← België

ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20091222.10

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 22 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20091222.10 Rolnummer: 2009-AR-0019 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2010-09-23 Raadplegingen: 109 - laatst gezien 2026-07-02 20:52 Fiche De door artikel 1629, derde lid van het Gerechtelijk Wetboek voorgeschreven vormen voor tegenspraak zijn van openbare orde en bij niet naleving hiervan moet de tegenspraak onontvankelijk worden verklaard. Enkel een notariële akte of een akte opgesteld door de gerechtsdeurwaarder, verlenen authenticiteit aan de daarin vermelde datum van opstelling van de akte door de ministeriële ambtenaar en bijgevolg zal de door de wetgever beoogde zekerheid omtrent de precieze datum van de tegenspraak. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BESLAG EN EXECUTIE - Uitvoerend beslag - Evenredige verdeling Vrije woorden: Beslag en executierecht - uitvoerend beslag onder derden - evenredige verdeling - tegenspraak - ontvankelijkheid. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 14b Kamer ________ Terechtzitting van 22 december 2009 ________ evenredige verdeling instrumenterende gerechts- deurwaarder : WYNEN Alex, met kantoor te 8400 OOSTENDE Jzerstraat 4 2009/AR/19 in de zaak van: KBC BANK N.V., met maatschappelijke zetel te 1080 BRUSSEL, Havenlaan 2, ingeschreven met KBO-nummer 0462.920.226, appellante, hebbende als raadsman mr. TANGHE Pol, advocaat te 8400 OOSTENDE, Mercatorlaan 17A tegen: 1. EUTRACO N.V., met maatschappelijke zetel te 8800 ROESELARE, Industrieweg 35, ingeschreven met KBO-nummer 0405.562.641, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. VANDENBUSSCHE Wim, advocaat te 8530 HARELBEKE, Tuinstraat 37 2. EXEQUTES ABO NV (voorheen NV BUREAU VOOR MILIEU-ONDERZOEK) met maatschappelijke zetel te 1083 BRUSSEL, Keizer Karellaan 292, ingeschreven met KBO-nummer 458.912.344, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. DE SMET Hilde, advocaat te 9051 SINT-DENIJS-WESTREM, Derbystraat 261 3. MERMUYS Johan , advocaat te 8490 JABBEKE, Dorpsstraat 76/3, in diens hoedanigheid van curator van het faillissement A.V.M., met zetel te 8420 De Haan, Brugsesteenweg 93, met ondernemings-nummer 0427.944.501 geïntimeerde,in persoon q.q. 4. ONTVANGER DIRECTE BELASTINGEN BRUGGE II, met kantoor te 8000 BRUGGE, G. Vincke-Dujardinstraat 4, geïntimeerde, 5. RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, met zetel te 1060 BRUSSEL, Victor Hortaplein 11, geïntimeerde, 6. VAN BRUWAENE HEFTRUCKS B.V.B.A., met maatschappelijke zetel te 8740 PITTEM, Brugsesteenweg 97, ingeschreven met KBO-nummer 479.620.557, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. MAES Els, advocaat te 8700 TIELT, Nieuwstraat 21 7. WINTERSPORT LEERDAM B.V., met maatschappelijke zetel te Piesmansstraat 4, NL-4141 HL LEERDAM (NEDERLAND), geïntimeerde, 8. VOGEL IMPORT-EXPORT N.V., met maatschappelijke zetel te 2000 ANTWERPEN, Godefriduskaai 28, ingeschreven met KBO-nummer 0437.434.168, geïntimeerde, 9. KINDT GARAGE N.V., met maatschappelijke zetel te 8800 ROESELARE, Brugsesteenweg 415, geïntimeerde, 10. SAGAM GRAPHICS, WOONSTKEUZE DOENDE op het kantoor van gerechtsdeurwaarder DEDUYTSCHE, 8200 SINT-ANDRIES, Torhoutsesteenweg 50, geïntimeerde, 11. MOERMAN N.V., met maatschappelijke zetel te 8760 MEULEBEKE, Schutterijstraat 25, ingeschreven met KBO-nummer 0418.959.232, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. DUFOORT Kim, advocaat te 8310 ASSEBROEK, Baron Ruzettelaan 27 12. SOCIETE SURCOUF & CIE S.A.R.L., met maatschappelijke zetel te Route d'Arlon 241, L - 1150 LUXEMBOURG, geïntimeerde, 13. PIETERS POEDERCOATING B.V.B.A., met maatschappelijke zetel te 8760 MEULEBEKE, Tieltstraat 54, ingeschreven met KBO-nummer 0860.852.630, geïntimeerde, 14. ABX BELGIUM DISTRIBUTION N.V., met maatschappelijke zetel te 1070 BRUSSEL, Industrielaan 14, ingeschreven met KBO-nummer 