id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 17 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20091217.15 Rolnummer: 2009/AR/0156 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2010-02-23 Raadplegingen: 104 - laatst gezien 2026-07-02 20:50 Fiche De rechten van verdediging van de verweerder in onbekwaamverklaring werden in de procedure in eerste aanleg geschonden nu deze op geen enkel ogenblik vertegenwoordigd werd door een raadsman of een voorlopige bewindvoerder zodat diens persoonsrechteliike belangen niet behartigd werden. De verweerder is onbekwaamverklaring, die wat betreft de goederen reeds onder een beschermingsstatuur werd geplaatst en betreffende wiens geestestoestand zich een probleem stelt, is aldus in de onmogelijkheid om deel te nemen aan de juridische dialoog, ook in graad van hoger beroep. Gelet op de toestand van de verweerder in onbekwaamverklaring en art 6 EVRM gaat het hof over tot de aanstelling van een voorlopige bewindvoerder over diens persoon en goederen, dit conform art 1246 ger.w. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BEKWAAMHEID - Voorlopige bewindvoering - Aanstelling BURGERLIJK RECHT - BEKWAAMHEID - Onbekwaamverklaring - Algemeen Vrije woorden: Procedure tot onbekwaamverklaring - rechter van verdediging artikel 1246 Ger.w. aanstelling voorlopige bewindvoerder. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 11 Kamer ________ Terechtzitting van 17 december 2009 ________ 2009/AR/156 - In de zaak van:
- L. G., wonende te.......................,
- L.G., wonende te .........................., appellanten, hebbende als raadsman mr. ALEXANDER Carl, advocaat te 8000 BRUGGE, Zwijnstraat 3a tegen :
- PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE GENT, te 9000 GENT, Koophandelsplein 23, geïntimeerde die verschenen is in de persoon van de heer Herman Daens, Substituut-procureur-generaal
- L. R., wonende te ..........................., geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. DE MEESTER Jo, advocaat te 2018 ANTWERPEN, Justitiestraat 31
- V. B.C., wonende te ...................., geïntimeerde, die niet verschenen is, noch iemand voor haar velt het hof het volgend arrest: De appellanten hebben bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 16 januari 2009 hoger beroep ingesteld tegen het op 16 december 2008 uitgesproken vonnis van de zevende kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, waarbij: - akte verleend werd aan de vrijwillig tussenkomende partijen, zijnde de huidige appellanten, van hun tussenkomst; - de initiële vordering en de tussenvordering van de tweede geïntimeerde ontvankelijk en gegrond werd verklaard en de derde geïntimeerde onbekwaam werd verklaard om haar persoon te besturen en haar goederen te beheren; - bevolen werd dat het vonnis van onbekwaamverklaring op verzoek van de griffier bij uittreksel zal opgenomen worden in het Belgisch Staatsblad binnen de tien dagen na dagtekening van het vonnis; - de ‘verweerster' werd veroordeeld tot de kosten van het geding, niet te begroten bij gebrek aan opgave. In hun beroepsconclusies vorderen de appellanten dat het hof het bestreden vonnis gedeeltelijk zou vernietigen en opnieuw wijzende: - de hoofdvordering tot onbekwaamverklaring van de derde geïntimeerde als ontoelaatbaar zou afwijzen; - de tussenkomst van de tweede geïntimeerde, voor zover zij de oorspronkelijke vordering tot onbekwaamverklaring ondersteunt, eveneens zou afwijzen als ontoelaatbaar; - minstens de vordering tot onbekwaamverklaring als ongegrond zou afwijzen; - de kosten lastens de staat zou leggen. De eerste geïntimeerde vraagt dat het hof het hoger beroep zou afwijzen als ongegrond, dienvolgens het bestreden vonnis zou bevestigen in al zijn beschikkingen en de appellanten zou veroordelen tot de kosten van het hoger beroep. De tweede geïntimeerde vordert eveneens dat het hoger beroep ongegrond zou worden verklaard en dat het bestreden vonnis aldus zou worden bevestigd, met veroordeling van de appellanten tot de kosten van het geding in de beide instanties, zoals begroot (hetgeen wat betreft de beslissing over de kosten een incidenteel beroep uitmaakt). Op de openbare terechtzitting van 19 november 2009 werden de partijen gehoord in hun middelen en besluiten, waarna de debatten werden gesloten en de zaak in beraad werd genomen. BEOORDELING
- Het hoger beroep van de appellanten is tijdig ingesteld en regelmatig naar de vorm. Eveneens werd door de tweede geïntimeerde op regelmatige wijze incidenteel hoger beroep ingesteld. Zowel het principaal hoger beroep als het incidenteel hoger beroep zijn ontvankelijk te verklaren.
- Procedurele voorgaanden 2.
- Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge op 12 juni 2008 verzocht de procureur des Konings te Brugge de rechtbank om mevrouw C. V. B., zijnde de huidige derde geïntimeerde, onbekwaam te verklaren. De verzoekende partij werd door de eerste rechter verhoord in raadkamer op 24 juni
- Bij tussenvonnis van de zevende kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge van 27 juni 2008 werd neuro-psychiater M. F.aangewezen met onder meer als opdracht om de derde geïntimeerde te onderzoeken en verslag uit te brengen in het licht van de vraag of betrokkene zich al dan niet bevindt in een aanhoudende staat van onnozelheid of krankzinnigheid, al dan niet met gebeurlijke heldere tussenpozen, waardoor zij onbekwaam is om haar persoon en haar goederen te beheren. In het op 8 augustus 2008 ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge neergelegde deskundig verslag wordt besloten dat de betrokkene zich in een aanhoudende staat van onnozelheid (Alzheimer) bevindt waardoor zij onbekwaam is haar persoon en goederen te beheren. Er is in dit verslag sprake van een slechts vegetatief bewustzijn in hoofde van de betrokkene. Bij tussenvonnis van de zevende kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge van 7 oktober 2008 werd bepaald dat de rechtbank zal overgaan tot het verhoor van de derde geïntimeerde. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge op 21 oktober 2008 kwamen de appellanten vrijwillig in de procedure tussen, waarbij zij de rechtbank vroegen om het verzoek tot onbekwaamverklaring te verwerpen. De eerste rechter heeft op 21 oktober 2008 de derde geïntimeerde verhoord, waarbij op geen enkele vraag enige reactie of antwoord door de laatstgenoemde werd gegeven. Bij gerechtsbrief van 13 november 2008 werd onder meer aan de derde geïntimeerde ter kennis gebracht dat de rechtbank uitspraak zou doen over de vordering tot onbekwaamverklaring nadat beide partijen in raadkamer zijn gehoord of althans opgeroepen. Teneinde de partijen in de gelegenheid te stellen hun wederzijdse standpunten uiteen te zetten en toe te lichten werden ze opgeroepen om aanwezig te zijn in het gerechtsgebouw te Brugge, nader bepaald, op 2 december 2008 om 9 uur. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge op 19 november 2008 kwam ook de tweede geïntimeerde vrijwillig in de procedure tussen. Ter zitting van 2 december 2008 werden de verzoeker en de vrijwillig tussenkomende partijen met hun raadslieden gehoord. De tweede geïntimeerde sloot zich toen aan bij de vordering van de procureur des Konings. Op 16 december 2008 werd dan - op tegenspraak - het thans bestreden vonnis verleend. De beroepsakte neergelegd ter griffie van het hof op 16 januari 2009 werd bij gerechtsbrief van 19 januari 2009 ter kennis gebracht van alle geïntimeerden. Op de inleidende zitting in graad van hoger beroep is de derde geïntimeerde niet verschenen noch iemand voor haar. Bij beschikking van de voorzitter van deze kamer van het hof van 11 februari 2009 werden overeenkomstig artikel 747 § 2 Ger.W. conclusietermijnen en rechtsdag bepaald, beschikking die ter kennis werd gebracht van alle partijen. Bij brief neergelegd ter griffie van dit hof op 16 februari 2008 verzocht de raadsman van de tweede geïntimeerde om de voornoemde beschikking eveneens aan mr. J. D. N., voorlopige bewindvoerder van de derde geïntimeerde, te laten betekenen, hetgeen gebeurde op 19 november
- Door alle partijen, met uitzondering van de derde geïntimeerde, werden conclusies neergelegd. Op 19 oktober 2009 legden de appellanten ter griffie van dit hof een verzoekschrift ex artikel 748 § 2 Ger.W. neer. Hierin werd geen melding (meer) gemaakt van de derde geïntimeerde. Dit verzoekschrift werd ter kennis gebracht aan de voorlopige bewindvoerder van de derde geïntimeerde. Bij brief neergelegd ter griffie van dit hof op 29 oktober 2009 meldde de voorlopige bewindvoerder dat noch hijzelf noch mevrouw V. B. partij zijn in deze procedure en dat in die omstandigheden elke verdere kennisgeving in deze zaak overbodig is. Bij beschikking van de voorzitter van deze kamer van het hof van 12 november 2009 werd het verzoek ex artikel 748 § 2 Ger.W. afgewezen. In raadkamer op 19 november 2009 is de derde geïntimeerde niet verschenen noch vertegenwoordigd. 2.
