← België

ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20091207.4

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 07 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE

§5W. 21.4.1965 houdende het statuut van de reisbureaus.

Het bestreden vonnis beval het Onafhankelijk Ziekenfonds deze praktijken onmiddellijk te staken onder verbeurte van een dwangsom van 1.000 euro per dag en per inbreuk. - veroordeelde de NV OZ Reizen en het Onafhankelijk Ziekenfonds in solidum, de een bij gebrek aan de ander tot het betalen van drie vierden van de aan de zijde van BVBA REIZEN SCHOETERS gevallen gedingkosten. Grieven/voorwerp van het hoger beroep

  1. Met haar beroepsakte van 11 december 2007 stelt appellante beperkt hoger beroep tegen het bestreden vonnis, meer bepaald tegen de door de eerste rechter niet weerhouden inbreuken, met name : - het opzetten van een samenwerking waarbij kortingen en/of voordelen aan de leden van het Onafhankelijk Ziekenfonds worden toegekend in geval van boeking van reizen bij de NV OZ Reizen ( inbreuk op artikel 5, 42 ev en 54 W.H.P.C. - aanbieding van kortingen en gezamenlijk aanbod), - de misleidende en verwarrende wijze van samenwerking tussen de NV OZ Reizen en het Onafhankelijk Ziekenfonds ( inbreuk op de artikelen 23,3°,4° en 8° W.H.P.C. (thans artikel 94/2, 3°,4° en 8° W.H.P.C.)- misleidende en verwarringstichtende reclame) - de toekenning van kortingen en voordelen aan de leden van het Onafhankelijk Ziekenfonds die reizen boeken bij de NV OZ Reizen, waardoor gelden van het Onafhankelijk Ziekenfonds worden aangewend voor de doeleinden waarvoor ze niet geschikt zijn, hetgeen een inbreuk uitmaakt op de statuten van het Onafhankelijk Ziekenfonds en artikel 43 quater § 3, 3de lid én artikel 43 quinquies van de Wet van 6 augustus
  2. Appellante vordert dan ook dat het bestreden vonnis gedeeltelijk wordt hervormd, de hiervoor vermelde inbreuken worden vastgesteld en : - aan NV OZ Reizen en aan het Onafhankelijk Ziekenfonds verbod wordt opgelegd in de toekomst kortingen en tussenkomsten aan te prijzen/aan te kondigen bij boeking van reizen bij de NV OZ Reizen indien men klant is van het Onafhankelijk Ziekenfonds en hiervoor reclame te maken onder welke vorm ook, en dit op straffe van een de verbeurte van een dwangsom van 2.500,00 EUR per dag en per inbreuk, - het Onafhankelijk Ziekenfonds te verbieden om reclame te maken door het aankondigen van kortingen en/of tussenkomsten en haar tevens verbod op te leggen nog dergelijke "tussenkomsten" te verlenen, en dit op straffe van de verbeurte van een dwangsom van 2.500,00 EUR per dag en per inbreuk, - het Onafhankelijk Ziekenfonds verbod op te leggen om zich door middel van de NV OZ Reizen in te laten met louter commerciële activiteiten die strijdig zijn met haar wettelijk en statutair omschreven doel, en dit eveneens op straffe van de verbeurte van een dwangsom van 2.500,00 EUR per dag en per inbreuk, - de publicatie te bevelen van de beslissing in twee dag- en/of streekkranten naar keuze van appellante en op kosten van geïntimeerden; kosten invorderbaar op eenvoudig vertoon van de factuur van de uitgever en/of drukker. Appellante besluit verder tot de ongegrondheid van het incidenteel hoger beroep en is van oordeel dat het Onafhankelijk Ziekenfonds vergunningsplichtige handelingen stelt conform de bepalingen van het Decreet van 02.03.2007, zodat aan het Onafhankelijk Ziekenfonds verbod moet worden opgelegd om zonder vergunning nog langer reizen en/of verblijven te organiseren, te verkopen dan wel te bemiddelen, zulks onder verbeurte van een dwangsom van 2.500,00 EUR per dag en per inbreuk. Appellante vordert tenslotte dat de NV OZ Reizen en het Onafhankelijk Ziekenfonds in de gedingkosten worden verwezen.
