id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 06 januari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20100106.9 Rolnummer: Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2010-03-08 Raadplegingen: 103 - laatst gezien 2026-07-02 21:10 Fiche UTU-thesaurus: STRAFRECHT STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Non bis in idem Vrije woorden: Strafrecht - ne bis in idem - interne tuchtmaatregel in gevangenis - Basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden Tekst van de beslissing Het hof van beroep te Gent, achtste kamer, recht doende in correctionele zaken in de zaak van het openbaar ministerie Tegen:
- H - aangehouden -
- ... niet inzake in hoger beroep Verdacht van : te 9200 Dendermonde op 23/07/2008 Bij inbreuk op de artikelen 1, 2 bis § 1, 4 (§§ 1, 4 en 6), 5 en 6 van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van de giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen (BS 06.03.1921) zoals gewijzigd bij wetten van 9 juli 1975, 14 juli 1994, 4 april 2003 en 3 mei 2003 en op de artikelen 1, 1 bis, 2, 11, 26 bis en 28 §§ 1 en 2, 3° van het KB van 31 december 1930 houdende regeling van de slaapmiddelen en de verdovende middelen en betreffende risicobeperking en therapeutisch advies (BS 10.01.1931) zoals gewijzigd bij K.B. van 16 mei 2003 (B.S. 02/06/2003), buiten de aankoop of het bezit krachtens geneeskundig voorschrift, zonder voorafgaande vergunning van de Minister van Volksgezondheid, tegen betaling of kosteloos, verdovingsmiddelen te hebben vervaardigd, in bezit te hebben gehad, te hebben verkocht of te koop gesteld, afgeleverd of aangeschaft: I) namelijk de eerste het bezit en het afleveren van 0,76 gram van het zogenaamde product heroïne dat substanties bevat welke onder de wetenschappelijke benaming Heroïnum opgenomen is in artikel 1 nr 36 van voormeld KB van 31.12.1930 Met de omstandigheid dat de eerste verdachte in staat van wettelijke herhaling bevindt, doordat hij het nieuwe wanbedrijf heeft gepleegd nadat hij veroordeeld werd tot een gevangenisstraf van ten minste 1 jaar en vijf jaren zijn verlopen van de datum waarop hij zijn straf heeft ondergaan of waarop zijn straf verjaard is, nl. bij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis dd. 12 augustus 2005 van de correctionele rechtbank Dendermonde tot een gevangenisstraf van twee jaar met probatieuitstel gedurende drie jaar wegens diefstal met geweld of bedreiging onder twee van de in artikel 471 Swb vermelde omstandigheden, door twee of meer personen, met behulp van een voertuig of enig ander al dan niet met motor aangedreven tuig om de diefstal of zijn vlucht te verzekeren; bezit van verdovende middelen. Met de omstandigheid dat de eerste verdachte in staat van bijzondere herhaling verkeert, aangezien de feiten werden gepleegd binnen de vijf jaar na een veroordeling wegens overtreding van de wet van 24 februari 1921 of van de besluiten ter uitvoering ervan, namelijk na het in kracht van gewijsde getreden vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde dd. 12 augustus 2005 waarbij de verdachte veroordeeld werd tot een gevangenisstraf van twee jaar met probatieuitstel gedurende drie jaar wegens bezit van verdovende middelen Bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, verlofkamer rechtdoende in correctionele zaken, not.nr. 60.LE.8092/08, dd. 14 juli 2009 bij verstek gewezen lastens de eerste beklaagde - werd ondermeer als volgt beslist : Veroordeelt de eerste beklaagde, zich bevindend in staat van wettelijke en bijzondere herhaling, voor de feiten omschreven onder de enige tenlastelegging tot een hoofdgevangenisstraf van ZES MAAND en tot een geldboete van DUIZEND EURO, met 45 opdeciemen verhoogd (x 5,5), 5.500 euro bedragende; Verstaat dat bij gebreke van betaling binnen de door de wet bepaalde tijd de uitgesproken geldboete zal kunnen vervangen worden door een gevangenisstraf van drie maand. Spreekt bovendien de verplichting uit om een bedrag van 25 euro (K.B. 31.10.'05), met 45 opdeciemen verhoogd, 137,50 euro bedragende, te betalen bij wijze van bijdrage tot financiering van het fonds tot financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden, nl. door de beklaagden ieder eenmaal deze som; Legt bovendien aan de veroordeelde een vergoeding op voor de kostprijs van de strafprocedure van 25 euro overeenkomstig art. 91.2° lid K.B. d.d. 28.12.1950 houdende alg. reglement op de gerechtskosten in strafzaken (B.S., 30.12.1950, 9095) - zoals vervangen door art. 1 K.B. d.d. 29.07.1992 (B.S. 31.07.1992, 17249) - en gewijzigd door art. 1 K.B. d.d. 23.12.1993 (B.S. 31.12.1993, 29318) - en gewijzigd door