0883.914.874, geïntimeerde, 15. COFACE SERVICES BELGIUM S.A., met maatschappelijke zetel te 1348 LOUVAIN-LA-NEUVE, Place de L'Université 16, ingeschreven met KBO-nummer 0433.742.725, geïntimeerde, 16. ONTVANGER BTW BRUGGE, met kantoren te 8000 BRUGGE, G. Vincke-Dujardinstraat 4, geïntimeerde, 17. EDCO EINDHOVEN B.V., met maatschappelijke zetel te Adriaan Muldenweg 9-11, NL-5600 EINDHOVEN RB (NEDERLAND), geïntimeerde, 18. WYNEN Alex, gerechtsdeurwaarder, met kantoor te 8400 OOSTENDE, IJzerstraat 4, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. DAEMS Paul, advocaat te 8400 OOSTENDE, Leopold III laan 15 GEINTIMEERDEN 2, 4 TOT EN MET 10, 12 TOT EN MET 17 TER TERECHTZITTING DD 1.12.2009 NIET VERSCHENEN NOCH IEMAND VOOR HEN Wijst het Hof volgend arrest: Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 6 januari 2009 heeft appellante hoger beroep ingesteld tegen de tussenbeschikking van 23 december 2008 gewezen door de beslagrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Brugge. De aanwezige partijen werden gehoord in openbare terechtzitting van 1 december 2009 en de neergelegde conclusies en stukken werden ingezien. Appellante vraagt haar voordeel tegen de niet-verschijnende partijen. Artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werd in acht genomen. I. Voorgaanden 1.1.Op 4 oktober 2007 gaat gerechtsdeurwaarder Alex WYNEN op verzoek van N.V. BUREAU VOOR MILIEUONDERZOEK (thans N.V. EXEQUTES ABO) over tot het leggen van uitvoerend beslag onder derden ten laste van N.V. AVM, thans in faling ingevolge vonnis van de rechtbank van koophandel te Brugge dd.4 februari 2008. Het beslag wordt gelegd in handen van de gemeente De Haan en van de gemeenteontvanger van De Haan op de bedragen die aan de N.V.AVM verschuldigd zijn of zullen worden, ondermeer ingevolge de aankoop door de Gemeente De Haan van het onroerend goed gelegen te Wenduine, Brugsesteenweg 93, tot zekerheid van de betaling van een totaal bedrag van 3.508,12 EUR, zijnde de schuldvordering van N.V. BUREAU VOOR MILIEUONDERZOEK en dus de oorzaak van het beslag. In het exploot van beslag wordt de gemeente De Haan gewezen op haar verplichtingen als derde-beslagene, opgelegd door de artikelen 1452, 1453, 1454, 1455 en 1543 van het Gerechtelijk Wetboek, meer bepaald de verplichting om binnen de 15 dagen na het derdenbeslag een verklaring te doen van het voorwerp van het beslag en de verplichting om ten vroegste twee dagen na het verstrijken van de termijn van 15 dagen afgifte te doen van het bedrag van het beslag in handen van de gerechtsdeurwaarder. Op 19 oktober 2007 legt de gemeente De Haan een verklaring af van derde-beslagene, ondertekend door de burgemeester en de gemeentesecretaris, waarin vermeld wordt: - dat de gemeente De Haan een bedrag van 815.000 EUR verschuldigd is aan N.V. AVM op 24 juli 2007, wegens de aankoop van een onroerend goed in De Haan; - dat zij overdrachten van schuldvordering en andere beslagen heeft ontvangen vanwege enerzijds het BTW-kantoor Brugge voor een totaal bedrag van 14.839,58 EUR, waarvan 12.419,89 EUR bevoorrechte schuld en anderzijds de RSZ voor een totaal bedrag van 15.014,69 EUR. 1.2. Ondanks deze verklaring maakt de gemeente op 19 oktober 2007 slechts een bedrag van 3.508,12 EUR, hetzij het bedrag van de oorzaak van het beslag, over aan gerechtsdeurwaarder Wynen. Na interpellatie door de gerechtsdeurwaarder van de gemeenteontvanger bleek dat deze laatste zelf na het uitvoerend beslag in zijn handen eerst bedragen heeft uitbetaald aan bepaalde schuldeisers, te weten: aan de BTW Brugge (14.839,58 EUR), aan de RSZ (15.014,69 EUR) en aan appellante (778.704,59 EUR). Bij brief van 19 oktober 2007 aan de gemeente De Haan wijst de gerechtsdeurwaarder erop dat hij ingevolge het uitvoerend derdenbeslag van 4 oktober 2007 gehouden is de evenredige verdeling te doen van de in beslag genomen gelden overeenkomstig artikel 1627 Ger.W. en vraagt hij de gemeente De Haan om overeenkomstig artikel 1543 Ger.W. alle