  3. De NV OZ Reizen en het Onafhankelijk Ziekenfonds vorderen de afwijzing van het principaal hoger beroep. Het Onafhankelijk Ziekenfonds vordert in hoofdorde de inwilliging van haar incidenteel hoger beroep en de vernietiging van het door het bestreden vonnis opgelegde stakingsbevel. In de mate dat het Hof het opgelegde stakingsbevel geheel of gedeeltelijk mocht bevestigen, vordert het Onafhankelijk Ziekenfonds dat dit stakingsbevel nader zou worden gepreciseerd, meer bepaald door te zeggen dat de volgende handelingen geoorloofd zijn : - het organiseren van vakanties door het Onafhankelijk Ziekenfonds 501, door een erkend reisbureau (b.v. OZ Reizen NV) en/of door een erkende organisatie voor jongerenvakanties (zoals Kriebels & Kuren VZW), - minstens, bovenbedoelde praktijk toe te staan voor de leden (en/of hun rechthebbenden) van het Onafhankelijk Ziekenfonds 501, - het toekennen van een financiële tegemoetkoming door het Onafhankelijk Ziekenfonds 501 aan haar leden, bij het boeken van een vakantie bij een door het ziekenfonds erkend reisbureau (zoals OZ Reizen NV) of een erkende organisatie voor jongerenvakanties (zoals Kriebels & Kuren VZW), - minstens bovenbedoelde praktijk toe te staan voor vakanties die worden georganiseerd, hetzij door een erkende reisbemiddelaar/reisbureau, door de erkende organisatie of door het ziekenfonds zelf, - het informeren door het Onafhankelijk Ziekenfonds 501 van haar leden omtrent bovenbedoelde diensten/verstrekkingen, conform haar wettelijke informatieplicht ten aanzien van haar leden (o.a. door het verspreiden van folders, via het groepsblad "Profiel", via de website van het ziekenfonds. De NV OZ Reizen en het Onafhankelijk Ziekenfonds vorderen tenslotte dat de BVBA REIZEN SCHOETERS in de gedingkosten wordt verwezen. Beoordeling
  4. Er bestaat tussen partijen kennelijk geen betwisting omtrent de ontvankelijkheid van zowel het principaal als het incidenteel hoger beroep. Ook ambtshalve onderkent het Hof geen rechtsgrond die tot de onontvankelijkheid van zowel het principaal als het incidenteel hoger beroep zou kunnen leiden. De beide hogere beroepen zijn in alle opzichten regelmatig en komen dan ook ontvankelijk voor.
  5. Waar het incidenteel hoger beroep van geïntimeerden de toepasselijkheid van de W.H.P.C. opnieuw in vraag stelt, komt het aangewezen voor eerst dit incidenteel beroep te beoordelen temeer het principaal hoger beroep precies op basis van de W.H.P.C. de toekenning van een ruimere dan door het bestreden vonnis toegekende stakingsmaatregel beoogt.
  6. Het Onafhankelijk Ziekenfonds tekent incidenteel hoger beroep aan tegen het bestreden vonnis in de mate dat daarin werd geoordeeld dat : - het Onafhankelijk Ziekenfonds dient te worden beschouwd als een "verkoper" in de zin van de W.H.P.C., - het organiseren en/of het bemiddelen van vakanties ‘in het algemeen' - zonder enige nuancering of verduidelijking - niet zou kaderen in de wettelijke opdracht van de ziekenfondsen, voorzien in artikel 3 van de wet van 6 augustus 1990, - het Onafhankelijk Ziekenfonds een ‘winstgevende activiteit' uitoefent ‘... die erin bestaat reizen of verblijven tegen een vaste som te verkopen, in eigen naam of als tussenpersoon', zoals bedoeld in de wet van 21 april 1965 houdende het statuut van de reisbureaus. 8.
  7. Op volgende relevante overwegingen oordeelde de eerste rechter dat tweede geïntimeerde wel degelijk een ‘verkoper' is in de zin van W.H.P.C. én art. 1 §

§ 5W. 21 april 1965 houdende het statuut van de reisbureaus miskent.

