← België

ECLI:BE:HBGNT:2009:AVIS.20090424.15

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Advies van 24 april 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:AVIS.20090424.15 Rolnummer: 2008RK/0302 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-03-08 Raadplegingen: 85 - laatst gezien 2026-07-02 19:38 Fiche Een (pop) muziekschool, opgericht en uitgebaat door een v.z.w. in een ter beschikking gesteld gedeelte (3 °/°)van een industrieel pand gelegen in een zone voor milieubelastende industrie, is in de specifieke omstandigheden een 'gemeenschapsvoorziening' in de zin van art. 17.6.

  1. van het K.B. 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen. Het betreft een niet-vergunningsplichtige functiewijziging in de zin van art. 2§ 1, 2 de lid (in fine) B. Vl. Reg. 14 april 2000 UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING - Vlaams Gewest - Verordeningen - Stedenbouwkundige verordeningen Vrije woorden: (pop) muziekschool - gemeenschapsvoorziening - verenigbaar met algemene bestemming en met architectonisch karakter- niet-vergunningsplichtige functiewijziging- geen stedenbouwkundige vergunning. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 9ter Kamer ________ Terechtzitting van 24 april 2009 ________ 2008/RK/302 - In de zaak van: D. J., wonende te ..................., eerste appellant, hebbende als raadsman mr. RONSE Steve, advocaat te 8500 KORTRIJK, President Kennedypark 6 bus 24 HET MUZIEKHUIS V.Z.W., met maatschappelijke zetel te 8570 ANZEGEM, Lange Winterstraat 18, Tweede appellante, hebbende als raadsman mr. RONSE Steve, advocaat te 8500 KORTRIJK, President Kennedypark 6 bus 24 tegen : VLAAMS GEWEST, c/o VLAAMSE MINISTER FINANCIEN, BEGROTING EN R.O., 1210 BRUSSEL, Koning Albert II laan 19 verdieping 11, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. BRONDERS Bart, advocaat te 8400 OOSTENDE, Archimedesstraat 7 velt het hof het volgend arrest:
  2. Er werd kennis genomen van de bestreden beschikking d.d. 22 oktober 2008, gewezen door de waarnemende voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk, zetelende in kort geding. De partijen werden, bij monde van hun raadslieden gehoord in openbare terechtzitting en in het Nederlands. Zowel de door hen regelmatig neergelegde conclusies als de overgelegde stukken werden ingezien.
  3. Het hoger beroep werd tijdig en regelmatig ingesteld. Het VLAAMSE GEWEST vermeldt in conclusies dat het de ontvankelijkheid betwist van het hoger beroep, doch voert geen enkel concreet middel dienaangaande aan. Er zijn evenmin ambtshalve op te werpen middelen in die zin.
  4. Hoofdbetwisting betreft de vraag of er al dan niet een stedenbouwkundige vergunning vereist is voor een (pop)muziekschool, opgericht en uitgebaat door v.z.w. HET MUZIEKHUIS in een door J. D.sedert augustus 2007 ter beschikking gesteld gedeelte van diens industrieel pand te Anzegem, Heirbaan nr. 57 (volgens het vigerende gewestplan Kortrijk gelegen in een zone voor milieubelastende industrie), voorwerp van het in deze aangevochten bevel tot staking, vastgesteld bij proces-verbaal d.d. 4 juli 2008 en bekrachtigd bij beslissing d.d. 4 juli
