id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 23 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20091123.6 Rolnummer: 2007/AR/3037 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2010-01-28 Raadplegingen: 93 - laatst gezien 2026-07-02 20:39 Fiche
- Artikel 23 Zeewet bevat een limitatieve opsomming, zodat de bijzondere voorrechten van gemeen recht niet van toepassing zijn op zee- of binnenschepen. Algemene voorrechten kunnen zich wel uitstrekken tot zee- en binnenschepen.
- In de mate de schuldeiser niet over een bijzonder voorrecht op het schip beschikt, kan hij ook geen aanspraak maken op de sloop- en beëindigingspremie die het uit de vaart nemen van het schip heeft opgebracht. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - VOORRECHTEN EN HYPOTHEKEN - Algemeen (voorrechten en hypotheken) Vrije woorden: Voorrechten en hypotheken - verhouding voorrechten opv Hypotheekwet (artikel 11 en 20,4°) tov Zeewet (artikel 23). Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 7de Kamer ________ Terechtzitting van 23 november 2009 ________ 2007/AR/3037 - In de zaak van: ANGLO BELGIAN CORPORATION N.V., met maatschappelijke zetel te 9000 GENT, Wiedouwkaai 43, ingeschreven met KBO-nummer 0420.246.659, appellante, hebbende als raadsman mr. MERTENS Jos, advocaat te 9051 SINT-DENIJS-WESTREM, MG Building II / Kortrijksesteenweg 1144G, (uw referte: 8257bslHB1) tegen: C. I., , met kantoor gevestigd te , in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement van de REDERIJ DE BOUNTY BVBA, met maatschappelijke zetel te 8300 Knokke-Heist, Graaf Jansdijk 219, ingeschreven met KBO-nummer 0425.832.770, geïntimeerde, in persoon, (uw referte: 4747.18/IC) velt het hof het volgend arrest: I Bestreden beslissing - Rechtspleging in hoger beroep
- Het hoger beroep is ingesteld bij verzoekschrift van 20 december 2007 tegen het vonnis van de rechtbank van koophandel te Brugge, afdeling Brugge, tijdelijke eerste kamer (A/05/02469) van 1 oktober
- Een akte van betekening wordt niet voorgelegd, hoewel het bestreden vonnis betekend zou zijn. De tijdigheid is niet betwist. Het verzoekschrift is verder regelmatig naar de vorm. Het Hof heeft artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken in acht genomen. De procedure gebeurde op tegenspraak. II Overblijvende betwisting - Feiten - Procedure in eerste aan-leg
- De overblijvende betwisting betreft de vragen of de hersteller van de scheepsmotor 1) een voorrecht heeft in het faillissement van de rederij op grond van artikel 20,4° Hypotheekwet of enige andere rechtsgrond; 2) een voorrecht kan laten gelden op de ontvangen beëindigingspremie en op de slooppremie.
- De Rederij De Bounty is eigenaar van het vissersvaartuig Z
- De rederij is failliet verklaard. Anglo Belgian Corporation vervaardigt en onderhoudt motoren en turbines. Anglo Belgian Corporation vraagt met de aangifte van haar schuldvordering van 24 augustus 2005 de opname van haar schuldvordering in het bevoorrecht passief van het faillissement van de Rederij De Bounty voor een bedrag van euro 169.521,
- Dit bedrag is samengesteld uit: - hoofdsom factuur 52067: euro 15.146,95 (herstellingswerken aan de dieselmotor van de Z 54) - hoofdsom factuur 52888: euro 170.000,00 (revisie van dezelfde motor) onder aftrek van de betalingen van: - 27 januari 2005: euro 5.000,00 - 10 februari 2005: euro 2.500,00 - 23 maart 2005: euro 8.125,00