"De vraag die zich hier stelt is te weten of [het Onafhankelijk Ziekenfonds] kan worden beschouwd als een verkoper in de zin van artikel 1,6° lid litt C van de wet op de handelspraktijken van 14 juli 1991. Indien het antwoord daarop bevestigend is, is meteen ook het antwoord gegeven op de vraag of [het Onafhankelijk Ziekenfonds] zonder vergunning een winstgevende activiteit uitoefent die erin bestaat reizen of verblijven tegen een vaste som te verkopen, in eigen naam of als tussenpersoon. Wat strijdig is met artikel 1 §

§5W. 21 april 1965 houdende het statuut van de reisbureaus.

Immers de definitie van "winstgevende activiteit" valt volledig samen met het begrip "verkoper" zoals het omschreven werd in art. 1,6° litt. C van de WHPC. Voor de toepassing van de wet op de handelspraktijken moet onder verkoper krachtens artikel 1,6° litt. C. worden verstaan de personen die hetzij in eigen naam of voor rekening van een al dan niet met rechtspersoonlijkheid beklede derde, met of zonder winstoogmerk, een commerciële, financiële of industriële activiteit uitoefenen en die producten of diensten te koop aanbieden of verkopen. Overeenkomstig artikel 1.2. W.H.P.C. moeten als diensten worden begrepen alle prestaties die een handelsdaad uitmaken. Het organiseren van reizen moet in principe als een handelsdaad worden aangemerkt. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet op de handelspraktijken blijkt dat de ziekenfondsen buiten het toepassingsveld van de wet op de handelspraktijken vallen behoudens wanneer zij andere activiteiten uitoefenen zoals bvb. Reizen (cfr. Parl.St.Senaat, 1986-87, 464/2, blz. 17 : ... zie ook Grondwettelijk Hof, arrest van 13 juli 2001, nr. 2001-102) Uit de voorliggende stukken ( zie stukken 3 a tot en met i van [BVBA Reizen Schoeters] blijkt dat [het Onafhankelijk Ziekenfonds] groepsreizen organiseert of minstens als tussenpersoon optreedt voor de NV OZ Reizen, welke ongetwijfeld als activiteiten in de zin van artikel 1,6° liit.c. WHPC cq. van art. 1 §

§ 5W. 21.4.1965 moeten worden beschouwd.

Het is niet zo dat deze reizen enkel voorbehouden zijn aan de eigen leden van het ziekenfonds; Zoals o.m. blijkt uit het inschrijvingsformulier (stuk 3 i [BVBA Reizen Schoeters] kunnen ook niet leden inschrijven op deze groepsreizen. Ook op de website van [het Onafhankelijk Ziekenfonds] wordt niet aangegeven dat enkel wie lid is mag deelnemen aan de georganiseerde reizen. ... Aldus stellen Wij vast dat [het Onafhankelijk Ziekenfonds] in strijd met de bepalingen van art. 1 §

§ 5

W. 21 april 1965 houdende het statuut van de reisbureaus reizen organiseert of bemiddelt bij de organisatie en verkoop van dergelijke reizen, zonder dat zij over de vereiste vergunning daartoe beschikt. Stellen vast dat zij als verkoper in de zin van de wet op de handelspraktijken, een inbreuk begaat op de eerlijke handelsgebruiken waardoor ze schade kan berokkenen aan [BVBA Reizen Schoeters]. Wat strijdig is met artikel 93 W.H.P.C." Het Hof verwijst partijen naar deze overwegingen die het juist bevindt en bijtreedt en waaraan de door het Onafhankelijk Ziekenfonds in hoger beroep ontwikkelde argumentatie geen afbreuk doet. De door het Onafhankelijk Ziekenfonds tot staving van haar incidenteel hoger beroep aangehaalde bewering dat zij - sedert het bestreden vonnis - geen enkele handeling meer heeft gesteld die kan worden beschouwd als het organiseren en/of bemiddelen van vakanties en de organisatie en/of verkoop van vakanties sedertdien gebeurt door NV OZ Reizen die bovendien alle commerciële mailings en folders verspreidt, is evenmin van aard om op enige wijze afbreuk te doen aan de hiervoor vermelde overwegingen van de eerste rechter. Deze bewering bevestigt trouwens dat het Onafhankelijk Ziekenfonds - hetgeen overigens niet wordt betwist - voordien wél zelf reizen organiseerde en verkocht, en aldus wel degelijk een commerciële activiteit uitoefende waardoor zij als verkoper in de zin van de wet op de handelspraktijken diende te worden beschouwd. 8.

