← België

ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20091126.17

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 26 november 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20091126.17 Rolnummer: 2006-AR-1769 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2011-11-10 Raadplegingen: 232 - laatst gezien 2026-07-02 20:41 Fiche In zijn beoordeling van een weigering om een huwelijk te voltrekken, oefent de rechter zijn rechtsmacht over die beslissing volledig uit en is hij niet beperkt tot een wettigheidscontrole (cf Cass 13-04-2007). De rechter mag tevens rekening houden met feiten die zich hebben voorgedaan na de huwelijksweigering. Een vrijwillige tussenkomst van de feitelijk samenwonende partner die mee de weigeringsbeslissing bestrijdt, is ontvankelijk. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - HUWELIJK - Voorwaarden - Schijnhuwelijk Vrije woorden: Huwelijk - schijnhuwelijk - ambtenaar burgerlijke stand - weigering voltrekking - motivering - rechterlijke controle - vrijwillige tussenkomst - art. 167 BW Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 11de quater Kamer ________ Terechtzitting van 26 november 2009 ________ beroep weigering huwelijk art. 167, 6de lid B.W. ________ TUSSENARREST (verzoek aan OM aanvullende inlichtingen in te winnen + verdere behandeling op 28.01.2010 te 14.50u) ________ 2006/AR/1769 - In de zaak van:

  1. V....... D........... F........., zelfstandige, wonende te .................., eerste appellant,
  2. R........... S......., wonende te ............................., tweede appellante, appellanten hebbende als raadsman mr. RENODEYN Mario, advocaat te 8000 BRUGGE, Leopold II laan 33/0302, tegen: DE AMBTENAAR VAN DE BURGERLIJKE STAND VAN DE GEMEENTE DE HAAN, gevestigd te 8420 DE HAAN, Leopoldlaan 24, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. STUBBE Koenraad, advocaat te 8200 SINT-ANDRIES, Legeweg 377, velt het hof het volgend arrest:
  3. 1.
  4. De appellanten hebben bij verzoekschrift, op 7 juli 2006 neergelegd ter griffie van dit hof, hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van 28 juni 2006, gewezen door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, zetelend zoals in kort geding. De eerste rechter oordeelde: - over het beroep dat appellant bij dagvaarding van 22 maart 2006 instelde (overeenkomstig art. 167, laatste lid B.W.) tegen de op 11 maart 2006 genomen weigeringbeslissing van de geintimeerde om over te gaan tot de voltrekking van hun huwelijk; - over de eis van appellante om de genoemde beslissing teniet te doen zoals gevorderd in een verzoekschrift tot vrijwillige tus-senkomst. Hij zegde dat het verzoek van appellante onontvankelijk was en wees de vordering van appellant af als ongegrond. Het hoger beroep strekt ertoe de bestreden beschikking teniet te doen en opnieuw wijzende te beslissen: - dat de vordering van appellanten ontvankelijk en gegrond is; - dat de bestreden beslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de Gemeente De Haan d.d. 10 maart 2006 teniet wordt gedaan; - dat de genoemde ambtenaar van de burgerlijke stand ertoe gehouden is binnen de 7 dagen na betekening van het tussen te komen arrest, het huwelijk tussen appellanten te voltrekken, en dit alles onder verbeurte van 1.000 EUR per dag vertraging na het verstrijken van voormelde termijn van 7 dagen; - dat geïntimeerde wordt veroordeeld tot de kosten van het geding. Appellanten hebben hun middelen uiteengezet in hun conclusies, die zij tijdig neerlegden op 28 mei
  5. Ingevolge artikel 748bis Ger.W. worden deze conclusies gezien als syntheseconclusies, die voor de toepassing van artikel 780, eerste lid, 3° Ger.W. de gedinginleidende akte en alle vorige conclusies vervangen. Door appellanten werd een stukkenbundel neergelegd ter zitting. 1.