- De eerste rechter oordeelde in essentie dat: 1) de invordering van de eerste factuur verjaard is bij toepassing van artikel 270, 6 en 7 Zeewet; 2) de uitgevoerde werken en de factuur geen betrekking hebben op een kost tot behoud van de zaak, nu huidige appellante geen welbepaalde roerende zaken als onderpand aanduidde, zodat artikel 20, 4° Hypotheekwet niet van toepassing is; 3) de revisie van de motor door appellante niet rechtstreeks of noodzakelijk geleid heeft tot het behoud van ‘schuldvorderingen' op derden, maar enkel tot het behoud van de motor en het schip in een toestand van mogelijke exploitatie; 4) het resterende bedrag bijgevolg opgenomen dient te worden in het gewoon passief. III Grieven - Voorwerp van het hoger beroep
- Anglo Belgian Corporation formuleert niet expliciet grieven. Zij argumenteert dat de verjaring met betrekking tot de eerste factuur gestuit is. Verder werpt Anglo Belgian Corporation op dat het voorrecht van artikel 23 van de Zeewet (waarover in het eerste vonnis geen sprake is) niet moet toegepast worden, maar wel artikel 20,4° Hypotheekwet. Het voorrecht van artikel 20,4° Hypotheekwet slaat volgens appel-lante niet enkel op lichamelijke goederen, maar ook op onlichamelijke, zoals schuldvorderingen. Zonder de werken, door Anglo Belgian Corporation uitgevoerd, was het schip niet meer zeewaardig. Door de werken konden de handelsactiviteiten verder gezet worden, die in het vermogen van de gefailleerde een substantiële schuldvordering op een derde heeft opgeleverd. Op die schuldvorderingen kan Anglo Belgian Corporation het voorrecht van artikel 20,4° Hyp.W laten gelden. Zij verwijst naar de "beëindigingspremie" die de curator heeft kunnen realiseren. Deze premie kan maar bekomen worden in de mate het schip voor zijn visserijactiviteit gebruikt is gedurende ten minste 75 zeedagen in elk van de twee periodes van twaalf maanden, die vooraf gaan aan de datum van aanvraag. Anglo Belgian Corporation vordert het eerste vonnis teniet te doen en de opname van de schuldvordering ten bedrage van euro 169.521,95 in het bevoorrecht passief van het faillissement van de Rederij De Bounty te bevelen en dit voorrecht te laten gelden op de ontvangen beëindigingspremie en slooppremie.
- De curator q.q. vraagt de bevestiging van het bestreden vonnis. IV Beoordeling De vordering voor de herstelling, waarop factuur 52067 gebaseerd is, is verjaard
- Factuur 52067 dateert van 31 maart
- De factuur vermeldt dat de werken werden uitgevoerd op 25, 26 en 27 februari
- De schuldvordering werd aangegeven op 18 augustus 2005, dit is meer dan een jaar na de werken en de factuurdatum. Op grond van artikel 270, 6 en 7 van de Wet van 21 augustus 1879 op de zee- en binnenvaart verjaart de vordering één jaar na de levering van de goederen of na de oplevering en de aanvaarding van het werk. In deze zaak trad de verjaring met toepassing van deze bepaling in op 28 februari 2005, tenzij Anglo Belgian Corporation de stuiting of schorsing van de verjaring kan bewijzen. Zij beroept zich op de schorsing en wel door gedeeltelijke betaling. Dit middel faalt evenwel in feite. De gedeeltelijke betalingen die uitgevoerd werden op 27 januari 2005 en 10 februari 2005 betreffen uitdrukkelijk de factuur 52888 en niet 52067, zodat er van stuiting geen sprake is (stukken 3 en 4 van het dossier van appellante). De gedeeltelijke betaling van 23 maart 2005 (stuk 5 van hetzelfde dossier) gebeurde nadat de verjaring ingetreden was, zodat dit feit geen stuiting impliceert. Het hoger beroep is ongegrond wat dit onderdeel betreft. Het eerste vonnis wordt op dit punt bevestigd. Anglo Belgian Corporation beschikt niet over een voorrecht
- Tussen partijen is er geen betwisting dat de Z 54, eigendom van de gefailleerde en schip waaraan Anglo Belgian Corporation een be-langrijke onderhouds- en herstellingsbeurt uitvoerde, een zeeschip is in de zin van de Wet van 21 augustus 1879 op de zee- en binnenvaart.