  1. Het feit dat het Onafhankelijk Ziekenfonds zich sedert het bestreden vonnis niet meer zou bezondigen aan de door de eerste rechter weerhouden laakbare praktijken laat op zich niet toe om de door de eerste rechter vastgestelde inbreuk en bevolen stakingsmaatregel teniet te doen of zonder voorwerp te verklaren nu het herhalingsgevaar hier niet objectief kan worden uitgesloten. Waar het herhalingsgevaar niet objectief kan worden uitgesloten en het stakingsbevel er op gericht is een einde te stellen aan de gewraakte praktijk, dient in casu tevens te worden nagegaan of de laakbare gedraging die door de eerste rechter als een inbreuk op de inmiddels opgeheven wet van 21 april 1965 werd weerhouden, ook een inbreuk op het nieuwe Decreet van 2 maart 2007 uitmaakt. Alleen wanneer de handelwijze van het Onafhankelijk Ziekenfonds ook een inbreuk uitmaakt op het Decreet van 2 maart 2007 is er aanleiding om de door de eerste rechter bevolen stakingsmaatregel te bevestigen. Bij nazicht van de door appellante voorgelegde stukken 3a tot en met i , waarnaar ook de eerste rechter verwees en waaruit blijkt dat het Onafhankelijk Ziekenfonds reizen organiseerde, verkocht en daarvoor reclame maakte, moet naar het oordeel van het Hof worden vastgesteld dat het Onafhankelijk Ziekenfonds ook in de zin van voormeld decreet vergunningsplichtige reisbureau-activiteiten uitvoerde. Verder blijkt dat deze reizen ook voor niet-leden toegankelijk waren en het aanbod zich daarenboven niet beperkte tot de door het Onafhankelijk Ziekenfonds zelf of door een door haar erkend reisbureau georganiseerde reizen, maar het volledige aanbod van alle ook door andere reisorganisators/touroperators georganiseerde reizen betrof. Deze reisbureau-activiteiten gaan het kader van het door artikel 2 § 1 van de wet van 6 augustus 1990 omschreven streefdoel van het Onafhankelijk Ziekenfonds- het bevorderen van het fysiek, psychisch en sociaal welzijn - dan ook te buiten zodat het Onafhankelijk Ziekenfonds zich vruchteloos beroept op artikel 3 § 2, 3° van voormeld Decreet dat voorziet dat de vergunningsverplichting niet geldt voor "degenen die reisbureau-activiteit uitsluitend uitoefenen met niet commerciële doeleinden en binnen het kader van hun onderwijzende taak of van hun jeugd-, sport-, cultuur-, welzijns-, gezondheids- of volwassenenwerk". In de gegeven omstandigheden dient de door de eerste rechter bevolen stakingsmaatregel dan ook te worden bevestigd, met dien verstande dat - zoals door appellante gevorderd - de stakingsmaatregel in die zin wordt aangepast dat aan het Onafhankelijk Ziekenfonds verbod wordt opgelegd om zonder de door het Decreet van 02.03.2007 vereiste vergunning, zelf reizen en/of verblijven te organiseren, te verkopen dan wel te bemiddelen, en dit onder verbeurte van de hiernabepaalde dwangsom. Rekening houdend met dit verbod komt het antwoord op de vraag of het organiseren, verkopen en bemiddelen van reizen door het Onafhankelijk Ziekenfonds al dan niet kadert in de wettelijke opdracht van de ziekenfondsen zoals voorzien in de wet van 6 augustus 1990, niet terzake dienend voor zodat het Hof daarop niet verder ingaat. Het Hof stelt terzake overigens nog vast dat de gecoördineerde statuten van het Onafhankelijk Ziekenfonds dd. 23 december 2008 (zie hierna randnummers 11.
  2. en 11.2.) niet eens meer voorzien dat het Onafhankelijk Ziekenfonds voor de aangesloten leden en hun rechthebbenden zelf nog individuele en gemeenschappelijke reizen kan organiseren, zodat het antwoord op voormelde vraag hoe dan ook elke relevantie mist. 8.
