← België

ECLI:BE:HBGNT:2009:RECO.20091201.5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Aanbeveling van 01 december 2009 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2009:RECO.20091201.5 Rolnummer: 2006/AR/2029 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2010-03-12 Raadplegingen: 96 - laatst gezien 2026-07-02 20:43 Fiche Wanneer een factuur door de geadresseerde wordt geweigerd met de bewering dat hij niet contractueel gebonden is met de verzender, kan het op de factuur voorkomende arbitrageclausule geen gevolg hebben. UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - ARBITRAGE - Overeenkomst Vrije woorden: Arbitrage - overeenkomst - wilsovereenstemming - factuurvoorwaarden - weigering. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 14b Kamer ________ Terechtzitting van 1 december 2009 ________ 2006/AR/2029 in de zaak van: KIREMKO CATERING EQUIPMENT BELGIUM N.V voorheen Ciers Dirk N.V. met maatschappelijke zetel te 8573 TIEGEM, Drieskouter 1, ingeschreven met KBO-nummer 0421.433.920, appellante, hebbende als raadsman mr. VAN MARCKE Claude, advocaat te 8570 ANZEGEM, Kerkstraat 1 tegen: 1. EMELDIMA N.V., met maatschappelijke zetel te 9300 AALST, Gentsesteenweg 307, ingeschreven met KBO-nummer 0449.678.142, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. CALLOENS Lieven, advocaat te 9300 AALST, Parklaan 191 2. BELGISCHE ARBITRAGE INSTELLING V.Z.W., met maatschappelijke zetel te 8000 BRUGGE, Lieven Bauwensstraat 20, ingeschreven met KBO-nummer 0468.089.831, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. BOFFEL Gunter, advocaat te 8210 ZEDELGEM, Koning Albertstraat 184 Wijst het Hof volgend arrest : Het Hof nam kennis van het op 11 april 2006 door de eerste kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge verleende vonnis, waartegen appellante, met haar op 31 juli 2006 ter griffie neergelegd verzoekschrift, tijdig en op regelmatige wijze hoger beroep heeft ingesteld. De partijen werden gehoord in openbare terechtzitting en de neergelegde conclusies en stukken werden ingezien. Artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werd in acht genomen. I. Voorgaanden 1.1. Appellante is gespecialiseerd in frituuruitrusting en frituurmateriaal. Eerste geïntimeerde is eigenares van de frituur gelegen te ............... Begin april 2004 krijgt appellante de opdracht van mevrouw E. G., zaakvoerster van eerste geïntimeerde, om de friteuse opnieuw op te starten. Voor deze tussenkomst stelde appellante op 17 april 2003 een factuur nr.0101342 op, op naam van E.G., waarbij de betaling werd gevraagd van een bedrag van 177,87 EUR. Op de factuur wordt expliciet vermeld dat volledig opstarten van de frituur onmogelijk is, omdat de afzuigmotor is verdwenen (stuk 1 appellante). De factuur werd via overschrijving voldaan door mevrouw G. op 29 april 2003 (stuk 2 appellante). Op 23 april 2003 heeft appellante een nieuwe afzuigmotor geplaatst in de frituur, waarvoor zij op 3 juni 2003 een factuur nr.0101404 opmaakte op naam van eerste geïntimeerde voor een bedrag van 1.226,79 EUR. Op het servicerapport dat haar aangestelde monteur naar aanleiding van de installatie van de nieuwe motor opmaakte, staat als opdrachtgever de naam vermeld van eerste geïntimeerde "N.V. EMELDIMA", terwijl onder de opmerkingen het volgende geschreven staat: "Frituur 't Ajuintje. ......... Bij K. en T.. ...... . (kosten voor N.V. EMELDIMA. Klant is geen eigenaar van apparatuur en wil niet tussenkomen in de kosten)". De factuur nr.1010404 van 3 juni 2003 wordt door eerste geïntimeerde onmiddellijk geprotesteerd bij aangetekend schrijven van 5 juni 2003, waarin eerste geïntimeerde stelt dat de factuur dient gefaktureerd te worden aan de opdrachtgever en de uitbaters VOF 't Ajuintje, ........ te ............., vertegenwoordigd door de zaakvoerders De W. T. en V. G. K. (stuk 3 eerste geïntimeerde). De factuur wordt door eerste geïntimeerde naar appellante teruggestuurd. Bij schrijven van 13 juni 2003 antwoordde appellante op het protest van eerste geïntimeerde als volgt: "Daar wij van u persoonlijk telefonisch opdracht hebben ontvangen tot het uitvoeren van de depannage en mede daar u eigenaar bent van de frituur bent u gehouden tot het betalen van deze tussenkomst. Indien wij vandaag 13.06.2003 geen telefoon van U ontvangen gaat het dossier onherroepelijk door naar het B.A.I. (Belgische Arbitrage Instelling)" (stuk 5 appellante). 1.2. Bij aangetekend schrijven van 31.07.2003 werd aan eerste geïntimeerde nog een laatste termijn gegeven van acht dagen om de factuur te betalen, bij gebreke waaraan het dossier zou worden overgemaakt aan tweede geïntimeerde. Eerste geïntimeerde antwoordde hierop dat zij de factuur heeft teruggestuurd en verwijst naar haar aangetekend schrijven van 05.06.2003. Uiteindelijk heeft appellante het geschil voorgelegd aan de Belgische Arbitrage Instelling V.Z.W., huidige tweede geïntimeerde, op grond van artikel 12 van haar algemene voorwaarden, waarbij zij betaling eist van de factuur lastens eerste geïntimeerde. Op 16 september 2003 krijgt eerste geïntimeerde kennis van de ingestelde vordering bij tweede geïntimeerde. Bij schrijven van 30.09.2003 laat de raadsman van eerste geïntimeerde aan tweede geïntimeerde weten dat zij weigert mee te werken aan de arbitrageprocedure, waarop geantwoord wordt dat deze brief aan de aangestelde scheidsrechter en appellante zal worden overgemaakt. Bij de arbitrale uitspraak van 8 januari 2004 wordt de vordering van appellante gegrond verklaard. Eerste geïntimeerde werd veroordeeld om aan appellante een bedrag te betalen van 1.391,59 EUR, meer de gerechtelijke rente aan 7% op de som van 1.226,79 EUR vanaf 17.09.2003 tot de dag der algehele betaling. Daarnaast wordt eerste geïntimeerde veroordeeld om aan tweede geïntimeerde een bedrag te betalen van 420,82 EUR hoofdens arbitrage- en administratiekosten, meer de gerechtelijke intresten aan 7% vanaf 08.01.2004 tot de dag der algehele betaling. Geoordeeld wordt dat eerste geïntimeerde, ook al betwistte zij de factuur om reden dat er diende gefactureerd te worden aan de uitbaters van de frituur, toch dient in te staan voor de herstellingskost, aangezien appellante stelt dat zij telefonisch opdracht heeft gekregen vanwege eerste geïntimeerde en de factuur bovendien structurele herstellingen en geen onderhoudsherstellingen betreft aan apparatuur, waarvan eerste geïntimeerde eigenaar is. 1.3. Eerste geïntimeerde stelt op 4 maart 2004 een vordering in tot nietigverklaring van de scheidsrechterlijke beslissing van 8 januari 2004 inzake N.V. CIERS DIRK/N.V.EMELDIMA, uitgaande van tweede geïntimeerde. De vordering wordt gesteund op de overweging: - dat de weigering en terugzending van de factuur dient te worden beschouwd als een algemeen protest, gericht tegen het bestaan zelf van de overeenkomst, en dus a fortiori ook tegen alle vermeldingen van de factuur en de algemene voorwaarden, waaronder het arbitragebeding dat niet kan worden toegepast; - dat de rechten van verdediging van eerste geïntimeerde tijdens de arbitrale procedure werden geschonden. Appellante vroeg de vordering als ongegrond af te wijzen en de geldigheid van de scheidsrechterlijke uitspraak te bevestigen. Daarnaast vorderde zij in ondergeschikte orde bij tegeneis te oordelen over de grond van de zaak en eerste geïntimeerde te veroordelen tot betaling van factuur UF 1404. De vordering tot nietigverklaring wordt door het bestreden vonnis ontvankelijk en gegrond verklaard. De eerste rechter kwam tot het besluit dat er tussen