← België

ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20091125.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 25 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20091125.7 Rolnummer: 2007/AR/0339 Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2010-02-02 Raadplegingen: 125 - laatst gezien 2026-07-02 20:41 Fiche De wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet is niet van toepassing op hypothecaire leningen en kredietopeningen, onderworpen aan Titel I van het K.B. nr. 225 van 7 januari 1936 tot reglementering van de hypothecaire leningen. De omstandigheid dat sommige bepalingen van de wet van 4 augustus 1992 onmiddellijk toepasselijk zijn op overeenkomsten, onderworpen aan het K.B. nr. 225, impliceert niet dat afbreuk wordt gedaan aan de regel van de niet-retroactiviteit van de wet (artikel 2 B.W.). De wet op het hypothecair krediet, die pas op 1 januari 1993 in werking trad, kan niet geschonden zijn doordat een bank (vorm)vereisten niet zou hebben nageleefd in briefwisseling die dateert van oktober en december

  1. De WHPC bepaalt niet dat de regels in verband met onrechtmatige bedingen van toepassing zijn op de lopende overeenkomsten. De appellanten zouden zich bijgevolg slechts op de door hen ingeroepen bepalingen uit deze wet kunnen beroepen, indien en voor zover zij van openbare orde zijn. De meeste regels inzake onrechtmatige bedingen zijn niet van openbare orde. Aldus hebben de bepalingen van de artikelen 32.2 en 32.15 WHPC, waarop de appellanten zich beroepen, weliswaar een dwingend karakter, doch raken zij niet de openbare orde. Dit is anders voor het artikel 32.21 WHPC. Bovenmatige strafbedingen worden geacht de fundamenten van de maatschappelijke ordening aan te gaan en strijdig te zijn met de openbare orde. De wederbeleggingsvergoeding is een schadeloosstelling voor het renteverlies dat de bank lijdt door de vervroegde terugbetaling van het krediet. Een beding tot wederbeleggingsvergoeding kan in beginsel niet worden gekwalificeerd als een schadebeding, aangezien een schadebeding uitwerking verkrijgt bij wanprestatie van de schuldenaar, terwijl een wederbeleggingsvergoeding gebaseerd is op de eenzijdige wilsuiting van de schuldenaar en de tegenprestatie vormt van een recht op vervroegde vrijwillige terugbetaling. Een uitzondering op deze regel is de casus van de gedwongen vervroegde terugbetaling - zoals te dezen - waarbij de wederbeleggingsvergoeding wel een schadebeding uitmaakt. Krachtens artikel 1154 B.W. is kapitalisatie van intresten verboden, tenzij wanneer ze vervallen zijn en voor één jaar verschuldigd. Bovendien moet de kapitalisatie bedongen zijn in een bijzondere overeenkomst of in een specifiek op de kapitalisatie gerichte gerechtelijke aanmaning. Deze bijzondere overeenkomst of aanmaning moet vernieuwd worden en betrekking hebben op nieuw vervallen intresten, die ten minste over een jaar verschuldigd zijn. Artikel 1154 B.W. geldt niet voor de rekening-courant, zolang ze niet is afgesloten, en op voorwaarde dat de staten van de tussentijdse afsluitingen met vermelding van de vervallen en overgedragen intresten meegedeeld worden. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - CONSUMENTENRECHT - NATIONAAL RECHT - Consumentenkrediet - Algemeen Vrije woorden: - Consumentenkrediet - Toepassingsgebied - Wet Hypothecair Krediet - Toepassing in de tijd - WHPC - Toepassing in de tijd - Onrechtmatige bedingen : Openbare orde - Wederzeggingsvergoeding : Schadebeding - Kapitalisatie intresten : Toepassingsvoorwaarden - Rekening-courant. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 12 Kamer ________ Terechtzitting van 25 november 2009 TUSSENARREST Heropening der debattendd. 28.4.2010 om 15.40 h. - In de zaak met het rolnummer 2007/AR/339 van:
  2. D. C. P., en zijn echtgenote
  3. M. Y., beiden wonende te , appellanten tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op tegenspraak gewezen door de dertiende kamer dd. 6-12-2006, oorspronkelijk verweerders, hebbende als raadsman mr. BUBLOT Jean, advocaat te 1300 Waver, Chaussée de Louvain 43 tegen : nv EUROPABANK, met zetel te 9000 Gent, Burgstraat 170, geïntimeerde, oorspronkelijk eiseres, hebbende als raadsman mr. VAN DEN DAELEN Michel, advocaat te 9000 Gent, Wiedauwkaai 23 H velt het hof het volgend arrest. De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting in hun middelen en conclusies en de door hen neergelegde stukken werden ingezien. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit hof op 2 februari 2007, hebben P. D. C. (hierna "D.C." genoemd) en Y. M. (hierna "M." genoemd) (samen ook "de appellanten" genoemd) hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat op 6 december 2006 tussen partijen gewezen werd door de dertiende kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent. Antecedenten I.
  4. Bij akte kredietopening, op 9 januari 1992 verleden voor notaris De Myttenaere te Grimbergen, stond de nv Europabank (hierna "Europabank" of "de geïntimeerde" genoemd) een krediet van 4.150.000 BEF toe aan D.C. en zijn echtgenote M.. Dit krediet was bruikbaar "tot nader bericht", op alle wijzen die gebruikelijk zijn bij bankinstellingen. Het krediet was onderworpen aan de clausules en algemene voorwaarden van Europabank, zoals vastgesteld in het kohier dat aan de akte was gehecht. Het werd verwezenlijkt in een rekening-courant, die werd geopend "onder het opschrift van de heer en mevrouw D.C.-M.." De intrest, die driemaandelijks betaalbaar was, zelfs na afsluiten van de rekening-courant, werd vastgesteld op 1,50 % boven de basisdebetrente voor kas- en gelijkgestelde kredieten, die op dat ogenblik 12,75% bedroeg, met een minimum van 9,75% per jaar. Tot waarborg van alle sommen die ten gevolge van de kredietopening aan Europabank zouden verschuldigd zijn, verleenden de appellanten een hypotheek in eerste rang op een woonhuis en een perceel grond te en een hypotheek in tweede rang op een woonhuis te . Deze hypotheken werden ingeschreven tot zekerheid van de hoofdsom van 4.150.000 BEF en 415.000 BEF voor bijkomstigheden, onverminderd drie jaar intresten gewaarborgd door de wet.
  5. Bij kredietbrief van 9 januari 1992 stelde Europabank de kredietopening tot beloop van 2.900.000 BEF bruikbaar door een lening met contractnummer 671-9018324-14/601 en tot beloop van 1.250.000 BEF door voorschotten op vaste termijn met eindvervaldag 15 juni 1992, "eenmaal verlengbaar voor een zelfde periode" (meer bepaald tot 15 december 1992) in rekening nummer 671-9018326-
  6. De intresten en commissies, verschuldigd ingevolge dit voorschotten-krediet, werden geboekt op een rekening-courant nummer 671-9018329-
  7. Dezelfde dag stond Europabank een "annuïteitslening" van 2.900.000 BEF toe aan de appellanten. Deze lening was terugbetaalbaar door middel van 20 annuïteiten van 394.344 BEF, in maandelijkse schijven van 32.862 BEF vanaf 5 februari 1992 tot 5 januari
  8. Tot zekerheid van de uitvoering van hun verbintenissen uit deze lening ondertekenden zowel D.C. als M., eveneens op 9 januari 1992, een akte van loonsoverdracht.