gelden over te maken op zijn rekening, waarna hij zal overgaan tot evenredige verdeling rekening houdend met alle samenlopende schuldeisers. In een volgend aangetekend schrijven van 23 oktober 2007 aan de Gemeente De Haan herhaalt de gerechtsdeurwaarder dit standpunt, wijst op de afgifteplicht van artikel 1543 Ger.W. en op het collectief karakter van het beslag, bevestigd door het cassatie-arrest van 11 april 1997 en de wet van 29 mei 2000, hetgeen impliceert dat hij rekening dient te houden niet enkel met het volledige bedrag van het beslag, maar ook met alle schuldvorderingen van alle verzetdoende schuldeisers en zij die een vordering kenbaar hebben gemaakt. 1.3. Vervolgens maakt gerechtsdeurwaarder Wynen een ontwerp op van evenredige verdeling op 5 december 2007. Daarin stelt hij vast dat de Gemeente De Haan na het derdenbeslag en zonder hem te verwittigen, op eigen initiatief betalingen heeft uitgevoerd in strijd met de wettelijke bepalingen van artikel 1540 van het Gerechtelijk Wetboek. Hij wijst tevens op artikel 1543 van het Gerechtelijk Wetboek dat de derde-beslagene verplicht om twee dagen na het verstrijken van de termijn van 15 dagen na het beslag afgifte te doen van het bedrag van het beslag in handen van de gerechtsdeurwaarder en op het feit dat de gemeente De Haan niet heeft gereageerd op zijn aangetekend schrijven van 23 oktober 2007. Ten slotte komt de gerechtsdeurwaarder tot het besluit dat het volledige te verdelen saldobedrag van 2.970,74 EUR waarover hij beschikt moet worden toebedeeld aan N.V. BUREAU VOOR MILIEUONDERZOEK, en formuleert hij een voorbehoud voor de mogelijke juridische stappen van de schuldeisers tegen de derde-beslagene in de volgende bewoordingen: "Gezien mijn voorgaande opmerkingen meen ik dat de andere niet uitbetaalde schuldeisers zich het recht voorbehouden om verdere juridische stappen te ondernemen tegen de derde-beslagene partijen m.b.t. de ten onrechte vroegtijdige zelf uitbetaalde bedragen t.b.v. 812.066,98 EUR en tot vereffening van hun aller vordering. Ikzelf wil eveneens het recht voorbehouden om vergoeding te vorderen voor de schade die mijn ambt heeft geleden en nog kan lijden t.o.v. mijn kliënten". Na verzending van het ontwerp van evenredige verdeling, ontvangt de gerechtsdeurwaarder tegenspraken van twee schuldeisers, die hem worden overgemaakt bij fax/brief van hun raadslieden, een fax van de raadsman van N.V.EUTRACO dd.17 december 2007 en een brief van de raadsman van N.V. BUREAU VOOR MILIEUONDERZOEK dd.18 december 2007. Beide schuldeisers weigeren zich akkoord te verklaren met het ontwerp van evenredige verdeling omdat naar hun oordeel de derde-beslage een manifeste fout heeft begaan door zelf over te gaan tot rechtstreekse uitbetaling van de bevoorrechte en hypothecaire schuldeisers en niet alle in beslag genomen gelden heeft overgemaakt aan de gerechtsdeurwaarder. In de brief van de raadsman van N.V. EUTRACO staat verder dat de beslagrechter zo nodig deze fout van de derdebeslagene moet beoordelen. Op 22 januari 2008 heeft de gerechtsdeurwaarder het ontwerp van evenredige verdeling, samen met de brieven van 17 december en 18 december 2007, houdende tegenspraak van voornoemde schuldeisers en de overige stukken m.b.t. de gedwongen uitvoering in toepassing van artikel 1631, 2° Ger.W. neergelegd ter griffie van de beslagrechter te Brugge met verzoek de tegenspraken te willen beoordelen. In zijn verzoek stelt de gerechtsdeurwaarder vast dat de tegen-spraken zijn gebeurd op basis van de slechts zeer gedeeltelijke doorstorting door de derde-beslagene van de gelden waarop derdenbeslag werd gelegd, ondanks het feit dat hij de derde-beslagene meermaals heeft gewezen op de verplichting om het geheel van de fondsen over te maken. Na de inleiding van de procedure voor de beslagrechter, heeft de derdebeslagene, de gemeente De Haan, op 16 mei 2008 een procedure ten gronde ingeleid tegen appellante voor de rechtbank van eerste aanleg te Brussel waarin