id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 25 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20091125.9 Rolnummer: 2009-AR-2385 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2011-11-07 Raadplegingen: 124 - laatst gezien 2026-07-02 20:40 Fiche 1.Een benadeling met korte debatten in de zin zoals bedoeld in artikel 1066 Ger. W. wijst niet op het dringend karakter van een zaak of op de geringe waarde ervan, maar enkel op het feit dat het in principe niet vereist is om schriftelijk middelen aan te voeren of lang te pleiten. Het gaat aldus om eisen die niet voor ernstige betwisting vatbaar zijn of slechts een beperkte betwisting kennen. Behoudens de gevallen, opgesomd in het tweede lid van artikel 1066 Ger. W., kan de rechter in hoger beroep vrij appreciëren of een zaak al dan vatbaar is voor korte debatten. 2.Op grond van artikel 19, tweede lid, Ger. W. kan de rechter, alvorens recht te doen, in elke stand van de rechtspleging, een voorafgaande maatregel bevelen om de vordering te onderzoeken of een tussengeschil te regelen dat betrekking heeft op een dergelijke maatregel, dan wel om de toestand van de partijen voorlopig te regelen. De rechter kan een dergelijke maatregel nemen indien het bestaan van een recht waarop de eiser de gevorderde maatregel steunt, voldoende waarschijnlijk. De rechter mag de rechten van de partijen evenwel niet definitief en onherroepelijk vaststellen. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - RECHTSPLEGING - Behandeling van de zaak - Korte debatten Vrije woorden: Procedure - artikel 1066 Ger. W. - begrip 'korte debatten' Procedure - artikel 19 alinea 2 Ger. W. - voorlopige maatregel - draagwijdte Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 12 Kamer ________ Terechtzitting van 25 november 2009 TUSSENARREST BEHANDELING TEN GRONDE dd. 4-01-2012 om 14 h. - In de zaak met het rolnummer 2009/AR/2385 van: nv DOMINO, met zetel te 9750 Zingem, Leenstraat 3, met ondernemingsnr. 0455.025.911, appellante tegen het vonnis van de rechtbank van koophandel te Oudenaarde, op tegenspraak gewezen door de eerste kamer dd. 16-6-2009, oorspronkelijk verweerster op hoofdeis en eiseres op tegeneis, hebbende als raadslieden mr. PEETERS Robert en mr. VANDENBULCKE Dominiek, beiden advocaat te 3090 Overijse, Brusselsesteenweg 506 tegen : nv D'HONDT, met zetel te 9750 Zingem, Leenstraat 2, met ondernemingsnr. 0470.371.410, geïntimeerde, oorspronkelijk eiseres op hoofdeis en verweerster op tegeneis, hebbende als raadsman mr. VAN DRIESSCHE Johan, advocaat te 9700 Oudenaarde, Dijkstraat 75 velt het hof het volgend arrest. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 8 september 2009 tekende de nv Domino (hierna ook "appellante" genoemd) hoger beroep aan tegen het vonnis op tegenspraak gewezen op 16 juni 2009 door de rechtbank van koophandel te Oudenaarde in de zaak met A.R. nr. 2006/00543 tussen de nv Domino en de nv D'Hondt (hierna ook "geïntimeerde" genoemd). De partijen werden ter openbare terechtzitting gehoord in hun middelen en conclusies; de overgelegde stukken werden ingezien. I. antecedenten
- feitelijke voorgaanden Onderhavig geschil heeft betrekking op een tussen de partijen op te maken afrekening omtrent commissies en vergoedingen waarop geïntimeerde meent gerechtigd te zijn in het kader van de beëindiging van haar samenwerking met appellante. De nv Domino is ontstaan uit de nv Dhondt, bedrijf dat gespecialiseerd was in de productie, distributie en verkoop van trappen en deuren. Dit bedrijf werd gerund door de drie broers J..., L....en I... D.....die elk voor één derde aandeelhouder waren. Familiale problemen hebben in 1998 geleid tot de opsplitsing van het bedrijf, waarbij de nv Domino geleid door de heren L... (en I....) D.....de productie van de trappen voor haar rekening nam en de nv D....., geleid door J... D......, verantwoordelijk bleef voor de productie van de deuren. Op 9/10/1998 ondertekenden de drie broers een "principsovereenkomst" ertoe strekkende de definitieve beëindiging van de samenwerking uit te werken alsook de definitieve opsplitsing en verdeling van de activiteiten en van het vermogen van zowel de nv D...... als van de nv Romano (patrimoniumvennootschap op wiens gronden de 11 toonzalen waren gebouwd waarlangs de producten in België konden worden gedistribueerd en verkocht). Deze overeenkomst stelde evenwel uitdrukkelijk :"wordt geldig nadat de raadsmannen alles wettelijk gerangschikt hebben. Enkel