  9. Bij afzonderlijke aangetekende brieven van 6 oktober 1992, gericht aan D.C. en M., stelde Europabank hen in gebreke om de achterstallige maandsom van de annuïteitslening te betalen binnen 15 dagen, bij gebreke waarvan de lening van rechtswege opeisbaar zou worden gesteld. In aangetekende brieven van 10 december 1992 stelde Europabank, onder verwijzing naar de rekening nr. 671-9018329-19, dat het krediet in overschrijding stond. Zij verklaarde daaraan een einde te stellen en verzocht om onmiddellijke terugbetaling van het verschuldigd blijvend saldo van 53.937 BEF, vermeerderd met een contractuele schadevergoeding van 10.787 BEF en 2.593 BEF als provisie voor vervallen intresten. In aangetekende brieven van 31 december 1992 verklaarde Europabank dan een einde te stellen aan het krediet van 1.250.000 BEF en dit bedrag, vermeerderd met een contractuele schadevergoeding van 250.000 BEF en een provisie van 54.943 BEF, opeisbaar te stellen.
  10. Op 19 mei 2004 richtte Europabank opnieuw twee afzonderlijke aangetekende brieven aan D.C. en M., waarbij zij hen in gebreke stelde om binnen 15 dagen 147.653,08 EUR te betalen. Deze som was samengesteld uit het saldo van de annuïteitslening (65.733,63 EUR), het bedrag van het voorschotkrediet (30.986,69 EUR) en de debetstand van de kredietrekening nr. 671-9018329-19 (50.932,76 EUR). II.
  11. Bij dagvaarding van 11 januari 2005 vorderde Europabank de solidaire veroordeling van de appellanten tot betaling van 73.346,92 EUR op grond van de annuïteitslening, meer verwijlintresten aan 12,25% per jaar vanaf 1 januari 2005 tot de dag der algehele betaling, 38.320,63 EUR op grond van het krediet inzake voorschotten op korte termijn (hierna ook "het voorschottenkrediet" genoemd) en 23.705,63 EUR op grond van de kredietrekening, meer de intresten aan 12,75% per jaar en een commissie van "1,8% per maand" vanaf 1 januari 2005 tot de datum der algehele betaling. Zij vorderde bovendien dat de appellanten veroordeeld werden tot de gedingkosten en dat het vonnis uitvoerbaar verklaard werd bij voorraad.
  12. De appellanten besloten tot de onontvankelijkheid, minstens ongegrondheid van de vordering en vroegen de veroordeling van Europabank tot de gedingkosten. Zij argumenteerden dat Europabank geen belang had bij het instellen van de vordering omdat de notariële akte kredietopening van 9 maart 1992 op zich een uitvoerbare titel vormde. Ten gronde achtten zij het beding in de algemene voorwaarden van Europabank, op grond waarvan zij de annuïteitslening opeisbaar stelde nadat zij in gebreke waren gebleven om één vervaltermijn te betalen, strijdig met de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet. In latere conclusies stelden de appellanten dat Europabank niet bewees dat zij artikel 45 van de wet van 4 augustus 1992 op het hypothecair krediet had nageleefd. Meer bepaald lieten de hoger aangehaalde brieven van 6 oktober 1992 volgens hen niet toe te controleren of de ingebrekestelling was verstuurd binnen drie maanden nadat een schijf onbetaald was gebleven. Bovendien toonde Europabank volgens de appellanten niet aan dat de verschillende brieven aangetekend werden verzonden. Verder argumenteerden zij dat Europabank in de brieven, waarin het voorschottenkrediet was opgezegd, niet vermeldde op welk artikel van de algemene voorwaarden zij zich beriep. Zij besloten dat geen rekening kon worden gehouden met de gevolgen van de opzegging van de kredieten en van de rekening, noch met het door de bank berekende schadebeding. De appellanten riepen tevens in dat sommige bedingen van de voorwaarden van Europabank in strijd waren met de artikelen 32.2, 32.15 en 32.21 van de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en de bescherming van de consument (WHPC). Verder achtten zij het schadebeding van 10%, gekoppeld aan rentevoeten van 12,25% en 12,75% per jaar en te vermeerderen met een commissie van 1,8% per maand, overdreven. De appellanten stelden dat de berekening door Europabank in haar ingebrekestelling van 19 mei 2004 het hen niet mogelijk maakte de juistheid van de schuldvordering te controleren en dat de afrekening die in de loop van het geding werd voorgelegd, onvoldoende duidelijkheid verschafte. Zij hielden voor dat aan de Bank, ingevolge de loonsoverdracht en de verkoop van de woning in , reeds 177.192,93 EUR was terugbetaald of meer dan het bedrag van het krediet. Zij achtten het overzicht van de ontvangen betalingen, dat Europabank overlegde, onvolledig en stelden vast dat niet alle bedragen, ontvangen ingevolge de loonsoverdracht, in aanmerking werden genomen. Ten slotte verweten de appellanten Europabank een deloyale houding door enerzijds hoge intresten aan te rekenen en zich anderzijds te hebben verzet tegen de indertijd voorgestelde oplossing die zou leiden tot de onmiddellijke terugbetaling van hun schuld.
  13. Europabank, die volhardde in haar vordering, besloot tot de afwijzing van de exceptie van onontvankelijkheid. Verder betoogde zij dat de wet op het consumentenkrediet niet toepasselijk was op het krediet aan de appellanten, omdat het gewaarborgd was door een hypotheek. De appellanten konden zich volgens haar met betrekking tot de ingebrekestellingen van oktober 1992 en december 1992 evenmin beroepen op het artikel 45 van de wet op het hypothecair krediet, dat pas gold vanaf de inwerkingtreding van deze wet op 1 januari 1993, noch op de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken, die pas in werking trad op 29 februari 1992, terwijl de kredietopening dateerde van 9 januari
  14. Europabank stelde dat haar afrekening correct en voldoende gedetailleerd was. Zij gaf een detail van de betalingen geboekt op de lening en verwees naar een historiek der verrichtingen in verband met de voorschotten op termijn. Zij besloot dat in haar afrekening alle gedane betalingen waren opgenomen en stelde dat de appellanten de bewijslast hadden van hun bewering dat zij meer betaald hadden, dan vermeld was in de afrekening. Ten slotte achtte Europabank het schadebeding en de conventionele rente niet kennelijk overmatig en was dit volgens haar evenmin het geval voor de combinatie van beide.
