id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 24 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:ARR.20091224.8 Rolnummer: 2009/AR/2590 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2010-02-25 Raadplegingen: 101 - laatst gezien 2026-07-02 20:54 Fiche Uitvoerbaarheid bij voorraad. Eerste rechter heeft niet voldaan aan de motiveringsplicht - vonnis te niet op dit punt. De vraag van 1ste geïntimeerde tot de voorlopige tenuitvoerlegging wordt afgewezen. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BESLAG EN EXECUTIE - Voorafgaande regels (beslag en executie) - Uitvoerbaarheid - Uitvoerbaarheid bij voorraad Vrije woorden: UTV 335 - Motivering - Vrije trefwoorden : Uitvoerbaarheid bij voorraad - Motiveringsverplichting - Uitzonderingsmaatregel Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 11b Kamer ________ Terechtzitting van 24 december 2009 TUSSENARRESTover de voorlopige uitvoerbaarheid Behandeling ten grondedd. 21.10.2010 om 11h. - In de zaak met het rolnummer 2009/AR/2590 van: D .W., wonende te .................., appellant tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Veurne, op tegenspraak gewezen door de zevende kamer dd. 24-6-2009, oorspronkelijk tweede verweerder, hebbende als raadsman mr. VAN HENDE Filip, advocaat te 9000 Gent, Baliestraat 28 tegen :
- S. J., wonende te ................., met ondernemingsnr.: ............, eerste geïntimeerde,oorspronkelijk eiser, hebbende als raadsman mr. LIBEERT Philippe, advocaat te 8600 Diksmuide, De Breyne Peellaertstraat 21
- D. H., wonende te ...................., met ondernemingsnr.: .......... tweede geïntimeerde, oorsproneklijk eerste verweerster, hebbende als raadsman mr. VAN STEENBRUGGE Walter, advocaat te 9820 Merelbeke, Jozef Hebbelynckstraat 2
- S. W., wonende te .................., met ondernemingsnr.:.............., derde geintimeerde,oorspronkelijk derde verweerster, hebbende als raadsman mr. VANNESTE Rudi, advocaat te 8820 Torhout, Oostendestraat 327
- nv KREDIETBANK LUXEMBOURG, met zetel te L-2955 Luxemburg, Boulevard Royal 43, (Groothertogdom Luxemburg), ingeschreven in het handelsregister te Luxemburg onder nr. B6395, vierde geïntimeerde, - TER TERECHTZITTING NIET VERSCHIJNEND -, oorspronkelijk vierde verweerster velt het hof het volgend arrest. Het Hof heeft kennis genomen van het bestreden vonnis dd. 24 juni 2009 van de rechtbank van eerste aanleg te Veurne, 7° kamer, waartegen de appellant tijdig en op regelmatige wijze hoger beroep heeft ingesteld. De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting van 26 november 2009 bij monde van hun raadslieden; zowel de neergelegde conclusies als de overgelegde stukken werden ingezien. Naar aanleiding van de behandeling van de zaak hebben de appellant, de eerste geïntimeerde en de tweede geïntimeerde verklaard zich er niet tegen te verzetten dat de behandeling van de zaak zich thans beperkt tot het geschil betreffende de uitvoerbaarheid bij voorraad van het bestreden vonnis. De derde geïntimeerde heeft verklaard desbetreffend geen stelling in te nemen. De vierde geïntimeerde is niet verschenen en de appellant vraagt zijn voordeel lastens deze partij. Nopens de procedure :
- De eerste rechter heeft in het bestreden vonnis aan de griffier van de rechtbank bevolen aan het Openbaar Ministerie, in de persoon van de Procureur-generaal bij het Hof van beroep te Gent, kennis te geven van het dossier en de uitspraak. De hoofdeis van de eerste geïntimeerde (oorspronkelijke eiser) werd ontvankelijk verklaard en gegrond in de volgende mate, de tusseneis van de tweede geïntimeerde (oorspronkelijk eerste verweerster) werd afgewezen als niet ontvankelijk. I. Er werd gezegd voor recht tegenover derde geïntimeerde (oorspronkelijk derde verweerster) dat de eerste geïntimeerde rechtsgeldig toepassing kan maken van art. 792 B.W. en de eerste rechter legde de dubbele sanctie op in dat artikel, dienvolgens zegde hij voor recht dat de derde geïntimeerde geen enkele aanspraak kan maken op enig aandeel in de weggemaakte of verborgen gehouden tegoeden, tegenwaarden of vervangwaarde daarvan uit de onver-deelde nalatenschap van A. S.