teruggevorderd wordt hetgeen volgens de derde-beslagene door haar onverschuldigd werd uitbetaald aan de hypothecaire schuldeiser. Bij vonnis van 12 mei 2009 heeft de rechtbank van eerste aanleg te Brussel appellante veroordeeld tot betaling aan de derde-beslagene van de som van 273.980,29 EUR , meer de gerechte-lijke rente, met machtiging van de derde-beslagene om deze bedragen door te betalen aan gerechtsdeurwaarder Wynen "met het oog op de evenredige verdeling na het uitvoerend beslag onder derden van 4 oktober 2007". Dit vonnis werd uitvoerbaar verklaard bij voorraad. Tegen dit vonnis is hoger beroep aangetekend door appellante op 1 september 2009. 1.4. In de thans bestreden beschikking van 23 december 2008: - verklaart de eerste rechter de tegenspraken op het ontwerp van evenredige verdeling ontvankelijk - stelt hij vast dat er nog geen zekerheid is omtrent de omvang van het voorwerp van het uitvoerend beslag onder derden van 4 oktober 2007 op verzoek van N.V. BUREAU VOOR MILIEUONDERZOEK lastens N.V. AVM in handen van de ontvanger van de gemeente De Haan, dat de basis is voor de evenredige verdeling waaromtrent tegenspraak is gedaan, en dat daarover een geding ten gronde aanhangig is tussen de derde beslagene ontvanger van de gemeente De haan, hier niet in zake en de in het ontwerp van evenredige verdeling betrokken schuldeiser N.V. KBC; - stelt hij vast dat in afwachting van een definitieve uitspraak in het geschil voor de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, ingeleid op 16 mei 2008, dat invloed heeft op de bepaling van het voorwerp van het derden-beslag, het geschil omtrent de tegenspraken welke volgens artikel 1634 Ger.W. van deze rechtbank een afsluiten van een tabel van verdeling zou vereisen, niet in staat is om te worden beoordeeld. II. Hoger beroep In haar akte van hoger beroep verwijt appellante de eerste rechter dat hij de tegenspraken ontvankelijk heeft verklaard en vraagt zij na vernietiging van de bestreden tussenbeschikking deze tegenspraken als onontvankelijk af te wijzen. Subsidiair, mocht het Hof de tegenspraken ontvankelijk verklaren, behoudt appellante zich het recht voor om ten gronde te concluderen. De tegenspraakvoerende partijen vragen de bevestiging van de bestreden beschikking en de veroordeling van appellante tot de kosten van het geding. N.V.EUTRACO acht het in ondergeschikte orde kennelijk onredelijk dat zij zou worden veroordeeld tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding aan appellante, omdat zij nooit een vordering heeft geformuleerd tegen appellante. Mter.Mermuys optredend in zijn hoedanigheid van curator van het faillissement N.V. AVM vraagt eveneens de bevestiging van de bestreden beschikking. Hij maakt voorbehoud voor de gevolgen van de niet-afgifte door de derde-beslagene van de in beslag genomen gelden aan de gerechtsdeurwaarder, die daardoor in de onmogelijkheid is een verdelingsstaat m.b.t. deze gelden op te maken. Hij vraagt t.a.v. de curatele enkel de minimum rechtsplegingsvergoeding toe te passen, gelet op het faillissementsvonnis waarin de kosteloze rechtspleging werd toegestaan. Gerechtsdeurwaarder Wynen vraagt bij conclusie dd.29 juni 2009 akte te verlenen dat hij verder standpunt zal innemen nadat de appellante hetzij een kopie van haar verklaring van berusting laat geworden inzake de procedure te Brussel, hetzij een kopie van de door haar neergelegde beroepsakte in dit geschil. In zijn tweede conclusie, neergelegd op 30 oktober 2009, vraagt de gerechtsdeurwaarder Wynen in hoofdorde de zaak te verzenden naar de rol in afwachting van de beslechting van de tussen de KBC Bank en de gemeente De Haan gevoerde beroepsprocedure voor het Hof van Beroep te Brussel en in subsidiaire orde vast te stellen dat hij op regelmatige wijze gevat werd voor de voor hem gebrachte tegenspraken, om verder te handelen als naar recht. Hij vraagt tevens de overige partijen te veroordelen tot de gerechtskosten, aan zijn zijde te begroten in