id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 15 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20091215.21 Rolnummer: 2009-AR-0159 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2010-09-23 Raadplegingen: 217 - laatst gezien 2026-07-02 20:47 Fiche 1.Art 747 § 2 Ger.w. heeft niet de strekking dat de partij die nalaat binnen de eerste toegekende termijn een conclusie te nemen, hierdoor het recht verbeurt om later een conclusie te nemen, noch dat de eerste - zij het met één dag vertraging - ter griffie neergelegde conclusie uit het debat moet worden geweerd, als de tegenpartij hierop binnen de tweede en derde haar verleende termijn ruimschoots heeft kunnen antwoorden en dit ook heeft gedaan. 2. Enkel wanneer over de niet-nakoming van de hoofdveroordeling van de debiteur ten gronde ernstig betwisting mogelijk is, kan de tenuitvoerlegging van de titel worden geschorst tot aan de beslissing van de dwangsomrechten nopens de onmogelijkheid tot nakoming van de hoofdveroordeling. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BESLAG EN EXECUTIE - Algemeen (beslag en executie) Vrije woorden: 1. Conclusies - gerechtelijke termijnregeling - laattijdige neerlegging - sanctie - 2. Dwangsom - verbeurde - executieschorsing. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 14b Kamer ________ Terechtzitting van 15 december 2009 ________ 2009/AR/159 in de zaak van: W.............. A................, wonende te ................................., appellant, hebbende als raadsman mr. DE COSTER Luc, advocaat te 1190 VORST, G. Van Haelenlaan 1 tegen: L............... F...................., kinesiste, wonende te ....................... WOONSTKEUZE DOENDE op het kantoor van Gerechtsdeurwaarder S...................., te ................................ geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. DE COCQ Véronique, advocaat te 1030 BRUSSEL, Mimosasstraat 16 Wijst het Hof volgend arrest: Het Hof nam kennis van de beschikkingen op 26 februari 2008 en 28 oktober 2008 gewezen door de beslagrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, waartegen appellant, met zijn op 19 januari 2009 ter griffie neergelegd verzoekschrift, tijdig en op regelmatige wijze hoger beroep heeft ingesteld. De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting en de neergelegde conclusies en stukken werden ingezien. Artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werd in acht genomen. I.Voorgaanden 1.1. Partijen zijn uit de echt gescheiden krachtens vonnis van 30 januari 2007, overgeschreven in de registers van de burgerlijke stand op 25 mei 2007. Ingevolge een beschikking van de vrederechter van het kanton Waver van 6 oktober 2004 voorafgaand aan de echtscheiding werd appellant veroordeeld om aan geïntimeerde volgende persoonlijke goederen terug te bezorgen: - een jurk van het merk Nathan - een Delveaux-tas, gekocht in 2000 - juwelen: geschenken van haar echtgenoot, namelijk een briljanten trouwring, een ring samengesteld uit een smaragd en briljanten, een goudstuk en een staafje, beide als persoonlijke hangertjes bevestigd, hetzij een geelgouden kettinkje, een geelgouden ring met robijn en twee briljanten; - de uittreksels van haar persoonlijke rekening, groen boekje nr.310-4109648-38; - briefwisseling van de periode 3 tot 17 mei 2004. Toen appellant geen gevolg gaf aan de veroordeling tot afgifte van voornoemde persoonlijke voorwerpen, heeft geïntimeerde naar aanleiding van haar vordering tot het bekomen van voorlopige maatregelen tijdens de echtscheiding opnieuw de teruggave gevorderd van de persoonlijke zaken, ditmaal onder verbeurte van een dwangsom van 100,00 EUR per dag vertraging in de teruggave van deze goederen, te rekenen vanaf de kennisgeving van de beschikking. Bij beschikking in kort geding van 8 juli 2005 heeft de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Nijvel appellant veroordeeld om aan geïntimeerde - wiens naam in het onderdeel van de beschikking m.b.t. de afgifteplicht verkeerdelijk werd geschreven als Mevrouw L..............., maar