  15. De eerste rechter verklaarde de vordering van Europabank ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Hij veroordeelde de appellanten solidair tot betaling aan Europabank, op grond van de annuïteitslening, van 72.908,92 EUR, te vermeerderen met de conventionele verwijlintrest, herleid tot de wettelijke rente van 7% per jaar vanaf 11 januari 1995 - vanaf de dagvaarding als gerechtelijke moratoire rente - tot op de dag der algehele betaling. Hij zegde voor recht dat de som van 78.438,49 EUR overeenkomstig artikel 1254 B.W. als gedeeltelijke betaling op de afrekening diende in mindering gebracht te worden. Bovendien veroordeelde hij de appellanten solidair tot betaling aan Europabank, op grond van het krediet inzake voorschotten op vaste termijn, van de som van 34.085,35 EUR, te vermeerderen met de conventionele verwijlintrest herleid tot de wettelijke rente van 7% per jaar vanaf 11 januari 1995 - vanaf de dagvaarding als gerechtelijke moratoire rente - tot op de dag der algehele betaling. Het overige wees de eerste rechter af als ongegrond. Hij veroordeelde de appellanten tot de gedingkosten en verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad, zonder het vermogen tot kantonnement uit te sluiten. De eerste rechter overwoog dat de notariële akte kredietopening niets vermeldde nopens de wijze waarop het krediet periodiek moest worden terugbetaald en hoe die periodieke betalingen waren samengesteld, zodat zij niet alle elementen bevatte om de vordering van Europabank na opeisbaarstelling precies te bepalen en zij bijgevolg geen uitvoerbare titel vormde. Hij stelde dat de wet op het consumentenkrediet niet van toepassing was op de kredietopening, die gewaarborgd was door een hypotheek op een in België gelegen onroerend goed. Hij oordeelde dat de vordering op grond van de annuïteitslening, gelet op de in de dagvaarding uiteengezette feiten en op de neergelegde stukken, rechtmatig en gegrond voorkwam en "bij ontstentenis van welkdanig verweer" kon worden ingewilligd, met dien verstande dat: - op 6 november 1992 het kapitaalsaldo 71.323,06 EUR bedroeg, meer 1.585,86 EUR aan intresten op de achterstallige maandsommen tot die datum, of samen 72.908,92 EUR; - de gevorderde wederbeleggingsvergoeding van 4.442,67 EUR niet kon worden toegekend nu de kredietnemer niet het initiatief nam tot een vervroegde terugbetaling; - de gevorderde moratoire intrest aan een conventionele intrestvoet van 12,25% per jaar kennelijk de ten gevolge van de vertraging geleden schade te boven ging en derhalve overeenkomstig artikel 1153, laatste lid B.W. verminderd werd tot de wettelijke intrest (op dat ogenblik 7% per jaar), die als voldoende vergoedend diende te worden aangemerkt; - de vervallen intresten vanaf 6 november 1992 aan 12,75% per jaar niet konden worden toegekend; er kon slechts rente worden toegekend voor een periode van vijf jaar voorafgaand aan de dagvaarding, hetzij vanaf 11 januari 1995; - de gerechtskosten, begroot op 3.513,26 EUR, niet gestaafd werden met bijkomende stukken en niet konden worden toegekend; - de betalingen voor een bedrag van 78.438,49 EUR, ontvangen sedert 6 november 1992, overeenkomstig artikel 1254 B.W. op de afrekening in mindering moesten worden gebracht. De eerste rechter overwoog voorts dat de hoofdsom van 30.986,69 EUR van het voorschottenkrediet gestaafd werd en kon worden toegekend. De gevorderde schadevergoeding, gelijk aan 20% van de nog verschuldigde hoofdsom, ging volgens hem kennelijk het bedrag te boven dat de partijen konden vaststellen om de schade wegens de niet-uitvoering van de overeenkomst te vergoeden en diende overeenkomstig artikel 1231 § 1 van het burgerlijk wetboek verminderd te worden tot 10% of 3.098,66 EUR, zodat de appellanten 30.986,69 EUR + 3.098,66 EUR of 34.085,35 EUR verschuldigd waren. De gevorderde moratoire intrest aan de conventionele rentevoet van 12,75% per jaar, meer een commissie van 1,8% per maand, ging volgens de eerste rechter kennelijk de ten gevolge van de vertraging geleden schade te boven en diende overeenkomstig artikel 1153, laatste lid van het B.W. verminderd te worden tot de wettelijke intrest (op dat ogenblik 7% per jaar), die hij als voldoende vergoedend beschouwde. Ook hier werd de rente beperkt tot een periode van vijf jaar vóór de dagvaarding, zijnde 11 januari
  16. De vordering van 24.812,81 EUR op grond van de kredietrekening 671-9018239-19 wees de eerste rechter integraal af, omdat zij volgens hem uitsluitend te hoge intresten betrof die op de onderscheiden onderdelen in sterke mate werden herleid wat rentevoet en duur betrof. III.
  17. Het hoger beroep van de appellanten strekt ertoe dat het hof het bestreden vonnis teniet doet en, opnieuw wijzende, de oorspronkelijke vordering ontvankelijk, doch ongegrond verklaart. Zij vorderen dat Europabank veroordeeld wordt tot betaling van de som van 3.667,26 EUR, te vermeerderen met de verwijlintresten vanaf 3 augustus 1993, datum van de terugbetaling van het krediet met vaste termijn, tot de algehele betaling, naast alle kosten van het geding. In ondergeschikte orde vorderen de appellanten dat het hof, overeenkomstig artikel 878 van het gerechtelijk wetboek, de nv Coditel uitnodigt om bij het dossier van de procedure een attest neer te leggen ter bevestiging dat alle inhoudingen, uitgevoerd op het loon van D.C., wel degelijk gestort zijn aan Europabank en dit vanaf november 1992 tot april 2004, met uitsluiting van elke andere schuldeiser, evenals het bewijs van de verschillende betalingen uitgevoerd aan Europabank tijdens dezelfde periode. Zij vragen dat gezegd wordt dat deze stukken neergelegd moeten worden binnen de maand van het tussen te komen vonnis en dat de partijen nadien de mogelijkheid hebben om hun opmerkingen te maken en opnieuw te besluiten na de neerlegging van de stukken in kwestie en dat daartoe conclusietermijnen worden bepaald. Daarnaast vorderen de appellanten, in dezelfde ondergeschikte orde, dat het hof een deskundige aanstelt om de rekening van de Europabank en van de nv Coditel te onderzoeken en op basis hiervan een lijst op te stellen van de verschillende betalingen verricht door de nv Coditel aan Europabank sinds november 1992 tot april
  18. De appellanten verklaren de ontvankelijkheid van de vordering van Europabank niet meer te betwisten. Wat het voorschottenkrediet betreft, verwijten de appellanten de eerste rechter dat hij geen rekening heeft gehouden met een betaling van 1.523.340 BEF of 37.762,61 EUR die aan Europabank werd betaald na de verkoop van hun onroerend goed te op 3 augustus
  19. Zij wijzen erop dat het krediet van 1.250.000 BEF een overbruggingskrediet was, dat zij nodig hadden in afwachting van de verkoop van het onroerend goed te . Zij besluiten dat zij 3.677,26 EUR teveel hebben betaald. In verband met de annuïteitslening herhalen de appellanten dat Europabank betalingen heeft ontvangen voor 139.430,32 EUR. Ter staving daarvan verwijzen zij naar de loonoverdracht en naar een attest van de nv Coditel, werkgever van D.C.. Zij vragen dat desgevallend de bovenvermelde onderzoeksmaatregelen bevolen worden. Tevens stellen de appellanten dat Europabank een nieuwe afrekening dient op te stellen, waarbij de ontvangen betalingen in mindering worden gebracht en rekening wordt gehouden met de verwerping door de eerste rechter van de buitensporige intresten en schade-vergoedingen. Zij stellen dat, in afwachting daarvan, de veroordeling door de eerste rechter ongedaan dient te worden gemaakt. Verder herhalen de appellanten hun verweer op grond van de wet op het consumentenkrediet, de wet op het hypothecair krediet, de WHPC en de artikelen 1231 en 1153 B.W..