geldig bij volledige overeenkomst". Deze "principsovereenkomst" voorzag in een feitelijke regeling tussen de drie broers, in afwachting van de totstandkoming van een sluitende en gefinaliseerde oplossing. De samenwerking verliep vrij stroef en gaf aanleiding tot meervuldige procedures, zowel in kort geding als op eenzijdig verzoekschrift. In één van deze procedures werd bij wijze van voorlopige maatregel op verzoek van J....D...... en de nv D'Hondt bij arrest dd. 10/11/2003 van de zevende kamer van het Hof van Beroep te Gent, een voorlopig bewindvoerder aangesteld in de persoon van de heer D..... V.... I...... die "bij blijvende en duurzame onenigheid van partijen - moet bijdragen tot een definitieve opsplitsing en verdeling van de activiteiten en het vermogen van D'HONDT NV en ROMANO NV". Tot een definitieve en sluitende regeling tussen de partijen kwam het niet. Wel zagen zij de noodzaak in van een overgangsregeling die, mede met de hulp van de voorlopig bewindvoerder, werd neergeschreven in de overeenkomst van 26/2/
- De onderliggende bedoeling en de geest waarin deze samenwerkingsovereenkomst tot stand kwam wordt goed weergegeven in de "preliminaria" van deze overeenkomst, die luiden als volgt : "De samenwerking tussen partijen over de periode 1998 tot heden bestond uit de gedeeltelijke de facto uitvoering van een aantal afspraken gemaakt ter gelegenheid van de verdeling van het familiepatrimonium D'Hondt over de 3 broers. Deze "overeenkomst" is nooit gefinaliseerd in een door alle partijen ondertekend document. Partijen wensen in deze overeenkomst hun samenwerking voor de periode die loopt vanaf heden tot de aan te duiden einddatum wel op formele basis te omschrijven. Terzelfder tijd wensen zij de tussen hen hangende geschillen op te lossen en een wederzijdse aanvaarde afrekening voor het verleden op te stellen. De beperkte periode waarvoor deze overeenkomst geldt is te beschouwen als een overgangsperiode naar volledige autonomie van beide ondernemingen, maar dit sluit niet uit dat er nieuwe vormen van samenwerking ontstaan. Bij onderhavige overeenkomst wensen partijen tevens op transactionele wijze een einde te stellen aan alle tussen hen gerezen geschillen." (letterlijk citaat) Deze samenwerkingsovereenkomst werd aangegaan voor een duur van twee jaar lopende vanaf 1/1/2004 tot en met 31/12/2005 en voorzag in een overgangsfase waarbij de nv Domino en de nv D'Hondt, in afwachting van een definitieve scheiding, nog twee jaar onder welbepaalde voorwaarden zouden samenwerken. Van belang is het artikel 3 van deze overeenkomst waarbij de nv D'Hondt gedurende deze twee jaar de verdere exploitatie van de toonzalen te Zingem en te Dadizele zou organiseren van zowel de deuren als de trappen en dus ook van de Domino-trappen. In artikel 5 werd gestipuleerd dat "De vroeger bestaande exclusiviteit wordt opgeheven behalve voor de toonzalen gelegen in West- en Oost-Vlaanderen alwaar enkel trappen Domino mogen ten toongesteld en verkocht worden". De nv D'Hondt zou bijgevolg tot en met 31/12/2005 verder instaan voor de distributie en de verkoop van de Domino-trappen, gefabriceerd door de nv Domino. De overeenkomst voorzag verder afspraken met betrekking tot de terbeschikkingstelling van toonzaalmodellen (deuren en trappen) en de wegname ervan op het einde van de overeenkomst, de aan de nv D'Hondt toekomende commissies op de verkopen, de leveringstermijn van de door de nv Domino geproduceerde trappen, de samenwerking op de beurzen, de beperkte mogelijkheid tot het openen van een nieuwe toonzaal, het bestaande logo, de bestaande merknaam en de toekomstig door de partijen te gebruiken logo's, de finalisering van de splitsing van de gemeenschappelijke infrastructuur alsook betreffende diverse andere aangelegenheden en een geschillenregeling. De ultieme doelstelling van deze overeenkomst was de beide partijen toe te laten na afloop van de overgangsperiode een autonoom productie- en commercieel beleid te voeren. Tegen het einde van de contractperiode liet de nv D'Hondt diverse aanspraken gelden o.m. met betrekking tot achterstallige commissies, het door de nv Domino ontwikkelde logo en de contractueel bedongen vergoeding voor overname van het logo door de nv D'Hondt. Zij stelde de nv Domino hieromtrent in gebreke bij wege van een aangetekend niet-vertrouwelijk schrijven dd. 8/3/2006 uitgaande van haar raadsman en ging over tot dagvaarding bij exploot betekend op 14/6/
- procedurele voorgaanden 2.