in andere onderdelen wel als mevrouw L................... werd aangeduid - voornoemde goederen terug te geven, onder verbeurte van een dwangsom van 100,00 EUR per dag vertraging voor het geval geïntimeerde aan dit bevel tot afgifte niet zou voldoen binnen de acht dagen na de betekening van de beschikking (stuk 1 geïntimeerde). Het vonnis van de vrederechter te Waver van 6 oktober 2004 en de beschikking kortgeding werden samen betekend aan appellant op 7 december 2005, met bevel om de voornoemde persoonlijke voorwerpen aan geïntimeerde terug te geven onder verbeurte van een dwangsom indien hieraan niet zou zijn voldaan binnen de acht dagen na de betekening, hetzij uiterlijk op 15 december 2005. Op 15 december 2005 heeft appellant volgende zaken aan geïntimeerde teruggegeven: - een handtas van het merk Delveaux; - een briljanten trouwring; - een goudstaafje in een halsketting verwerkt; - een gele gouden ring met robijn en twee briljanten; - de uittreksels van de rekening met nummer 310-0453789-12. Werden nog niet teruggegeven: - een ring met smaragd en briljanten - een goudstuk en een kleine staaf samen verwerkt in een hanger; - een ketting in geel goud; - de uittreksels van de rekening met nummer 310-4109648-38 - de briefwisseling van de periode van 3 tot 17 mei 2004. 1.2. Op 6 januari 2006 stelde appellant hoger beroep in tegen de beschikking in kortgeding van 7 juli 2005, waarbij hij vroeg om de lijst met terug te geven voorwerpen te beperken tot deze die reeds op 15 december 2005 werden teruggegeven. Hangende de procedure in hoger beroep liet geïntimeerde op 15 juni 2006 een bevel betekenen tot betaling van de dwangsom-men verbeurd in de periode van 16 december 2005 tot 15 juni 2006, hetzij een bedrag van 18.200 EUR (182 dagen x 100 EUR), meer kosten (stuk 6 geïntimeerde). Bij arrest van 15 november 2006 heeft het Hof van Beroep te Brussel - na aanpassing van de spelling van de naam van geïntimeerde die L................. heet en niet L........... zoals verkeerdelijk opgenomen in de beschikking van 8 juli 2005- het hoger beroep van appellant afgewezen als ongegrond (stuk 5 geïntimeerde). In de overwegingen van dit arrest staat te lezen dat appellant erkent niet alle goederen zoals voorzien en omschreven in de veroordeling te hebben teruggegeven, maar stelt dat hij deze goederen niet of niet meer in bezit heeft. Volgens het Hof heeft de eerste rechter oordeelkundig gemotiveerd dat er teruggave moest zijn van de goederen, gekoppeld aan de verbeurte van een dwangsom, aangezien het pas naar aanleiding van de executie van de dwangsom was dat appellant een deel van de goederen heeft teruggegeven waarvan hij aanvankelijk had verklaard deze niet te bezitten. Het Hof besluit dat "het gedrag van appellant doet vermoeden dat hij maar al te goed weet waar de goederen zijn die geïntimeerde op legitieme wijze opeist en dat het aanwenden van de dwangsom om de uitvoering van de veroordeling te garanderen het meest efficiënte middel is om appellant te ontraden verder de rechten van geïntimeerde op het genot van haar persoonlijke goederen te boycotten". 1.3 Na het bevestigend arrest van het Hof van Beroep liet geïntimeerde nog telkens om de zes maanden een bevel betekenen tot betaling van de inmiddels verbeurde dwang-sommen, krachtens het vonnis van de vrederechter van 6 oktober 2004 en de beschikking in kort geding van 8 juli 2005, respectievelijk op 20 december 2006, 20 juni 2007 en 13 november 2007 (stukken 7, 8 en 9 geïntimeerde). Na de uitspraak van het bevestigend arrest liet appellant bij brief van zijn raadsman van 22 november 2006 weten dat het hem niet mogelijk was gevolg te geven aan het bevel tot afgifte, omdat hij de goederen niet in zijn bezit had (stuk 1 appellant). Als mogelijke oplossing voor het probleem stelde hij voor om de waarde te schatten van de gemeenschappelijke goederen, te weten het goudstuk en een kleine staaf, samen verwerkt in een hanger en van een ring met smaragd en briljanten, waarna appellant de helft van deze waarde zou betalen aan geïntimeerde