  3. Gelet op wat voorafgaat komt het incidenteel hoger beroep dan ook ontvankelijk maar niet gegrond voor.
  4. Het principaal hoger beroep is vooreerst gericht tegen de beoordeling van de eerste rechter die stelt dat het toekennen van een korting aan de leden van het Onafhankelijk Ziekenfonds voor reizen die door de NV OZ Reizen verkocht worden, niet kan aanzien worden als een gezamenlijk aanbod zoals voorzien in artikel 54 W.H.P.C., en ook geen inbreuk op de artikelen 5 en 42 W.H.P.C. uitmaakt. 9.
  5. Gezamenlijk aanbod Op volgende relevante overwegingen weerhield de eerste rechter geen inbreuk op artikel 54 W.H.P.C. : " Er is krachtens artikel 54 W.H.P.C. sprake van een gezamenlijk aanbod wanneer de al dan niet kosteloze verkrijging van producten, diensten, alle andere voordelen of titels waarmee men die kan verwerven, gebonden is aan de verkrijging van andere zelfs gelijke producten of diensten. In casu kan het toekennen van een korting niet beschouwd worden als een verboden gezamenlijk aanbod. Immers wordt de korting enkel gegeven aan diegenen die al lid zijn van het ziekenfonds. In die zin is het bestaande lidmaatschap een voorwaarde om korting te krijgen maar is het niet bedoeling om met het geven van korting de consumenten aan te zetten lid te worden van [het Onafhankelijk Ziekenfonds]. Veeleer moet dit gezien worden als een voordeel door het ziekenfonds aangeboden aan haar leden." Het Hof verwijst partijen naar deze overwegingen die het juist bevindt en bijtreedt en waaraan de door BVBA Reizen Schoeters in hoger beroep ontwikkelde argumentatie geen enkele afbreuk doet. Met geïntimeerden stelt het Hof verder nog vast dat het in de W.H.P.C. opgenomen verbod van gezamenlijk aanbod of koppelverkoop inmiddels strijdig werd bevonden met het Europees recht. In een arrest van 23 april 2009 besliste het Hof van Justitie immers dat het algemeen verbod op het gezamenlijk aanbod opgenomen in de W.H.P.C. strijdig is met de Richtlijn 2005/209 inzake oneerlijke handelspraktijken jegens consumenten. (H.v.J. (1e k.) nr. C-261/07, C-299/07, 23 april 2009 , JT 2009, afl. 6358, 428,Juristenkrant 2009 (weergave SCHRAEYEN, J.), afl. 188, 1.) Zelfs indien de door de BVBA Reizen Schoeters gewraakte handelwijze als een gezamenlijk aanbod zou kunnen worden gekwalificeerd, dan nog komt dit gelet op voormelde rechtspraak in beginsel niet onrechtmatig voor. 9.
  6. Inbreuk op art 5 en 42 W.H.P.C. Op volgende relevante overwegingen weerhield de eerste rechter ook geen inbreuk op de artikelen 5 en 42 W.H.P.C. : "De toegepaste korting aan de leden van het Onafhankelijk Ziekenfonds valt niet onder de door artikel 5 cq. art.42 W.H.P.C. geviseerde prijsvermindering, nu het niet verboden is aan bepaalde categorieën van personen kortingen te geven net zomin als vroegboekkortingen onder het verbod van artikel 5 en 42 W.H.P.C. vallen (cfr G.L. Ballon, De Handelspraktijkenwet en de reissector, Reisrecht, 2002, blz. 171 met verwijzing naar Brussel 13 oktober 1998, Jaarboek Handelspraktijken 1998, 47 en Brussel, 2 december 1998, Jaarboek Handelspraktijken 1998, 309.)" Het Hof verwijst partijen naar voormelde overwegingen die het juist bevindt en waaraan de door de BVBA Reizen Schoeters in hoger beroep ontwikkelde argumentatie geen afbreuk doet. Volledigheidshalve voegt het Hof nog het volgende toe. De regels inzake prijsvermindering (artikel 5 en 42 ev W.H.P.C.) vinden slechts toepassing indien een bestaande ‘oude' prijs tijdelijk wordt verminderd en aldus een ‘nieuwe' verminderde prijs tot stand komt. Met andere woorden kan er slechts sprake zijn van een prijsvermindering indien het product of de dienst voorheen aan de consument werd aangeboden aan een hogere prijs. Waar hier de prijs van de door de NV OZ Reizen aangeboden reizen/vakanties onverkort blijft gelden en de gewraakte mailings en folders enkel melding maken van de mogelijkheid voor de leden van het Onafhankelijk Ziekenfonds om van dit Ziekenfonds een ‘tussenkomst' of een ‘tegemoetkoming' te krijgen in de kosten van een bij NV OZ Reizen geboekte reis of vakantie, is er naar het oordeel van het Hof geen sprake van een prijsvermindering in de zin van de artikelen 5 en 42 ev W.H.P.C.. Er kan in hoofde van geïntimeerden dan ook geen inbreuk op voormelde bepalingen worden weerhouden.