- Voor de eerste rechter vorderde de nv D'Hondt : de veroordeling van de nv Domino tot betaling van een bedrag van 1.097.453,55 euro meer de conventionele intresten aan 10% vanaf de vervaldata van de respectievelijke facturen inzake achterstallige commissies op 128.112,77 euro en de gerechtelijke intresten tot de datum van algehele betaling, alsook méér de vergoedende intresten op 949.340,78 euro aan 7% vanaf de datum van de aanmaning van 8/3/2006 en de gerechtelijke intresten tot de algehele betaling, de veroordeling van de nv Domino tot betaling van een bedrag van 58.321,95 euro als provisie op achterstallige commissies op verkopen gesloten vòòr 31/12/2005 doch pas uitgevoerd nadien, en, zo nodig, de overlegging overeenkomstig artikel 877 Ger. W. van de boekhoudkundige stukken voor de maanden januari tot en met mei 2006, teneinde de omzet te bepalen en van een overzicht van alle plaatsingen en leveringen voor deze periode, minstens de aanstelling van een gerechtsdeskundige, te zeggen voor recht dat het logo niet voldoende onderscheiden is qua kleur, lettertype en vorm zodat zij (geïntimeerde) niet gehouden is het bedongen overnamebedrag van 100.000 euro te voldoen, minstens deze vergoeding gevoelig te herleiden in het licht van de vastgestelde inbreuken, de nv Domino te veroordelen om het te Asse gehanteerde logo te conformeren aan haar eigen gedeponeerd logo, en het kwestige logo dat zich aan de buitenzijde van de toonzaal bevindt, minstens te voorzien van een gele achtergrond om verwarring te vermijden, onder verbeurte van een dwangsom van 150,00 euro per dag vertraging vanaf één maand na de betekening van het tussen te komen vonnis, de nv Domino te veroordelen tot de gedingkosten, inclusief een rechtsplegingsvergoeding van 15.000,00 euro, de door de nv Domino geformuleerde tegenvordering als ongegrond af te wijzen. Het bedrag van 1.097.453,55 euro is o.m. samengesteld als volgt : gefactureerde commissies t/m 31/12/2005 euro 128.112,77 schadebeding euro 12.811,30 rente pm vergoeding voor gebruik van de benaming "Trappen D'Hondt" euro 25.000,00 onrechtmatige inlassing van voormelde benaming in de Gouden Gids 2004 euro 27.375,00 vergoeding voor afwerving personeel euro 400.000,00 vergoeding voor niet-toegelaten verkoop van eigen deuren euro 100.000,00 méér schadebeding euro 60.875,00 omzetverlies door eenzijdige wijziging leveringstermijnen euro 15.000,00 onrechtmatige verwijdering functionele trappen uit toonzaal euro 50.000,00 méér kosten procedure eenzijdig verzoekschrift en kortgeding euro 779,48 meer diverse bijkomende forfaitaire schadevergoedingen wegens contractuele inbreuken tot beloop van 5.000,00 euro, 2.500,00 euro, 100.000,00 euro en 150.000,00 euro. 2.
- De nv Domino formuleerde een tegenvordering ertoe strekkende : de nv D'Hondt te bevelen om elk gebruik van de vermelding "trappen D'Hondt" of "D'Hondt trappen" alsook elke vermelding van het adres van de nv Domino onmiddellijk te staken op straffe van een dwangsom van 2.500,00 euro per vastgestelde overtreding, de nv D'Hondt te bevelen om binnen de 3 maanden na de betekening van het tussen te komen vonnis aan de nv Domino vrije toegang te verlenen tot het verhuurde gedeelte van de toonzaal te Zaventem zodat deze haar trappen kan verwijderen, op straffe van een dwangsom van 2.500,00 euro per dag vertraging, alsook de nv D'Hondt verbod op te leggen om eigenmachtig trappen van de nv Domino te verwijderen, op straffe van een dwangsom van 25.000,00 euro per trap, de nv D'Hondt te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van 16.620,15 euro voor het wederrechtelijk uitbreken en ontvreemden van trappen uit de toonzaal te Wommelgem, meer de vergoedende intresten vanaf 31/12/2005, de nv D'Hondt te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van 51.224,41 euro voor het wederrechtelijk uitbreken en ontvreemden van trappen uit de toonzaal te Zaventem, meer de vergoedende intresten vanaf 31/12/2005, de nv D'Hondt te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding ex aequo et bono begroot op 12.500,00 euro voor het uitbreken van de verwarmingsinstallatie en de keuken in de toonzaal te Dadizele, de nv D'Hondt te veroordelen tot betaling van een provisionele schadevergoeding van 1,00 euro ingevolge het negeren van de prijsstijging met 8% in oktober 2005 alsook van een provisionele schadevergoeding van 1,00 euro voor de tekortkoming in haar vrijwaringsplicht m.b.t. de stookolietanks in de toonzalen te Zingem en te Dadizele, de nv D'Hondt te bevelen om elke inbreuk op de auteursrechten van de nv Domino wat betreft de afbeeldingen en het trappengamma onmiddellijk te staken op straffe van een dwangsom van 2.500,00 euro per vastgestelde inbreuk, de nv D'Hondt te veroordelen tot de gedingkosten, met inbegrip van een rechtsplegingsvergoeding van 15.000,00 euro. 2.