  6. Geïntimeerde vraagt dat het hoger beroep zou worden ongegrond verklaard. Geïntimeerde heeft zijn middelen uiteengezet in zijn conclusies, die hij tijdig neerlegde op 23 maart
  7. Ingevolge artikel 748bis Ger.W. worden deze conclusies gezien als syntheseconclusies, die voor de toepassing van artikel 780, eerste lid, 3° Ger.W. alle vorige conclusies vervangen. Door geïntimeerde werd een stukkenbundel (met één stuk) neergelegd ter zitting. 1.
  8. De partijen werden in openbare terechtzitting gehoord in hun middelen en conclusies. Substituut-procureur-generaal Herman Daens werd gehoord in zijn, gelet op de omstandigheden van de zaak, mondeling uitgebracht advies. De partijen zagen af van hun recht tot het formuleren van opmerkingen op dat advies. Zowel de neergelegde conclusies als de overgelegde stukken werden ingezien.
  9. 2.
  10. De akte van aangifte van huwelijk werd door geïntimeerde opgemaakt op 18 januari 2006 met het oog op het sluiten van een huwelijk op 20 maart
  11. Bij de aangifte werd aan appellanten meegedeeld dat door geïntimeerde advies zou ingewonnen worden bij de procureur des Konings (zie de weigeringsbeslissing). Met het oog op het verlenen van het advies heeft de procureur des Konings een politioneel onderzoek laten verrichten. Daaruit blijkt dat volgende informatie werd verkregen van de Dienst Vreemdelingenzaken: "Betrokkene (R...... S.......) heeft op 14/12/2005 een visum kort verblijf aangevraagd. Het betrof hier een visum met het oog op het afsluiten van een huwelijk in België. Op 04/01/2006 werden hiervoor gunstige instructies overgemaakt. Mevrouw is dan in België toegekomen op 15/01/2006 en werd in het bezit gesteld van een aankomstverklaring geldig tot 14/04/2006". Op 2 februari 2006 werden appellanten afzonderlijk verhoord. S....... R........ is van Marokkaanse nationaliteit. Ze is in Marokko geboren op 19/04/
  12. Zij was in het jaar 2000 gehuwd met een Marokkaan met wie ze slechts 3 maanden is samen geweest en van wie ze is gescheiden. F.......... V....... D.........l is van Belgische nationaliteit. Hij is geboren op 06/09/
  13. Hij is twee maal gehuwd geweest. Hij heeft een halfbroer A.....V...... (geboren op 18.07.1965), die eerst gehuwd was met een Belgische vrouw van Marokkaanse afkomst welke gestorven is. Uit dat huwelijk heeft hij twee kinderen. Hij is op 28 januari 2005 opnieuw gehuwd met A...... E......, die de Marokkaanse nationaliteit heeft. Uit dit huwelijk is begin 2006 een kindje geboren. Omdat zijn halfbroer zegde dat hij met zijn Marokkaanse echtgenote nooit de problemen meemaakte die hem met zijn Belgische vrouwen zijn overkomen, was appellant op zeker ogenblik gewonnen voor het idee om te huwen met S..... R..... die hij nog niet kende maar die haar werd voorgesteld door A...... E....... en die een nicht van deze laatste bleek te zijn. Nadat S....... R....... een foto had gezien van F...... V..... D...... en hem aan de telefoon had gesproken, heeft ze haar ouders gesproken over een eventueel huwelijk en vernam ze dat ze zelf mocht beslissen. In augustus 2005 is appellant dan naar Marokko gereisd, waar hij 14 dagen verbleef in de woning van de ouders van S...... R......... Hij kreeg toen de toestemming om te huwen. Hij heeft S........ R....... dan ook beter leren kennen. In november 2005 is hij opnieuw voor 14 dagen naar Marokko geweest. Hij heeft er verder het huwelijk geregeld en contact gehad met de familie d.w.z. dat hij haar broers, zusters, ouders en enkele tantes heeft leren kennen. 2.