  7. Het principaal hoger beroep komt verder op tegen het feit dat het bestreden vonnis niet is ingegaan op de argumentatie dat de wijze van samenwerking tussen het Onafhankelijk Ziekenfonds en de NV OZ Reizen uitermate misleidend en verwarringstichtend overkomt en een inbreuk op artikel 23,3°, 4° en 8° - thans artikel 94/2, 3°,4° en 8° W.H.P.C. - oplevert. Uit de voorliggende stukken blijkt dat het Onafhankelijk Ziekenfonds in de gewraakte mailings (stuk 2 - appellante), folders (stuk 1 - appellante) en op haar website (stuk 5 h - appellante) er telkens uitdrukkelijk heeft op gewezen dat het nauw samenwerkt met BZ-Reizen, thans NV OZ Reizen, als erkend reisbureau. Het Onafhankelijk Ziekenfonds omschrijft het erkend reisbureau als "vaste partner van je ziekenfonds". De enkele vaststelling dat de brochures van het Onafhankelijk Ziekenfonds de coördinaten van de NV OZ Reizen vermelden, dat op de inschrijvingsformulieren het logo en de naam van het Onafhankelijk Ziekenfonds voorkomt, of dat ook bij het Onafhankelijk Ziekenfonds informatie kan worden bekomen met betrekking tot de reizen, houdt naar het oordeel van het Hof geen misleidende of verwarrende reclame in de zin van artikel 94/2, 3°, 4° en 8° WHPC in. Eén en ander benadrukt de aangekondigde nauwe samenwerking tussen het Onafhankelijk Ziekenfonds en de NV BZ-Reizen. Ook de vaststelling dat NV BZ-Reizen haar maatschappelijke benaming eind 2004 heeft gewijzigd in OZ Reizen, en zowel het Onafhankelijk Ziekenfonds als de NV OZ Reizen de letters ‘OZ' beiden op een identieke wijze gebruiken - namelijk in een kader op een donkere achtergrond - bevestigt alleen maar de voormelde bijzonder nauwe samenwerking en creëert naar het oordeel van het Hof ook geen misleiding of verwarring. Er kan in hoofde van geïntimeerden dan ook geen inbreuk op artikel 94/2, 3°, 4° en 8° WHPC worden weerhouden.
  8. Het principaal hoger beroep is tenslotte gericht tegen het feit dat het bestreden vonnis van oordeel was dat BVBA Reizen Schoeters niet aantoonde dat door het toekennen van de gewraakte kortingen aan haar leden het Onafhankelijk Ziekenfonds zich bezondigde aan inbreuken op haar statuten en op de bepalingen van de wet van 6 augustus
  9. 11.
