← België

ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20091201.6

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 01 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20091201.6 Rolnummer: 2008/AR/2301 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2010-03-12 Raadplegingen: 97 - laatst gezien 2026-07-02 20:43 Fiche 1.Vonnissen kunnen alleen worden vernietigd door de rechtsmiddelen bij de wet bepaald voor de daartoe bevoegde appelrechter. Middelen van nietigheid tegen een vonnis kunnen niet worden opgeworpen in het kader van een executiegeschil omtrent de tenuitvoerlegging van een andere rechterlijke beslissing. 2.De beslagrechter kan slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden de gedwongen tenuitvoerlegging schorsen van een uitvoerbare rechterlijke beslissing, hetzij wanneer er sprake is van een manifest misbruik van executierechten, hetzij wanneer er ernstige betwisting rijst omtrent de draagwijdte van de uitvoerbare titel, hetzij wanneer de uitvoerbare titel niet langer actueel of doeltreffend is. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BESLAG EN EXECUTIE - Algemeen (beslag en executie) Vrije woorden: 1. Beslag- en executierecht - nietigverklaring vonnis - hoger beroep 2. Beslag en executierecht - Gedwongen tenuitvoerlegging - uitvoerbaar vonnis - schorsing Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 14b Kamer ________ Terechtzitting van 1 december 2009 ________ 2008/AR/2301 - In de zaak van : S. G., h., wonende te .............................., appellant, verschijnend in persoon tegen: Mter.J. B., met kantoor te ..............., optredend in zijn hoedanigheid van curator over de faillissementen van : -N.V. MABO, met zetel te Zoersel, Beukenlaan 61, -wijlen de heer D. C., laatst ................ -N.V. GAMMA EUROFOODS, met zetel te Aartselaar, Antwerpsesteenweg 19 geïntimeerde, in persoon q.q. Wijst het Hof volgend arrest: Het Hof nam kennis van de op 21 mei 2008 door de beslagrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Veurne verleende beschikking, waartegen appellant, met zijn op 8 september 2008 ter griffie neergelegd verzoekschrift, tijdig en op regelmatige wijze hoger beroep heeft ingesteld. De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting en de neergelegde conclusies en stukken werden ingezien. Artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werd in acht genomen. I. Voorgaanden 1.1. Huidig executiegeschil kadert in een procedurestrijd die appellant sedert 2007 voert tegen twee vonnissen van de rechtbank van koophandel te Antwerpen, die reeds dateren van 21 maart 1994 en waarbij geïntimeerde aangesteld werd als curator van het faillissement N.V. MABO enerzijds, en van de faillissementen van wijlen C.D. en van de N.V. GAMMA EUROFOODS anderzijds, in vervanging van appellant. Uit de stukken blijkt dat er tegen appellant na zijn vervanging in deze verschillende faillissementen vooreerst een strafrechtelijke procedure werd gevoerd. Appellant werd beticht van verschillende zware faillissementsmisdrijven waaraan hij zich als curator schuldig zou hebben gemaakt in de failissementen van N.V. GAMMA EUROFOODS en wijlen C. D.. Dit heeft eerst geleid tot het vonnis van 17 december 2004 van de correctionele rechtbank te Antwerpen, waarbij de tenlasteleggingen nagenoeg allemaal bewezen werden verklaard en appellant op strafrechtelijk vlak veroordeeld werd. Aan geïntimeerde werd als burgerlijke partij een bedrag toegekend van respectievelijk 5.789,48 EUR en 11.795,72 EUR (bundel III geïntimeerde). In hoger beroep werd bij arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 16 oktober 2006 op strafrechtelijk gebied de verjaring vastgesteld, terwijl het vonnis op burgerlijk gebied werd bevestigd. 