-M. D. en dit tegenover de eerste geïntimeerde. Hij zegde voor recht dat, ingevolge de toepassing van gezegd wetsartikel het aandeel in de weggemaakte of verborgen gehouden tegoeden die aan de eerste geïntimeerde toekomen, berekend wordt als volgt : twee derden van de in het dictum nader omschreven tegoeden in volle eigendom en één zesde van diezelfde tegoeden in naakte eigendom. Hij zegde voor recht dat de derde geïntimeerde aldus tot beloop van deze fracties al haar erfrechtelijke aanspraken verloor in die tegoeden die zij weggemaakt had of verborgen had gehouden. De eerste geïntimeerde werd gemachtigd om met uitsluiting van de appellant, de tweede geïntimeerde en de derde geïntimeerde bij wijze van provisie of provisionele vergoeding de nader in het dictum omschreven tegoeden te ontvangen. Tevens werd voorafgaandelijk als deskundige notaris Greet Deboodt, notaris te Diksmuide, aangesteld met de opdracht zoals nader omschreven in het dictum van datzelfde vonnis, waarbij ook het verloop van het deskundigenonderzoek nader werd omschreven en waarnaar het Hof kortheidshalve verwijst. II. Verder recht doende tegenover de tweede geïntimeerde en de appellant, werden deze partijen hoofdelijk en in solidum ten provisionele titel, samen met de derde geïntimeerde veroordeeld tot vergoeding van alle in het bestreden vonnis vermelde weggemaakte of verborgen gehouden tegoeden, zaken, tegenwaarden of vervangwaarden daarvan tot beloop van het genoemde aandeel die zich bevinden op of die afhangen van de voordien vermelde rekeningen, telkens met inbegrip van alle intresten en opbrengsten sedert 22.04.1991, zijnde de overlijdensdatum van A.S. tot op de datum van de volledige uitbetaling aan de eerste geïntimeerde. III. Tegenover de vierde geïntimeerde werd het vonnis tegenstelbaar verklaard en werd gezegd voor recht dat de vierde geïntimeerde gehouden is tot afgifte aan de eerste geïntimeerde van alle tegoeden of zaken, tegenwaarden of vervangwaarden daarvan, die zich bevinden op of die afhangen van de rekening 106034 WK Wauwil en of subrekeningen tot beloop van het genoemde aandeel en dit zowel in hoofdsommen, als in renten of opbrengsten sedert 22.04.1991 tot op datum van de uitbetaling aan de eerste geïntimeerde. IV. De tussenvorderingen van de tweede geïntimeerde werden niet ontvankelijk, minstens ongegrond verklaard. V. De tweede geïntimeerde, de appellant en de derde geïntimeerde werden in solidum de ene bij gebreke aan de andere veroordeeld om te betalen aan de eerste geïntimeerde ten titel van morele genoegdoening en provisioneel de som van euro 35.000 en ten titel van materiële genoegdoening provisioneel dezelfde som van euro 35.000 telkens meer de vergoedende rente ad 5 % vanaf 22.04.1991 tot de dag van het vonnis en vanaf die dag de gerechtelijke rente tot aan de algehele betaling. VI. De tweede geïntimeerde werd veroordeeld om te betalen aan de eerste geïntimeerde twee/derden van de som van euro 440.081 meer de vergoedende rente ad 5 % vanaf 12.12.1996 tot op de dag van het vonnis en vanaf die dag de gerechtelijke rente tot aan de algehele betaling en verder de tegenwaarde van 1/6° naakte eigendom van dit bedrag meer de rente. VII. Aan de eerste geïntimeerde werd voorbehoud verleend om tot beloop van zijn in het vonnis vermelde aandeel teruggave of schadevergoeding te vorderen lastens de tweede geïntimeerde, de appellant en de derde geïntimeerde, de ene bij gebreke aan de andere, voor de ‘meer' of ‘anders' verborgen gehouden of weggemaakte tegoeden en zaken, tegenwaarden of vervangwaarden daarvan, voortkomend van de onverdeelde nalatenschap voormeld, dan deze die de eerste geïntimeerde zou ontvangen in uitvoering van het bestreden vonnis. VIII. De tweede geïntimeerde, de appellant en de derde geïntimeerde werden solidair en de vierde geïntimeerde veroordeeld tot de gedingskosten zoals begroot. IX. De voorlopige tenuitvoerlegging van het vonnis werd toegestaan, doch er werd gezegd voor recht dat er geen aanleiding bestond tot het uitsluiten van het kantonnement, bij gebrek aan inroeping of bewijs van de hiertoe voorziene wettelijke voorwaarden.