- Artikel 11 van de Hypotheekwet luidt als volgt: "Door dit wetboek wordt niets gewijzigd aan de bepalingen van het zeerecht betreffende zeeschepen en -vaartuigen.". Artikel 19 van de Wet van 21 augustus 1879 op de zee- en binnenvaart bepaalt: "De voorrang tussen de schuldeisers van een schip vloeit voort uit voorrecht of uit hypotheek. Het voorrecht is verbonden aan de aard van de schuldvordering; het gaat altijd boven hypotheek.". Artikel 23, §1 van dezelfde wet schrijft het volgende voor: "Bevoorrechte schuldvorderingen op het zeeschip, op de vracht voor de reis tijdens welke zij ontstaan zijn, en op het toebehoren van schip en vracht na de aanvang van de reis verkregen, zijn alleen: (onderstreping van het Hof) 1° de aan de Staat verschuldigde gerechtskosten en de andere kosten in het gemeenschappelijk belang van de schuldeisers gemaakt voor het behoud van het schip of voor de verkoop en de verdeling van de opbrengst; de tonne-, vuur- of havengelden en soortgelijke openbare heffingen en belastingen, de loodslonen, de kosten van bewaking en behoud sinds het schip in de laatste haven is binnengelopen; 2° de schuldvorderingen uit de arbeidsovereenkomst van de kapitein, van de schepelingen en van de overige personen die aan boord van het schip in dienst zijn; 2°bis de bijdragen, op grond van de arbeidsovereenkomst van de kapitein, het scheepsvolk en de overige personen welke zich in dienst van het schip aan boord bevinden, verschuldigd aan de Hulp- en voorzorgskas voor zeevarenden, alsmede de bijdragen waarvan deze laatste de inning verzekert; 3° het hulp- en bergloon en de bijdrage van het schip in de gemene averij; 4° de vergoedingen wegens aanvaring of andere scheepvaartongevallen, alsmede wegens schade aan kunstwerken van havens, dokken en waterwegen, wegens lichamelijk letsel aan passagiers en schepelingen, wegens verlies of beschadiging van lading of bagage; 5° de schuldvorderingen uit overeenkomsten of handelingen die de kapitein krachtens zijn wettelijke bevoegdheden gesloten of verricht heeft buiten de thuishaven en die werkelijk noodzakelijk waren voor het behoud van het schip of de voortzetting van de reis, onverschillig of de kapitein tevens eigenaar is van het schip en of de schuldvordering aan hem dan wel aan leveranciers, herstellers, geldschieters of andere contractanten behoort.". Uit de bewoordingen van artikel 23 blijkt duidelijk dat het een limitatieve opsomming inhoudt, zodat de bijzondere voorrechten van gemeen recht niet van toepassing zijn op zee- of binnenschepen (zie ook Straatmans, G., "Artikel 11 Hypotheekwet", in X, Artikels-gewijze commentaar voorrechten en hypotheken, Mechelen, Kluwer, 1998, losbladig, met referentie naar F. Aeby en A. Deceunin-ck, Het binnenschip als rechtsobject, Antwerpen, 1979, nr. 48, p. 47; F. Aeby en A. Deceuninck, ‘Hypothèques et privilèges mariti-mes et fluviaux', in Rép. not., Deel X, boek II, Brussel, 1981, nrs. 62 en 63, p. 33; H. De Page en R. Dekkers, Traité élémentaire de droit civil belge, Deel VII, Brussel, nr. 274, p. 217; C. Engels, Maritieme voorrechten en hypotheken, Gent, 1985, 17 en 18; J. Van Houtte, ‘Les privilèges du droit commun peuvent-ils être invoqués en matiè-re maritime et fluviale?', Rev. prat. not. b. 1933, 607). De hersteller van een schip zal geen toepassing kunnen vorderen van de artike-len 27, 5º, 38 en 103 Hyp. W. (Ibidem, met referentie naar: Brussel 30 december 1931, J.P.A. 1932, 66.) of van artikel 20, 4º Hyp. W. (Kh. Brugge, 15 oktober 2003, Verheye / faillissement bvba Reve-lingen, onuitgeg. - stuk 4 van het dossier van geïntimeerde; Straatmans, G., "Artikel 11 Hypotheekwet", in X, Artikelsgewijze commentaar voorrechten en hypotheken, Mechelen, Kluwer, 1998, losbladig, met referentie naar Kh. Brugge 24 april 1952, R.W. 1951-52, 1801.) De onbetaalde verkoper van scheepsuitrusting (bv. een motor) kan niet het voorrecht van artikel 20, 5º Hyp. W. inroepen (Ibidem, met referentie naar: Gent 12 juni 1933, Rev. prat. not. b. 1933, 614; Kh. Antwerpen 8 september 1967, Rechtspr. Antw. 1968, 262.) , zelfs niet wanneer de verkochte toebehoren later door de curator van het schip worden gescheiden en afzonderlijk verkocht. (Ibidem, met referentie naar Kh. Antwerpen 14 mei 1968, R.W. 1968-69, 1856; Brussel 5 mei 1969, R.W. 1968-69, 1854 en Pas. 1969, II, 191). Algemene voorrechten van gemeen recht kunnen zich ook nog wel uitstrekken op zee- of binnenschepen. (Ibidem, met referentie naar: Kh. Antwerpen 11 mei 1965, Rechtspr. Antw. 1966, 127; contra: H. De Page en R. Dekkers, Traité élémentaire de droit civil belge, Deel VII, Brussel, nr. 274, p. 217.) Deze voorrechten te algemenen titel nemen rang na de maritieme hypotheken.