  10. De op het ogenblik van de oorspronkelijke dagvaarding én van het bestreden vonnis van kracht zijnde statuten van het Onafhankelijk Ziekenfonds bevatten de navolgende bepaling : "Artikel
  11. Vakanties voor volwassenen Het ziekenfonds kan voor de aangesloten leden en hun rechthebbenden individuele en gemeenschappelijke reizen hetzij zelf organiseren, hetzij laten organiseren door een door het ziekenfonds erkend reisbureau. Deze reizen worden aan kostprijs ingericht, met dien verstande dat een tussenkomst aan de leden kan gevraagd worden voor de administratieve onkosten hieraan verbonden. Op die reizen die worden georganiseerd door een door het ziekenfonds erkend reisbureau, kan een tussenkomst worden toegekend ten bedrage van maximum 5% van de totale reissom en maximum 125 euro per reis. In welbepaalde gevallen kan van dit maximum percentage en dit maximum bedrag worden afgeweken. Deze welbepaalde gevallen worden jaarlijks in een huishoudelijk reglement vastgelegd. De betaling gebeurt op basis van de factuur of betaalbewijs. De datum afreis is de prestatiedatum." Met appellante stelt het Hof vast dat uit deze bepaling vooreerst blijkt dat het Onafhankelijk Ziekenfonds ofwel de reizen zelf kan organiseren of deze kan laten organiseren door een door haar erkend reisbureau, en dat deze reizen aan kostprijs worden ingericht. Verder blijkt uit deze bepaling dat het Onafhankelijk Ziekenfonds enkel een tussenkomst kan verlenen op reizen, voor zover deze worden georganiseerd door een door het Onafhankelijk Ziekenfonds erkend reisbureau. Terecht merkt appellante dan ook op dat het Onafhankelijk Ziekenfonds handelt in strijd met haar statuten wanneer het aan haar leden ook een financiële tussenkomst toekent op reizen die niet door een door haar erkend reisbureau, maar door andere reisorganisatoren/touroperators worden georganiseerd en waarvoor het erkend reisbureau enkel als tussenpersoon/reisbemiddelaar optreedt. De door het Onafhankelijk Ziekenfonds als stuk 3.b. voorgelegde "gecoördineerde statuten versie 23 december 2008" doen aan voormelde vaststelling geen afbreuk. Onder artikel 88 ( C. Tussenkomst/bedrag) bepalen ook deze statuten : "Op de reizen die worden georganiseerd door een door het Onafhankelijk Ziekenfonds 501 erkend reisbureau, kan aan de rechthebbende een tussenkomst worden toegekend ten bedrage van maximum 5% van de totale reissom en maximum 125 euro per reis" (eigen onderlijning door het Hof) Voormelde miskenning van de statuten maakt naar het oordeel van het Hof een met de eerlijke handelsgebruiken strijdige daad uit waardoor de beroepsbelangen van appellante worden geschaad, minstens kunnen worden geschaad (art.94/3 W.H.P.C.), en waarvan laatstgenoemde dan ook terecht de staking vordert. 11.
  12. Anders dan appellante nog voorhoudt is het Hof van oordeel dat in hoofde van het Onafhankelijk Ziekenfonds geen schending kan worden weerhouden van artikel 43 quinquies van de wet van 6 augustus 1990 dat bepaalt : "Het is aan de ziekenfondsen en de landsbonden verboden voordelen toe te kennen die van aard zijn aan te zetten tot individuele mutaties, zoals bedoeld door de artikelen 255 tot 274 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, alsmede voordelen toe te kennen die van aard zijn de personen, ingeschreven als personen ten laste in een ziekenfonds, ertoe aan te zetten leden te worden van hetzelfde ziekenfonds." Appellante beweert maar bewijst immers niet dat de ter discussie staande tussenkomsten van het Onafhankelijk Ziekenfonds aanzet tot individuele mutaties of lidmaatschap van het ziekenfonds. Dit geldt des te meer nu, zoals het Onafhankelijk Ziekenfonds terecht opmerkt, ook andere ziekenfondsen vergelijkbare diensten/voordelen toekennen aan hun leden. Verder onderkent het Hof ook geen inbreuk op het door appellante nog aangevoerde artikel 43 quater,§ 3, 3° van de wet van 6 augustus 1990 dat bepaalt : " §
  13. Is eveneens verboden in hoofde van een ziekenfonds of een landsbond, het voeren van reclame : ... 3° betreffende de toekenning van voordelen in het kader van diensten bedoeld in de artikelen 3, eerste lid, b) en c), en 7 § 2, onder beperkende voorwaarden met betrekking tot hun beschikbaarheid. ..." Uit niets blijkt dat het Onafhankelijk Ziekenfonds op enige wijze of op enig ogenblik reclame heeft gevoerd omtrent de toekenning van voordelen/diensten onder beperkende voorwaarden met betrekking tot hun beschikbaarheid. Ook met betrekking tot een inbreuk op voormelde bepaling beweert maar bewijst appellante niets.