- In zijn verzoekschrift hoger beroep van 01 oktober 2009 vordert de appellant de vernietiging van het eerste vonnis in al zijn onderdelen en opnieuw wijzende te oordelen als volgt : In hoofdorde : Te oordelen dat de zaak in hoofde van de appellant niet in staat was gelet op de afwezigheid van kennisgeving van de beschikking art. 747 §2 B.W.. Ondergeschikt : De oorspronkelijke vordering op grond van art. 792 B.W. van de eerste geïntimeerde af te wijzen als onontvankelijk, minstens als ongegrond. De gewijzigde vordering op grond van art. 1382 B.W. tot veroordeling van de appellant tot teruggave van de waarden, titels of goederen, zoals bedoeld onder p. 31 van de laatste conclusie van 14.11.2008, af te wijzen als onontvankelijk, minstens verjaard te verklaren, en zeker af te wijzen als ongegrond. De door de eerste geïntimeerde ingestelde vordering voor de geleden materiële schade, respectievelijk morele schade af te wijzen als ongegrond. Ondergeschikt, minstens te stellen dat er op het gevorderde bedrag voor de materiële schade en de morele schade, slechts intresten verschuldigd zijn vanaf het instellen van deze vordering, met name 19 januari
- De eerste geïntimeerde te verwijzen in de gedingkosten zoals begroot. De vordering van de eerste geïntimeerde af te wijzen als ongegrond waarbij een rechtsplegingsvergoeding van 30.000 euro wordt gevorderd en te zeggen voor recht dat de tarieven voor niet in geld waardeerbare zaken toepasselijk zijn. De vordering af te wijzen in de mate het meer bedraagt dan het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding. De tweede geïntimeerde vordert in haar conclusie van 25 november 2009 dat krachtens art. 1066 Ger.W., na behandeling ter inleidende zitting of op een nabije zittingsdatum, de voorlopige tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis bij tussenarrest teniet zou worden gedaan en voor de verdere instaatstelling van de zaak een procedure-agenda zou worden bepaald. De eerste geïntimeerde vordert met zijn conclusie van 26 november 2009 dat de vordering van de appellant en de tweede geïntimeerde tot het vernietigen van de voorlopige tenuitvoerlegging, toegestaan in het bestreden vonnis, ongegrond zou worden verklaard. Bespreking :
- De vierde geïntimeerde heeft tijdig en op een regelmatige wijze kennis gekregen van het verzoekschrift hoger beroep. De appellant heeft zijn voordeel gevraagd ten aanzien van deze partij, wat kan worden toegestaan. 2.
- De behandeling van de zaak beperkt zich thans tot het geschil nopens de uitvoerbaarheid bij voorraad van het bestreden vonnis. De eerste rechter heeft de voorlopige tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis toegestaan, doch er werd gezegd voor recht dat er geen aanleiding bestond tot het uitsluiten van het kantonnement, bij gebrek aan inroeping of bewijs van de hiertoe voorziene wettelijke voorwaarden. Deze tenuitvoerlegging bij voorraad is niet nader gemotiveerd. 2.
- De rechters in hoger beroep kunnen in beginsel, op grond van art. 1402 Ger.W., de tenuitvoerlegging van de vonnissen in geen geval verbieden of doen schorsen, zulks op straffe van nietigheid. Dit verhindert echter niet dat de rechters in hoger beroep de toegestane voorlopige tenuitvoerlegging teniet doen wanneer de voorlopige tenuitvoerlegging niet werd gevorderd, wanneer zij niet door de wet is toegestaan of nog wanneer de beslissing is tot stand gekomen met miskenning van het recht van verdediging. De vraag rijst of in casu het recht van verdediging is geschonden. 2.3.