eerste aanleg en hoger beroep op telkens 1.200,00 EUR. III. Beoordeling 3.1. Het Hof moet en kan zich enkel uitspreken over de ontvankelijkheid en eventuele gegrondheid van de tegenspraak die twee schuldeisers formuleerden tegen een ontwerp van evenredige verdeling dat gerechtsdeurwaarder Wynen op 5 december 2007 heeft opgemaakt naar aanleiding van het uitvoerend beslag dat hij op 4 oktober 2007 ten verzoeke van N.V. BUREAU VOOR MILIEUONDERZOEK heeft gelegd in handen van de gemeente De Haan. Uit dit ontwerp van evenredige verdeling blijkt dat gerechts-deurwaarder Wynen van de gemeente De Haan niet alle gelden heeft ontvangen die blijkens de verklaring van de gemeente De Haan het voorwerp waren van het derdenbeslag en dat de gemeente De Haan na het beslag op 4 oktober 2009 zelf rechtstreekse betalingen heeft gedaan aan diverse schuldeisers, waaronder appellante. De beoordeling van de ontvankelijkheid en gegrondheid van de tegenspraken staat volledig los van de mogelijke aansprakelijkheid van de derde-beslagene, die geen partij is in huidig geding, wegens miskenning van het verbod tot uithandengeving (art.1540 Ger.W.) en van de afgifteverplichting (1543 Ger.W.), dewelke tot gevolg hadden dat aan de gerechtsdeurwaarder niet alle in beslag genomen gelden werden overgemaakt met het oog op hun evenredige verdeling onder alle in samenloop komende schuldeisers. De eventuele sanctionering van de derde-beslagene, die het gevolg zou kunnen zijn van de miskenning van zijn wettelijke verplichtingen, is evenwel thans niet aan de orde voor het Hof. Dit heeft voor gevolg dat geen gevolg moet worden gegeven aan het verzoek van gerechtsdeurwaarder Wynen, geformuleerd in zijn conclusie van 30 oktober 2009, om de zaak te verzenden naar de rol in afwachting van de beslechting van de tussen de KBC Bank en de gemeente De Haan gevoerde beroeps-procedure voor het Hof van Beroep te Brussel.

  1. a)wat betreft de ontvankelijkheid van de tegenspraken tegen het ontwerp van verdeling 3.2. Twee schuldeisers formuleren tegenspraak bij fax van hun raadsman, waarin zij verklaren niet akkoord te gaan met het ontwerp van evenredige verdeling omdat de gerechts-deurwaarder van de gemeente De Haan niet alle in beslag genomen en te verdelen gelden heeft ontvangen en deze laatste een fout zou hebben begaan door na het beslag nog rechtstreekse uitbetalingen te verrichten aan bepaalde schuldeisers. Appellante meent dat de tegenspraken van de schuldeisers niet ontvankelijk zijn omdat zij: - niet overeenkomstig artikel 1629 van het Gerechtelijk Wetboek hetzij bij gerechtsdeurwaardersexploot betekend werden aan de optredende gerechtsdeurwaarder, hetzij bij verklaring afgelegd werden voor deze laatste; - geen betrekking hadden op de verdeling van de door de gerechtsdeurwaarder ontvangen gelden en derhalve niet met toepassing van de procedure zoals voorzien door artikel 1629 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek konden aanghangig gemaakt worden bij de beslagrechter. Tweede geïntimeerde N.V. EUTRACO stelt dat tegenspraak kan worden gedaan door een verklaring afgelegd voor de instrumenterende gerechtsdeurwaarder, zowel mondeling als schriftelijk. Zij werpt op dat de tegenspraak ontvankelijk is zodra vaststaat dat de gerechtsdeurwaarder deze heeft ontvangen en dat het volstaat dat de verklaring de gerechtsdeurwaarder bereikt zodat deze laatste een akte van tegenspraak kan opstellen. 3.3. Overeenkomstig artikel 1629, derde lid van het Gerechtelijk Wetboek moet iedere tegenspraak tegen het ontwerp van evenredige verdeling worden gedaan binnen vijftien dagen, hetzij bij deurwaardersexploot betekend aan de optredende gerechtsdeurwaarder, hetzij bij verklaring vóór deze laatste, zoniet wordt de verdeling ter hand genomen overeenkomstig de voorzieningen van het ontwerp. Kern van huidig geschil is de vraag of de tegenspraken, die door N.V. EUTRACO en N.V. BUREAU VOOR MILIEUONDERZOEK werden geformuleerd bij fax/brief van hun raadslieden verzonden op 17 en 18 december 2007 aan de gerechtsdeurwaarder, kunnen worden beschouwd als een verklaring voor de gerechtsdeurwaarder in de zin van artikel 1629, derde lid Ger.W. Meer bepaald is de vraag of de strenge interpretatie van de vormvereisten inzake tegenspraak die door bepaalde rechtspraak wordt gevolgd bij de beoordeling van tegenspraken geformuleerd bij gewone brief/fax tegen een ontwerp van rangregeling bij onroerend beslag, ook gevolgd moet worden bij tegenspraken op evenredige verdeling na derdenbeslag. 