  14. Het principaal hoger beroep van appellante strekt er ook nog toe alsnog de publicatie van het tussen te komen arrest te bekomen. De door appellante gevorderde publicatie werd door de eerste rechter terecht afgewezen. Het Hof voegt daaraan nog toe dat de aan het hiernabepaalde stakingsbevel gekoppelde dwangsom moet volstaan om op een afdoende wijze een einde te stellen aan de gewraakte handelwijze. Overigens dient artikel 99 W.H.P.C. beperkend te worden uitgelegd zodat de gevorderde publicatiemaatregel niet zonder meer kan worden toegekend. (cf. De Vroede, T.P.R., 1976, p. 747, nr. 298). Het stelt terzake vast dat appellante beweert, maar niet aantoont dat de gevorderde openbaarmaking tot de staking van de gewraakte daden zou kunnen bijdragen of de nawerking ervan zou helpen beëindigen.
  15. Gelet op wat voorafgaat komt het principaal hoger beroep gedeeltelijk gegrond voor en komen de door appellante in haar conclusies in hoger beroep gevorderde stakingsmaatregelen enkel in de hiernabepaalde mate toewijsbaar voor.
  16. Op basis van wat voorafgaat en rekening houdend met het hiernavolgend beschikkend gedeelte kan op vraag van het Onafhankelijk Ziekenfonds, voor zoveel als nodig, nog nader worden verduidelijkt dat volgende handelingen niet onder het hiernavermelde stakingsbevel/verbod vallen : - het organiseren van vakanties door een door het Onafhankelijk Ziekenfonds erkend reisbureau/reisbemiddelaar (zoals NV OZ Reizen) en/of een erkende organisatie voor jongerenvakanties ( zoals Kriebels & Kuren vzw), - het toekennen van een financiële tegemoetkoming door het Onafhankelijk Ziekenfonds aan haar leden en hun rechthebbenden, bij het boeken van vakanties die worden georganiseerd door een door het Onafhankelijk Ziekenfonds erkend reisbureau/reisbemiddelaar of een erkende organisatie voor jongerenvakanties, - het informeren door het Onafhankelijk Ziekenfonds van haar leden omtrent de verleende voordelen en diensten waaronder de toekenning van de voormelde financiële tegemoetkoming.
  17. In toepassing van de artikelen 1042,1017 en 1022 Ger.W slaat het Hof de kosten van het hoger beroep tussen appellante en geïntimeerden om en verwijst het elk van hen in de helft van de kosten van het hoger beroep. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, Recht doende op tegenspraak, Verklaart het principaal hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond, Verklaart het incidenteel hoger beroep ontvankelijk maar niet gegrond, Doet het bestreden vonnis teniet waar het in hoofde van het Onafhankelijk Ziekenfonds geen inbreuk op haar statuten weerhoudt, Stelt in hoofde het Onafhankelijk Ziekenfonds een inbreuk op artikel 94/3 WHPC vast doordat zij in strijd met haar statuten aan haar leden ook een financiële tussenkomst toekent op reizen die niet door een door haar erkend reisbureau, maar door andere reisorganisators/touroperators worden georganiseerd en waarvoor het door het Onafhankelijk Ziekenfonds erkend reisbureau enkel als tussenpersoon/reisbemiddelaar optreedt, Beveelt de staking van deze inbreuk onder verbeurte van een dwangsom van 1.000,00 EUR per dag en per inbreuk, Bevestigt het bestreden vonnis voor het overige, met dien verstande dat thans aan het Onafhankelijk Ziekenfonds verbod wordt opgelegd om zonder de door het Decreet van 02.03.2007 vereiste vergunning zelf reizen en/of verblijven te organiseren, te verkopen dan wel te bemiddelen, en dit onder verbeurte van een dwangsom van 1.000,00 EUR per dag en per inbreuk, Slaat de kosten van het hoger beroep tussen appellante en geïntimeerden om en verwijst elk van hen in de helft van de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van appellante in hun geheel begroot op 186,00 EUR als rolrecht hoger beroep en 1.200,00 EUR als rechtsplegingsvergoeding hoger beroep, en aan de zijde van geïntimeerden in hun geheel begroot op 1.200,00 EUR als rechtsplegingsvergoeding hoger beroep. Aldus gewezen door de zevende kamer van het Hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken samengesteld uit: Pieter Vanherpe, raadsheer, waarnemend kamervoorzitter, Geneviève Vanderstichele, raadsheer, Geert De la Ruelle, raadsheer, bijgestaan door Kristoffel Goossens, griffier en uitgesproken door de kamervoorzitter in openbare terechtzitting op maandag zeven december tweeduizend en negen. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.