id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 04 januari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20100104.6 Rolnummer: 2009/JR/89 Rechtsgebied: Invoerdatum: 2010-05-31 Raadplegingen: 197 - laatst gezien 2026-07-02 21:09 Fiche Grootouders hebben enkel aanspraak op een recht op persoonlijk contact overeenkomstig art 375 bis B.W. Zij zijn geen drager van het ouderlijk gezag. Zij kunnen geen hoofdverblijf vorderen voor hun kleinkind. UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - BEKWAAMHEID - Ouderlijk gezag - Omgangsrecht grootouders Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent Jeugdkamer ________ Terechtzitting van 04 januari 2010 ________ 2009/JR/89 - In de zaak van:
- M............. E..........., en
- S.............. L......, samenwonende te ..........................., appellanten, hebbende als raadsman mr. THOMAS Paul, advocaat te 8670 KOKSIJDE, Zeelaan 172 tegen : D......................... M.........., wonende te ............................. geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. VANTHUYNE Kurt, advocaat te 8870 IZEGEM, Dam 25 VELT DE JEUGDKAMER IN HET HOF VAN BEROEP GENT VOLGEND ARREST OP TEGENSPRAAK: BESLISSING Ontvangt het hoger beroep en erover oordelend: Verklaart het ongegrond. Bevestigt dientengevolge het bestreden vonnis. Compenseert de rechtsplegingvergoedingen in hoger beroep en laat de overige kosten van het hoger beroep ten laste van de partij die ze maakte. REDENGEVING I procesgang Bij rekest ter griffie neergelegd op 29 april 2009 hebben appellanten hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 7 april 2009 van de Jeugdrechtbank van Kortrijk 13e Kamer. Partijen werden gehoord bij monde van hun raadslieden. Het behandelen van de zaak geschiedde volledig op tegenspraak Er werd kennis genomen van het advies van Substituut-Procureur-Generaal Inge T'Hooft. Gezien de omstandigheden van de zaak werd dit advies mondeling voorgebracht ter zitting van 21 december
- Partijen hebben niet gereageerd op het advies van het openbaar ministerie hoewel zij daartoe uitgenodigd werden. De neergelegde conclusies en de overgelegde producties werden ingezien. Art. 24 Wet 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werd in acht genomen. Partijen waren niet in persoon aanwezig. Daarom kon niet overeenkomstig art. 387, bis B.W. gepoogd worden hen te verzoenen. Noch konden alle nuttige inlichtingen verstrekt worden over de rechtspleging en in het bijzonder over het nut een beroep te doen op de in het zevende deel van het Gerechtelijk Wetboek bepaalde bemiddeling. De zaak werd behandeld en oordeel werd geveld in openbare terechtzitting. II toelaatbaarheid Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar de vorm ingesteld. III retroacta en omschrijving van de vordering Appellanten zijn de grootouders langs moederszijde en geïntimeerde is de vader van L........ D.................. geboren op ............. V....... M..........r is de moeder van dit kind. Zij is overleden. In het inleidend rekest was het voorwerp van de vordering van appellanten: het hoofdverblijf van hun kleinkind. Zij wilden dat bij zich. In het bestreden vonnis werd de vordering ontoelaatbaar verklaard. In graad van beroep is het voorwerp van de vordering nog steeds het hoofdverblijf van L................... IV ten gronde De grootouders hebben enkel aanspraak op een recht op persoonlijk contact overeenkomstig art. 375bis B.W. Zij zijn geen drager van het ouderlijke gezag. Het hoofdverblijf casu quo of in voorkomend geval de juridische of materiële bewaring zijn allemaal verbonden aan het (uitoefenen van) het ouderlijke gezag. Om (een deel van) de uitoefening van het ouderlijke gezag te vorderen moet men de hoedanigheid van ouder hebben. Die hoedanigheid hebben de grootouders niet. Zij argumenteren uitgebreid. Maar zij gaan voorbij aan de vaststelling dat geen enkel van hun argumenten ertoe kan leiden om een deel van het ouderlijke gezag via een civiele procedure aan hen over te dragen. Zij lijken uit het oog te verliezen dat alles wat met het ouderlijke gezag te maken heeft, de openbare orde raakt. En daarom niet overdraagbaar is behalve dan krachtens de wet. Om een ouder uit (een deel van) zijn ouderlijk gezag te ontzetten is een geëigende procedure voorzien. Naast de regeling binnen de Wet 8 april 1965 is er de civiele rechtsfiguur van de pleegvoogdij. Hetzelfde geldt voor het geval de grootouders menen dat L............. bij vader in een problematische opvoedingssituatie verkeert. Ook dan is een specifieke werkwijze voorzien in het Decreet 7 maart
- De grootouders leggen overigens niet uit hoe zij de materiële bewaring kunnen uitoefenen terwijl het juridische beslissingsrecht bij de vader zou blijven. Zo'n spreidstand is niet alleen juridisch maar ook in de feitelijke wereld onwerkbaar. Ook om die reden kan de wijze van uitoefenen van het ouderlijke gezag alleen civiel nagestreefd worden door de titularissen ervan. Evenmin kunnen zij hun vordering baseren op art. 375bis B W. Die rechtsgrond kan alleen leiden tot een contactrecht, niet tot een (hoofd)verblijf of juridisch of feitelijk bewaringsrecht. Daarmee is de cirkel van de redenering rond. Daarom heeft de eerste rechter terecht beslist dat de vordering ontoelaatbaar is (art. 17 Ger W). In verband met het bovenstaande is de vraag tot het aanstellen van een voogd ad hoc zonder belang want kan niets veranderen aan het ontoelaatbaar zijn van de hoofdvordering. Uit het bovenstaande volgt automatisch dat op civiel gebied het hoofdverblijf van het kind bij de overlevende ouder hoort. Aldus uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, VIJFTIENDE KAMER, zitting houdende in jeugdzaken van VIER JANUARI TWEEDUIZEND EN TIEN. Aanwezig: Stefaan Oplinus, Kamervoorzitter, Jeugdrechter in hoger beroep; Inge T'Hooft, Substituut-procureur-generaal; Jenny Dammekens, Griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.