  5. Partijen D. en HET MUZIEKHUIS menen dienaangaande in hoofdorde dat de (pop)muziekschool een gemeenschapsvoorziening is, zodat het een niet-vergunningplichtige functiewijziging betreft in de zin van art. 2 § 1, 2de lid (in fine) van het Besluit van de Vlaamse Regering van 14 april 2000 tot bepaling van de vergunningplichtige functiewijzigingen en de werken, handelingen en wijzigingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning nodig is (B.S. 18 mei 2000, wijziging B.Vl. Reg. 26 april 2002, B.S. 20 juni 2000 en B.Vl. Reg. 1 september 2006, B.S. 31 oktober 2006). Volgens hen moet dan ook vastgesteld worden dat het kwestieuze stakingsbevel het voormelde B.Vl.Reg. 14 april 2000 schendt en dient te worden opgeheven. Het VLAAMSE GEWEST besluit daarentegen dat de kwestieuze (pop)muziekschool geen gemeenschapsvoorziening is in de zin van art. 20 van het Koninklijk Besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen (B.S. 10 februari 1973), nu niet wordt aangetoond dat zij werkelijk onontbeerlijk zou zijn voor de verwezenlijking van de gewestplanbestemming van het gebied waarin het betrokken onroerend goed gelegen is (nl. zone voor milieubelastende industrie) en dat zij verenigbaar zou zijn met de algemene bestemming en het architectonisch karakter van het betrokken gebied. Daaruit volgt volgens het VLAAMSE GEWEST dat partijen D. en HET MUZIEKHUIS zich geenszins kunnen beroepen op de vrijstelling van de vergunningsplicht vervat in art. art. 2 § 1, 2de lid (in fine) van het voormelde B.Vl.Reg. 14 april
  6. Uit het geheel van de voorgebrachte gegevens (dossier/D., stukken 10 e.v.), in het bijzonder de statuten van v.z.w. HET MUZIEKHUIS, het schoolreglement en de nadere documentatie over de werking en activiteiten, blijkt onmiskenbaar dat de kwestieuze (pop)muziekschool als onderwijsinstelling wel degelijk een "gemeenschapsvoorziening" betreft in de zin van art. 17.6.2 van het Koninklijk Besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen. Volgens heersende en eenduidige rechtspraak is dit, bij ontstentenis van een er gegeven definitie, te begrijpen in spraakwoordelijke betekenis, nl. als voorzieningen die gericht zijn op de bevordering van het algemeen belang en die ten dienste van de gemeenschap worden gesteld, waarbij, met uitzondering van het bepaalde in art. 145quinquies van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, de exploitant van de inrichting geen winstbejag vermag na te streven en de voorzieningen werkelijk ten dienste staan van de gemeenschap. De voorgebrachte gegevens maken aannemelijk dat met de kwestieuze muziekschool actieve kunstbeoefening wordt beoogd in de vorm van educatie en uitvoering van muziek en theater, aangeboden zowel individueel als in groep. In het kader van dit onderwijs worden (gratis) voorstellingen/concerten georganiseerd door de leerlingen, worden opnamen gemaakt en wordt meegewerkt aan manifestaties. De opleiding betreft moderne muziekgenres (pop) voor schoolgaande jeugd, volgens het schooljaarritme. Dergelijke dienstverlening ten behoeve van het publiek is onmiskenbaar vergelijkbaar met deze aangeboden door bijvoorbeeld andere culturele (onderwijs)instellingen en/of infrastructuren voor sporteducatie en is in die zin evident evenzeer als "gemeenschapsvoorziening" te kwalificeren. Het gegeven dat dergelijke dienstverlening enkel uit privé-initiatief voortvloeit (vzw "het Muziekhuis") en dat inschrijvingsgelden ("lidgeld") worden gehanteerd (399 EUR individuele cursus, 279 EUR groepsles, 99 EUR workshop) doet aan het voorgaande geen afbreuk: Immers, het is irrelevant of deze voorzieningen worden opgericht en uitgebaat door een overheid dan wel door een privé-instelling of -persoon. Essentieel is dat de exploitant geen winstbejag nastreeft en dat de voorzieningen werkelijk ten dienste staan van de gemeenschap. Dit laatste is, gelet op de aard en de omvang van de activiteiten waarbij sprake zou zijn van 120 à 135 studenten, hier onmiskenbaar het geval. De gehanteerde bedragen zijn niet van aard om te besluiten