  14. Op 3 maart 2006 heeft de procureur des Konings de ambtenaar van de burgerlijke stand een kopie bezorgd van de processen-verbaal die opgemaakt waren in het kader van het politioneel onderzoek en heeft hij gewezen op een aantal niet onbelangrijke vaststellingen die hem deden besluiten tot een ongunstig advies aangaande het geplande huwelijk. Op 10 maart 2006 werden appellanten en de procureur des Konings in kennis gesteld van de beslissing van geïntimeerde om het huwelijk niet te voltrekken. De beslissing is gemotiveerd als volgt: "Gelet op de richtlijnen die algemeen werden verstrekt aan de ambtenaar van de burgerlijke stand ter voorkoming van zogenaamde schijnhuwelijken en op de richtlijnen die de heer F.......V....... D........, 1e Subsituut/Procureur des Konings te Brugge op 3 juni 2004 heeft verstrekt aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van het rechterlijk gebied te Brugge; Gelet op het verzoek tot advies d.d. 27.01.2006 die wij aan de heer F.....Van D....... 1e Subsituut/Procureur des Konings te Brugge hebben gevraagd zoals U mondeling werd meegedeeld bij het opstellen van de aangifte van huwelijk; Gelet op de brief d.d. 24.01.2006, die wij aan de dienst Vreemdelingenzaken te Brussel hebben gericht om de huwelijksinzichten van de trouwkandidaten mede te delen teneinde bijkomend advies te verstrekken aan de Procureur des Konings te Brugge; Gelet op de fax die wij op 6 maart 2006 van het ambt van de heer F..... V.... D.... 1e Substituut/Procureur des Konings te Brugge ontvingen waarbij hij, gelet op de hiernavermelde vaststellingen, het geplande huwelijk ongunstig adviseert: "hier werden de punten 1° 2° 3° 4° 5° 6° uit het advies geciteerd" Gelet op de artikelen 146bis en 167 eerste lid van het burgerlijk wetboek en de actieve rol die aan de ambtenaar van de burgerlijke stand is toegewezen teneinde zogenaamde schijnhuwelijken te beteugelen; Gelet op de ministeriële omzendbrief van 17 december 1999 betreffende de wet van 4 mei 1999 tot wijziging van een aantal bepalingen betreffende het huwelijk waarbij o.m. de factoren zijn opgesomd die een ernstige aanduiding vormen dat het om een schijnhuwelijk zou gaan en er bovendien wordt vermeld dat een combinatie van verschillende factoren dienen aanwezig te zijn om een vermeend schijnhuwelijk te insinueren. Beslist mijn ambt dat wij het toekomstig huwelijk tussen u beiden niet zullen voltrekken. "
  15. 3.
  16. De eerste rechter oordeelde dat de vrijwillige tussenkomst van S........ R......... ertoe strekte beroep aan te tekenen tegen de weigeringsbeslissing en dat dit diende te gebeuren bij dag-vaarding. Aldus verklaarde hij het verzoek tot vrijwillige tussenkomst onontvankelijk. 3.
  17. De eerste rechter heeft de redenen uiteengezet waarom hij zich beperkte tot het onderzoek of en de vaststelling dat de ambtenaar van de burgerlijke stand zijn weigeringsbeslissing afdoende heeft gemotiveerd en heeft voldaan aan zijn motiveringsplicht. Hij besloot dat de omstandigheden waar de ambtenaar naar verwees in zijn beslissing, nl. de motieven 1 tot en met 6, samen bepaalde, gewichtige en overeenstemmende vermoedens vormen waaruit kon worden afgeleid dat het voorgenomen huwelijk van F........ V.......D...... en S....... R...... kennelijk niet was gericht op het tot stand brengen van een duurzame levensgemeenschap maar enkel aangewend werd om een verblijfsrechtelijk voordeel, dat is verbonden aan de staat van de gehuwde, te bekomen voor S........ R......... De eerste rechter had volgende zienswijze. Het komt de rechter toe de beslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand enkel te toetsen zegge na te gaan of deze ‘afdoende gemotiveerd' is en/of of deze (rekening houdende met de omstandigheden) al dan niet kennelijk onredelijk is. Een en ander laat hem niet toe zelf, in de plaats van de ambtenaar, een toepassing te maken van de (wettelijke) beginselen op het concrete geval. De beslissing van de ambtenaar van de burgerlijke stand moet worden beoordeeld in functie van de gegevens zoals die op dat ogenblik werden voorgebracht bij de ambtenaar. Andere, door eender wie, aangebrachte (positieve en/of negatieve in aanmerking te nemen) elementen/feiten/omstandigheden (en eventuele stukken) die niet voorhanden waren op het ogenblik van de weigeringsbeslissing, dienen aldus buiten beschouwing te blijven. De ambtenaar van de burgerlijke stand heeft een door de wet ingestelde bevoegdheid om al dan niet te weigeren het huwelijk te voltrekken. Hij heeft terzake een autonome beslissingsmacht. Het betreft een aangelegenheid waarvoor de ambtenaar van de burgerlijke stand op uitsluitende wijze bevoegd is en zelfs persoonlijk aansprakelijk is.