wanneer kan worden overgegaan tot de procedure van vereffening-verdeling van de huwgemeenschap. Het voorstel had geen betrekking op de gouden ketting, die een eigen goed zou zijn van geïntimeerde. Daarop antwoordde de raadsman van geïntimeerde op 26 februari 2007 dat zijn cliënte informatie had ingewonnen bij de juwelier omtrent de waarde van juwelen -zowel de ring als de ketting en het goudstuk verwerkt in een hanger- en dat deze waarde, samen met de kosten voor de kopiename van de bankuittreksels, werd begroot op 7.041,00 EUR. Van zodra dit bedrag zou gestort zijn op de derdenrekening van de raadsman van geïntimeerde, zou de dagelijkse verbeurte van de dwangsommen ophouden. Tot deze datum zou appellant het bedrag van de reeds verbeurde en nog te verbeuren dwangsom-men verschuldigd blijven. Vervolgens stelde de raadsman van appellant bij brief van 6 maart 2007 voor samen te komen met partijen om de verschillende punten te bespreken en verklaarde dat zijn cliënt bereid is geïntimeerde te vergoeden voor de goederen, die hij niet kan teruggeven, op voorwaarde dat geïntimeerde op haar beurt bereid is afstand te doen van haar vordering m.b.t. de verbeurde dwangsommen. De raadsman van geïntimeerde sprak daarop bij brief van 12 maart 2007 zijn scepticisme uit over het succes van dergelijke bijeenkomst en verklaarde dat een afstand van rechten in hoofde van geïntimeerde desgevallend en onder alle voorbehoud enkel in overweging kon worden genomen in het kader van een globale regeling waarbij rekening wordt gehouden met de aanspraken van beide partijen. 1.4. Uiteindelijk kwam geen regeling desbetreffend tot stand en liet geïntimeerde op 15 november 2007 uitvoerend beslag onder derden leggen lastens appellant in handen van ING BANK ter invordering van de dwangsommen verbeurd in de periode van 16 december 2005 tot 13 november 2007, meer kosten, hetzij voor een totaal bedrag van 70.848,14 EUR. Op 7 december 2007 tekent appellant verzet aan tegen het uitvoerend derdenbeslag, welk verzet het voorwerp vormt van huidig executiegeschil. Appellant steunt zijn verzet op het motief : - dat hij steeds beweerd heeft niet in het bezit de zijn van de kwestieuze voorwerpen en deze niet kon teruggeven, zoals ook medegedeeld in brieven van zijn raadsman aan de raadsman van geïntimeerde na uitspraak van het bevestigend arrest; - dat hij hoopte een regeling te kunnen treffen met geïntimeer-de in het kader van de vereffening-verdeling van het huwelijksstelsel en hierover reeds verschillende brieven met tegenpartij heeft gewisseld; - dat hij door het beslag in een netelige financiële situatie werd geplaatst. Het verzet van appellant strekt ertoe: - de handlichting te horen uitspreken van het uitvoerend derdenbeslag; - geïntimeerde te horen veroordelen tot het vrijwillig toekennen van de handlichting binnen de acht dagen vanaf het tussen te komen vonnis; - te horen zeggen voor recht dat bij gebreke aan vrijwillige handlichting, het tussen te komen vonnis zal gelden als handlichting; - geïntimeerde te veroordelen tot het betalen van 5.000 EUR schadevergoeding wegens tergend en roekeloos beslag en de gerechtelijk intresten, tot de kosten van het beslag en de handlichting en tot de verdedigingskosten van appellant. Geïntimeerde stelde een tegenvordering in wegens tergend en roekeloos geding en vorderde hiervoor een schadevergoeding van 1.500,00 EUR. Het verzet werd afgewezen bij de thans voor dit Hof bestreden beschikking van 28 oktober 2008. De tegeneis werd gegrond verklaard II.Hoger beroep Appellant vraagt de toewijzing van zijn oorspronkelijk verzet. Geïntimeerde vraagt de bevestiging van de bestreden beschik-king en de veroordeling van appellant tot betaling van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep. III. Beoordeling A. Wat betreft het verzoek tot het weren van conclusie van appellant 3.1. Bij conclusie van 28 september 2009 vraagt geïntimeerde dat de eerste conclusie voor appellant, neergelegd ter griffie op 3 juni 2009, uit het debat zou worden geweerd overeenkomstig artikel 747, §2, 