1.2. Appellant heeft destijds na de uitspraak van de vonnissen in maart 1994, waarbij in zijn vervanging als curator werd voorzien, zelf nooit enige betwisting geuit omtrent zijn vervanging en beloofde te zullen meewerken aan de uitvoering ervan, zoals blijkt uit de briefwisseling die in die periode werd gevoerd tussen partijen. Daarin bevestigt appellant de dossiers per drager aan geïntimeerde te zullen afgeven en mee te werken aan het opstellen van een tussentijdse afrekening (stukken 4, 6, 9, 10 en 12 geïntimeerde). Pas 13 jaar na de vonnissen van 21 maart 1994, heeft appellant bij dagvaarding dd.19 juli 2007 derdenverzet aangetekend tegen deze vonnissen bij de rechtbank van koophandel te Antwerpen. In het exploot van derdenverzet vecht appellant het vonnis aan op grond van een beweerde schending door dit vonnis van de bepalingen van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, afgekort als het E.V.R.M., in het bijzonder deze die het recht van verdediging waarborgen. Het derdenverzet van appellant werd bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Antwerpen dd.30 augustus 2007 als ontoelaatbaar afgewezen. Het vonnis werd betekend op 24 oktober 2007 en is definitief (bundel IV geïntimeerde). 1.3. Toen geïntimeerde overging tot de gedwongen tenuitvoer-legging van het voornoemde arrest van het Hof te Antwerpen van 16 oktober 2006 heeft appellant hiertegen op 3 oktober 2007 verzet aangetekend bij de Beslagrechter te Veurne. Het verzet strekte ertoe aan geïntimeerde verbod op te leggen over te gaan tot de tenuitvoerlegging van het arrest van het Hof te Antwerpen van 16 oktober 2006, zolang de hoedanigheid van curator van geïntimeerde niet definitief vaststaat krachtens een in kracht van gewijsde getreden beslissing in de faillissementen van N.V. MABO, wijlen C. D. en de N.V. GAMMA EUROFOODS, onder verbeurte van een dwangsom van 1.000 EUR per kalenderdag. Het verzet van appellant werd afgewezen als ongegrond in de thans voor dit Hof bestreden beschikking van 21 mei 2008, die wordt geacht op tegenspraak te zijn gewezen. 1.4. Naast het arrest van 16.10.2006, waarvan de executie thans ter discussie staat, is appellant in het kader van het faillissement van de N.V. MABO, op verzoek van geïntimeerde bij vonnis dd.21 januari 2008 nog veroordeeld tot betaling van nog een bedrag van 171.472,55 EUR, te vermeerderen met de intresten aan het tarief van de Deposito- en Consignatiekas vanaf 17 oktober 2006 op een bedrag van 150.446,15 EUR (bundel II geïntimeerde). Het verweer van appellant dat hij niets meer verschuldigd is om reden dat hij noq recht zou hebben op een terugbetaling van kosten en een ereloon werd niet ingewilligd. Het vonnis werd betekend en appellant stelde hiertegen hoger beroep in op 30 april 2008. Bij arrest van 26 februari 2009 heeft het Hof van Beroep in Antwerpen het veroordelend vonnis van 21 januari 2008 in al zijn onderdelen bevestigd. Bij dit arrest werd ook het hoger beroep ontoelaatbaar verklaard dat appellant had ingesteld tegen het vonnis van 21 maart 1994, inzoverre het voorzag in zijn vervanging als curator in het faillissement van N.V. MABO (bundel VI geïntimeerde). II. Hoger beroep Het hoger beroep van appellant strekt ertoe: - enerzijds de beschikking van de beslagrechter te Veurne dd.21 mei 2008 te vernietigen en opnieuw recht doende te statueren dat de vordering, uiteengezet in de inleidende dagvaarding van 3 oktober 2007, gegrond is en aan geïntimeerde verbod op te leggen om over te gaan tot tenuitvoerlegging van het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen dd.16 oktober 2006 en bij