  18. Het was S...... R.....krachtens artikel 15 Ger.W. toegelaten vrijwillig tussen te komen. Als vrijwillig tussenkomende partij bestrijdt ze ook de weigeringsbeslissing hetgeen ze kan doen krachtens artikel 167 6de lid B.W.. Nadat F...... V..... D...... een hoofdvordering had ingesteld bij dagvaarding overeenkomstig de algemene regel van artikel 700 Ger.W., heeft S...... R........ haar verhaal tegen de weigeringsbeslissing aanhangig gemaakt middels het verzoekschrift: er bestaat geen grond om te besluiten dat de rechtsingang gebeurde op een wijze dat er een onontvankelijkheid moet vastgesteld worden.
  19. 5.
  20. Appellanten vechten de beslissing van geïntimeerde aan op twee vlakken. Vooreerst stellen zij dat er niet werd voldaan aan de vereisten van motivering en dat de beslissing derhalve onwettig is. Vervolgens ten gronde betwisten zij dat er sprake is van een schijnhuwelijk. In dat verband hebben ze ook gewezen op het feit dat sedert de aanvang van de procedure inmiddels 3 jaren zijn verstreken en dat ze nog altijd samen wonen en een fei-telijk gezin vormen. Ze wijzen op de kinderwens die ze hebben maar niet konden in vervulling laten gaan omdat ze medische bijstand nodig hebben waarvan de kosten te hoog oplopen. 5.
  21. Sinds de bestreden beschikking is gewezen, is er op 13 april 2007 een arrest gewezen door het Hof van Cassatie aangaande enkele punten waarover de rechtspraak tot dan toe verdeeld was. Een eerste punt betrof de draagwijdte van de rechterlijke controle op de beslissing tot weigering van de ambtenaar van de burgerlijke stand: is de in dit kader gevatte rechter louter belast met een wettigheidstoezicht in de zin van artikel 159 van de Grondwet of heeft hij daarentegen ook de bevoegdheid om de opportuniteit van de beslissing te beoordelen? De eerste rechter volgde de rechtspraak die zegde dat de rechter slechts een marginale controlebevoegdheid heeft. De andere strekking in de rechtspraak zegde dat de rechter de volle bevoegdheid heeft om ten gronde te oordelen of er in casu al dan niet sprake is van een schijnhuwelijk. Het Hof van Cassatie oordeelde in zijn arrest van 13 april 2007 als volgt: "art 167 eerste lid B.W. verleent aan de ambtenaar van de burgerlijke stand geen discretionaire beoordelingsbevoegdheid met betrekking tot de voorwaarden waaronder de voltrekking van het huwelijk kan worden geweigerd. Gelet op de fundamentele aard van het recht op een huwelijk aan te gaan (zoals gewaarborgd door art. 12 E.V.R.M. en erkend door art. 143 B.W.) en gelet op het gebonden karakter van de bevoegdheid van de ambtenaar van de burgerlijke stand, is het toezicht van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg die de weigering om het huwelijk te voltrekken beoordeelt, niet beperkt tot een controle op de wettigheid van de weigeringsbeslissing van de ambtenaar, maar oefent de rechter zijn rechtsmacht over die beslissing volledig uit. Alles wat tot de beoordelingsbevoegdheid van de ambtenaar behoort, wordt onderworpen aan het toezicht van de rechter, mits het recht van verdediging geëerbiedigd wordt." Een tweede punt was de vraag of de rechter bij zijn beoordeling rekening kan houden met feiten die zich hebben voorgedaan na de huwelijksweigering. Volgens een eerste strekking moet de rechter de weigeringsbeslissing beoordelen in functie van de gegevens zoals die op dat