← België

ECLI:BE:HBGNT:2009:AVIS.20090226.7

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Advies van 26 februari 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:AVIS.20090226.7 Rolnummer: 2006/AR/3124 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2009-05-08 Raadplegingen: 103 - laatst gezien 2026-07-02 19:18 Fiche De erkennende ouder kan de erkenning enkel nog betwisten wanneer aan de erkenning zelf een wilsgebrek kleefde. Een bewezen wilsgebrek vormt een ontvankelijkheidsvoorwaarde voor de betwisting van de erkenning. De dwaling mag niet te wijten zijn aan een tekortkoming van diegene die ze inroept. Op de erkenner rust vooraleer hij tot erkenning overgaat de elementaire verplichting zich voldoende voor te lichten nopens zijn voorgehouden vaderschap. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - AFSTAMMING - Biologische afstamming - Vaststelling vaderschap Vrije woorden: Vordering tot nietigverklaring van de erkenning vaderschap - ontvankelijkheid - bewijs wilsgebrek Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 11 Kamer ________ Terechtzitting van 26 februari 2009 ________ 2006/AR/3124 - In de zaak van: D. C. D., wonende te appellant, hebbende als raadsman mr. CLEYMAN Alain, advocaat te 9100 SINT-NIKLAAS, Grote Peperstraat 10 tegen :