3.4. Overeenkomstig artikel 1629, derde lid Ger.W. moet de tegenspraak tegen een ontwerp van evenredige verdeling na roerend/derdenbeslag gedaan worden hetzij bij deurwaardersexploot betekend aan de optredende gerechts-deurwaarder, hetzij bij "verklaring voor deze laatste". De tegenspraak moet geschieden op voornoemde, bij artikel 1629, derde lid Ger.W. bepaalde wijze binnen de termijn van vijftien dagen na de verzending van het ontwerp van evenredige verdeling. Deze termijn geldt als een vervaltermijn. Artikel 1629, derde lid Ger.W. onderstelt dus een exploot van tegenspraak betekend aan de optredende gerechtsdeurwaarder hetzij een akte van tegenspraak door deze opgesteld naar aanleiding van een verklaring die voor hem wordt afgelegd. Van mondelinge verklaringen van schuldeisers voor de gerechtsdeurwaarder moet deze een akte van tegenspraak opmaken waarin hij vaststelt welke schuldeiser voor hem op een bepaalde dag en uur is verschenen en akte neemt van de verklaring die deze schuldeiser aflegt. Over de vraag wat dient te gebeuren met schriftelijke "verklaringen", geformuleerd in een aangetekende brief, een gewone brief, fax of mail, lopen de meningen in de rechtspraak en rechtsleer uiteen. Volgens een eerste strekking, ook gevolgd door de eerste rechter in huidig geschil, voldoen dergelijke tegenspraken niet aan het bepaalde in artikel 1629, derde lid Ger.W. en leveren zij voor derden onvoldoende garanties op. Volgens een tweede strekking is tegenspraak bij gewone brief ontvankelijk, van zodra vaststaat dat de gerechtsdeurwaarder deze brief heeft ontvangen. Het Hof sluit zich aan bij de eerste strekking. De door artikel 1629, derde lid Ger.W. voorgeschreven vormen voor tegenspraak zijn van openbare orde en bij niet-naleving hiervan moet tegenspraak onontvankelijk worden verklaard. Het formele executierecht heeft immers een publiekrechtelijke dimensie, nu het gaat om het afdwingen van privaatrechtelijke aanspraken door toedoen van door de overheid ter beschikking gestelde machtsmiddelen. Van de bij de wet opgelegde formaliteiten in het beslag- en executierecht kan contractueel niet worden afgeweken met het oog op de bescherming van schuldeisers en derden. Een volledig analoge regeling is voorzien bij het formuleren van tegenspraak tegen het door de notaris opgestelde ontwerp van rangregeling (art.1644, vierde lid Ger.W.). Beide bepalingen dienen op dezelfde wijze te worden toegepast. Zij gaan terug op dezelfde bedoeling van de wetgever. Artikel 1629, derde lid Ger.W. beoogt met zijn formeel en stringent karakter de rechtszekerheid en de belangen van derden te vrijwaren, doordat het vereist dat de grieven op een zekere en vaststaande wijze en binnen een korte termijn ten aanzien van de optredende gerechtsdeurwaarder worden geformuleerd. Een tegenspraak die niet in de voormelde vorm geschiedt, dient als onbestaande te worden beschouwd en is bijgevolg onontvankelijk. De onontvankelijkheid, waartoe bij toepassing van artikel 1629, derde lid Ger.W. moet worden besloten, situeert zich op het niveau van de onontvankelijkheid van de rechtsvordering. De tegenspraak moet worden geformuleerd op een wijze, die onweerlegbare zekerheid geeft nopens de datum, waarop het werd geformuleerd. Om die reden heeft de wetgever bij de twee wijzen, waarop de tegenspraak kan worden geformuleerd, de tussenkomst van een ministerieel ambtenaar - de gerechtsdeur-waarder (bij evenredige verdeling) of de notaris (bij rangregeling) - vereist. De tegenspraak kan blijkens art.1629, derde lid Ger.W. alleen gebeuren hetzij bij deurwaardersexploot betekend aan de optredende gerechtsdeurwaarder, hetzij bij verklaring voor deze laatste, hetgeen impliceert dat telkens het optreden van een ministeriële ambtenaar vereist is die op authentieke wijze de datum bepaalt waarop de tegenspraak wordt geformuleerd. Alleen een ministeriële ambtenaar kan een akte met vaste datum opstellen. Bij het formuleren van bezwaar door een "verklaring" afgelegd voor de gerechtsdeurwaarder of de notaris, waarbij de tegenspraakvoerende partij voor de gerechtsdeurwaarder verschijnt, dienen deze daarvan een akte van tegenspraak op te stellen, waarvan de datum van opstelling met authenticiteit is bekleed zodat met zekerheid vaststaat dat de tegenspraak binnen de vervaltermijn van 15 dagen is geschied (zie Verslag Hermans, Pasin. 1967, 1002, geciteerd Beslag. Antwerpen 19 februari 1990, R.W. 1990-91, 786). Enkel een notariële akte of een akte opgesteld door de gerechtsdeurwaarder, verlenen authenticiteit aan de daarin vermelde datum van opstelling van de akte door de ministeriële ambtenaar, en bijgevolg ook de door de wetgever beoogde zekerheid omtrent de precieze datum van de tegenspraak. Het is duidelijk dat dergelijke zekerheid niet bestaat indien schuldeisers hun tegenspraak bij brief, fax of mail aan de gerechtsdeurwaarder bezorgen, aangezien de gerechtsdeur-waarder in dat geval geen akte van tegenspraak opstelt naar aanleiding van de brief, mail of fax die hij ontvangt, waarin hij akte neemt van een voor hem afgelegde verklaring. Dergelijke brief, fax of mail kan niet worden beschouwd als een verklaring voor de gerechtsdeurwaarder, in de zin van artikel 1629, derde lid Ger.W. Een miskenning van de bepalingen nopens de wijze, waarop de tegenspraak moet gebeuren, leidt tot de onontvankelijkheid van de rechtsvordering, precies omdat niet op onweerlegbare wijze wordt bewezen dat de tegenspraak binnen de voornoemde termijn van één maand werd geformuleerd. Een verklaring voor een ministerieel ambtenaar kan onmogelijk worden vervangen door een (al dan niet aangetekende) brief, e-mail of fax, terwijl de bevestiging achteraf door de instrumenterende gerechtsdeur-waarder (of notaris) over de datum waarop hij de brief, e-mail of fax zou hebben ontvangen, niet voldoet aan de wettelijk vastgelegde en gelimiteerde formele bewijsregeling. De omstandigheid dat de wijze, waarop het bezwaar moet worden geformuleerd, niet op straffe van nietigheid is voorge-schreven, is in het kader van het onderzoek naar de ontvankelijkheid van de rechtsvordering, niet relevant. De tegenspraken zijn dan ook niet ontvankelijk. Ten overvloede meent het Hof - in tegenstelling tot de eerste rechter - dat een tegenspraak door de betrokken schuldeisers niet de enige manier is om te voorkomen dat de door hen foutief geachte verdeling gebeurt, aangezien de aangevoerde fout toegeschreven wordt aan de derde-beslagene die geen partij is in huidig geding en zijn aansprakelijkheid niet ter discussie staat in de procedure voor dit Hof. Bovendien heeft de rechtbank van eerste aanleg te Brussel bij vonnis dd.12 mei 2009 inmiddels appellante veroordeeld om aan de derde-beslagene een bedrag van 273.980,29 EUR terug te betalen met verplichting voor de derde-beslagene om dit bedrag door te betalen aan de gerechtsdeurwaarder Wynen met het oog op de evenredige verdeling na uitvoerend beslag. Deze laatste heeft trouwens in zijn ontwerp van 5 december 2007 een voorbehoud in die zin voor de niet-betaalde schuldeisers geformuleerd. Het spreekt voor zich dat de uitvoering van deze veroordeling voor gevolg heeft dat de gerechtsdeurwaarder het van appellante te ontvangen bedrag opnieuw zal moeten verdelen, op voorwaarde dat het vonnis, dat door appellante werd bestreden in hoger beroep, opnieuw door de appelrechter wordt bevestigd. Deze kwestie vormt evenwel niet het voorwerp van huidig geschil.
