← België

ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20091124.12

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 24 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20091124.12 Rolnummer: 2008/AR/2803 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2010-02-02 Raadplegingen: 96 - laatst gezien 2026-07-02 20:40 Fiche Krachtens de devolutieve werking van het hoger beroep is het Hof van beroep bevoegd om het geschil te beslechten, ook indien de eerste rechter ratione loci niet bevoegd was om kennis te nemen van het verzet, vermits het Hof ook de bevoegde rechter is in hoger beroep van de beslagrechter die de bestreden beslissing heeft gewezen. Het verzet gesteund op veranderde omstandigheden op grond van art. 1419,2e lid Ger.W. is niet onderworpen aan een vervaltermijn. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BESLAG EN EXECUTIE - Bewarend beslag - Bewarend beslag onder derden Vrije woorden: Beslag - Bewarend beslag onder derden - Verzet - Veranderende omstandigheden - Termijn - Bevoegde rechter. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 14b Kamer ________ Terechtzitting van 24 november 2009 ________ NA TA 30.06.2009 2008/AR/2803 in de zaak van: DRUWEL GROEP N.V., met maatschappelijke zetel te 9240 ZELE, Baaikensstraat 33, appellante, hebbende als raadsman mr. VANDELANOTTE Marijke, advocaat te 8500 KORTRIJK, Koning Albertstraat 24 bus 1 appellante van een vonnis van de Beslagrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Gent van 1 april 2008 tegen: FEDERAAL AGENTSCHAP VOOR DE VEILIGHEID VAN DE VOEDSELKETEN, openbare instelling met rechtspersoonlijkheid, met zetel te 1000 BRUSSEL, Kruidtuinlaan 55, Food Safety Center (voorheen : Simon Bolivarlaan 30) geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. DEPLA Rik, advocaat te 8310 SINT-KRUIS (BRUGGE), Karel van Manderstraat 123 Wijst het Hof volgend arrest : Het Hof heeft bij tussenarrest van 30 juni 2009 ambtshalve de heropening van het debat bevolen en partijen gevraagd standpunt te willen innemen omtrent een aantal vragen inzake de toelaatbaarheid van het verzet van appellante. De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting van 27 oktober 2009 bij monde van hun raadslieden. Zowel de neergelegde conclusies als de overgelegde stukken werden ingezien. Artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werd in acht genomen. I. Voorgaanden Voor de uiteenzetting van de feiten verwijst het Hof naar het tussenarrest van 30 juni 2009. II. Standpunten van de partijen na tussenarrest van 30 juni 2009 2.1. In het tussenarrest van 30 juni 2009 stelde dit Hof reeds vast: - dat het verzet van appellante uitsluitend strekt tot opheffing van het op 22 januari 2007 gelegde bewarende derdenbeslag, welk verzet in eerste aanleg werd voorgelegd ter beoordeling aan de beslagrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Gent; - dat appellante in haar akte van verzet op geen enkele wijze de intrekking heeft gevraagd van de machtigende beschikking van 15 december 2006 van de beslagrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde. Daarop werd in het tussenarrest door dit Hof ambtshalve de heropening van het debat bevolen, teneinde partijen toe te laten zich uit te spreken over de vraag: - of de rechtbank van eerste aanleg te Gent territoriaal bevoegd was om kennis te nemen van het derdenverzet van appellante en - in ontkennend geval- wat het gevolg is van de in hoger beroep eventueel vast te stellen territoriale onbevoegdheid van de eerste rechter, die