  20. Europabank besluit tot de ontvankelijkheid, doch ongegrondheid van het hoger beroep. Zij stelt incidenteel hoger beroep in dat ertoe strekt de appellanten te veroordelen tot betaling van 73.346,92 EUR meer de verwijlintresten aan 12,25% per jaar vanaf 1 januari 1995 tot de dag der algehele betaling op grond van de annuïteitslening en van 30.986,69 EUR in hoofdsom en 3.098,66 EUR schadevergoeding op grond van het voorschottenkrediet, evenals van 24.812,81 EUR op grond van de rekening-courant, bedragen te vermeerderen met de intresten aan 12,75% per jaar en een commissie van 1,80% per maand vanaf 1 januari 2005 tot de datum der algehele betaling. Ten slotte vordert zij dat de appellanten veroordeeld worden tot de gedingkosten. Europabank wijst erop dat zij de som van 37.762,61 EUR, die zij ontvangen heeft uit de verkoop van het onroerend goed te Machelen, in haar afrekening opgenomen heeft. Wat de annuïteitslening betreft, stelt Europabank dat de appellanten niet aantonen dat zij meer betaald hebben dan uit de afrekening blijkt. Als antwoord op de overige middelen van de appellanten herneemt Europabank hetgeen zij daaromtrent voor de eerste rechter heeft uiteengezet. In het kader van haar incidenteel hoger beroep overweegt Europabank dat de eerste rechter ten onrechte de wederbeleggingsvergoeding heeft afgewezen, aangezien aan de voorwaarden voor de toekenning ervan is voldaan. Bovendien blijft zij erbij dat noch deze wederbeleggingsvergoeding, noch de door haar aangerekende rente kennelijk overdreven is. Verder meent Europabank dat er geen sprake kan zijn van verjaring van intresten aangezien de rente, vervallen vóór 11 januari 1995, vereffend werd met de ontvangen betalingen. Ook inzake de voorschotten op vaste termijn zijn volgens Europabank de aangerekende rente en commissie niet kennelijk overdreven en kunnen zij niet herleid worden. Beoordeling I. Er ligt geen akte van betekening van het bestreden vonnis voor en geen der partijen houdt voor dat het betekend werd. Het hoger beroep, dat tijdig werd ingesteld en regelmatig is naar de vorm, is ontvankelijk. Hetzelfde geldt voor het incidenteel hoger beroep van Europabank en voor de tegenvordering van de appellanten. De vordering van Europabank strekt tot terugbetaling van de sommen die de appellanten volgens haar verschuldigd blijven op grond en in uitvoering van de kredietopening van 9 januari
  21. De appellanten betwisten niet langer de ontvankelijkheid van deze vordering. Evenmin betwisten zij dat Europabank hen, in het kader van deze kredietopening, een annuïteitslening van 2.900.000,00 BEF heeft toegestaan en een voorschot van 1.250.000 BEF onder de voorwaarden zoals hoger is uiteengezet. Europabank vordert vooreerst het saldo van de annuïteitslening terug. Zij legt in dit verband een gedetailleerde historiek voor met de bewerkingen (zowel betalingen als aanrekening van intresten en kosten) op de rekening waarin deze annuïteitslening werd geboekt, vanaf het ogenblik dat zij, in november 1992, vervroegd opeisbaar werd gesteld. Daarnaast vordert Europabank het voorschottenkrediet terug, vermeerderd met de conventionele schadevergoeding en het debetsaldo van de rekening-courant, waarin de intresten op dit voorschottenkrediet geboekt werden. Zij legt een historiek voor van deze rekening-courant, waarin alle verrichtingen zijn geboekt vanaf januari
  22. Ter staving van hun verweer tegen deze vordering roepen de appellanten vooreerst de schending in door de appellanten van bepaalde bijzondere wetgeving. Vervolgens houden zij voor dat niet alle betalingen in de historieken van Europabank zijn opgenomen, dat een deel van de schuld verjaard is en dat Europabank overdreven rente en vergoedingen aanrekent. II.
  23. De appellanten hielden voor de eerste rechter voor dat Europabank, door te bedingen dat de annuïteitslening kon opgezegd worden nadat één vervaltermijn onbetaald was gebleven, artikel 29,1° van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet geschonden heeft. Deze wet, die in werking is getreden op 9 juli 1992 - dit is na de toekenning van het krediet, doch vóór de beëindiging ervan - is niet van toepassing op hypothecaire leningen en kredietopeningen, onderworpen aan Titel I van het K.B. nr. 225 van 7 januari 1936 tot reglementering van de hypothecaire leningen. Partijen zijn het er thans over eens dat hun krediet tot het toepassingsgebied van dit K.B. nr. 225 behoort. Bijgevolg kunnen de appellanten zich niet beroepen op een schending van de wet op het consumentenkrediet.
  24. De appellanten zetten uiteen dat, op grond van artikel 56 van de wet van 4 augustus 1992 op het hypothecair krediet, Hoofdstuk IV van Titel II van deze wet van toepassing is op overeenkomsten die onderworpen zijn aan het K.B. nr.