appellante en eerste geïntimeerde geen geldige arbitrage-overeenkomst tot stand is gekomen en dat niets erop wijst dat appellante van eerste geïntimeerde opdracht heeft gekregen tot het plaatsen van een afzuigmotor. De tegeneis van appellante N.V. CIERS strekkende tot veroordeling van eerste geïntimeerde tot betaling van haar factuur UF 1404 ten bedrage van 1.226,79 EUR werd als ongegrond afgewezen. Huidige geïntimeerden werden in solidum veroordeeld tot de gedingkosten. II. Hoger beroep Blijkens haar verzoekschrift strekt het hoger beroep van appellante ertoe haar oorspronkelijke tegenvordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en eerste geïntimeerde te veroordelen tot het betalen van 1.485,72 EUR, meer de gerechtelijke rente op 1.226,79 EUR vanaf 05.03.2004 tot op de dag van volledige betaling en geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding. In haar latere beroepsconclusies vraagt appellante de oorspronkelijke vordering van eerste geïntimeerde af te wijzen als onontvankelijk, minstens als ongegrond en te zeggen voor recht dat de scheidsrechterlijke uitspraak dd.08.01.2004 gewezen door scheidsrechter-advocaat Luc Willaert, wordt bevestigd in al zijn onderdelen. In ondergeschikte orde vraagt appellante haar oorspronkelijke tegenvordering ontvankelijk en gegrond te verklaren. Eerste geïntimeerde vraagt de bevestiging van het eerste vonnis in al zijn onderdelen met veroordeling van appellante tot de kosten van het geding in beide aanleggen. Tweede geïntimeerde sluit zich aan bij het standpunt van appellante en vraagt het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, met verwijzing van eerste geïntimeerde en appellante, solidair, minstens in solidum, minstens de ene bij uitsluiting van de andere tot de kosten van het geding. Daarnaast stelt tweede geïntimeerde bij conclusie hoofdberoep in en vraagt zij de hervorming van het eerste vonnis voor zover dit de scheidsrechterlijke uitspraak heeft vernietigd waarbij eerste geïntimeerde veroordeeld werd tot betaling van de kosten van de arbitrageprocedure aan tweede geïntimeerde. III. Beoordeling 3.1. Centraal staat de vraag of er gronden zijn voor vernietiging van de scheidsrechterlijke uitspraak, die op verzoek van appellante door tweede geïntimeerde op 8 januari 2004 is verleend, en waarbij de vordering van appellante tegen eerste geïntimeerde in betaling van een factuur dd.03.06.2003 werd ingewilligd. Appellante gaat niet akkoord met het oordeel van de eerste rechter : - dat er tussen haarzelf en eerste geïntimeerde geen geldige arbitrageovereenkomst werd gesloten; - dat zij niet zou bewijzen opdracht te hebben gekregen van eerste geïntimeerde om tot de levering.

  1. a)Wat betreft het bestaan van een arbitrage-overeenkomst en de bevoegdheid van het arbitraal college 3.2. Overeenkomstig artikel 1677 Ger.W. behoort een overeenkomst tot arbitrage te zijn vervat in een door partijen ondertekend geschrift, of in andere hen bindende stukken, waarin zij blijk hebben gegeven van hun wil om het geschil aan arbitrage te onderwerpen. Een arbitrageclausule moet worden opgevat als een ongebruikelijk beding, waarvan de stilzwijgende aanvaarding niet zonder meer mag worden vermoed. Ook al kan een arbitrageovereenkomst vervat zijn in niet-ondertekende stukken, die de wilsovereenstemming tussen partijen om hun geschil aan arbitrage te onderwerpen duidelijk maken, toch moet uit de stukken, die tussen partijen zijn uitgewisseld, met zekerheid kunnen worden afgeleid dat partijen ontegensprekelijk voor arbitrage hebben gekozen. Het zonder meer weigeren van de factuur of de terugzending ervan moet worden opgevat als een algemeen protest, gericht tegen het bestaan zelf van de overeenkomst. Het protest van een factuur strekt zich uit tot alle vermeldingen van de factuur en dus ook tot de algemene verkoopsvoorwaarden. Wanneer een factuur door de geadresseerde wordt geweigerd met de bewering dat hij niet contractueel gebonden is met de verzender, kan het op de factuur voorkomende arbitrageclausule geen gevolg hebben en dit geldt ook voor de overige bedingen. Appellante, die de toepassing van het arbitragebeding inroept, moet bewijzen dat dit beding door eerste geïntimeerde werd aanvaard. 