van openbare orde is, voor de beoordeling van huidig verzet, m.a.w. of de eventuele nietigheid van het bestreden vonnis is gedekt door de uitspraak ervan; - of de machtigende beschikking van 15 december 2006 en het exploot van derdenbeslag dd.22 januari 2007 niet alleen werd betekend aan de derde-beslagene (FOD Volksgezondheid), maar op die datum of op een andere conform art.1457 Ger.W. ook werd aangezegd aan de beslagen debiteur, zijnde appellante, zodat overeenkomstig artikel 1034 en 1419 Ger.W. kan worden nagegaan of en wanneer de vervaltermijn voor het instellen van verzet, zijnde één maand na deze betekening is beginnen lopen; - indien het bewijs van aanzegging van de beschikking wordt voorgelegd, of het feit dat appellante de machtigende beschikking niet binnen de vervaltermijn van één maand heeft aangevochten voor gevolg heeft dat haar verzet niet kan worden toegelaten, nu haar derdenverzet laattijdig is; - in het andere geval, indien het bewijs van aanzegging van de beschikking niet wordt voorgelegd, of het feit dat het verzet van appellante niet strekt tot de intrekking van deze beschikking maar enkel tot de opheffing van het beslag, niet voor gevolg heeft dat haar verzet niet kan worden toegelaten. 2.2. In haar conclusie na tussenarrest, neergelegd ter griffie op 31 augustus 2009, werpt appellante op dat de procedure, gestart voor de beslagrechter te Gent als bedoeling had de intrekking te horen bevelen van de machtigende beschikking van de beslagrechter te Dendermonde en de opheffing te horen bevelen van het gelegde bewarend derdenbeslag, dit gelet op de gewijzigde omstandigheden, meer bepaald de uitgevoerde betalingen. Onder verwijzing naar artikel 1419, 2e lid van het Gerechtelijk Wetboek stelt appellante dat dit verzet niet verbonden is aan de termijn van één maand die geldt voor de verzetsprocedure op grond van artikel 1419, 1e lid Ger.W. Appellante voert aan dat het voor alle partijen duidelijk was dat de gedeeltelijke opheffing werd nagestreefd van het beslag, gezien de sedert de beslaglegging uitgevoerde betaling. Voor zover als nodig stelt appellante in het overwegende gedeelte van haar thans voor dit Hof na tussenarrest neergelegde conclusie een geherformuleerde eis in, gebaseerd op feiten vermeld in de inleidende dagvaarding, waarbij zij vraagt te zeggen voor recht: - dat de machtigende beschikking dd.15 december 2006 wordt opgeheven, minstens gewijzigd in die zin dat de machtiging tot het gelegde bewarend derdenbeslag wordt beperkt tot een bedrag van 235.691,38 EUR, bedrag waarvan geïntimeerde erkend zou hebben dat enkel nog deze hoofdsom verschuldigd was; - het beslag dient opgeheven in de mate de inbeslagname strekt tot het bewaren van een vordering die meer bedraagt dan het bedrag van 235.691,38 EUR. In het beschikkende gedeelte van haar conclusie na tussenarrest vraagt appellante enkel de wijziging van de beschikking in die zin dat de machtiging aan geïntimeerde maar wordt verleend tot beloop van 235.691,38 EUR in hoofdsom en het bewarend beslag, op 22.01.2007 gelegd tot dit bedrag te horen beperken. Appellante legt aan dit Hof als aanvullende stukken voor: - een tussenvonnis dd. 9 juli 2009 van de rechtbank van Koophandel te Dendermonde, 2e kamer; - het exploot van bewarend beslag dd.22.01.2007 met de machtigende beschikking; - de aanzegging van het bewarend derdenbeslag, geregistreerd op 29.01.2007. Geïntimeerde vraagt in haar aanvullende besluiten na tussenarrest, neergelegd ter griffie op 25.09.2009 : "Hoofdorde : De vordering van