- De wetsbepalingen inzake onbekwaamverklaring zijn van openbare orde want de onbekwaamverklaring raakt de staat en bekwaamheid van de persoon. Het hof is van oordeel dat in de procedure in eerste aanleg de rechten van verdediging van de verweerder in onbekwaamverklaring op ernstige wijze geschonden werden. Zonder reeds in te gaan op de grond van de zaak, kan het hof er immers niet omheen dat er zich een probleem stelt betreffende de geestestoestand van de derde geïntimeerde (dementie, vernauwing van het bewustzijn), wat trouwens door alle partijen wordt erkend, en reeds blijkt uit het feit dat aan de derde geïntimeerde bij beschikking van de vrederechter van het vierde kanton Brugge van 2 mei 2005 een voorlopige bewindvoerder werd toegevoegd. Ook het verhoor van de derde geïntimeerde door de eerste rechter op 21 oktober 2008 toont zulks aan. Nochtans blijkt uit het gerechtsdossier in eerste aanleg dat de derde geïntimeerde op geen enkel ogenblik in rechte vertegenwoordigd werd door een raadsman of door een voorlopige bewindvoerder zodat haar persoonsrechtelijke belangen niet behartigd werden. Waar een procedure tot onbekwaamverklaring een zeer ingrijpende en uitzonderlijke procedure betreft, kan niet worden aanvaard dat de stem van de derde geïntimeerde - die reeds onder een beschermingsstatuut werd geplaatst - hierin op geen enkele wijze wordt vertolkt. Ook in deze instantie dreigen de rechten van verdediging van de derde geïntimeerde opnieuw te worden geschonden nu zij evenmin verschenen is of vertegenwoordigd werd. De facto blijkt de derde geïntimeerde uitgesloten te zijn van elke effectuering van haar rechten en is zij in de onmogelijkheid om deel te nemen aan de juridische dialoog. In het kader van een procedure onbekwaamverklaring oefent het hof van beroep overeenkomstig artikel 1248 Ger.W., indien daartoe grond bestaat, de bevoegdheden uit die aan de rechtbank toekomen. De rechtbank kan overeenkomstig artikel 1246 Ger.W. na de eerste ondervraging, indien daartoe redenen zijn, een voorlopige bewindvoerder aanstellen, om voor de persoon en de goederen van de verweerder zorg te dragen. De voorlopige bewindvoerder heeft de bevoegdheden van de voogd. Rekeninghoudend met de hoger beschreven toestand van de derde geïntimeerde en inzonderheid gelet op artikel 6 EVRM, dat bepaalt dat eenieder recht heeft op een eerlijke behandeling van zijn zaak, is het hof van oordeel dat de eerste rechter na de ondervraging van de derde geïntimeerde een voorlopige bewindvoerder had moeten aanstellen over haar persoon en goederen. Het eerste vonnis dient reeds in die zin te worden tenietgedaan en het hof gaat over tot de aanstelling van een voorlopige bewindvoerder, zoals hierna bepaald, teneinde afdoende rechtsbescherming te verlenen aan de derde geïntimeerde. Wanneer tijdens de procedure tot onbekwaamverklaring overeenkomstig artikel 1246 Ger.W. een voorlopige bewindvoerder wordt aangesteld om voor de persoon en de goederen van de verweerder zorg te dragen, eindigt het voorlopig bewind van rechtswege bij de aanstellingsbeslissing (cf. artikel 488bis, d), lid 3 B.W.). De zaak dient dan verder te worden in staat gesteld, zoals hierna bepaald. OP DIE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, en erover beslissend, Doet het bestreden vonnis teniet en opnieuw wijzende, Stelt overeenkomstig artikel 1246 Ger.W. aan als voorlopige bewindvoerder, om voor de persoon en de goederen van mevrouw C. V. B., geboren te Deurne op 4 augustus 1915, wonende te .............., zorg te dragen: de heer Frank Van VLAENDEREN, advocaat, met kantoor te 9000 Gent, Krijgslaan 47, tel. 09/243.94.
- Verstaat dat de voorlopige bewindvoerder de bevoegdheden heeft van de voogd. Machtigt de voorlopige bewindvoerder voor zoveel als nodig om C. V. B.in deze procedure als geïntimeerde in rechte te vertegenwoordigen. Verstaat dat door de aanstelling van de voorlopige bewindvoerder krachtens artikel 1246 Ger.W. de opdracht van de voorlopige bewindvoerder mr. J. D. N., aangesteld bij beschikking van de vrederechter van het vierde kanton Brugge van 2 mei 2005 van rechtswege eindigt. Beveelt de publicatie van huidige beslissing in het Belgisch Staatsblad door middel van uittreksel. Vooraleer verder te oordelen, stelt de zaak in voortzetting op 24 juni 2010 om 14 uur. (40') Bepaalt dat de partijen hierbij de hiernavolgende conclusietermijnen in acht zullen dienen nemen, met dien verstande dat de laatste conclusies allesomvattende syntheseconclusies zullen zijn: - de derde geïntimeerde zal concluderen uiterlijk tegen 28 januari 2010; - de appellanten zullen concluderen uiterlijk tegen 22 februari 2010; - de eerste geïntimeerde zal concluderen uiterlijk tegen 22 maart 2010; - de tweede geïntimeerde zal concluderen uiterlijk tegen 12 april 2010; - de derde geïntimeerde zal concluderen uiterlijk tegen 3 mei
- Houdt de beslissing over de kosten van de beide instanties aan. Aldus gewezen door de ELFDE KAMER, van het Hof van beroep te Gent, zetelend in burgerlijke zaken, samengesteld uit: Alexander Deene, raadsheer wn. voorzitter, Nadia De Turck, raadsheer, Kristin Vandenberghe, raadsheer, en uitgesproken door de raadsheer wn. voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting van 17 december 2009, bijgestaan door Kurt Goossens, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div