exploitatie. 3.
- Appellant ( ° 2 maart 1927) is sinds 1 juli 1999 gepensioneerd en appellante ( ° 18 februari 1921) is dat sinds 1 januari
- Dat appellanten de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt, in 2005 de leeftijd van respectievelijk 78 jaar en 84 jaar hebben bereikt, en dat zij geen afstammelingen hebben, speelt bij de beoordeling of het werkelijk om een marktgerichte exploitatie gaat geen rol. Daarentegen levert het betalen van de sociale bijdragen als zelf-standige op zich geen bewijs op van een bedrijfsmatige exploitatie. (zie de stukken 5 en 6 in het dossier van appellanten) Ook de door appellanten voorgelegde acht foto's van de hoeve, overigens niet gedateerd, kunnen op zich geen bewijs opleveren van het bestaan van een landbouwbedrijf dat beantwoordt aan de definitie van artikel 1 Pachtwet. 3.
- Uit de voorgelegde detailberekening voor het inkomstenjaar 2004 blijkt dat appellant een nettoresultaat voor zijn landbouwactiviteiten bekwam van 1.738,00 EUR, terwijl hij een rustpensioen genoot van 9.108,11 EUR. (zie stuk 7 in het dossier van appellanten) Voor appellante was er voor het inkomstenjaar 2004 een nettoresultaat voor de landbouwactiviteiten van 1.737,98 EUR, terwijl zij een pensioen genoot van 5.971,02 EUR. (zie stuk 9 in het dossier van appellanten) Appellanten leggen voor het inkomstenjaar 2005 noch detailberekeningen noch afgifte voor, doch enkel een aanslagbiljet van een nog verschuldigd belastingsaldo van respectievelijk 328,16 EUR en 164,08 EUR. (zie de stukken 36 en 37 in het dossier van appellanten) De voorgelegde fiscale stukken van overige aan 2005 voorafgaande jaren vertonen dezelfde verhouding tussen beroepsinkomen en pensioen. (zie de stukken 12, 13, 14 en 15, ibidem) Die gegevens leveren ernstige en met elkaar overeenstemmende vermoedens op dat het niet gaat om werkelijke bedrijfsinkomsten maar eerder om een aanvulling van het pensioeninkomen. 3.
- Er is evenwel meer. In hoger beroep houden appellanten voor dat zij dieren kweken en wijzen zij er op dat ook veeteelt onder het begrip "landbouwbedrijf" ressorteert. Uit een door appellanten neergelegde aangifte van mestproduc-tie en mestgebruik voor het productiejaar 2005 blijkt dat wat melkvee betreft er twee vaarzen waren jonger dan een jaar, drie vaarzen tussen één en twee jaar en vijf melk- of zoogkoeien. Als mestvee vermelden appellanten in die aangifte een rund jonger dan een jaar, een rund van één tot twee jaar en vier andere runderen. In totaal waren er dus in 2005 zestien runderen aanwezig waarvan negen volwassen dieren. (zie stuk 10 in het dossier van appellanten en vergelijk met stuk 44 in het dossier van appellanten waar appellanten in hun aangifte eveneens zestien runderen vermelden) Indien er zoals appellanten voorhouden in 2005 een marktgerichte exploitatie was van het landbouwbedrijf (houden van melkvee en/of kweek van mestvee), ligt het voor de hand dat zij stukken moeten kunnen voorleggen als bewijs van de verkoop van melk of andere zuivelproducten wat melkvee betreft, of van runderen waar het om mestvee gaat. De documenten die appellanten voorleggen - een aantal voor het eerste in hoger beroep - dateren van 2006, 2007, 2008 en 2009, hebben o.m. betrekking op door loonwerkers geleverde prestaties, eenzijdige verzamelaanvragen, eenzijdige aangiften van mestproductie, etc., en zijn voor de beoordeling in 2005 niet dienend. (zie de stukken 17 t.e.m. 48 in het dossier van appellanten) Cruciaal voor de beoordeling is immers de vaststelling dat appellanten geen enkel stuk voorbrengen waaruit enige verkoop van zuivelproducten of van dieren blijkt. Ook van de verkoop van andere landbouwproducten in 2005 (of zelfs in 2002, 2003 of 2004) leggen appellanten geen enkel stuk voor. Appellanten doen ook geen enkel bewijsaanbod en verschaffen geen uitleg waarom het hen onmogelijk is om enig concreet bewijs van een markgerichte exploitatie van hun bedrijf te leveren. Kortom, appellanten falen in hun bewijsvoering dat zij in 2005 voldeden aan de vereiste van de exploitatie van een marktgericht landbouwbedrijf zoals door artikel 1 Pachtwet dwingend bepaald. Gezien appellanten niet bewijzen dat er in 2005 een landbouw-exploitatie plaats vond zoals voorgeschreven door artikel 1 Pachtwet, moet de toepassing van artikel 52, 1° Pachtwet wat de ‘persoonlijke' exploitatie betreft niet verder worden onderzocht. Immers, in de gegeven omstandigheden had de aanvaarding door appellanten op 3 november 2005 van het door tweede, derde en vierde geïntimeerde aangeboden recht van voorkoop geen wettige oorzaak. Die aanvaarding van het voorkooprecht door appellanten moet derhalve als nietig of onbestaande worden beschouwd, zodat de opschortende voorwaarde waaronder de koopverkoopovereenkomst d.d. 1 oktober 2005 tussen eerste geïntimeerde en tweede, derde en vierde geïntimeerde werd gesloten vervuld is. Het hof valt daarom de eerste rechter bij die heeft beslist dat ap-pellanten op de litigieuze percelen landbouwgrond geen pachtrechten bezitten, dat zij op de verkoop ervan geen recht van voorkoop kunnen uitoefenen en dat eerste geïntimeerde de rechtmatige eigenaar is. derde grief 1.