appellante onontvankelijk te verklaren gelet op de schending van de territoriale bevoegdheid welke een bepaling van openbare orde betreft. Minstens, de vordering van appellante ontoelaatbaar te verklaren gelet op de laattijdigheid van het door appellante ingestelde derdenverzet. Minstens, de vordering van appellante ontoelaatbaar te verklaren gezien het bij dagvaarding ingestelde derdenverzet niet tot intrekking van de beschikking dd. 15.12.2006 strekt doch zich louter beperkt tot de opheffing van het beslag. Ondergeschikt : In ondergeschikte orde, de thans gewijzigde vordering van appellante tot beperking van het beslag ontoelaatbaar te verklaren, minstens ongegrond te verklaren en het vonnis van de eerste rechter te bevestigen. Dienvolgens het bewarend beslag onder derden gelegd op 22.01.2007 in handen van de Belgische Staat, FOD Volksgezondheid met kabinet te 1210 Sint-Joost-Ten-Node, Kunstlaan 7, te laten bestaan. Ten zeerste ondergeschikt en dit voor zover het Hof per impossibile zou oordelen dat een beperking van het bewarend beslag zich opdringt, te zeggen voor recht dat het bewarend beslag minstens dient gehandhaafd te worden voor het op heden openstaand saldo van de hoofdsom, vermeerderd met de gerechtskosten en vermeerderd met de op heden verschuldigde intresten. Appellante te horen veroordelen tot alle kosten van het geding, met inbegrip van de RPV 1e Aanleg (1.200,00 euro ) en RPV Beroepsprocedure (1.200,00 euro ). Onder voorbehoud van alle rechten en zonder enige nadelige erkentenis." III. Beoordeling 3.1. Het Hof dient zich uit te spreken over de toelaatbaarheid en gegrondheid van het verzet dat appellante op 25 oktober 2007 heeft aangetekend tegen het bewarend beslag onder derden, dat geïntimeerde op 22 januari 2007 lastens appellante had laten leggen in handen van de Belgische Staat, FOD Volksgezondheid. Daarbij dient het Hof rekening te houden met het door appellante voorgelegde vonnis dd.9 juli 2009 van de rechtbank van koophandel te Dendermonde, bij dewelke geïntimeerde bij dagvaarding dd.20 juni 2006 haar vordering ten gronde lastens appellante in betaling van een bedrag van 634.442,52 EUR in hoofdsom, meer intresten en kosten, had ingeleid. Geïntimeerde verzet zich niet tegen de neerlegging van dit bijkomend stuk. In dit vonnis, dat gezag van gewijsde heeft, werd vastgesteld: - dat appellante inmiddels ingevolge verrichte aanbetalingen op 21 augustus 2009, 13 september 2007 en 19 september 2007, reeds een totaal bedrag van 648.550,41 EUR heeft vereffend; - dat partijen blijven discussiëren over de concrete afrekening, in die zin dat appellante meent dat zij alles heeft betaald, terwijl geïntimeerde verwijst naar het principe van de toerekening (art.1254 B.W.); - dat appellante ook de gegrondheid betwist van een "factuur" van geïntimeerde dd.01.01.2005 ten belope van 21.596,55 EUR. De rechtbank van koophandel heeft in dit vonnis besloten dat geïntimeerde op heden niet afdoende bewijst dat deze "factuur" als verschuldigd voorkomt, dat het bewuste stuk aan het debat moet worden toegevoegd en dat geïntimeerde voorts duidelijk moet toelichten op welke precieze grond zij aanspraak maakt op het bewuste bedrag van 21.596,65 EUR. Tevens oordeelde de rechtbank van koophandel te Dendermonde dat zich alleszins een gedetailleerde afrekening opdringt, voor zover deze al mogelijk zou zijn nu nog geen uitsluitsel bestaat omtrent de precieze schuld in hoofdsom van de verweerster. De zaak werd op deze gronden naar de rol verzonden voor verdere instaatstelling.