- De eerste rechter verklaarde de hoofdvordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond : hij veroordeelde de nv Domino tot betaling aan de nv D'Hondt - na wettelijke compensatie - van het bedrag van 28.112,77 euro, te vermeerderen met de conventionele intresten a rato van 10% op jaarbasis op het bedrag van 128.112,77 euro vanaf de respectieve vervaldata van de facturen tot 31/12/2005, en vanaf 31/12/2005 tot de dag der algehele betaling te vermeerderen met de conventionele intresten a rato van 10% per jaar op het bedrag van 28.112,77 euro, vanaf de dagvaarding te aanzien als gerechtelijke intresten, hij veroordeelde de nv Domino om het te Asse gehanteerde logo te conformeren aan haar eigen gedeponeerd logo, en het logo dat zich aan de buitenzijde van de toonzaal bevindt, minstens te voorzien van een gele achtergrond om verwarring te vermijden, en dit onder verbeurte van een dwangsom van 150,00 euro per dag vertraging te rekenen vanaf één maand na de betekening van het vonnis, hij verklaarde de hoofdvordering voor wat betreft de onderdelen die betrekking hebben op "schadevergoeding wegens omzetverlies commissie", "naam en logo", "het gebruik van de benaming trappen D'Hondt", "de Gouden Gids", de "afwerving personeel" en de "ongeoorloofde verwijzing naar deuren", ongegrond, wat de overige onderdelen van de hoofdvordering betreft, met name deze die betrekking hebben op "nog niet gefactureerde commissies", "verkoop van eigen deuren tot 31 december 2005" en "omzetverlies", stelde hij de heer Peter Verschelden als gerechtsdeskundige aan met een opdracht zoals in het bestreden vonnis omschreven en waarvan de bewoordingen hier als herhaald worden aangezien. De tegenvordering werd eveneens ontvankelijk verklaard en gegrond in de hierna bepaalde mate : de nv D'Hondt werd bevolen om elk gebruik van de vermelding "trappen D'Hondt" of "D'Hondt trappen" alsook elk vermelding van het adres van de nv Domino in publicitaire mailings dan wel op enigerlei andere manier onmiddellijk te staken, alvorens verder te beslissen omtrent de gegrondheid van het onderdeel van de tegenvordering dat betrekking heeft op "schade ten gevolge van de niet-toepassing van de prijsstijging", werd eveneens de heer Peter Verschelden als gerechtsdeskundige aangesteld met de opdracht zoals in het bestreden vonnis omschreven en waarvan de bewoordingen hier als herhaald worden beschouwd, met betrekking tot de onderdelen van de tegenvordering die betrekking hebben op "de uitgebroken en niet gerestitueerde trappen", de "verkoop van de opstalrechten", "uitbraak keuken en verwarmingsinstallatie" en de "lekkende stookolietank", werden de debatten ambtshalve heropend teneinde de nv Domino toe te laten deze vorderingen nader toe te lichten. De beslissing omtrent de gedingkosten werd aangehouden en het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, niettegenstaande elk verhaal en zonder borgstelling. 2.
- De nv Domino voelde zich gegriefd en tekende hoger beroep aan. Zij vordert de vernietiging van het vonnis a quo, behalve in zoverre de oorspronkelijke hoofdvordering van de nv D'Hondt reeds gedeeltelijk ongegrond werd verklaard, en de toekenning van haar oorspronkelijke tegenvordering, met veroordeling van de nv D'Hondt tot de geding-kosten van de beide aanleggen, waaronder een rechtsplegings-vergoeding van 15.000 euro per aanleg. Daarnaast vordert de nv Domino in de beroepsakte "Te zeggen voor recht dat er aanleiding is om de zaak overeenkomstig het artikel 735/1066 Ger. W. te weerhouden op de inleidingszitting met betrekking tot de vordering van geïntimeerde voor onbetaalde facturen; Het eerste vonnis reeds te vernietigen in zoverre verzoekster werd veroordeeld tot betaling van een bedrag van 28.112,77 euro in hoofdsom; Te zeggen voor recht dat in afwachting van de behandeling van de zaak in globo, en onder voorbehoud van alle rechten van beide partijen, verzoekster slechts gehouden is ten belope van 16.537,22 euro in hoofdsom (factuur NV D'Hondt dd. 22/12/2005)". De nv D'Hondt aanziet deze vordering van de nv Domino als een vordering tot opschorting van de voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis a quo en vordert de afwijzing ervan als onontvankelijk, minstens ongegrond. In ieder geval vordert zij de afwijzing van de vordering tot provisionele hervorming van het vonnis a quo in de huidige stand van de procedure en vraagt zij het Hof om een conclusiekalender en een rechtsdag te bepalen. In de mate dat het Hof zou menen toch toepassing te kunnen maken van artikel 1066/735 Ger. W., vordert de nv D'Hondt bij incidenteel beroep geformuleerd in haar conclusie neergelegd op 20/10/2009 de nv Domino te veroordelen tot betaling van het in eerste aanleg reeds gevorderde provisioneel bedrag van 58.321,95 euro uit hoofde van achterstallige commissies voor verkopen gerealiseerd tot 31/12/2005, maar door de nv Domino pas uitgevoerd na 31/12/
- Dienaangaande had de eerste rechter een deskundigenonderzoek bevolen zonder toekenning van een provisie. Inmiddels is de nv Domino op 4/9/2009 overgegaan tot betaling "onder alle voorbehoud" in handen van de (raadsman van de ) nv D'Hondt van het bedrag van 22.599,69 euro, samengesteld uit de hoofdsom van 16.537,35 euro meer intresten. Dit wordt door de nv Domino in haar tweede besluiten in hoger beroep neergelegd op 26/10/2009 trouwens uitdrukkelijk bevestigd. II. beoordeling
- Appellante vordert bij toepassing van artikel 1066 Ger. W. de herleiding van de door de eerste rechter uitgesproken veroordeling tot beloop van 28.112,77 euro in hoofdsom naar 16.537,35 euro in hoofdsom, bedrag dat correspondeert met het bedrag van de factuur dd. 22/12/2005 van geïntimeerde die zij erkent tot op heden niet betaald te hebben. 1.