- Appellanten wisten of dienden te weten dat zij als zittende pachters in 2005 op het tijdstip van de uitoefening van het recht van voorkoop in 2005 niet aan de wettelijke voorwaarden van de Pachtwet voldeden. Indien appellanten daarover enige twijfel koesterden dienden zij zich, zoals ieder normaal voorzichtig en vooruitziende burger betaamt, te informeren bij hun beroepsorganisatie of raad in te winnen bij een ter zake bevoegd persoon. Door op een dergelijk ondoordachte wijze hun voorkooprecht uit te oefenen hebben appellanten een fout begaan in de zin van de artikels 1382 -1383 B.W. Tengevolge van hun fout zijn appellanten gehouden de daardoor veroorzaakte schade te vergoeden. 1.
- Het hof stelt vast dat eerste geïntimeerde zich in hoger beroep beperkt tot het vorderen dat het bestreden vonnis zou worden bevestigd, meer bepaald waar hij rechtens als eigenaar van de litigieuze percelen werd aangewezen. 1.
- De door tweede, derde en vierde geïntimeerde gevorderde schadevergoeding komt hierna aan bod.
- Tweede, derde en vierde geïntimeerde hadden het recht om bij twijfel het zekere voor het onzekere te nemen, en zoals de Pachtwet het voorschrijft het voorkooprecht aan hun pachters aan te bieden. Zij mochten er op vertrouwen dat appellanten ofwel zelf tot de vaststelling zouden komen dat zij niet langer de kwestieuze percelen ‘bedrijfsmatig' exploiteerden en dus geen aanspraak konden maken op het voorkooprecht, ofwel dat zij bij bevoegde personen of bij hun beroepsorganisatie de nodige informatie zouden inwinnen en daaruit de passende conclusies te trekken. Appellanten maken hoe dan ook niet aannemelijk dat tweede, derde en vierde geïntimeerde lichtzinnig hebben gehandeld en/of niet te goeder trouw waren toen zij hun aanbod formuleerden. Volgens het hof was het in de gegeven omstandigheden evenmin een fout om te wachten met het verlijden van de authentieke akte tot er uitsluitsel werd bekomen over de gerezen juridische betwisting betreffende de litigieuze percelen. Te dezen kan aan tweede, derde en vierde geïntimeerden geen fout in de zin van de artikels 1382 - 1383 B.W. worden ten laste gelegd. Tweede, derde en vierde geïntimeerde hebben daarom recht op de integrale vergoeding van de door hen geleden schade.
- Tengevolge van de door appellanten begane fout hebben tweede, derde en vierde geïntimeerde schade geleden die door appellanten moet worden vergoed. Door de onrechtmatige uitoefening van hun voorkooprecht hebben appellanten immers aanzienlijk het verlijden van de authentieke akte en de betaling van de koopsom vertraagd zodat tweede, derde en vierde geïntimeerde renteverlies hebben geleden. Anders dan de eerste rechter heeft beslist wordt dat renteverlies niet berekend op de globale koopsom van 150.000,00 EUR. Immers, niets stond er aan in de weg dat tweede, derde en vierde geïntimeerde de authentieke akte lieten verlijden wat de niet betwiste ercelen betreft. De hen toekomende schadevergoeding wordt daarom beperkt tot de vergoedende intresten tegen de wettelijke rentevoet op de koopsom van 84.610,00 EUR. Die intresten zijn verschuldigd vanaf 1 januari 2006 gezien bedongen was dat de akte uiterlijk binnen de drie maanden na het sluiten op 1 oktober 2005 van de overeenkomst met eerste geïntimeerde zou worden verleden. (zie stuk 1 in het dossier van tweede, derde en vierde geïnti-meerde) Die intresten zijn door appellanten aan tweede, derde en vierde geïntimeerde verschuldigd tot de datum van het verlijden van de authentieke akte.