  25. Artikel 45 van de wet van 4 augustus 1992 bepaalt dat, bij wanbetaling van een verschuldigd bedrag, de hypotheekonderneming binnen drie maanden na de vervaldag aan de kredietnemer een ter post aangetekende verwittiging dient te zenden, die de gevolgen van de wanbetaling vermeldt. Bij niet-naleving van deze verplichting mag de contractuele verhoging van de rentevoet wegens vertraging in de betaling, zoals voorzien in artikel 1907 B.W., voor deze vervaldag niet worden toegepast. Bovendien moet voor deze vervaldag, zonder bijkomende kosten of interesten, een betalingsuitstel verleend worden van zes maanden, te rekenen vanaf de achterstallige vervaldag. Volgens de appellanten voldoen de brieven die Europabank in oktober 1992 en december 1992 aan hen verstuurd heeft, niet aan de voorwaarden gesteld in voormeld artikel 45 of is minstens niet aangetoond dat zij daaraan voldoen. Aldus stellen zij onder meer dat uit de brieven van 6 oktober 1992 niet kan afgeleid worden of Europabank de voormelde termijn van drie maanden heeft nageleefd en ligt met betrekking tot geen van de voormelde brieven het bewijs van aangetekende zending voor. De omstandigheid dat sommige bepalingen van de wet van 4 augustus 1992 onmiddellijk toepasselijk zijn op overeenkomsten, onderworpen aan het K.B. nr. 225, impliceert niet dat afbreuk wordt gedaan aan de regel van de niet-retroactiviteit van de wet (artikel 2 B.W.). De wet op het hypothecair krediet, die pas op 1 januari 1993 in werking trad, kan niet geschonden zijn doordat Europabank (vorm)vereisten niet zou hebben nageleefd in briefwisseling die dateert van oktober en december
  26. Uit de voorliggende stukken en meer bepaald de historieken van de betalingen, uitgevoerd in 1992, die op dat punt niet concreet tegengesproken worden, blijkt enerzijds dat er geen stipte afbetaling gebeurde van de annuïteitslening, terwijl anderzijds de rekening-courant vanaf 30 juni 1992 bijna ononderbroken in overschrijding was. Bovendien moest het voorschottenkrediet hoe dan ook terugbetaald worden bij het einde van de tweede periode van zes maanden. Europabank was aldus, rekening houdend met de contractuele bepalingen, gerechtigd het krediet opeisbaar te stellen.
  27. De appellanten stellen dat sommige bepalingen, toepasselijk op het krediet dat Europabank hen toestond, strijdig zijn met de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en de bescherming van de consument en als onrechtmatige bedingen dienen beschouwd te worden. Meer bepaald houden zij voor dat het beding, dat aan Europabank toelaat de voorwaarden inzake rente en aanhorigheid ten allen tijde te wijzigen, in strijd is met artikel 32.2 van de WHPC. De bedingen in verband met de vergoedingen die de kredietnemers in geval van achterstallige betalingen verschuldigd zijn, achten zij strijdig met artikel 32.15 WHPC. Ten slotte zijn zij van mening dat de combinaties van een "boetebeding van 20%" met een rentevoet van 12,25% enerzijds en deze van een rente van 12,75% met een commissie van "1,8% per maand" artikel 32.21 WHPC schenden. Alle voorwaarden, die de appellanten als onrechtmatig aanzien, zijn vastgelegd in de kredietopening, de kredietbrief én de annuïteitslening van 9 januari
  28. De WHPC is pas in werking getreden op 29 februari
  29. Het door geen der partijen ondertekend document van 2 september 1992, waarnaar de appellanten verwijzen, betrof slechts een bevestiging van de wijziging van hun adres. Een nieuwe wet is in de regel niet alleen van toepassing op de toestanden die ontstaan na de inwerkingtreding ervan, maar ook op de toekomstige gevolgen van de onder de oude wet ontstane toestanden, die zich voordoen of blijven voortduren onder de nieuwe wet, voor zover die toepassing geen afbreuk doet aan reeds onherroepelijk vastgestelde rechten. Inzake overeenkomsten blijft de oude wet evenwel van toepassing, tenzij de nieuwe wet de openbare orde raakt of de toepassing op de oude overeenkomsten uitdrukkelijk voorschrijft (CASS. 26 mei 2005, T.B.B.R. 2007, 52). De WHPC bepaalt niet dat de regels in verband met onrechtmatige bedingen van toepassing zijn op de lopende overeenkomsten. De appellanten zouden zich bijgevolg slechts op de door hen ingeroepen bepalingen uit deze wet kunnen beroepen, indien en voor zover zij van openbare orde zijn. De meeste regels inzake onrechtmatige bedingen zijn niet van openbare orde (vgl.: STEENNOT, R., Overzicht van Rechtspraak, Consumentenbescherming (2003-2007), T.P.R., 2009, nr. 54, p. 271). Zij raken niet aan de essentiële belangen van de gemeenschap, maar strekken in hoofdzaak tot bescherming van private belangen van een bepaalde groep beschermingsgerechtigden, met name de consumenten. De WHPC beoogt uiteraard de bescherming van de individuele consument en deze bescherming beïnvloedt ongetwijfeld de economische orde, maar daaruit mag nog niet worden afgeleid dat het de bedoeling van de wetgever was om met de WHPC de juridische grondslagen vast te leggen waarop de economische orde van de gemeenschap rust. Aldus hebben de bepalingen van de artikelen 32.2 en 32.15 WHPC, waarop de appellanten zich beroepen, weliswaar een dwingend karakter, doch raken zij niet de openbare orde. Dit is anders voor het artikel 32.21 WHPC. Bovenmatige strafbedingen worden geacht de fundamenten van de maatschappelijke ordening aan te gaan en strijdig te zijn met de openbare orde (CASS. 17 april 1970, Arr. Cass. 1970, 754; vgl.: STIJNS, S., De leer van de onrechtmatige bedingen in de WHPC na de wet van 7 december 1998, T.B.H., 2000, p. 166, nr. 45.4). Deze bepaling is dan ook van toepassing op het krediet dat Europabank toekende aan de appellanten. III.
  30. Op grond van het voorschottenkrediet vordert Europabank, naast de hoofdsom van 30.986,69 EUR, een bedrag van 3.098,66 EUR als conventionele schadevergoeding, op basis van het beding in haar algemene voorwaarden, waarin bepaald wordt dat, in de gevallen van onmiddellijke opeisbaarheid, Europabank op het nog verschuldigde saldo een schadeloosstelling ten titel van strafbeding mag aanrekenen van 20% van het uitstaand bedrag. Een beding dat een forfaitaire schadevergoeding toekent van 20%, die van rechtswege en zonder enige begrenzing verschuldigd is door het louter opeisbaar worden van een krediet, waarop een rente loopt van 12,75% per jaar, kent aan de kredietverlener een schadevergoeding toe die niet evenredig is aan het nadeel dat door hem kan worden geleden en is bijgevolg onrechtmatig. Europabank heeft dit strafbeding herleid tot 10% van het uitstaand bedrag. De wet van 23 november 1998 tot wijziging van het B.W., wat het strafbeding en de moratoire interest betreft, heeft het mogelijk gemaakt om strafbedingen te herleiden. Aangezien deze wet een aangelegenheid van openbare orde betreft, is hij ook van toepassing op bestaande overeenkomsten (DEMUYNCK, I., De nieuwe wet op de strafbedingen: het matigingsrecht gelegaliseerd, R.W. 1999-2000, 105, nr. 1). Deze algemene wet laat de toepassing van de WHPC, die een bijzondere wet is, evenwel onverlet (STIJNS, S., De leer van de onrechtmatige bedingen in de WHPC na de wet van 7 december 1998, T.B.H., 2000, p. 150, nr.4; vgl.: STEENNOT, a.w., nr. 90, p. 299). Wanneer een schadebeding in strijd is met artikel 32.21 WHPC is het, overeenkomstig artikel 33§1 WHPC, nietig en kan het niet herleid worden. De gevorderde som van 3.098,66 EUR kan aldus niet worden toegekend.