- In de eerste plaats dient gesteld te worden dat - in tegenstelling tot wat geïntimeerde voorhoudt - deze vordering van appellante niet gelijk te stellen is aan een vordering tot schorsing van de voorlopige tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis noch aan een zwarigheid bij de uitvoering ervan. De gevorderde herleiding van de veroordeling, weze het onder voorbehoud van alle rechten en louter ten voorlopige titel - heeft géén enkel uitstaans met de uitvoering van het bestreden vonnis. De argumentatie van geïntimeerde in zover gesteund op de artikelen 1402 en 1498 Ger. W. is dan ook niet aan de orde. Feit is wel dat appellante op 4/9/2009, dit is vier dagen vóór de neerlegging van de beroepsakte ter griffie op 8/9/2009, het bedrag van 16.537,35 euro vermeerderd met de intresten, hetzij 22.599,69 euro, onder voorbehoud van alle rechten in handen van (de raadsman van) de nv D'Hondt heeft betaald. Appellante heeft bijgevolg het bedrag waarvan zij thans haar eigen provisionele veroordeling vordert, reeds voldaan, weze het onder voorbehoud van alle rechten. Dit is vermoedelijk dan ook de reden of minstens één ervan waarom zij de (voorlopige) herleiding vordert van de hoofdsom, waartoe zij door de eerste rechter werd veroordeeld, doch dit impliceert géén schorsing van de voorlopige tenuitvoerlegging noch een zwarigheid bij de gedwongen uitvoering. 1.
- De zaak heeft geen betrekking op één van de gevallen, opgesomd in het tweede lid van artikel 1066 Ger. W. Het eerste lid van dit artikel betreft énkel de zaken waarvoor slechts korte debatten nodig zijn. 1.2.
- Een behandeling met korte debatten wijst niet zozeer op het dringend karakter van een zaak of op de geringe waarde ervan, maar enkel op het feit dat het in principe niet vereist is om schriftelijk middelen aan te voeren of lang te pleiten. Het gaat aldus om eisen die niet voor ernstige betwisting vatbaar zijn of slechts een zeer beperkte betwisting kennen (zie J. LAENENS, K. BROECKX, D. SCHEERS, P. THIRIAR, Handboek Gerechtelijk Recht, tweede editie, Intersentia 2008, nr. 778 p. 372). Behoudens in de gevallen, opgesomd in het tweede lid van artikel 1066 Ger. W. - welke hier niet van toepassing zijn -, kan de rechter in hoger beroep vrij appreciëren of een zaak al dan niet vatbaar is voor korte debatten. In dit verband stelt het Hof vast dat geïntimeerde de vordering tot toekenning van een provisionele veroordeling ernstig betwist om reden dat de toekenning ervan een eindbeslissing in de zin van artikel 19, eerste lid, Ger. W. zou inhouden. Op grond van de navolgende overwegingen kan het Hof geïntimeerde hierin bijtreden. Achter de toekenning in het bestreden vonnis van het bedrag van 28.112,00 euro in hoofdsom gaan immers twee belangrijke beslissingen van de eerste rechter schuil, met name de aanvaarding van het feit dat geïntimeerde op grond van artikel 11 van de overeenkomst van 26/2/2004 contractueel gehouden is tot betaling aan appellante van het bedrag van 100.000,00 euro als vergoeding voor het logo, vervolgens de aanvaarding van de wettelijke compensatie tussen het totaal openstaand factuurbedrag aan achterstallige commissies t/m december 2005 (128.112,00 euro) en de overnamesom van 100.000,00 euro. Een herleiding van het door de eerste rechter toegekende bedrag vereist derhalve een voorafgaande beoordeling ten gronde omtrent de gehoudenheid van geïntimeerde tot betaling van het overnamebedrag en omtrent de hieruit mogelijks voortvloeiende wettelijke compensatie. Welnu, een dergelijke beoordeling overstijgt de perken van een korte debattenprocedure, mede gelet op de ernstige betwistingen ten gronde die geïntimeerde omtrent voormelde punten voor de eerste rechter heeft gevoerd en die zij zinnens is bij wege van een incidenteel beroep ook aan het Hof voor te leggen. Maar er is meer. 1.2.