uitbreiding het vonnis van de rechtbank van koophandel te Antwerpen van 30 augustus 2007, zolang zijn hoedanigheid van curator niet vaststaat krachtens een in kracht van gewijsde getreden beslissing in de aangehaalde faillissementen, onder verbeurte van een dwangsom van 25.000 EUR per beslag en 1.000 EUR per kalenderdag tot aan de opheffing van het beslag; - anderzijds de vonnissen van de elfde kamer van de rechtbank van koophandel te Antwerpen dd.21 maart 1994 nietig te verklaren, waarbij het mandaat van appellant als curator van de faling van wijlen C. D. en van de N.V. GAMMA EUROFOODS beëindigd werd en geïntimeerde als vervanger werd aangesteld. Bij conclusie neergelegd ter griffie op 2 maart 2009 vraagt appellante bijkomend nog te zeggen voor recht dat de dwangsom verbeurd is door het proces-verbaal van uitvoerend beslag van gerechtsdeurwaarder Paul Van Nieuwenhuyse te Veurne dd.29 augustus 2008 enerzijds ten bedrage van 25.000 EUR en anderzijds te verhogen met 1.000 EUR per dag ingaand op 30 augustus 2008 tot de opheffing van het beslag en de verwijdering van het beslag in de beslagberichten gehouden in de rechtbank van eerste aanleg te Veurne. Appellant vraagt het voornoemde beslag opgeheven te verklaren en appellant te machtigen het beslag te doen verwijderen uit de berichten van het beslag. Geïntimeerde vraagt de afwijzing van het hoger beroep als ontoelaatbaar, minstens als ongegrond en bij tegenvordering de veroordeling van appellant wegens tergend en roekeloos hoger beroep tot een schadevergoeding van 10.000 EUR. III. Beoordeling

  1. a)Wat betreft de kwalificatie van de bestreden beschikking 3.1. Appellant werpt op dat de bestreden beschikking ten onrechte vermeldt ten aanzien van hem als "op tegenspraak" te zijn gewezen. Hij wijst erop: - dat hij bij brief aan de beslagrechter heeft gemeld dat hij akkoord ging met de conclusietermijnen, zoals voorgesteld door geïntimeerde; - dat hij niet in persoon aanwezig is geweest op de inleidende zitting, noch op een latere zitting, omdat hij niet op de hoogte was gebracht van de pleitdatum die niet aan zijn woonplaats ter kennis was gebracht, maar aan een adres dat appellant reeds meer dan vier jaar had verlaten. Uit de voorgelegde stukken blijkt dat appellant in de procedure voor de eerste rechter, die werd ingeleid op zijn verzoek, zelf verzocht om de bepaling van conclusietermijnen en een rechtsdag en - ondanks de kennisgeving van de beslissing aan het vorig kantooradres van appellant - wel degelijk kennis heeft gekregen van deze beslissing, waarin de gevraagde conclusiekalender werd bekrachtigd en een rechtsdag werd bepaald op de zitting van 23.01.2008, nu hij zijn eerste en tweede conclusie telkens op de laatste dag van de hem verleende conclusietermijn ter griffie heeft neergelegd. Dat appellant niet is verschenen op de vastgestelde rechtsdag van 23 januari 2008, noch op de daarop volgende rechtsdagen waarop de zaak werd verdaagd, doet niets af aan het feit dat de beschikking terecht op tegenspraak werd gewezen Ook al is appellant niet verschenen op de inleidende of een latere zitting, toch heeft hij zijn tussenkomst gemeld en tijdig conclusies genomen, zodat de eerste rechter volkomen terecht een beschikking kon wijzen, die ten aanzien van appellant op tegenspraak is. Er is in deze omstandigheden hoegenaamd geen sprake van het verlies van een aanleg of een schending van artikel 6 E.V.R.M. Beide partijen kregen kennis van de beschikking waarbij het verzoek van appellant tot vaststelling van conclusietermijnen werd bekrachtigd en de eerste rechter heeft kennis genomen van de conclusies die appellant in het kader van deze conclusiekalender heeft neergelegd.