  1. V. N., wonende te , geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. LELEUX Frederic, advocaat te 9220 HAMME (O.-VL.), Kapellestraat 22
  2. T. J., , met kantoor te , , in zijn hoedanigheid van voogd ad hoc over de minderjarige D. C. D. J., geïntimeerde q.q., in persoon, velt het hof het volgend arrest: De appellant heeft bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 18 december 2006 hoger beroep ingesteld tegen het op 12 oktober 2006 uitgesproken vonnis van de derde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, waarbij: - de vordering van de appellant onontvankelijk werd verklaard; - de appellant werd veroordeeld tot de kosten van het geding, zoals nader begroot aan de zijde van de eerste geïntimeerde. Bij zijn beroepsakte en daaropvolgende beroepsconclusies streefde de appellant het teniet doen van het bestreden vonnis na, waarbij hij vorderde dat het hof, dienaangaande opnieuw beslissend nopens de hoofdvordering: - de erkenning van vaderschap vanwege de appellant van de minderjarige D. J. D. C., geboren te op , thans wonende te , nietig zou verklaren; - derhalve voor recht zou zeggen dat de appellant niet de vader is van de voornoemde minderjarige en dat deze derhalve niet behoort tot de familie van de appellant en diens naam niet mag dragen; - voor recht zou zeggen dat de bevoegde ambtenaar van de burgerlijke stand kantmelding dient te maken op de geboorteakte van de voornoemde minderjarige van de vernietiging van de erkenning vaderschap door de appellant; - ondergeschikt en vooraleer te beslissen aangaande de ontvankelijkheid en de gegrondheid van de vordering, een deskundige zou aanstellen met de opdracht om het hof te adviseren omtrent het feit of de appellant de vader is, kan zijn of niet kan zijn van de voornoemde minderjarige, na vergelijkend wetenschappelijk onderzoek. Wat betreft de tegenvordering (zie verder) vorderde de appellant dat akte zou genomen worden van de afstand hiervan door de eerste geïntimeerde. Tenslotte vroeg de appellant dat de eerste geïntimeerde zou veroordeeld worden tot de kosten van de beide instanties, zoals nader begroot. De eerste geïntimeerde vorderde in haar syntheseconclusies dat het hof het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond zou verklaren en de appellant zou verwijzen in de kosten van het geding, zoals nader begroot. Ondergeschikt vroeg ze te worden gemachtigd om te bewijzen met alle middelen van recht, getuigen inbegrepen, dat: - de appellant aanwezig was bij de geboorte en het kind behandelde als het zijne; - de appellant reeds zes jaar op geregelde tijdstippen contact heeft met het kind; - het kind de appellant aanziet als zijn vader. De eerste geïntimeerde deed afstand van haar tegenvordering tot schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep. De tweede geïntimeerde vroeg dat het hof het hoger beroep ontvankelijk en gegrond zou verklaren en vooraleer te beslissen over de ontvankelijkheid en de gegrondheid van de vordering, een deskundige zou aanstellen met de gebruikelijke opdracht tot het geven van advies met het oog op de vaststelling van het al dan niet bestaan van een biologische band tussen de appellant en de minderjarige, kosten als naar recht. De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting van 29 januari 2009 bij monde van hun raadslieden; de dossiers van de rechtspleging en de neergelegde stukken werden ingezien. Advocaat-generaal Dominique Debrauwere werd ter zelfde terechtzitting gehoord in zijn mondeling advies, waarop de partijen afzagen van hun recht op repliek. De zaak werd in beraad genomen. BEOORDELING
  3. Het hoger beroep van de appellant is tijdig ingesteld en regelmatig naar de vorm. Bij gebrek aan tegenspraak en een ambtshalve op te werpen exceptie is het hoger beroep ontvankelijk te verklaren.
  4. De belangrijkste feitelijke en procedurevoorgaanden alsmede het voorwerp van de vordering werden door de eerste rechter beknopt doch volledig uiteengezet op folio 2216 van het bestreden vonnis. Kortheidshalve volstaat het thans om daarnaar te verwijzen.
  5. Het debat inzake het bezit van staat van de appellant ten aanzien van het kind D. dient in deze instantie niet meer te worden gevoerd nu geen der partijen op dit punt het bestreden vonnis aanvecht, wat door de eerste geïntimeerde nog eens expliciet werd bevestigd ter terechtzitting van 29 januari
  6. Op grond van de oordeelkundige motieven van de eerste rechter - motivering die het hof tot de zijne maakt en die door de appellant door zijn grieven, middelen en argumenten in de huidige instantie niet worden weerlegd - treedt het hof het oordeel van de eerste rechter bij dat de appellant er niet in slaagt een wilsgebrek in zijnen hoofde aan te tonen. Het hof verduidelijkt nog wat volgt. De erkennende ouder kan de erkenning enkel nog betwisten wanneer aan de erkenning zelf een wilsgebrek kleefde. Kan hij zich niet op een wilsgebrek beroepen, dan is zijn vordering niet ontvankelijk. De appellant beroept zich op dwaling en bedrog, voorhoudende dat hij het kind erkende nu de eerste geïntimeerde stelselmatig had beweerd dat hij de biologische vader was van D. J. en zij hem hiervan had overtuigd. De appellant werpt in dit verband op: « Na verloop van tijd is het echter duidelijk geworden dat er helemaal geen biologische verwantschap bestaat tussen concluant en D. J., hetgeen blijkt uit de totale afwezigheid van enige fysieke gelijkenis. Tijdens de conceptieperiode onderhield eerste geïntimeerde ook intieme fysieke relaties met andere mannen, waaronder een zekere F.; de gelijkenis tussen D. J. en F. is treffend. » Dwaling kan slechts een grond tot nietigverklaring van de wilsuiting (tot erkenning) opleveren zo de dwaling als verschoonbaar kan gekwalificeerd worden, dit wil zeggen dat een redelijk mens, geplaatst in dezelfde omstandigheden, ook zou gedwaald hebben. De dwaling mag dus niet te wijten zijn aan een tekortkoming van diegene die ze inroept. Op de appellant rustte vooraleer hij tot erkenning overging de elementaire verplichting zich voldoende voor te lichten. Gelet op de verstrekkende gevolgen, inherent aan de erkenning en de hierdoor vastgestelde afstammingsband, mocht van de appellant worden verwacht dat hij zich verder zou hebben geïnformeerd nopens zijn door de eerste geïntimeerde voorgehouden vaderschap. Dit klemt des te meer nu de appellant zelf wist dat de eerste geïntimeerde tijdens de conceptieperiode intieme relaties onderhield met meerdere mannen. Indien de appellant in de concrete omstandigheden de eerste geïntimeerde op haar woord geloofde, zich geen vragen stelde of wilde stellen en voor waar aannam wat zij hem vertelde omwille van zijn gevoelens voor haar, zonder nadere inlichtingen in te winnen, dan kan zijn houding niet anders geïnterpreteerd worden alsdat hij het kind wilde erkennen, ook al was hij niet de biologische vader daarvan. Minstens heeft de appellant blijk gegeven van een verregaande onzorgvuldigheid die zijn dwaling in casu onverschoonbaar maakt. De appellant die zich tevens op bedrog beroept, geeft niet aan waarin de kunstgrepen van de eerste geïntimeerde, constitutief voor het bedrog, zouden hebben bestaan, laat staan dat hij enig bewijs ter zake aanvoert. Het beweerd bedrog dat tot de erkenning zou hebben geleid, is derhalve evenmin bewezen. Aangezien een bewezen wilsgebrek een ontvankelijkheidsvoorwaarde vormt voor de betwisting van de erkenning en in casu in hoofde van de appellant geen wilsgebrek kan worden weerhouden, dient geen verder onderzoek te worden gevoerd naar het al dan niet bestaan van een biologische band tussen de appellant en D. J.. Het bestreden vonnis dient dan ook te worden bevestigd.
  7. Gelet op de ongegrondheid van het hoger beroep dient de appellant - overeenkomstig artikel 1017 Ger.W. - te worden veroordeeld tot de kosten van de procedure in graad van beroep. Aan de eerste geïntimeerde kan de gevorderde basisrechtsplegingsvergoeding van 1.200,00 EUR voor niet in geld waardeerbare geschillen worden toegekend. Het enkele feit dat zijzelf zou genieten van tweedelijns juridische bijstand betekent niet dat er sprake is van een kennelijk onredelijk karakter van de situatie die een vermindering van de rechtsplegingsvergoeding zoals door de appellant gevorderd, zou verantwoorden. OP DIE GRONDEN, HET HOF, Recht doende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk maar wijst het af als ongegrond. Bevestigt het bestreden vonnis. Verleent de eerste geïntimeerde akte van de afstand van haar tegenvordering tot schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep. Verwijst de appellant in de kosten van deze instantie, aan zijn zijde en deze van de 2e geïntimeerde niet nuttig te begroten, aan de zijde van de eerste geïntimeerde begroot op 1.200,00 EUR rechtsplegingvergoeding. Aldus gewezen door de ELFDE KAMER, van het Hof van beroep te Gent, zetelend in burgerlijke zaken, samengesteld uit: Alexander Deene, raadsheer wn. Voorzitter, Nadia De Turck, raadsheer, Kristin Vandenberghe, raadsheer, en uitgesproken door de raadsheer wn. voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting van 26 februari 2009, bijgestaan door Kurt Goossens, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.