- De eerste geïntimeerde heeft in zijn conclusie van 14 november 2008 zijn vordering tot het doen uitvoerbaar verklaren van het eerste vonnis bij voorraad, gemotiveerd (punt G - p. 29). Voordien reeds had hij, ook in de inleidende dagvaarding, de uitvoerbaarheid bij voorraad gevorderd. Hij heeft deze conclusie neergelegd in het kader van de beschikking van 04 april 2008 waarbij de conclusietermijnen werden geregeld (stuk 46 gerechtsdossier eerste aanleg). Het Hof stelt vast dat deze beschikking ter kennis is gebracht van de eerste geïntimeerde, de derde geïntimeerde en de vierde geïntimeerde (stuk 47 gerechtsdossier eerste aanleg). Deze beschikking is niet ter kennis gebracht van de appellant en de tweede geïntimeerde. 2.3.
- De eerste rechter heeft de conclusie van de tweede geïntimeerde, neergelegd op 09 maart 2009 (stuk 53 gerechtsdossier eerste aanleg) en van de appellant, neergelegd op 12 maart 2009 (stuk 54 gerechtsdossier eerste aanleg), uit de debatten geweerd. Waar echter deze partijen geen kennis hadden van de vastgestelde conclusietermijnen, konden deze conclusies niet geweerd worden wegens laattijdige neerlegging en diende met deze conclusies rekening te worden gehouden. De appellant heeft in de - ten onrechte - geweerde conclusie van 12 maart 2009 onder punt VI - p. 14) gemotiveerd waarom, naar zijn oordeel, het tussen te komen vonnis geenszins uitvoerbaar bij voorraad mocht worden verklaard. 2.
- Het debat omtrent de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad werd voor de eerste rechter op een tegensprekelijke wijze gevoerd. Elk vonnis moet met redenen omkleed zijn (art. 149 Grondwet). De motiveringsverplichting, die een onderdeel uitmaakt van het recht van verdediging en grondwettelijk is vastgesteld, is van openbare orde. De appellant had op een regelmatige wijze zijn verweer voorgedragen met betrekking tot dit onderdeel van de vordering van de eerste geïntimeerde. Door ten onrechte dit verweer uit de debatten te weren en het vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, zonder op enigerlei wijze het verweer van de appellant te ontmoeten en te beantwoorden, voldeed de eerste rechter niet aan de hem door art. 149 Grondwet opgelegde motiveringsverplichting en is het bestreden vonnis op dit punt aangetast door een schending van het recht van verdediging. Het dient derhalve op dit punt teniet te worden gedaan. 2.5.
- Dit betekent dat de vordering van de eerste geïntimeerde tot uitvoerbaarheid bij voorraad opnieuw ter beoordeling voorligt. De mogelijkheid om de voorlopige tenuitvoerlegging toe te staan, zit vervat in art. 1398, eerste lid, Ger.W.. De uitvoerbaarheid bij voorraad is een uitzonderingsmaatregel die slechts in geval van bijzondere omstandigheden kan worden toegekend. Hij vormt immers een uitzondering op het algemeen beginsel van de schorsende werking van de gewone rechtsmiddelen (art. 1397 Ger.W.). Waar de eerste geïntimeerde de voorlopige tenuitvoerlegging vordert, rust op hem de bewijslast omtrent de bijzondere omstandigheden die dit rechtvaardigen. Daarbij dient voor ogen te worden gehouden dat de uitvoerbaarheid bij voorraad er in het bijzonder op gericht is de dilatoire manoeuvres tegen te gaan, wanneer bv. er geen ernstige discussie bestaat nopens het rechtsgeschil of als de tegenpartij dreigt insolvabel te worden. 2.5.