  2. b)Wat betreft de toelaatbaarheid van het hoger beroep, voor zover het de nietigverklaring beoogt van de vonnissen van de rechtbank van Koophandel te Antwerpen dd.21 maart 1994 3.2. Het voorwerp van het executiegeschil, waarover de beslagrechter te Veurne uitspraak heeft gedaan in de bestreden beschikking van 21 mei 2008, en waarover het Hof zich thans opnieuw moet uitspreken, is het verzet dat appellant bij exploot van 3 oktober 2007 heeft aangetekend tegen de gedwongen tenuitvoerlegging van een arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen, vijftiende kamer, van 16 oktober 2006. Zoals blijkt uit zijn verzetsakte dd.3 oktober 2007, strekt de oorspronkelijke vordering in verzet van appellant ertoe aan geïntimeerde verbod op te leggen over te gaan tot tenuitvoerlegging van het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 16 oktober 2006, zolang zijn hoedanigheid van curator niet vaststaat krachtens een in kracht van gewijsde getreden beslissing in de faillissementen van de N.V. MABO, wijlen heer D. C. en de N.V. GAMMA EURO-FOODS, en dit onder verbeurte van een dwangsom van 25.000 EUR bij gebeurlijk beslag, te vermeerderen met een dwangsom van 1.000 EUR per kalenderdag tot aan de opheffing van het beslag. Appellant beoogt met zijn verzet de schorsing van de executie van een uitvoerbare titel, meer bepaald het arrest van het Hof te Antwerpen van 16 oktober 2006, waarbij hij op burgerrechtelijk vlak veroordeeld werd tot betaling van een bedrag aan geïntimeerde. Voor het eerst in hoger beroep vraagt appellant de nietigverklaring van de twee vonnissen van de 11e kamer van de rechtbank van koophandel te Antwerpen dd.21 maart 1994, waarbij in zijn vervanging werd voorzien in de faillissementen van wijlen C. D. en de N.V. GAMMA EUROFOODS, wegens beweerde schending van zijn fundamentele rechten van verdediging, zoals gewaarborgd door het E.V.R.M. In de faling van de N.V. MABO heeft appellant een afzonderlijke beroepsprocedure aanhangig gemaakt voor het Hof te Antwerpen. Meer bepaald beklaagt appellant zich erover dat de rechtbank van koophandel, alvorens te voorzien in zijn vervanging, verzuimd heeft om hem op te roepen, hem de gelegenheid te geven kennis te nemen van het verslag van de rechters-commissaris, en hem na dit verslag te horen in raadkamer. 3.3. Voor zover het hoger beroep van appellant de nietigverklaring beoogt van de vonnissen van 21 maart 2004 van de rechtbank van koophandel te Antwerpen, kan het hoger beroep niet worden toegelaten. Deze nietigverklaring wordt immers gevraagd naar aanleiding van het hoger beroep dat werd gericht tegen de beschikking van de Beslagrechter te Veurne. De nietigheid van voornoemde vonnissen wegens de beweerde miskenning van fundamentele rechten kan enkel worden gevraagd via de daartoe geëigende rechtsmiddelen (art.20 Ger.W.). Middelen van nietigheid kunnen niet tegen de vonnissen van 21 maart 1994 worden aangewend in het kader van een executiegeschil omtrent de tenuitvoerlegging van een arrest van 16 oktober 2006. De vonnissen van 21 maart 1994 kunnen alleen worden vernietigd door de rechtsmiddelen bij de wet bepaald voor de daartoe bevoegde appelrechter. Het Hof stelt op grond van de voorgelegde procedurestukken vast dat appellant reeds op 19 juli 2007 derdenverzet heeft ingesteld tegen de respectievelijke vonnissen van 21 maart 1994, waarbij zijn opdracht als curator beëindigd werd, welk derdenverzet ontoelaatbaar werd verklaard bij de beschikking van 30 augustus 2007. Het vonnis op derdenverzet werd betekend en is in kracht van gewijsde getreden (bundel IV geïntimeerde). Appellant meent ten onrechte dat hij beide vonnissen van de rechtbank van koophandel te Antwerpen - waartegen een eerder derdenverzet reeds onherroeplijk werd afgewezen- vooralsnog via het rechtsmiddel van hoger beroep tegen een beschikking van de beslagrechter te Veurne voor het Hof van Beroep te Gent kan aanvechten. Het Hof te Gent kan niet in het kader van het hoger beroep tegen de beschikking van 21 mei 2008 van de beslagrechter te Veurne inzake een executiegeschil kennis nemen van een voor het eerst voor dit Hof geformuleerd verzoek tot nietigverklaring van de vonnissen van 21 maart 2004 van de rechtbanken van koophandel te Antwerpen. Dit verzoek van appellant kan ingevolge artikel 20 van het Gerechtelijk Wetboek enkel via het rechtsmiddel van hoger beroep worden ingesteld voor het daartoe bevoegde rechtscollege in hoger beroep, zijnde het Hof van Beroep te Antwerpen, dat kennis neemt van het hoger beroep tegen vonnissen gewezen door de rechtbank van koophandel te Antwerpen. Het verzoek tot nietigverklaring is volstrekt ontoelaatbaar nu het volledig vreemd is aan het executiegeschil dat aan het Hof voorligt, en bovendien een nieuwe vordering uitmaakt, die geen enkel verband houdt met de vordering in verzet die appellant heeft ingesteld tegen de gedwongen tenuitvoerlegging van het arrest van 16 oktober 2006. Voor zover het hoger beroep van appellant strekt tot nietigverklaring van de vonnissen van 21 maart 2004 kan het niet worden toegelaten.