3.3. Appellante heeft het geschil aan tweede geïntimeerde voorgelegd conform artikel 12 van haar algemene voorwaarden, die volgens haar stilzwijgend door eerste geïntimeerde werden aanvaard. Deze voorwaarde, vermeld op de keerzijde van de facturen van appellante, bevat een arbitrageclausule die tweede geïntimeerde belast met de aanstelling van scheidsrechters, welke bevoegd zullen zijn elk geschil definitief te beslechten conform haar werkingsreglement. Verder verwijst appellante naar de vermelding op de voorzijde van de factuur, waarin staat dat een wederzijdse garantie tot snelle geschillenregeling door arbitrage deel uitmaakt van de algemene verkoopsvoorwaarden, op de keerzijde vermeld. Op grond van de voorliggende stukken is het Hof van oordeel dat het arbitragebeding, dat vervat is in de algemene factuurvoorwaarden van appellante, nooit door eerste geïntimeerde aanvaard is geweest, ook niet stilzwijgend. Eerste geïntimeerde heeft de factuur van 3 juni 2003 onmiddellijk geprotesteerd en teruggestuurd bij aangetekend schrijven van 5 juni 2003, met de mededeling dat volgens haar diende gefactureerd te worden aan de opdrachtgever en niet aan haar en dat zij elke contractuele relatie met appellante betwistte. Bovendien heeft eerste geïntimeerde na de tweede ingebrekestelling van appellante van 31 juli 2003, opnieuw bij aangetekend schrijven dd.4 augustus 2003 gemeld dat de factuur is teruggestuurd, onder verwijzing naar haar protestbrief van 5 juni 2003 (stuk 6 appellante). Het spreekt voor zich dat eerste geïntimeerde, door dit protest van de factuur, zich ook verzette tegen de toepassing van de arbitrageclausule die op de factuur is vermeld. Toen eerste geïntimeerde op 16 september 2003 in kennis werd gesteld van het feit dat appellante de arbitrageprocedure opstartte, liet zij via haar raadsman op 30 september 2003 weten dat zij hieraan weigerde mee te werken (stukken 8 en 12 eerste geïntimeerde). De omstandigheid dat eerste geïntimeerde niet is overgegaan tot betaling van de factuur, ondanks de aanmaningen van 13 juni en 31 juli 2003, en op 16 september 2003 op de hoogte is gebracht van de inwerkingstelling van de arbitrageprocedure, kan gelet op het voorgaande niet worden beschouwd als een vermoeden van stilzwijgende aanvaarding van de arbitrage. Ook de omstandigheid dat de zaakvoerster van eerste geïntimeerde, op wiens persoonlijke naam een eerdere onderhoudsfactuur is opgemaakt en betaald, houdt geen stilzwijgende aanvaarding in van het arbitragebeding. Ten onrechte stelt appellante dat eerste geïntimeerde enkel haar betalingsverplichting zou hebben geprotesteerd, niet de factuurvoorwaarden. Het spreekt voor zich dat eerste geïntimeerde, die onmiddellijk na ontvangst van de factuur per aangetekend schrijven de totstandkoming heeft betwist van enige overeenkomst met appellante, ook niet kan gehouden zijn door een arbitrageclausule in de factuur die in uitvoering van deze betwiste overeenkomst werd opgesteld. De rechtspraak en rechtsleer die tweede geïntimeerde aanhaalt in verband met het stilzwijgend aanvaarden van factuurvoor-waarden, is gelet op het voorgaande irrelevant. Het Hof is zoals de eerste rechter van oordeel dat geen geldige arbitrageovereenkomst tot stand kwam. Het hoger beroep van appellante en tweede geïntimeerde op dit punt is ongegrond.