  1. a)Wat betreft de territoriale bevoegdheid van de beslagrechter te Gent om kennis te nemen van het verzet van appellante 3.2. Aangezien appellante voor de beslagrechter te Gent uitsluitend de opheffing heeft gevraagd van het bewarend derdenbeslag dat op 22 januari 2007 is gelegd, zonder op enige wijze melding te maken, laat staan de intrekking te vragen van de machtigende beschikking van 15 december 2006 van de beslagrechter te Dendermonde, op grond waarvan dit beslag was gelegd, was de beslagrechter te Gent territoriaal bevoegd om kennis te nemen van het verzet van appellante. De bestreden beschikking heeft het verzet tegen het bewarend derdenbeslag ongegrond verklaard, zodat het beslag dat op 25 oktober 2007 was gelegd, gehandhaafd werd. Aan de machtigende beschikking van 15 december 2006, die niet het voorwerp uitmaakte van het verzet van appellante, werd door de deze uitspraak niet geraakt. Ten overvloede merkt het Hof op dat zelfs indien zou worden aangenomen dat de eerste rechter territoriaal niet bevoegd was om kennis te nemen van het derdenverzet van appellante omdat het derdenverzet niet aanhangig werd gemaakt bij de rechter die de bestreden beslissing heeft gewezen (art.1125 Ger.W.), toch is het Hof krachtens de devolutieve werking van het hoger beroep bevoegd om het geschil te beslechten, zelfs indien de eerste rechter ratione loci niet bevoegd was om kennis te nemen van het verzet, vermits het Hof ook de bevoegde rechter is in hoger beroep van de beslagrechter, die de bestreden beslissing heeft gewezen.
  2. b)Wat betreft de aanzegging van het bewarend derdenbeslag aan appellante 3.3. Geïntimeerde legt na tussenarrest kopie voor van het exploot van aanzegging van het op 22 januari 2007 gelegde derden-beslag, dat aan appellante werd betekend op 26 januari 2007. Doordat op die datum het exploot van derdenbeslag aan appellante is aangezegd, staat vast dat appellante vanaf die datum kennis heeft gekregen van de machtigende beschikking van 15 december 2006 en het exploot van derdenbeslag dd.22 januari 2007.
  3. c)Wat betreft de tijdigheid van het verzet 3.4. Nu uit de voorgelegde stukken blijkt dat appellante op 26 januari 2007 kennis heeft gekregen van de machtigende beschikking rijst de vraag of haar verzet tegen het bewarend derdenbeslag al dan niet tijdig is ingesteld. Overeenkomstig artikel 1419, 1e lid van het Gerechtelijk Wetboek staat tegen de beschikking, waarbij toelating tot bewarend beslag wordt verleend, voorziening open, zoals bepaald in de artikelen 1031 tot 1034 van dit Wetboek. Het verzet moet geschieden binnen één maand nadat de beslissing aan de eiser in verzet is betekend. Het gaat om een termijn op straffe van verval. Na verloop van die vervaltermijn kan de beslagene de beschikking enkel nog aanvechten op grond van artikel 1419, 2e lid Ger.W. Overeenkomstig deze bepaling kan de beslagene in geval van veranderde omstandigheden de wijziging of de intrekking van de beschikking vragen door dagvaarding hiertoe van alle partijen voor de beslagrechter. Voor het verzet op grond van artikel 1419, 2e lid Ger.W. voorziet de wet geen vervaltermijn van één maand na de betekening van de beschikking. Het gaat om een soort derdenverzet buiten de termijn: niet de gegeven toelating staat ter discussie, enkel de veranderde omstandigheden die een ‘herziening' van de beschikking moeten wettigen. Redelijkerwijze moet onder "veranderde omstandigheden" worden verstaan: omstandigheden die zich hebben voorgedaan na het verstrijken van de normale verzetstermijn of waarvan de beslagene eerst nadien kennis krijgt. Uiteraard moeten, wanneer de beslagene een beroep doet op gewijzigde omstandigheden, deze wijzigingen zich hebben voorgedaan na de beschikking. Zo kan de beslagene opheffing vragen van het beslag wanneer hij na dit beslag van de bodemrechter uitstel van betaling verkrijgt. Ook de afwijzing van de eis ten gronde maakt een omstandigheid uit die de intrekking van de vroegere beschikking en de opheffing van het beslag verantwoordt. 3.5. Op grond van voorgaande principes is het Hof van oordeel dat appellante haar verzet tijdig heeft ingesteld, aangezien het verzet is gesteund op gewijzigde omstandigheden en bijgevolg overeenkomstig artikel 1419, 2e lid Ger.W. buiten de termijn van één maand kon worden ingesteld. De machtigende beschikking van 15 december 2006 werd betekend aan appellante op 26 januari 2007. Appellante stelde verzet in op 25 oktober 2007, d.i. 10 maanden na de betekening van de beschikking. Uit de motivering van de verzetsakte blijkt duidelijk dat appellante verzet heeft ingesteld op grond van veranderde omstandigheden, meer bepaald de verschillende betalingen die zij aan geïntimeerde heeft verricht nadat het beslag werd gelegd, en die inmiddels werden vastgesteld in het vonnis ten gronde dd.9 juli 2009 van de rechtbank van koophandel te Dendermonde. Het verzet is tijdig ingesteld.