- Als in het ongelijk gestelde partij dienen appellanten tot de in beide aanleggen gevallen gedingkosten, zowel aan de zijde van eerste geïntimeerde als aan de zijde van tweede, derde en vierde geïntimeerde samen, te worden veroordeeld. wat het incidenteel beroep van tweede, derde geïntimeerde betreft Gezien uit wat voorafgaat volgt dat rechtens vaststaat dat eerste geïntimeerde eigenaar is geworden van de litigieuze percelen, en dat er geen enkele aanwijzing is dat voornoemde niet bereid is om de notariële akte te laten verlijden, zijn er geen termen om eerstgenoemde daartoe te veroordelen. Wat de schadevergoeding betreft dienen appellanten zoals hiervoor uiteengezet tot de vergoedende intresten te worden veroordeeld op het bedrag van 84.610,00 EUR vanaf 1 januari 2006 tot de datum van het verlijden van de authentieke akte. Wat de gedingkosten betreft beslist het hof dat appellanten alle aan de zijde van tweede, derde en vierde geïntimeerde gevallen gedingkosten in beide aanleggen moeten dragen. wat de in eerste aanleg gevallen gedingkosten betreft Het bestreden vonnis moet worden bevestigd waar het appellanten heeft veroordeeld tot de in eerste aanleg aan de zijde van eerste geïntimeerde gevallen kosten. Het bestreden vonnis moet worden hervormd waar het appellanten heeft veroordeeld tot de helft van de aan de zijde van tweede, derde en vierde geïntimeerde gevallen kosten, gezien appellanten die kosten integraal moeten ten laste nemen. Appellanten worden dus veroordeeld tot het geheel van de aan de zijde van tweede, derde en vierde geïntimeerde gevallen gedingkosten ten bedrage van 364,40 EUR rechtsplegingvergoeding. wat de in hoger beroep gevallen gedingkosten betreft Als in het ongelijk gestelde partij dienen appellanten tot de in deze aanleg gevallen kosten te worden veroordeeld. Het hof maakt voor de in deze aanleg gevallen kosten toepassing van de wet van 21 april 2007 en van het K.B. van 26 oktober 2007 die vanaf 1 januari 2008 gelden. Ter terechtzitting hebben partijen bevestigd akkoord te gaan dat m.b.t. de rechtsplegingvergoeding de basisbedragen worden toegepast. De rechtsplegingvergoeding in hoger beroep bedraagt 1.200,00 EUR aan de zijde van eerste geïntimeerde en 1.200,00 EUR aan de zijde van tweede, derde en vierde geïntimeerde. OP DIE GRONDEN, HET HOF Recht doende op tegenspraak en met inachtneming van artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken. Verklaart het principaal en het incidenteel beroep ontvankelijk en in de hiernavolgende mate gegrond. Bevestigt het bestreden vonnis waar het voor recht zegt dat appellanten geen pachtrechten noch voorkooprecht hebben op het hiernavolgende onroerend goed, en dat eerste geïntimeerde eigenaar is van: Stad Brugge, sectie Sint-Kruis, Een blok grond, omvattende landbouwgrond, gelegen ter plaatse ‘Male', nabij de Margaretha van Vlaanderenstraat en de oude spoorweg Brugge - Eekloo, gekadastreerd sectie D nummers 396/G/deel, 352/D, 353/C, 354/B, 358/A, 359/A en 360/A voor een oppervlakte van ongeveer 4ha 20 a (volgens kadaster) Bevestigt het bestreden vonnis waar het appellanten heeft veroordeeld tot de aan de zijde van eerste geïntimeerde gevallen kosten, bepaald op 562,94 EUR voor de dagvaarding en de rolstelling, 60,73 EUR als rechtsplegingvergoeding voor de oproeping in minnelijke schikking en 364,40 EUR als rechtsplegingsvergoeding te gronde. Hervormt voor het overige het bestreden vonnis en opnieuw rechtsprekend, Veroordeelt appellanten in solidum tot het betalen aan tweede, derde en vierde geïntimeerde van de vergoedende intresten tegen de wettelijke rentevoet op het bedrag van 84.610,00 EUR vanaf 1 januari 2006 tot de datum van het verlijden van de authentieke akte van voormeld onroerend goed. Veroordeelt appellanten in solidum tot het betalen aan tweede, derde en vierde geïntimeerde samen van de in eerste aanleg gevallen kosten ten belope van 364,40 EUR rechtsplegingsvergoeding. En recht doende over de in hoger beroep gevallen kosten, Veroordeelt appellanten in solidum tot de kosten gevallen aan de zijde van eerste geïntimeerde en van tweede, derde en vierde geïntimeerde samen. Aan de zijde van eerste geïntimeerde worden die kosten tot dusver bepaald op 1.200,00 EUR rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep. Aan de zijde van tweede, derde en vierde geïntimeerde samen worden die kosten tot dusver bepaald op 1.200,00 EUR rechts-plegingsvergoeding in hoger beroep. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, dertiende kamer, zetelende in burgerlijke zaken, op achttien november tweeduizend en negen. Aanwezig: de heer Dominique Vandorpe, kamervoorzitter, de heer Kristoffel Goossens, griffier, Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.