  31. Nog met betrekking tot het voorschottenkrediet heeft Europabank intresten aan 12,75% per jaar geboekt in de rekening nr. 671-9018329-
  32. Volgens de akte kredietopening werd de intrest vastgesteld op 1,50% boven de basisdebetrente voor gelijkaardige kredieten, die op dat ogenblik 12,75% bedroeg. Bovendien bepalen de daaraan gehechte algemene voorwaarden dat, in geval van onmiddellijke opeisbaarheid, van rechtswege een "vertragingsrente" loopt die gelijk is aan de interest. De appellanten beroepen zich op het artikel 1153 van het burgerlijk wetboek. Deze bepaling betreft de verwijlintresten, die verschuldigd zijn wanneer een schuldenaar in gebreke blijft om een geldsom te voldoen. Het heeft geen betrekking op de conventionele rente, die tijdens de duur van de lening wordt aangerekend als vergoeding voor het ter beschikking stellen van het krediet en waaromtrent de appellanten geen concreet verweer voeren. Het bedingen van een conventionele rente van 12,75% tijdens de duur van de lening is overigens niet in strijd met regels van openbare orde of van dwingend recht. Artikel 1153, eerste lid, B.W. bepaalt dat schadevergoeding wegens vertraging in de uitvoering van verbintenissen die enkel betrekking hebben op de betaling van een geldsom, in beginsel nooit in iets anders bestaat dan in de wettelijke interest vanaf de dag der aanmaning tot betaling, behoudens de bij de wet gestelde uitzonderingen. De partijen kunnen daarvan evenwel afwijken door te bedingen dat een hogere verwijlrente verschuldigd zal zijn. Artikel 1153, vijfde lid, B.W. bepaalt dat de conventionele verwijlrente door de rechter kan worden verminderd indien de bedongen interest kennelijk de ten gevolge van de vertraging geleden schade te boven gaat. Ook dit lid werd ingevoerd door de voormelde wet van 23 november
  33. Een beding, op grond waarvan een hogere verwijlrente wordt toegekend dan de wettelijke rente, houdt een conventionele begroting in van schade wegens wanprestatie en is eveneens een strafbeding (vgl. WYLLEMAN, B., Nieuwe wetgeving inzake strafbedingen en moratoire intrest, A.J.T., 1998-1999, p.706, nr. 13). De bepaling van artikel 1153, vijfde lid B.W. is bijgevolg ook toepasselijk op overeenkomsten die gesloten werden vooraleer zij in werking trad. Ook hier geldt evenwel dat artikel 32.21 WHPC daarop voorrang heeft. Een verwijlrente van 12,75% per jaar vergoedt Europabank niet op een wijze die duidelijk onevenredig is aan het nadeel dat zij kan lijden. Zij kan daarop dan ook aanspraak maken.
  34. Bovendien vordert Europabank dat de uit hoofde van het voorschottenkrediet verschuldigde bedrag vermeerderd wordt met "een commissie van 1,8% per maand vanaf 1 januari 2005 tot de datum der algehele betaling." In de akte kredietopening van 9 januari 1992 is een commissieloon bedongen van "één/achtste ten honderd (1/8%) per maand, berekend per begonnen trimester, op het hoogste debetsaldo van de rekening, minimum op het bedrag van het toegestane krediet. De Bank heeft het recht deze voorwaarden ten allen tijde per briefwisseling te wijzigen." In de kredietbrief van 9 januari 1992 is dit commissieloon bepaald op "0,20 (twintig honderdsten per honderd) per begonnen maand, berekend op de toegestane kredietlijn en aangerekend per vervallen trimester." Uit de historiek van de rekening nr. 671-9018329-19 over de periode vanaf 1992 tot eind 2004 blijkt dat daadwerkelijk een commissie van 0,20% per maand geboekt werd op het hoogste debetsaldo van deze rekening. De overeenkomst die de partijen daaromtrent gesloten hebben, strekt hen tot wet. Er zijn geen regels van openbare orde of van dwingend recht die zich verzetten tegen de toekenning van een commissie van 0,20% per maand - boven de conventionele intrest - op het hoogst opgenomen bedrag. Vanaf het ogenblik van de opeisbaarstelling van het krediet vormt de commissie van 0,20% per maand een bijkomende vergoeding van Europabank voor het nadeel dat zij lijdt doordat de appellanten hun schuld niet terugbetalen. Deze commissie, gevoegd bij de verwijlrente, vergoedt Europabank niet op een wijze die duidelijk onevenredig is met het nadeel dat Europabank lijdt. Zij kan er dan ook aanspraak op maken.
  35. Afgerekend per 31 december 2004 bedraagt het debetsaldo van de rekening 671-9018329-19, waarin de rente en de commissie op het voorschotkrediet geboekt werd, 24.812,81 EUR. Europabank legt de volledige historiek van deze rekening voor vanaf de toekenning van het krediet in januari 1992 tot 31 december
  36. Alle debet- en creditposten worden daarin duidelijk vermeld. Deze gedetailleerde historiek laat de appellanten toe de juistheid van de betreffende vordering van Europabank te controleren. Behoudens het reeds afgewezen verweer in verband met de rentevoet en het principe van de aanrekening van commissie, voeren de appellanten aan dat de intresten, die sedert meer dan vijf jaar vervallen zijn (op grond van artikel 2277 B.W.) verjaard zijn en dat niet alle uitgevoerde betalingen in aanmerking zouden genomen zijn (dit laatste wordt hierna behandeld onder nr.IV.4). Concreet verweer over welbepaalde posten van deze afrekening is er voor het overige niet.
  37. Met de creditverrichtingen op deze rekening, onder meer ingevolge betalingen door de nv Coditel, werkgever van D.C., werden de oudst vervallen intresten op regelmatige basis aangezuiverd. Uit de historiek van de rekening blijkt dat het op 31 december 2004 verschuldigde saldo bestaat uit rente die pas vervallen is vanaf
  38. De appellanten kunnen zich dus niet beroepen op artikel 2277 B.W..
  39. Voor de periode vanaf 1 januari 2005 vordert Europabank op het saldo uit hoofde van het voorschottenkrediet een commissie van 1,8% per maand. Daarvoor bestaat geen contractuele grondslag. Overigens zou het toekennen van deze commissie Europabank vergoeden op een wijze die duidelijk niet evenredig is met het nadeel dat zij lijdt. Dit onderdeel van haar vordering kan dan ook niet worden toegekend.
  40. Rekening houdend met de voorgaande overwegingen komt de vordering van Europabank uit hoofde van het voorschottenkrediet gegrond voor tot beloop van 30.986,69 EUR in hoofdsom en 24.812,81 EUR intresten en commissie, te vermeerderen met de intresten aan 12,75% per jaar op 30.986,69 EUR vanaf 1 januari 2005 tot de datum van betaling. Het ter zake meer gevorderde wordt afgewezen. IV.