- Appellante wendt de procedure van de korte debatten aan om een rekenfout in het bestreden vonnis te doen rechtzetten, die erin zou bestaan dat de eerste rechter per vergissing geen rekening heeft gehouden met de btw van 21% op de overnamesom van 100.000,00 euro waardoor het bedrag dat resteerde nà de wettelijke compensatie té hoog was, nl. 28.112,00 euro i.p.v. 7.112,00 euro. Appellante formuleert m.a.w. een vordering tot verbetering van het bestreden vonnis, waarop op grond van navolgende overwegingen niet kan ingegaan worden. 1.2.2.
- Krachtens artikel 795 Ger. W. kan een vordering tot uitlegging of verbetering enkel worden gebracht voor de rechter die de uit te leggen of de te verbeteren beslissing gewezen heeft. De te verbeteren beslissing moet evenwel definitief en in kracht van gewijsde zijn gegaan en mag bijgevolg geen voorwerp (meer) uitmaken van een beroepsprocedure. Ingevolge de (verruimde) devolutieve kracht van het hoger beroep (artikel 1068, eerste lid, Ger. W.) gaat het geschil immers over op de appelrechter met alle feitelijke en juridische vragen die daarmee samenhangen. Van zodra hoger beroep is ingesteld, is het geschil definitief onttrokken aan de rechtsmacht van de eerste rechter. Welnu, aangezien tegen het vonnis a quo hoger beroep werd ingesteld, is het vonnis van de eerste rechter niet definitief en bijgevolg niet vatbaar voor verbetering, ook niet in de huidige stand van de (beroeps)procedure. De al dan niet aanrekening van de btw op de overnamesom - als deze al mocht verschuldigd zijn - was bovendien voorwerp van een betwisting ten gronde, die in de onderhavige beroepsprocedure zal moeten beslecht worden. 1.2.2.
- Ten overvloede, als er al sprake zou zijn van een "rekenfout" in hoofde van de eerste rechter in de zin zoals hoger uiteengezet, strookt een en ander niet met het bedrag waartoe appellante haar eigen veroordeling provisioneel wil herleid zien, nl. 16.537,35 euro i.p.v. 7.112,00 euro.
- In haar "tweede conclusies in hoger beroep" neergelegd op 26/10/2009 vordert appellante de (voorlopige) herleiding van haar veroordeling eveneens bij toepassing van artikel 19, tweede lid, Ger. W. Op grond van artikel 19, tweede lid, Ger. W. kan de rechter, alvorens recht te doen, in elke stand van de rechtspleging, een voorafgaande maatregel bevelen om de vordering te onderzoeken of een tussen-geschil te regelen dat betrekking heeft op een dergelijke maatregel, dan wel de toestand van de partijen voorlopig te regelen. De rechter kan een dergelijke maatregel nemen indien het bestaan van een recht waarop de eiser de gevorderde maatregel steunt voldoende waarschijnlijk is. De rechter mag de rechten van de partijen evenwel niet definitief en onherroepelijk vaststellen (vgl. CASS. 9 september 1982, R.W., 1983-1984, 1338). 2.
- Welnu, de overwegingen hoger uiteengezet onder punt 1.
- van onderhavig arrest met betrekking tot de korte debattenprocedure, zijn ook hier van toepassing : een herleiding, zij het ten voorlopige titel, vereist een beoordeling omtrent de contractuele gehoudenheid van geïntimeerde t.o.v. appellante tot betaling van het overnamebedrag voor het logo, de aanrekening van de btw en de toepassing van de wettelijke compensatie. Dit betekent dat de rechten van de partijen op dit punt wel definitief zouden geregeld worden, wat in strijd is met de aard van de maatregel op grond van artikel 19, tweede lid, Ger. W. 2.