  2. b)wat betreft de rechtsplegingsvergoeding N.V. EUTRACO wijst erop dat zij zich nooit tegen appellante heeft gericht een nooit een vordering tegen haar heeft ingesteld, zodat niet valt in te zien waarom zij zou moeten veroordeeld worden tot betaling van een rechtspleginsvergoeding aan deze partij. Zij verwijst in ondergeschikte orde naar de bepaling die voorziet dat de rechtbank de rechtsplegingsvergoeding kan aanpassen, rekening houdend met het kennelijk onredelijk karakter van de situatie. Overeenkomstig artikel 1017 Ger.W. verwijst ieder vonnis, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten, onverminderd de overeenkomst tussen partijen, die het eventueel bekrachtigt. Artkel 1022, derde lid, Ger. W. biedt de mogelijkheid aan de rechter om af te wijken van het bij K.B. van 26 oktober 2007 tot uitvoering van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, bepaalde basisbedrag aan rechtsplegingsvergoeding (1.200 euro) voor de in het gelijk gestelde partij bij een niet in geld waardeerbare vordering: In verband met de rechtsplegingsvergoeding blijkt dat geïnti-meerde aanspraak maakt op het basisbedrag van 1.200 euro voor elke aanleg, dat blijkens het K.B. van 26 oktober 2007 van toepassing is op vorderingen die niet in geld waardeerbaar zijn. In haar conclusies merkt N.V. EUTRACO op dat het toekennen van het basisbedrag aan appellante een kennelijk onredelijke situatie zou doen ontstaan omdat zij zich voor de eerste rechter niet tegen appellante heeft gericht en tegen haar geen vordering heeft gesteld. Het komt het Hof voor dat het kennelijk onredelijk zou zijn de oorspronkelijke eiseressen een rechtsplegingsvergoeding te doen betalen van tweemaal 1.200 euro. De thans te beoordelen zaak is niet van een complexiteit die een dergelijke rechtsplegingsvergoeding zou kunnen verantwoorden. Het betreft een puur formele appreciatie van de ontvankelijkheid van de tegenspraken tegen een ontwerp van evenredige verdeling (kan dit bij brief en fax of niet?). Appellante, die het debat in hoger beroep trouwens tot de kwestie van de ontvankelijkheid heeft beperkt, kan bezwaarlijk beweren dat dit voor haar een complexe zaak is. Dat alles neemt evenwel niet weg dat appellante betrokken werd in een procedure voor een burgerlijke rechtbank, wat voor haar wel degelijk kosten veroorzaakt. Het komt dan ook raadzaam, redelijk en billijk voor de rechts-plegingsvergoeding die aan appellante toekomt te herleiden tot 200 EUR per aanleg. Voor de goede orde zij aangestipt dat het Hof in het nieuwe art. 1022 Ger. W. niet leest dat zij slechts kan kiezen tussen drie bedragen (basisbedrag, minimumbedrag of maximumbedrag). Er is sprake van een basisbedrag dat de rechter «kan verminderen... zonder (het) door de Koning bepaalde minimumbedrag te overschrijden». Naar het oordeel van het Hof betekent dit dat het Hof een bedrag kan toekennen dat lager is dan het basisbedrag (1.200 euro), maar hoger dan het minimumbedrag (75 euro)». OP DEZE GRONDEN HET HOF, recht doende op tegenspraak Verklaart het hoger beroep van appellante toelaatbaar en gegrond; Doet de bestreden beschikking teniet en opnieuw wijzend; Verklaart de tegenspraak van N.V. EUTRACO en de N.V. EXEQUTES ABO onontvankelijk; Veroordeelt de oorspronkelijke eiseressen, N.V. EUTRACO en de N.V. EXEQUTES ABO in solidum tot de kosten van beide aanleggen, in hun hoofde niet nader te begroten, in hoofde van de overige partijen - met uitzondering van Mter.Johan Mermuys qq.- begroot op: - rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 200 EUR - rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 200 EUR Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, VEERTIENDE bis KAMER, zitting houdende in burgerlijke zaken, van 22 december 2009 Aanwezig: Karen Broeckx, Raadsheer wn. Voorzitter Carine Sonneville, griffier Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.