  3. b)wat betreft de gegrondheid van het verzet tegen de gedwongen tenuitvoerlegging van het arrest van 16 oktober 2006 3.4. Het enige geschilpunt, waarover het Hof zich moet uitspreken is de vraag of het verzet van appellant tegen de gedwongen uitvoering van het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 16 oktober 2006 gegrond is. Appellant verzet zich tegen de gedwongen executie van deze uitvoerbare titel omdat zij gebeurt op last van geïntimeerde, wiens hoedanigheid van curator met terugwerkende kracht ab initio dreigt ontnomen te worden, mocht appellant slagen in zijn poging tot nietigverklaring van de vermelde vonnissen van de rechtbank van koophandel te Antwerpen van 21 maart 1994 wegens de beweerde schending van zijn recht van verdediging. De nietigverklaring van deze vonnissen zou immers ipso facto resulteren in de vernietiging ex tunc van de aanstelling van geïntimeerde als opvolgende curator, waardoor ook de opdracht tot executie uitgaande van geïntimeerde iedere grond zal ontnomen worden. Appellant beoogt aan geïntimeerde verbod te horen opleggen om uitvoeringsmaatregelen te treffen op grond van het arrest dd.16 oktober 2006 zolang niet definitief is gestatueerd over zijn gebrek aan hoedanigheid als curator van de vermelde faillissementen. Bij uitbreiding en voor het eerst in hoger beroep vraagt appellant ook de schorsing te bevelen van de tenuitvoerlegging van het vonnis van de rechtbank van koophandel te Antwerpen van 30 augustus 2007, waarbij zijn derdenverzet werd afgewezen tegen de vonnissen van 21 maart 1994. Ter zitting van dit Hof dd.3 november 2009 verklaart appellant dat i.t.t. wat in de verzetsakte werd gemeld, geen procedure aanhangig is gemaakt bij het Hof van Cassatie. 3.5. Het komt de beslagrechter in beginsel niet toe de tenuitvoerlegging van een uitvoerbare rechterlijke beslissing, in casu het arrest van 16 oktober 2006 van het Hof te Antwerpen en de in kracht van gewijsde getreden beslissing van 30 augustus 2007 van de rechtbank van koophandel te Antwerpen, te schorsen. Aangenomen wordt dat zo een schorsing in zeer uitzonderlijke omstandigheden toch aan de orde kan komen, meer bepaald: - wanneer er sprake is van een manifest misbruik van executierechten; - wanneer er ernstige betwisting rijst omtrent de draagwijdte van de uitvoerbare titel en er uit de gedwongen executie onherstelbare schade zou voortvloeien; - wanneer de uitvoerbare titel niet langer actueel of doeltreffend is of wanneer hierover ernstige discussie mogelijk is. Op grond van de voorliggende stukken kan het Hof alleen maar vaststellen dat de gedwongen tenuitvoerlegging hic et nunc door geïntimeerde van het arrest van 16 oktober 2006, waarbij appellant tot betaling werd veroordeeld, regelmatig en rechtmatig is geschied. De beweerde onregelmatigheid van twee vonnissen van 21 maart 1994, waarbij geïntimeerde werd aangesteld in opvolging van appellant, doet geen afbreuk aan de regelmatigheid en rechtmatigheid van de gedwongen executie door geïntimeerde. Bovendien moet het Hof vaststellen dat deze beweerde onregelmatigheden door appellant werden aangevoerd in de procedure op derdenverzet voor de rechtbank van koophandel te Antwerpen, welk derdenverzet werd afgewezen bij de beschik-king van 30 augustus 2007, die in kracht van gewijsde is getreden. Appellant kan niet via de omweg van huidige procedure, die uitsluitend betrekking heeft op de rechtmatigheid en regelmatigheid van de gedwongen tenuitvoerlegging van het arrest van 16.10.2006 door geïntimeerde, wiens hoedanigheid als curator voor dit Hof niet kan worden bestreden, pogen te ontsnappen aan de uitvoering van het arrest dat hem tot betaling veroordeelt, noch de beoordeling aanvechten van een in kracht van gewijsde gegane beslissing, waarbij zijn derdenverzet als ontoelaatbaar werd afgewezen. Er is niet de minste reden om de uitzonderlijke schorsing te bevelen van het arrest van het Hof te Antwerpen van 16 oktober 2006, op grond van de beweerde schending van de artt.6, 13, 14 en 17 van het E.V.R.M., en van het Protocol nr.1 bij dit Verdrag, waarop appellant zich beroept. Aan de uitvoerbare kracht van het arrest van het Hof te Antwerpen van 16 oktober 2006 wordt geen afbreuk gedaan door de betwisting die appellant opwerpt m.b.t. opname van zijn staat van erelonen en onkosten in de afrekening en de beweerde miskenning van voornoemde verdragsbepalingen, die volgens het Hof prima facie hoegenaamd niet aan de orde is.