  2. b)Wat betreft het bestaan van een overeenkomst en de gegrondheid van de tegeneis van appellante 3.4. Nu werd vastgesteld dat geen geldige arbitrageovereen-komst tot stand kwam, dient te worden nagegaan of de tegeneis van appellante kan worden ingewilligd. In tegenstelling tot wat appellante voorhoudt, kan op grond van de voorliggende stukken niet worden vastgesteld dat tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen, waarbij eerste geïntimeerde opdracht zou hebben gegeven aan appellante om een nieuwe afzuigmotor te installeren. Het enige wat duidelijk vaststaat, is dat mevrouw G. begin april 2004 de frituurinstallatie door appellante liet nakijken en onderhouden en dat daarbij werd vastgesteld dat de afzuigmotor van de installatie ontbrak. De kosten voor deze tussenkomst werden betaald door mevrouw G. persoonlijk. Appellante bewijst evenwel op geen enkele wijze dat zij vervolgens van eerste geïntimeerde persoonlijk telefonisch opdracht zou hebben ontvangen tot het uitvoeren van de depannage, zoals zij later in haar aanmaningsbrief van 13 juni 2003 schrijft. Wel blijkt uit het servicerapport van haar monteur dd.23 april 2003, waarop als opdrachtgever de naam van eerste geïntimeerde vermeld wordt, dat de installatie van de nieuwe motor is gebeurd in uitsluitende aanwezigheid van de uitbaters van de frituur ‘ Ajuintje, hetgeen door appellante uitdrukkelijk wordt erkend. Bovendien vermeldt dit rapport onder de opmerkingen uitdrukkelijk dat de kosten van de installatie voor eerste geïntimeerde zijn, met de toevoeging "klant is geen eigenaar van apparatuur en wil niet tussen komen in de kosten". Deze vermelding toont aan dat niet eerste geïntimeerde, maar de uitbaters van de frituur aan appellante opdracht hebben gegeven om een nieuwe motor te plaatsen, maar gevraagd hebben de kostprijs hiervan te factureren aan de eigenaar/ver-huurder, zijnde eerste geïntimeerde. Appellante kan echter niet betaling eisen van eerste geïntimeerde, met wie geen overeenkomst tot stand is gekomen. Dat de installatie betrekking heeft op een structurele herstelling en geen onderhoudsherstelling, die ten laste is van de eigenaar van de apparatuur, is een punt van betwisting in de onderlinge verhouding tussen eerste geïntimeerde en haar huurders, die geen partij zijn bij huidig geschil. Appellante is evenwel vreemd aan de rechtsverhouding tussen eerste geïntimeerde en haar huurders. Deze huurders en niet eerste geïntimeerde waren evenwel de klant, die blijkens het servicerapport, opdracht aan appellante hebben gegeven en die ten aanzien van appellante tot betaling gehouden zijn. Appellante kan haar vordering lastens eerste geïntimeerde niet steunen op de verplichtingen van deze laatste om aan haar huurders het rustig genot te verschaffen van het gehuurde goed en de nodige structurele herstellingen ten laste te nemen. Het is niet omdat de huurders op het servicerapport een voorbehoud hebben laten akteren dat zij niet willen tussenkomen in de kosten, dat deze door appellante kunnen worden gevorderd van eerste geïntimeerde, met wie geen contractuele relatie tot stand is gekomen. Ook de bewering dat de factuur "bijkomende werken" betrof en geen nieuwe opdracht uitmaakte, maar kaderde in de initiële opdracht die door de afwezigheid van de afzuigmotor niet volledig kon worden afgewerkt, raakt kant noch wal. De tegenvordering van appellante is ongegrond. OM DEZE REDENEN HET HOF Verklaart het hoger beroep van appellante en van tweede geïntimeerde toelaatbaar, doch ongegrond; Bevestigt het bestreden vonnis in al zijn onderdelen; Veroordeelt appellante en tweede geïntimeerde elk tot de helft van de kosten van het geding in hoger beroep, aan hun zijde niet nader te begroten, omdat zij ten hunnen laste blijven en aan de zijde van eerste geïntimeerde begroot als volgt: rechtsplegingsvergoeding: 1.200,00 EUR Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, VEERTIENDE bis KAMER, zitting houdende in burgerlijke zaken, van 1 december 2009 Aanwezig: Karen Broeckx, Raadsheer wn. Voorzitter Carine Sonneville, griffier Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.