ogenblik werden voorgebracht bij die ambtenaar. De eerste rechter volgde die strekking. Volgens een andere strekking kan wel degelijk rekening worden gehouden met de elementen die na de beslissing tot weigering zijn opgedoken. Het Hof van Cassatie overwoog dat de rechter uitspraak moest doen over het recht van de betrokkenen om een huwelijk aan te gaan en te laten voltrekken door de ambtenaar van de burgerlijke stand en daartoe, in voorkomend geval, moet beoordelen aan de hand van alle hem voorgelegde feitelijke gegevens, of het voorgenomen huwelijk geen schijnhuwelijk is. Het Hof oordeelde met zoveel woorden : "daarbij kan hij ook rekening houden met de feitelijke gegevens die dateren van na de weigeringsbeslissing of die pas na die beslissing bekend werden." Het komt het hof aangewezen voor: - dat de informatie die door de Politiezone Bredene werd aangebracht om te voldoen aan de schriftelijke vraag van de procureur des Konings d.d. 26 januari 2006 zou worden geactualiseerd, zodat zou kunnen uitgemaakt worden hoe de partijen sinds vorig onderzoek samen hebben gewoond en geleefd en of ze in de sociale omgang werden gezien als levenspartners met de intentie om te huwen; - dat partijen standpunt innemen aangaande de mogelijkheid voor het hof om over de weigeringsbeslissing een volledige rechtsmacht uit te oefenen waarbij ook rekening wordt gehouden met gegevens en omstandigheden die dateren van na de weigeringsbeslissing. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; verklaart het hoger beroep ontvankelijk en reeds in bepaalde mate gegrond; doet reeds de bestreden beschikking teniet in zover daarin uitspraak werd gedaan over de vordering van S....... R........; en daaromtrent opnieuw recht doende: zegt dat de vrijwillige tussenkomst en de vordering van S......R.......... ontvankelijk is; alvorens verder te oordelen: verzoekt het openbaar ministerie aanvullende inlichtingen in te winnen over de levenssituatie van de appellanten sinds het onderzoek ingevolge de schriftelijke vraag van de procureur des Konings d.d. 26 januari 2006, hetgeen veronderstelt dat ze afzonderlijk verhoord worden om te weten of ze sindsdien samen wonen en samen leven met de intentie om door een huwelijk een duurzame levensgemeenschap tot stand te brengen en dat tevens familie, vrienden, buren of kennissen worden verhoord om te vernemen of ze in de sociale omgang werden gezien als levenspartners met de intentie om te huwen; nodigt partijen uit om hun standpunt te bepalen zoals gezegd sub 5.
  22. in fine; stelt de zaak vast op de openbare terechtzitting van donderdag 28 januari 2010 om 14.50 uur, om alsdan met inachtneming van het ogenblik waarop de nieuwe informatie gevoegd zal zijn, of zal worden, conclusietermijnen te bepalen of zo mogelijk de partijen opnieuw te horen indien de zaak volledig zou in staat gesteld zijn; reserveert de uitspraak over de kosten. Aldus gewezen door de elfde quater kamer van het Hof van beroep te Gent, zetelend in burgerlijke zaken, samengesteld uit: de heer Patrick De Buck kamervoorzitter; de heer Stefaan Oplinus kamervoorzitter; mevrouw Sabine De Bauw raadsheer; en uitgesproken in openbare terechtzitting door de heer kamer-voorzitter Patrick De Buck op zesentwintig november tweeduizend en negen, bijgestaan door Lodewijk Langelet, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.