6e alinea Ger.W. omdat de conclusie pas werd neergelegd daags na het verstrijken van de daartoe bij beschikking van dit Hof van 17 februari 2009 verleende conclusietermijn. Het Hof stelt vast dat bij voornoemde beschikking aan partijen ingevolge hun akkoord conclusietermijnen werden verleend als volgt: - geïntimeerde: 13 april 2009 - appellant: 1 juni 2009 - geïntimeerde: 13 juli 2009 - appellant: 1 september 2009 - geïntimeerde: 30 september 2009 Overeenkomstig artikel 747, §2, zesde lid Ger.W. worden de conclusies die na het verstrijken van de termijnen ter griffie worden neergelegd of aan de tegenpartij gezonden, ambtshalve uit de debatten geweerd. Het is correct dat de eerste conclusie voor appellant is binnengekomen ter griffie en bij geïntimeerde op 3 juni 2009, d.i. daags na het verstrijken van zijn eerste termijn om conclusie te nemen, doch voor het verstrijken van zijn tweede termijn. De tweede conclusie voor appellant werd neergelegd voor het verstrijken van de verleende tweede conclusietermijn op 31 augustus 2009. Geïntimeerde heeft van haar kant haar conclusie telkens neergelegd binnen de haar verleende termijnen en had ook het laatste woord. Artikel 747, §2 Ger.W. heeft niet de strekking dat de partij die nalaat binnen de eerste toegekende termijn een conclusie te nemen, hierdoor het recht verbeurt om later een conclusie te nemen, noch dat de eerste - zij het met één dag vertraging - ter griffie neergelegde conclusie uit het debat moet worden geweerd, nu geïntimeerde hierop binnen de tweede en derde haar verleende termijn ruimschoots heeft kunnen antwoorden en dit ook heeft gedaan. Het recht op tegenspraak van geïntimeerde werd gerespecteerd. Er is geen wettige reden voorhanden om de eerste of tweede door appellant neergelegde conclusie uit het debat te weren. Het Hof kan daarentegen geen kennis nemen van de ‘zittingsnota' die appellant ter zitting van 23 oktober 2009 buiten de vastgestelde conclusiekalender heeft neergelegd en evenmin van de zittingsnota-besluiten die geïntimeerde ter zitting van 17 november 2009 neerlegde. De door dit Hof opgelegde conclusiekalender legt dwingende termijnen vast en een zittingsnota-conclusie die door een partij zonder instemming van de andere partij buiten de termijn is neergelegd, dient ambtshalve uit het debat te worden geweerd. B. Wat betreft de gegrondheid van het hoger beroep 3.2. Het Hof dient zich uit te spreken over het executiegeschil naar aanleiding van het uitvoerend derdenbeslag dat geïntimeer-de op 15 november 2007 lastens appellant liet leggen ter invordering van verbeurde dwangsommen ten belope van 69.200,00 EUR in hoofdsom, zijnde 692 dagen aan 100,00 EUR, meer kosten, in het totaal een bedrag van 70.848,14 EUR. Deze gedwongen tenuitvoerlegging steunt op een beschikking in kortgeding van de voorzitter van de rechtbank van eerste anleg te Nijvel van 7 december 2005, bevestigd door het arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 15 november 2006. De betwisting was aanvankelijk blijkens het beroepsverzoek-schrift beperkt tot twee vragen: - of geïntimeerde zich schuldig maakte aan rechtsmisbruik door over te gaan tot gedwongen tenuitvoerlegging; - of appellant terecht werd veroordeeld tot een schadevergoeding wegens tergend geding. In zijn latere conclusie breidde appellant zijn verzet uit met enkele bijkomende gronden, te weten de vraag: - of het vonnis van de vrederechter van 6 oktober 2004 en het bevelschrift in kort geding van 8 juli 2005 nog konden worden uitgevoerd na de uitspraak van het echtscheidingsvonnis van 30 januari 2007, dat de gevolgen van de echtscheiding tussen partijen teruggaan tot bij de inleiding van de echtscheidingseis die dateert van 30 december 2004; - of er verjaring van de verbeurde dwangsommen is ingetreden; - wat de invloed is van de materiële vergissing in de uitvoerbare titel, die werd rechtgezet bij het arrest van het Hof van Beroep dd.15 november 2006 en van de omstandigheid dat dit arrest niet is betekend.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.