  4. d)wat betreft de schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep en de rechtsplegingsvergoeding 3.6. Geïntimeerde vraagt de veroordeling van appellant tot een schadevergoeding van 10.000 EUR, nu de gevoerde procedures aanzienlijke meerkosten mebrengen voor het faillissement, wat ten nadele is voor de schuldeisers en omdat de rol van rechtbank en hoven wordt overbelast, wat niet kan worden getolereerd wanneer het hoger beroep dilatoir is. Geïntimeerde vraagt ook een rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 5.000 EUR lastens appellant. Het Hof stelt vast dat aan geïntimeerde, die optreedt qq en niet vertegenwoordigd wordt door een raadsman, geen rechts-plegingsvergoeding kan worden toegekend. De rechtsplegings-vergoeding is immers overeenkomstig artikel 1022 Ger.W. een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de raadsman van de in het gelijk gestelde partij. Wanneer een advocaat uitsluitend is opgetreden als curator, d.i. als gerechtelijk mandataris, die de hem bij de wet toevertrouwde gemeenschappelijke rechten van het geheel van de schuldeisers uitoefent, treedt hij niet op als advocaat die een partij bijstaat in de zin van art.1, tweede lid van het ter uitvoering van artikel 1022 Ger.W. genomen K.B. van 30 november 1970, zodat aan het geheel van de schuldeisers geen rechtsplegingsvergoeding toekomt. Geïntimeerde beschikt daarentegen wel over het vereiste belang en hoedanigheid om in het belang van de schuldeisers, wiens gemeenschappelijke rechten hij uitoefent in het raam van het collectief vereffeningsbewind waarmee hij is gelast, een vergoeding te vragen voor de schade die appellant berokkent door zijn tergend en roekeloos procederen aan de rechten van deze schuldeisers. Het Hof is van oordeel dat appellant tergend en roekeloos gehandeld heeft door hoger beroep in te stellen, niet alleen tegen twee definitieve vonnissen van de rechtbank van koophandel te Antwerpen van 21 maart 1994, die hoegenaamd niet kunnen bestreden worden voor dit hof, maar ook door hoger beroep in te stellen tegen de beschikking van de beslagrechter te Veurne van 21 mei 2008, daar waar appellant als handelsjurist en voormalig advocaat/curator, zeer goed diende de beseffen dat zijn vordering in verzet geen slaagkansen had en er geen ernstige gronden voorhanden zijn om de rechtmatige tenuitvoerlegging van de uitvoerbare titel die geïntimeerde tegen hem bezit, te verhinderen. Deze schade wordt door het Hof ex aequo et bono begroot op 1.500 EUR. OM DEZE REDENEN HET HOF Verklaart het hoger beroep ontoelaatbaar, voor zover het de nietigverklaring beoogt van de vonnissen van de elfde kamer van de rechtbank van koophandel te Antwerpen van 21 maart 1994; Verklaart het hoger beroep voor het overige toelaatbaar, doch ongegrond en bevestigt de bestreden beschikking in al zijn onderdelen; Veroordeelt appellant tot betaling aan geïntimeerde qq van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep ten belope van 1.500 EUR. Zegt voor recht dat geïntimeerde geen aanspraak kan maken op de betaling van een rechtsplegingsvergoeding; Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, VEERTIENDE bis KAMER, zitting houdende in burgerlijke zaken, van 1 december 2009 Aanwezig: Karen Broeckx, Raadsheer wn. Voorzitter Carine Sonneville, griffier Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.