  41. Op grond van de annuïteitslening vordert Europabank 73.346,92 EUR, vermeerderd met verwijlintresten aan 12,25% per jaar vanaf 1 januari
  42. Zij bekomt dit bedrag, vertrekkend van het kapitaalsaldo van 71.323,06 EUR op datum van opeisbaarstelling van de lening en van het intrestbestanddeel van de vervallen maandsommen op dat zelfde ogenblik (1.581,86 EUR). Tussen 6 november 1992 en 31 december 2004 rekent zij intresten aan tegen een rentevoet van 12,75% per jaar. Volgens haar afrekening per 31 december 2004 bedraagt deze vervallen intrest 70.924,56 EUR. De geleende som was aan de appellanten ter beschikking gesteld aan een rentevoet van 12,25%. In het lastenboek van de algemene bepalingen en voorwaarden betreffende de leningen, terugbetaalbaar door middel van annuïteiten, dat van toepassing is op de annuïteits-lening, is bepaald dat, bij vertraging in de betalingen, de rentevoet verhoogd wordt met 0,50%. Een rente van 12,75% per jaar vergoedt Europabank niet op een wijze die duidelijk onevenredig is aan het nadeel dat zij kan lijden.
  43. Daarnaast brengt Europabank een wederbeleggingsvergoeding in rekening van 4.442,67 EUR. Zij steunt daarvoor op het voormelde lastenboek, waarin staat: "In alle gevallen van vervroegde terugbetaling, geheel of gedeeltelijk, vrijwillig of gedwongen, zullen de leners aan de maatschappij een vergoeding wegens wederbelegging verschuldigd zijn gelijk aan zes maanden interest, berekend tegen de rentevoet van de lening op de in hoofdsom te storten som om de terugbetaling te doen." De partijen zijn aldus overeengekomen dat de wederbeleggingsvergoeding altijd verschuldigd is in geval van vervroegde terugbetaling, wat daarvan ook de oorzaak is of wie daarvoor ook verantwoordelijk is. De wederbeleggingsvergoeding is een schadeloosstelling voor het renteverlies dat de bank lijdt door de vervroegde terugbetaling van het krediet. Een beding tot wederbeleggingsvergoeding kan in beginsel niet worden gekwalificeerd als een schadebeding, aangezien een schadebeding uitwerking verkrijgt bij wanprestatie van de schuldenaar, terwijl een wederbeleggingsvergoeding gebaseerd is op de eenzijdige wilsuiting van de schuldenaar en de tegenprestatie vormt van een recht op vervroegde vrijwillige terugbetaling. Een uitzondering op deze regel is de casus van de gedwongen vervroegde terugbetaling - zoals te dezen - waarbij de wederbeleggingsvergoeding wel een schadebeding uitmaakt (VAN DEN STEEN, L., Het recht op de vervroegde terugbetaling van een krediet van bepaalde duur en de wederbeleggingsvergoeding, R.W. 2005-2006, 979, nrs. 10 en 11). Een vergoeding van 4.442,67 EUR, berekend op de vervroegde terugbetaling van een kapitaal van 71.323,06 EUR, waarvan de terugbetalingstermijn nog liep over meer dan 19 jaar, maakt geen vergoeding uit die duidelijk onevenredig is met het nadeel dat Europabank door deze vervroegde terugbetaling kan lijden. Evenmin is deze wederbeleggingsvergoeding van die aard dat Europabank er eerder belang bij had dat de appellanten hun verplichtingen niet naleefden, dan dat de lening haar normale verloop kende. Zij is dan ook verschuldigd.
  44. Verder bevat de afrekening per 31 december 2004 een bedrag van 3.513,26 EUR wegens kosten. Artikel 26 van de clausules en algemene voorwaarden van de kredietopeningen bepaalt dat alle kosten, rechten en erelonen die voortvloeien uit het sluiten van de kredietovereenkomst en uit haar uitvoering, ten laste zijn van de kredietnemer. Europabank legt met betrekking tot de door haar aangerekende kosten, die beantwoorden aan het voorwerp van het voormelde artikel 26, bewijsstukken voor, zodat dit onderdeel van haar vordering gegrond voorkomt.
  45. Wanneer de appellanten voorhouden dat zij niets meer verschuldigd zijn aan Europabank, dan rust op hen de bewijslast ter zake. De loutere omstandigheid dat zij, rechtstreeks of onrechtstreeks, reeds meer zouden betaald hebben dan de bedragen die Europabank hen in hoofdsom ter beschikking heeft gesteld, volstaat vanzelfsprekend niet om te besluiten dat zij bevrijd zijn, aangezien rekening moet gehouden worden met de gelopen intresten en de andere verschuldigd geachte vergoedingen. Het hof stelt vast dat de opbrengst van de verkoop van het onroerend goed te op 6 augustus 1993 in mindering werd gebracht van de schuld op grond van de annuïteitslening. Bovendien werden alle betalingen, die de werkgever van D.C., de nv Coditel, verklaart te hebben verricht en waarvan zij een overzicht voegde bij haar attest ter zake van 31 maart 2005, ofwel geboekt in de rekening nr. 671-9018329-19, ofwel in mindering gebracht van de schuld wegens de annuïteitslening. Volgens de appellanten vermeldt het overzicht van de nv Coditel evenwel niet alle inhoudingen die op het loon van D.C. zijn gebeurd in het voordeel van Europabank. Meer bepaald stellen zij dat afhoudingen op zijn loon van de maanden februari tot en met juni 1993 voor een totale som van 148.000 BEF daarin niet zijn opgenomen. Ter staving daarvan leggen de appellanten de loonfiches en de individuele rekening voor waarin deze inhoudingen op het loon vermeld zijn. Deze stukken tonen evenwel niet aan dat de daarop vermelde bedragen effectief aan Europabank zijn doorgestort. Deze betwist ze ontvangen te hebben en zij komen niet voor op de historiek van de rekeningen op naam van de appellanten, terwijl zij evenmin terug te vinden zijn in de lijst van de stortingen, opgesteld door de nv Coditel. Bovendien kunnen de door de appellanten gevorderde onderzoeksmaatregelen thans niet meer bijdragen tot het leveren van het bewijs van betaling. De nv Coditel heeft reeds geattesteerd welke betalingen zij heeft gedaan aan Europabank. Uit haar e-mailbericht van 7 juli 2005 aan de raadsman van de appellanten blijkt dat de nv Coditel slechts over de personeelsgegevens van de laatste vijf jaar beschikt. Bovendien zijn de wettelijke termijnen voor het bijhouden van de betalingsbewijzen en boekhoudstukken met betrekking tot het jaar 1993 reeds geruime tijd verstreken. Verder stellen de appellanten vast dat het overzicht van de nv Coditel voor de maanden mei en december 1999 inhoudingen vermeldt van respectievelijk 22.682 BEF en 26.275 BEF, terwijl dit volgens de loonfiches 67.696 BEF (in werkelijkheid 67.996 BEF) en 72.741 BEF was. Uit de historiek van de rekening nr. 671-9018329-19 blijkt evenwel dat Europabank voor de betreffende maanden effectief respectievelijk 67.996 BEF en 46.466 + 26.275 = 72.741 BEF in mindering heeft gebracht van haar vordering. De appellanten bewijzen aldus niet dat Europabank meer zou ontvangen hebben, dan blijkt uit de historieken van de lening en de rekening-courant.