- Bovendien bestaat er omtrent de herkomst van het bedrag van 16.537,35 euro de grootste verwarring. De discussie situeert zich binnen het onderdeel van de oorspronkelijke hoofdvordering dat betrekking heeft op de vóór 31/12/2005 door geïntimeerde aan appellante uitgeschreven commissiefacturen t.b.v. 128.112,77 euro in totaal. De in deze facturen aangerekende commissies (volgens appellante de factuur nr. 1057375 dd. 28/10/2005 uitgezonderd, die evenwel geen voorwerp van discussie is) hebben betrekking op verkopen van trappen door geïntimeerde in naam en voor rekening van appellante gerealiseerd én geleverd vóór de einddatum van de samenwerkingsovereenkomst. De laatste in deze rij onbetaalde facturen is de factuur nr. 1058765 van 22/12/2005 t.b.v. 16.537,35 euro. Reeds voor de eerste rechter hield appellante staande de betaling van deze factuur te hebben uitgesteld bij toepassing van de exceptio non adimpleti contractus (exceptie van niet-uitvoering of de enac). Het resterende deel van de vordering aanzag zij als wettelijk gecompenseerd met haar vaststaande en onbetwiste schuldvordering van 100.000,00 euro op de nv D'Hondt, zijnde de overnamesom van het logo waartoe deze laatste zich verbonden had te betalen (artikel 11 samenwerkingsovereenkomst). Dit klopt evenwel niet helemaal. In de veronderstelling dat op deze 100.000,00 euro de btw aan 21% of 21.000,00 euro moet gerekend worden (zoals appellante voorhoudt), zou dit betekenen dat geïntimeerde eigenlijk nog een bedrag aan appellante verschuldigd zou zijn en niet omgekeerd: uitgaande van het gegeven dat appellante de laatste factuur t.b.v. 16.537,35 euro bij toepassing van de enac onbetaald liet, betekent dit dat het saldo aan onbetaalde facturen van (34.144,75 euro + 15.201,46 euro + 21.807,76 euro + 33.161,45 euro + 7.260,00 euro) 111.575,42 euro zou bedragen, waarna, na toepassing van de door appellante voorgestane wettelijke compensatie t.b.v. 121.000,00 euro, een negatief saldo van 9.424,58 euro zou overblijven ten voordele van appellante. Appellante heeft dit bedrag evenwel nooit gevorderd noch gecompenseerd met de nog openstaande 16.537,35 euro. Appellante heeft m.a.w. met dit bedrag nooit iets gedaan. In haar beroepsbesluiten geeft appellante nu een totaal andere uitleg om te komen tot een bedrag van 16.537,78 euro, waarin het bedrag van de factuur van 22/12/2005 t.b.v. 16.537,35 euro plots niet voorkomt dan slechts zijdelings als deel uitmakende van de reeks nog openstaande commissiefacturen t.b.v. 128.112,00 euro. Appellante zet uiteen dat het bedrag van 16.537,78 euro de som is van 7.112,00 euro + 9.739,00 euro - 315,22 euro en verduidelijkt : het bedrag van 7.112,00 euro is het verschil tussen 128.112,00 euro (totaliteit van de openstaande facturen inclusief de factuur van 22/12/2005 in kwestie) en de via wettelijke compensatie (volgens appellante) in mindering te brengen 121.000,00 euro (100.000,00 euro + 21% btw). Het bedrag van 9.739,00 euro is de som van de bedragen waarvan appellante erkent deze aan geïntimeerde verschuldigd te zijn en het bedrag van 315,22 euro is het bedrag dat appellante aan geïntimeerde heeft overgemaakt op grond van het verslag van de commissaris-bedrijfsrevisor dd. 14/8/2009, na verrekening van alle gefactureerde bedragen aan zowel de nv Domino als aan andere klanten met het litigieuze bedrag van 121.000,00 euro (zie st. 4 bundel appellante). Het voorgaande toont aldus aan dat het noodzakelijk is dat binnen het beperkte kader van de betwistingen inzake de achterstallige commissiefacturen, de hierop al dan niet door te voeren wettelijke compensatie en de door appellante toegepaste exceptio non adimpleti contractus, vooraf een duidelijke afrekening tussen de partijen opgemaakt wordt, mede gelet op de in de beroepsbesluiten door appellante bijkomend verstrekte gegevens afkomstig van haar commissaris-bedrijfsrevisor. Welk bedrag er nog verschuldigd is - 28.112,77 euro (128.112,77 euro - 100.000,00 euro), dan wel 7.112,00 euro, 16.537,35 euro of 16.537,78 euro - is hoogst onduidelijk, temeer appellante de ene keer spreekt van het bedrag van 16.537,35 euro, zijnde het nog openstaand factuurbedrag, en de andere keer van het bedrag van 16.537,78 euro dat het resultaat is van een berekening waarbij ook derden betrokken zijn. Een en ander behoort tot het debat ten gronde en kan niet het voorwerp uitmaken van een voorlopige maatregel. Dit klemt des te meer een beoordeling omtrent de toepassing van de exceptio non adimpleti contractus eveneens een beoordeling inhoudt omtrent de (omvang van de) wanprestatie die aan haar toepassing ten grondslag ligt alsook omtrent de vraag in hoever de exceptie van niet-uitvoering in verhouding staat tot deze wanprestatie. Op grond van artikel 19, tweede lid, Ger. W. faalt de vordering van appellante dus evenzeer.