  4. d)Wat betreft de toelaatbaarheid van het verzet 3.6. Het enige punt dat nog ter discussie staat, is of het verzet van appellante kan worden toegelaten, nu zij zich in haar dagvaarding dd.25 oktober 2007 ertoe beperkt de opheffing te vragen van het bewarend derdenbeslag dat op 22 januari 2007 werd gelegd, doch niet de intrekking vraagt van de beschikking dd.15 december 2006, houdende machtiging tot het bewarend beslag. Het derdenverzet tegen een bewarend derdenbeslag krachtens een machtigende beschikking dient uitdrukkelijk te strekken tot de intrekking van de beschikking en niet enkel tot de opheffing van het beslag. Het derdenverzet hoeft niet in sacrale bewoordingen te worden gesteld. Waar het op aankomt is dat voldoende blijkt dat de beschikking wordt aangevochten. Appellante heeft in haar na tussenarrest op 31.08.2009 neergelegde conclusie voor dit Hof een geherformuleerde eis ingesteld, gebaseerd op feiten vermeld in de inleidende dagvaarding, waarbij zij vraagt te zeggen voor recht: - dat de machtigende beschikking dd.15 december 2006 wordt opgeheven, minstens gewijzigd in die zin dat de machtiging tot het gelegde bewarend derdenbeslag wordt beperkt tot een bedrag van 235.691,38 EUR, bedrag waarvan geïntimeerde erkend zou hebben dat enkel nog deze hoofdsom verschuldigd was; - het beslag dient opgeheven in de mate de inbeslagname strekt tot het bewaren van een vordering die meer bedraagt dan het bedrag van 235.691,38 EUR. Het Hof is van oordeel dat appellante op grond van de feiten vermeld in de dagvaarding, waaruit blijkt dat zij de opheffing nastreeft van het beslag wegens gewijzigde omstandigheden, nog steeds de intrekking mag vragen van de machtigende beschikking van 15 december 2006, vermits het verzet van appellante is gesteund op artikel 1419, 2e lid Ger.W., welk verzet niet onderworpen is aan de vervaltermijn van artikel 1034 Ger.W. Appelante kan m.a.w. haar vergetelheid nog steeds rechtzetten door een uitbreiding van haar oorspronkelijke eis overeenkomstig artikel 807 juncto 1042 Ger.W. in conclusie voor dit Hof, vermits haar verzet overeenkomstig artikel 1419, 2e lid Ger.W. niet onderworpen was aan de vervaltermijn van artikel 1034 Ger.W. Aangezien de beslagrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde behoort tot het rechtsgebied van dit Hof, kan het Hof zich uitspreken over het verzoek tot intrekking van de beschikking van deze beslagrechter. Ook al werd de intrekking van de machtigende beschikking niet gevraagd, dan kan dit nog worden worden rechtgezet door een uitbreiding van de oorspronkelijke eis in conclusie, zelfs voor het eerst in hoger beroep, aangezien de vordering is gesteund op feiten die in de inleidende akte werden vermeld. Het verzet is toelaatbaar.