  46. De appellanten kunnen niet bijgetreden worden, waar zij voorhouden dat het oplopen van de intresten - zowel in verband met het voorschottenkrediet als met betrekking tot de annuïteitslening - zou te wijten zijn aan het verzet door Europabank tegen een indertijd door hen voorgestelde oplossing, die zou geleid hebben tot de onmiddellijke terugbetaling van hun schuld. Meer bepaald verwijten zij Europabank in 1993 nagelaten te hebben een attest te ondertekenen, dat noodzakelijk was om een krediet van 3.500.000 BEF te bekomen bij ASLK. In dit attest moest Europabank onder meer bevestigen dat de appellanten tot op dat ogenblik hun verplichtingen uit de akte kredietopening van 9 januari 1992 tot op dat ogenblik stipt hadden nageleefd. Aangezien dit niet het geval was, kon Europabank dit attest niet invullen.
  47. Ook met betrekking tot de verwijlintresten, aangerekend ingevolge de niet-terugbetaling van de annuïteitslening, roepen de appellanten in dat zij verjaard zijn in de mate dat zij sedert meer dan vijf jaar vervallen zijn. Europabank stelt dat de betalingen die geboekt werden op de annuïteitslening, eerst toegerekend werden op de intresten en de kosten en vervolgens op het kapitaal, zodat er, op het ogenblik van de dagvaarding, geen intresten meer verschuldigd waren die meer dan drie jaar vervallen waren. Uit de gedetailleerde afrekening die zij voorlegt, blijkt inderdaad dat de betalingen in beginsel eerst toegerekend werden op de intresten en de kosten. Evenwel blijkt daaruit ook dat de niet betaalde intresten, die gedurende een jaar vervallen waren, gekapitaliseerd werden. Latere betalingen werden dan toegerekend op de vervallen intresten die nog niet gekapitaliseerd waren. Wanneer die vereffend waren, werden de verdere betalingen toegerekend op de hoofdsom en niet op de gekapitaliseerde intresten. Krachtens artikel 1154 B.W. is kapitalisatie van intresten verboden, tenzij wanneer ze vervallen zijn en voor één jaar verschuldigd. Bovendien moet de kapitalisatie bedongen zijn in een bijzondere overeenkomst of in een specifiek op de kapitalisatie gerichte gerechtelijke aanmaning. Deze bijzondere overeenkomst of aanmaning moet vernieuwd worden en betrekking hebben op nieuw vervallen intresten, die ten minste over een jaar verschuldigd zijn (vgl. CASS. 7 september 1978, Arr. Cass. 1978-79, 18; CASS. 28 november 1985, Arr. Cass. 1985-86, 454; CASS. 29 januari 1990, Arr. Cass. 1989-90, 698). Artikel 1154 B.W. geldt niet voor de rekening-courant, zolang ze niet is afgesloten, en op voorwaarde dat de staten van de tussentijdse afsluitingen met vermelding van de vervallen en overgedragen intresten meegedeeld worden (vgl. NELISSEN-GRADE, J.M., De rekening-courant, nr. 160, p. 356). Artikel 1154 B.W. is van openbare orde (CASS. 22 december 1938, Pas. 1938, I, 405). Vooraleer uitspraak te doen over de vordering van Europabank op grond van de annuïteitslening, heropent het hof ambtshalve de debatten, enkel teneinde de partijen toe te laten standpunt in te nemen over de vraag of de door Europabank toegepaste kapitalisatie in de afrekening van de annuïteitslening in overeenstemming is met artikel 1154 B.W.. De partijen kunnen daaromtrent desgewenst bijkomende stukken neerleggen. Bovendien kunnen zij, rekening gehouden daarmee, gebeurlijk een aangepaste afrekening van de schuld uit de annuïteitslening overleggen. V. Uit de voorgaande overwegingen is gebleken dat Europabank nog een aanzienlijk tegoed heeft van de appellanten, zodat hun tegenvordering in terugbetaling van het teveel betaalde alvast ongegrond is. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak; Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep van P. D.C. en Y. M. en het incidenteel hoger beroep van de nv Europabank ontvankelijk en reeds in de hierna bepaalde mate gegrond; Bevestigt het bestreden vonnis in zover het de vordering van de nv Europabank ontvankelijk verklaarde en uitspraak deed over de gerechtskosten; Vernietigt het voor het overige en, opnieuw recht sprekend, Veroordeelt P. D.C. en Y. M. tot betaling aan de nv Europabank, op grond van het voorschottenkrediet op vaste termijn van 9 januari 1992 en de rekening-courant nr. 671-9018329-19, van de som van VIJFENVIJFTIGDUIZEND ZEVENHONDERD NEGENENNEGENTIG EURO EN VIJFTIG CENT (55.799,50 EUR), vermeerderd met de verwijlrente aan 12,75% per jaar - als gerechtelijke rente vanaf de dagvaarding - op 30.986,69 EUR vanaf 1 januari 2005 tot de datum van betaling; wijst het op deze gronden meer en anders gevorderde af als ongegrond; Verklaart de tegenvordering van P. D.C. en Y. M. ontvankelijk, doch ongegrond; En, alvorens te oordelen over de vordering op grond van de annuïteitslening van 9 januari 1992; Heropent ambtshalve de debatten, enkel teneinde de partijen toe te laten standpunt in te nemen over de vraag of de door de nv Europabank toegepaste kapitalisatie in de afrekening van de annuïteitslening in overeenstemming is met artikel 1154 B.W.; Verzoekt de partijen hun schriftelijke opmerkingen uit te wisselen en aan het hof over te maken: - de nv Europabank uiterlijk op 6 januari 2010, - P. D.C. en Y. M. uiterlijk op 10 februari
  48. Bepaalt dag en uur waarop de partijen daarover zullen worden gehoord op de zitting van de twaalfde kamer van het hof van beroep te Gent op woensdag 28-4-2010 om 15.40 uur (pleitduur 20 minuten); Houdt de uitspraak over de kosten aan. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van Beroep te Gent, TWAALFDE KAMER, zetelend in burgerlijke zaken, op heden 25-11-
  49. Aanwezig: - A. Van de Putte, raadsheer, wn. voorzitter; - E. Dursin, raadsheer; - G. Danneels, raadsheer; - B. De Wilde, griffier. B. De Wilde G. Danneels E. Dursin A. Van de Putte Rep.nr.: 2009/ Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.