tot enig winstoogmerk, nu kennelijk daarvoor muzieklessen en educatieve activiteiten in een omkaderde repetitieruimte met alle instrumenten gedurende een gans schooljaar worden aangeboden. Door het VLAAMSE GEWEST wordt trouwens in besluiten het voorgaande op zich niet betwist, doch wordt voorgehouden dat deze gemeenschapsvoorziening niet zou voldoen omdat niet zou zijn aangetoond dat zij werkelijk onontbeerlijk zou zijn voor de verwezenlijking van de gewestplanbestemming van het gebied waarin het betrokken onroerend goed gelegen is (nl. zone voor milieubelastende industrie) en dat zij verenigbaar zou zijn met de algemene bestemming en het architectonisch karakter van het betrokken gebied. Het VLAAMSE GEWEST kan daarin geenszins worden gevolgd. Het VLAAMSE GEWEST verwijst tevergeefs naar art. 20 van het Koninklijk Besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen (B.S. 10 februari 1973). Het Koninklijk Besluit van 28 december 1972 bepaalt de algemene bestemmingsvoorschriften voor de (ontwerp)gewestplannen en wordt zodoende beschouwd als zijnde de algemene stedenbouwkundige voorschiften. Onder het hoofdstuk 3 "Voorschriften betreffende de toepassing van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen" wordt door het betreffende art. 20 gesteld: "Bouwwerken voor openbare diensten en gemeenschapsvoorzieningen kunnen ook buiten de daarvoor speciaal bestemde gebieden worden toegestaan voor zover ze verenigbaar zijn met de algemene bestemming en met het architectonisch karakter van het betrokken gebied. ". Er weze vooreerst vastgesteld dat deze bepaling nergens vereist dat de gemeenschapsvoorziening werkelijk onontbeerlijk zou zijn voor de verwezenlijking van de gewestplanbestemming van het gebied waarin het betrokken onroerend goed gelegen is, zoals het VLAAMSE GEWEST voorhoudt. Bovendien betreft art. 20 K.B. 28 december 1972 het toestaan (t.t.z. vergunnen) van bouwwerken voor onder meer gemeenschapsvoorzieningen, terwijl in de onderhavige aangelegenheid, voorwerp van art. art. 2 § 1, 2de lid (in fine) B.Vl.Reg. 14 april 2000, het uitdrukkelijk en niet mis te verstaan een niet-vergunningplichtige functiewijziging betreft (t.t.z. werken, handelingen en wijzigingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning nodig is). Het VLAAMSE GEWEST meent dan ook volledig onterecht bepaalde voorwaarden te kunnen toevoegen aan art. 20 K.B. 28 december 1972 en/of art. art. 2 § 1, 2de lid (in fine) B.Vl.Reg. 14 april 2000 die (voor zover hier toepasselijk) door de onderscheiden besluitgevers geenszins werden voorzien. Het verwijst dienaangaande even onterecht naar een omzendbrief van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening E. BALDEWIJNS van 8 juli 1997 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen. Deze ministeriële omzendbrief heeft geen kracht van wet/decreet noch van uitvoeringsbesluit en kan derhalve door het VLAAMSE GEWEST in deze niet worden tegengeworpen of ingeroepen jegens partijen D. en HET MUZIEKHUIS. Bovendien betreft deze omzendbrief opnieuw de interpretatie van art. 20 K.B. 28 december 1972 betreffende het toestaan (t.t.z. vergunnen) van bouwwerken voor onder meer gemeenschapsvoorzieningen, terwijl in de onderhavige aangelegenheid, voorwerp van art. art. 2 § 1, 2de lid (in fine) B.Vl.Reg. 14 april 2000, het uitdrukkelijk en niet mis te verstaan een niet-vergunningplichtige functiewijziging betreft (t.t.z. werken, handelingen en wijzigingen waarvoor geen stedenbouwkundige vergunning nodig is). Tenslotte weze opgemerkt dat die ministeriële omzendbrief er trouwens niet stelt dat de (vergunningplichtige) gemeenschapsvoorzieningen "onontbeerlijk" moeten zijn voor de verwezenlijking van de gewestplanbestemming van het gebied waarin het betrokken onroerend goed gelegen is (zoals het VLAAMSE GEWEST verkeerdelijk voorhoudt). Voor zover zelfs aangenomen zou worden dat een bij art. art. 2 § 1, 2de lid (in fine) B.Vl.Reg. 14 april 2000 bedoelde niet-vergunningplichtige functiewijziging wèl zou moeten voldoen aan de algemene stedenbouwkundige voorschiften van het K.B. 28 december 1972, in het bijzonder de door art. 20 gestelde verenigbaarheid met de algemene bestemming en met het architectonisch karakter van het betrokken gebied, moet in deze worden vastgesteld dat nergens blijkt dat daaraan niet zou voldaan zijn. Immers, er is blijkbaar enkel sprake van kantoren en slechts 3 % van de betreffende bedrijfsgebouwen van de ANZEGEMSE INVESTERINGSMAATSCHAPPIJ die als muziekschool aangewend zouden worden. Redelijkerwijze komt de bestemming van het industriegebied dan ook geenszins in het gedrang. Ten volle kan aldaar nog steeds de bestemming van industriegebied gerealiseerd worden. De muziekschool, die per definitie steeds enige hinder zal veroorzaken, concordeert aannemelijkerwijze met de algemene bestemming van het betrokken gebied. Waar kennelijk zelfs geen (vergunningplichtige) werken werden doorgevoerd kan in redelijkheid evenmin voorgehouden worden dat het "architectonisch karakter van het betrokken gebied" in het gedrang zou komen. Uit het voorgaande moet besloten worden dat de kwestieuze (pop)muziekschool, als gemeenschapsvoorziening opgericht en uitgebaat zijnde in een ter beschikking gesteld gedeelte van een industrieel pand (volgens het vigerende gewestplan gelegen in een zone voor milieubelastende industrie), een niet-vergunningplichtige functiewijziging betreft in de zin van art. 2 § 1, 2de lid (in fine) B.Vl.Reg. 14 april
  7. Gelet op de voormelde bevindingen is het aangevochten bevel tot staking, vastgesteld bij proces-verbaal d.d. 4 juli 2008 en bekrachtigd bij beslissing d.d. 4 juli 2008, onwettig en dient het opgeheven te worden.
  8. Gelet op het voorgaande is de nadere beoordeling van alle overige dienaangaande aangevoerde argumenten en middelen niet dienend. Alle andersluidende conclusies worden door het hof dan ook verworpen als ongegrond, niet dienend en/of irrelevant. OM DEZE REDENEN, HET HOF, Recht doende op tegenspraak, In acht genomen artikel 24 van de wet van 15 juni 1935; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk; Verklaart het hoger beroep in de navolgende mate gegrond; Doet aldus de bestreden beschikking d.d. 22 oktober 2008 teniet en wijst opnieuw; Verklaart de initiële vordering vanwege partijen D. en HET MUZIEKHUIS, zoals aangepast in hoger beroep, ontvankelijk en als volgt gegrond; Beveelt in toepassing van art. 154 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening de opheffing van het bevel tot stillegging, vastgesteld bij proces-verbaal d.d. 4 juli 2008 en bekrachtigd bij beslissing d.d. 4 juli 2008; Verwijst het VLAAMSE GEWEST in de kosten van het geding, op heden te bepalen in hoofde van J. D. en v.z.w. HET MUZIEKHUIS als volgt: - dagvaarding 181,47 EUR; - rechtsplegingvergoeding eerste aanleg: 1.200,00 EUR; - rolrechten hoger beroep: 139,00 EUR; - rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 1.200,00 EUR Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, NEGENDE ter KAMER, zitting houdende in burgerlijke zaken, van 24 april
  9. Aanwezig: L. Thabert, Raadsheer wnd. Voorzitter An Van Wijnsberge, griffier Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.