  5. e)wat betreft de gegrondheid van het verzet 3.7. Op grond van het gezag van gewijsde van het vonnis van de rechtbank van koophandel van 9 juli 2009 dient te worden aangenomen dat geïntimeerde hic et nunc niet beschikt over een zekere, vaststaande en opeisbare schuldvordering lastens appellante. Voor zover het verzet van appellante, zoals geformuleerd in het overwegend gedeelte van haar laatste conclusie na heropening van het debat, in hoofdorde strekt tot opheffing van de machtigende beschikking dd.15 december 2006, is het Hof van oordeel dat het verzet toelaatbaar en gegrond is en dat de machtigende beschikking moet worden ingetrokken en het gelegde bewarend beslag moet worden opgeheven, bij gebreke aan een zekere, vaststaande en opeisbare schuldvordering in hoofde van geïntimeerde. Het is de taak van het Hof om na derdenverzet van appellante de rechtmatigheid van het bewarend beslag te onderzoeken en na te gaan of de voorwaarden voor het leggen van een bewarend derdenbeslag, te weten het bestaan van een zekere, vaststaande en opeisbare schuldvordering en de aanwezigheid van urgentie, op het tijdstip van het instellen van het verzet en rekening houdend met de sedert het beslag gewijzigde omstandigheden nog steeds cumulatief vervuld zijn en de handhaving van het beslag verantwoorden. Op grond van de overwegingen van het vonnis van de rechtbank van koophandel dd.9 juli 2009 in verband met het niet bewezen zijn hic et nunc van een zekere vaststaande en opeisbare vordering, is het Hof van oordeel dat de intrekking van de vroegere beschikking en de opheffing van het beslag zich opdringt. Ondanks het feit dat appellante het voorwerp van haar verzet in het overwegend en beschikkend gedeelte van haar laatste beroepsconclusie niet identiek formuleert, waar zij enerzijds in hoofdorde de intrekking vraagt van de beschikking en de opheffing van het beslag en anderzijds de wijziging van de beschikking en de beperking van het beslag tot 235.691,38 EUR, meent het Hof dat gelet op het inmiddels tussengekomen tussenvonnis ten gronde de handhaving van het bewarend beslag niet langer verantwoord is. Daarin werd vastgesteld dat geïntimeerde op heden niet afdoende bewijst dat de factuur dd.01.01.2005 verschuldigd is, dat stukken ontbreken tot staving van de vordering, dat een gedetailleerde afrekening zich opdringt, dat een gedetailleerde intrestafrekening ontbreekt, en dat op heden nog geen uitsluitsel bestaat omtrent de precieze schuld in hoofdsom. Het verzet van appellante is gegrond. De intrekking van de beschikking en de opheffing van het beslag dringen zich op. OM DEZE REDENEN HET HOF Verklaart het hoger beroep van appellante toelaatbaar en gegrond; Doet de bestreden beschikking teniet en opnieuw recht doende; Beveelt de intrekking van de beschikking dd.15 december 2006, waarbij aan geïntimeerde machtiging werd verleend tot het leggen van bewarend beslag; Beveelt de opheffing van het bewarend derdenbeslag dat op grond van voornoemde beschikking op 22 januari 2007 werd gelegd; Veroordeelt geïntimeerde om binnen de 24 uur na de betekening van onderhavig arrest vrijwillig opheffing te verlenen van het beslag; Zegt voor recht dat bij gebreke aan vrijwillige opheffing binnen de gestelde termijn het arrest als opheffing zal gelden en dat na betekening ervan aan de derde beslagene, deze met het beslag geen rekening meer mag houden; Veroordeelt geïntimeerde tot de kosten van het geding in beide aanleggen, aan haar zijde niet nader te begroten, aan de zijde van appellante begroot op: - in eerste aanleg: - dagvaarding: 347,30 EUR - rechtsplegingsvergoeding: 1.200,00 EUR - in hoger beroep: - rolrecht: 186,00 EUR - rechtsplegingsvergoeding: 1.200,00 EUR Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, VEERTIENDE bis KAMER, zitting houdende in burgerlijke zaken, van 24 november 2009 Aanwezig: Karen Broeckx, Raadsheer wn. Voorzitter Carine Sonneville, griffier C. Sonneville K. Broeckx Rep. 2009/ Gerelateerde publicatie(
  6. s)Link JUSTEL: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20090630.14 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.