- De eerste geïntimeerde heeft voor de eerste rechter zijn verzoek tot uitvoerbaarheid bij voorraad als volgt gemotiveerd in zijn conclusie van 14 november 2008 : - dit is gerechtvaardigd door de houding van de andere partijen die door opeenvolgende manoeuvres er voor gezorgd hebben dat hij sedert vele jaren verstoken blijft van de erfenis, en zelfs van zijn deel als reservatair erfgenaam bij plaatsvervulling van zijn vooroverleden vader; - dit is verantwoord daar het gevolg van de heling is dat de heler alle aanspraken verliest in de weggemaakte of verborgen gehouden zaken die als het ware een afzonderlijke boedel vormen waarover de andere erfgenamen onmiddellijk kunnen beschikken, zonder de vereffening-verdeling m.b.t. de rest van de nalatenschap af te wachten; - het gevaar is niet denkbeeldig, door de houding van de andere partijen, dat zij door allerhande manoeuvres nog zouden pogen de waarden en tegoeden van de nalatenschap die thans zijn ontdekt, te bemachtigen, hetgeen moet voorkomen worden. 2.5.
- De tussen de partijen bestaande betwistingen zijn aanhangig gemaakt op verzoek van de eerste geïntimeerde bij dagvaarding van 10 september
- Tussen de partijen bestaan grondige meningsverschillen die zich uiten in tientallen bladzijden conclusies. Door het tussenkomen van een gerechtelijke beslissing zal de eerste geïntimeerde desgevallend zijn rechtmatige aanspraken kunnen laten gelden en zijn gerechtigheden kunnen bekomen ook wat eventueel betreft de boedel waarop andere erfgenamen hun aanspraken zouden kunnen verliezen, zodat dit op zich geen reden is om een uitvoerbare beslissing bij voorraad te moeten bekomen. Waar hij tenslotte suggereert dat het gevaar niet denkbeeldig is dat, door de houding van de andere partijen en hun manoeuvres, zij zouden pogen waarden en tegoeden van de nalatenschap die zijn ontdekt te bemachtigen wat moet worden voorkomen, blijft hij zeer algemeen op dit punt. Ook dit is, bij gebreke aan concrete gegevens, geen reden om de uitvoerbaarheid bij voorraad toe te staan.
- Er kunnen conclusietermijnen worden bepaald zoals in het dictum aangegeven. OM DEZE REDENEN, HET HOF, rechtdoende bij verstek ten aanzien van de vierde geïntimeerde en op tegenspraak wat de andere partijen betreft Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep en de vordering van de tweede geïntimeerde ontvankelijk in de mate dat deze betrekking hebben op de in het bestreden vonnis toegekende uitvoerbaarheid bij voorraad. En rechtdoend omtrent de vordering tot opheffing van de uitvoerbaarheid bij voorraad : Doet het bestreden vonnis teniet in zoverre de voorlopige tenuit-voerlegging van het vonnis werd toegestaan, doch er werd gezegd voor recht dat er geen aanleiding bestond tot het uitsluiten van het kantonnement, bij gebrek aan inroeping of bewijs van de hiertoe voorziene wettelijke voorwaarden. Wijst desbetreffend opnieuw : Verklaart de vorderingen van de appellant en de tweede geïntimeerde op dit punt ontvankelijk en gegrond. Verklaart het bestreden vonnis dienvolgens niet uitvoerbaar bij voorraad. En in toepassing van art. 747 §2 Ger.W. : Bepaalt de conclusietermijnen voor de verschenen partijen als volgt : - voor de eerste geïntimeerde : tegen uiterlijk 15 februari 2010 - voor de tweede geïntimeerde : tegen uiterlijk 31 maart 2010 - voor de derde geïntimeerde : tegen uiterlijk 14 mei 2010 - voor de appellant : tegen uiterlijk 14 juni 2010 - voor de eerste geïntimeerde: tegen uiterlijk 14 juli 2010 - voor de tweede geïntimeerde : tegen uiterlijk 13 augustus 2010 - voor de derde geïntimeerde : tegen uiterlijk 14 september 2010 Zegt dat de laatste conclusie van een partij de vorm van een syntheseconclusie zal aannemen. Bepaalt de rechtsdag voor de behandeling van de zaak ten gronde op donderdag 21 oktober 2010 om 11 uur (pleidooiduur : 60 minuten) voor de elfde kamer bis van het Hof van beroep te Gent. Houdt alle verdere beslissingen alsook de uitspraak omtrent de kosten aan. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van Beroep te Gent, ELFDE BIS-KAMER, zetelend in burgerlijke zaken, op heden 24-12-
- Aanwezig: - H. Van Bossuyt, raadsheer; - B. De Wilde, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div