- In haar conclusie neergelegd op 20/10/2009 vordert geïntimeerde, "in toepassing van art. 735 Ger. W. j° art. 1066 Ger. W. bij incidenteel beroep appellante, geïntimeerde op incidenteel beroep, te veroordelen tot een provisionele vergoeding van euro 58.321,95, onder voorbehoud van betwistingen ten gronde desbetreffend." 3.
- Hoewel geïntimeerde dit in het dispositief van deze conclusie niet expliciet herneemt, formuleert zij deze vordering slechts in ondergeschikte orde. Dit blijkt genoegzaam uit de volgende passage in punt 7 van de conclusie luidende als volgt : "Reden waarom concluante, in de mate het Hof van oordeel zou zijn dat zij de vordering van Domino in het kader van art. 1066 Ger. W./753 Ger. W. kan ontmoeten, op haar beurt op dezelfde grondslag een tegenvordering instelt", deze tegenvordering erin bestaande geïntimeerde een provisioneel bedrag aan achterstallige commissies van 58.321,95 euro te zien toekennen. Aangezien hoger reeds werd besloten dat de vordering van appellante niet kan ingewilligd worden binnen de perken van artikel 1066 Ger. W. - en trouwens ook niet als voorlopige maatregel op grond van artikel 19, tweede lid, Ger. W. - dient op deze tegenvordering van geïntimeerde geformuleerd bij wege van incidenteel beroep eigenlijk niet nader ingegaan te worden. 3.
- Hoe dan ook kan op deze vordering van geïntimeerde überhaupt niet ingegaan worden. Deze vordering, die betrekking heeft op de niet-gefactureerde commissies van verkopen die dateren van vóór 31/12/2005 maar door appellante pas nadien werden uitgevoerd, wordt door appellante ten gronde ernstig betwist. De eerste rechter stelde in dit verband een gerechtsdeskundige aan doch deze onderzoeksmaatregel strekt énkel tot het opmaken van een afrekening tussen de partijen. Aan deze beslissing ging reeds een beoordeling ten gronde vooraf waarin de eerste rechter, in strijd met het verweer van appellante, besloot dat geïntimeerde op deze commissies wel degelijk gerechtigd was, althans in de mate dat de orders door deze laatste werden aangebracht. Aan de hand van de voorgebrachte stukken kon alleen de omvang van deze commissies niet vastgesteld worden. Het hoger beroep van appellante is mede gericht tegen het opleggen van deze onderzoeksmaatregel omdat zij evenals voor de eerste rechter van oordeel is dat geïntimeerde hierop niet gerechtigd is (zie beroepsakte punt IV. 2, randnummer 18). Er kan bijgevolg geen provisie toegekend worden, aangezien, gelet op de hangende betwistingen, vooraf de aanspraken van geïntimeerde moeten onderzocht worden en dit vereist een beoordeling ten gronde welke buiten het bestek van artikel 19, tweede lid, Ger. W. valt. Thans een provisie toekennen zou immers neerkomen op het reeds definitief en onherroepelijk vastleggen van de aanspraken van geïntimeerde, ook al kan de omvang ervan nog niet met zekerheid bepaald worden. OP DEZE GRONDEN HET HOF, rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, Zegt voor recht dat de vordering van appellante niet kan toegestaan worden in het kader van de procedure van korte debatten in toepassing van artikel 1066 Ger. W. noch als voorlopige maatregel in de zin van artikel 19, tweede lid, Ger. W. Zegt voor recht dat de tegenvordering van geïntimeerde tot het bekomen van een provisie op de niet-gefactureerde provisies evenmin kan toegestaan worden als voorlopige maatregel in de zin van artikel 19, tweede lid, Ger. W. En toepassing makend van artikel 1068, eerste lid, van het gerechtelijk wetboek; Bepaalt de rechtsdag voor de behandeling van de zaak ten gronde op woensdag 4 januari 2012 om 14 uur voor de twaalfde kamer van het Hof van Beroep te Gent (pleitduur : 120 minuten). Bepaalt de conclusietermijnen als volgt : voor geïntimeerde : tegen uiterlijk 30 april 2010 voor appellante : tegen uiterlijk 6 september 2010 voor geïntimeerde : tegen uiterlijk 29 december 2010 voor appellante : tegen uiterlijk 31 mei 2011 voor geïntimeerde : tegen uiterlijk 17 oktober 2011 Zegt dat de laatste conclusies van een partij de vorm aannemen van syntheseconclusies. Houdt alle verdere beslissingen alsook de uitspraak omtrent de kosten aan. Aldus gewezen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof van Beroep te Gent, de 12e kamer, rechtdoende in burgerlijke zaken, op heden 25-11-
- Aanwezig: - A. Van de Putte, raadsheer, waarnemend voorzitter ; - E. Dursin, raadsheer; - G. Danneels, raadsheer; - B. De Wilde, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div