- Anglo Belgian Corporation blijkt zich, minstens in eerste aanleg, te beroepen op het bijzonder voorrecht van de hersteller van de zaak, zij het dat zij als onderpand de sloop- en beëindigingspremie aanduidt. De Zeewet en de Hypotheekwet zijn evenwel duidelijk: Anglo Belgian Corporation beschikt niet over een voorrecht op grond van de Hypotheekwet. Zij voldoet ook niet aan de voorwaarden van artikel 23 van de Zeewet om op grond daarvan over een voorrecht van onbetaalde scheepshersteller te beschikken (dit laatste betwist zij ook niet). Indien Anglo Belgian Corporation niet over een bijzonder voorrecht op het schip beschikt, kan zij ook geen aanspraak maken op de sloop- en beëindigingspremie, die het uit de vaart nemen van het schip opgebracht heeft. Indien zij niet over een bijzonder voorrecht beschikt, is het niet meer relevant of ook de schuldvorderingen van de gefailleerde deel uitmaken van het voorrecht. Anglo Belgian beschikt gewoonweg niet over een bijzonder voorrecht. Billijkheidsoverwegingen, waarnaar Anglo Belgian verwijst, kunnen niets aan het voorgaande veranderen.
- Anglo Belgian Corporation roept nog in dat zij over een voorrecht van gemeen recht beschikt op de schuldvorderingen die de gefail-leerde Rederij De Bounty heeft kunnen realiseren en invorderen omdat Anglo Belgian Corporation de motor onderhouden en her-steld heeft en het schip derhalve in de periode tussen de herstelling en het faillissement nog vis heeft kunnen vangen en verkopen. Zij is van oordeel dat dit voorrecht op het gehele actief slaat. Zonder dat zij dit met zoveel woorden zegt, moet hieruit afgeleid worden dat Anglo Belgian Corporation meent over een algemeen voorrecht te beschikken. Uit haar verdere argumentatie blijkt evenwel dat Anglo Belgian Corporation geen algemeen voorrecht heeft en er zich ook niet op beroept. Zij beroept zich in werkelijkheid via een omweg op een bijzonder voorrecht en wel dat van artikel 20, 4° Hypotheekwet, waarvan hiervoor geoordeeld werd, dat het niet van toepassing is. Door te schrijven dat het schip zonder de herstellingswerken van appellante niet meer zeewaardig was en het geen enkele economische waarde meer had, beroept Anglo Belgian Corporation zich op het voorrecht van de onbetaalde hersteller voor de kosten tot het behoud van de zaak. Welnu, op grond van artikel 23 Zeewet en ar-tikel 11 Hypotheekwet wordt dit voorrecht uitsluitend beoordeeld op grond van de Zeewet (zie hiervoor). Appellante voldoet niet aan de wettelijke voorwaarden (eveneens zie hiervoor), zodat zij niet over een voorrecht beschikt, ook niet via de omweg van de economische waarde van het schip en van de vorderingen die daardoor tot stand zouden gekomen zijn. Tenslotte en voor zover nog nodig, bevestigt het Hof het oordeel van de eerste rechter dat de revisie van de motor niet geleid heeft tot het behoud van schuldvorderingen, maar enkel tot het behoud van de motor en tot het mogelijk maken dat het schip verder geëxploiteerd werd. Dit leidt niet rechtstreeks of noodzakelijk tot het be-houd van schuldvorderingen op derden.
- Ook met betrekking tot dit onderdeel wordt het hoger beroep als ongegrond afgewezen en het bestreden vonnis bevestigd. Kosten
- Op grond van de artikelen 1042, 1017 en 1022 Ger. Wb. wordt appellante tot betaling van de kosten veroordeeld. De kosten worden niet verder bepaald, nu de curator geen recht heeft op een rechtsplegingvergoeding en verder geen kosten gemaakt heeft. OP DIE GRONDEN, het Hof, Het hoger principaal beroep is toelaatbaar, maar ongegrond. Het Hof: - bevestigt het bestreden vonnis; - veroordeelt appellante tot betaling van de kosten, niet nader bepaald. Aldus gewezen door de zevende kamer van het Hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken samengesteld uit: Pieter Vanherpe, raadsheer, waarnemend kamervoorzitter, Geneviève Vanderstichele, raadsheer, Geert De la Ruelle, raadsheer, bijgestaan door Kristoffel Goossens, griffier en uitgesproken door de kamervoorzitter in openbare terechtzitting op maandag drieëntwintig november tweeduizend en negen. Kristoffel Goossens Geert De la Ruelle Geneviève Vanderstichele Pieter Vanherpe Rep.nr. 2009/ Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.