art. 1 K.B. d.d. 11.12.2001 (B.S. 22.12.2001, 44791) - dat terug van toepassing is nu de opheffingsbepaling van het K.B. 28.12.1950, zoals voorzien door art. 98 K.B. van 27.04.2007, ingevolge de vernietiging ervan door de Raad van State op 17.12.2008 onbestaande is geworden. Kosten : Veroordeelt de beklaagden elk tot de helft van de gerechtskosten, deze in hun geheel begroot op de som van 88,04 euro. Wijst de veroordeelde(n) er op dat de tenuitvoerlegging van dit vonnis wat betreft de uitgesproken effectieve gevangenisstraf(fen) zal geschieden overeenkomstig de bepalingen van de wet van 17 mei 2006 (betreffende de `externe rechtspositie van de gedetineerden') en dit inzoverre de bepalingen van deze wet op het ogenblik van de strafuitvoering in werking zullen zijn getreden; Overeenkomstig deze bepalingen zal de uitvoering van deze effectieve vrijheidsstraf(fen) eventueel kunnen geschieden volgens de modaliteiten bepaald door de strafuitvoeringsrechtbank, de strafuitvoeringsrechter of door de Minister van Justitie; Voor het geval partijen niet aanwezig zijn op het ogenblik van de uitspraak gelden deze vermeldingen als inlichting bij kennisname van dit vonnis (lezing van dit vonnis of kopie ervan). Bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, verlofkamer rechtdoende in correctionele zaken, not.nr. 60.LE.8092/08, dd. 15 september 2009 op verzet en op tegenspraak gewezen lastens de eerste beklaagde - werd als volgt beslist : Verklaart het verzet van de beklaagde-opposant ontvankelijk, zodat het verstekvonnis van 14 juli 2009 is vervallen. Aldus opnieuw rechtdoende : Verbetert de dagvaarding als volgt : "Verdacht van : te 9200 Dendermonde op 1 oktober 2008 (...)" Verklaart de beklaagde-opposant schuldig aan het hem ten laste gelegde feit zoals omschreven onder de tenlastelegging I; Veroordeelt de beklaagde-opposant, zich bevindende in staat van wettelijke en bijzondere herhaling, tot een effectieve hoofdgevangenisstraf van DRIE MAANDEN en tot een effectieve geldboete van DUIZEND EURO, met 45 opdeciemen verhoogd (x 5,5), gebracht op 5.500 euro; Zegt dat bij gebreke van betaling binnen de door de wet bepaalde tijd de uitgesproken geldboete zal kunnen vervangen worden door een gevangenisstraf van drie maanden. Spreekt bovendien de verplichting uit om een bedrag van 25 euro (K.B. 31.10.'05), met 45 opdeciemen verhoogd, 137,50 euro bedragende, te betalen bij wijze van bijdrage tot financiering van het fonds tot financiële hulp aan slachtoffers van opzettelijke gewelddaden, nl. éénmaal deze som; Legt tevens aan de veroordeelde een vergoeding op van 25,00 euro als bijdrage in de beheerskosten in strafzaken. Kosten : Veroordeelt de beklaagde-opposant tot de gerechtskosten, in hun geheel begroot aan de zijde van het Openbaar Ministerie op de som van nihil. Wijst de veroordeelde voornoemd er op dat de tenuitvoerlegging van dit vonnis wat betreft de uitgesproken effectieve gevangenisstraf(fen) zal geschieden overeenkomstig de bepalingen van de wet van 17 mei 2006 (betreffende de `externe rechtspositie van de gedetineerden') en dit inzoverre de bepalingen van deze wet op het ogenblik van de strafuitvoering in werking zullen zijn getreden; Overeenkomstig deze bepalingen zal de uitvoering van deze effectieve vrijheidsstraf(fen) eventueel kunnen geschieden volgens de modaliteiten bepaald door de strafuitvoeringsrechtbank, de strafuitvoeringsrechter of door de Minister van Justitie; Voor het geval partijen niet aanwezig zijn op het ogenblik van de uitspraak gelden deze vermeldingen als inlichting bij kennisname van dit vonnis (lezing van dit vonnis of kopie ervan). Tegen alle beschikkingen van voormeld vonnis werd hoger beroep ingesteld: 1) op 21 september 2009 door de beklaagde ; 2) op 29 september 2009 door het Openbaar Ministerie tegen de beklaagde. Gehoord in openbare terechtzitting van 1 december 2009 in het Nederlands: - de beklaagde in zijn middelen van verdediging, vertegenwoordigd door meester Arne Aelterman, advocaat te Gent, loco meester Jürgen Millen, advocaat te Hasselt; - het Openbaar Ministerie in zijn vordering uitgebracht door Advocaat-generaal L. Decreus; *** I. Procesrechtelijk De door de beklaagde (oorspronkelijke eerste beklaagde in het verstekvonnis dd. 14 juli 2009) en het Openbaar Ministerie tegen het op tegenspraak en op verzet gewezen vonnis van de Vakantiekamer van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, zetelend in correctionele zaken, dd. 15 september 2009 ( en niet 8 september 2008 zoals door de beklaagde in besluiten gesteld) ingestelde hoger beroepen zijn regelmatig naar tijd en vorm en zijn derhalve ontvankelijk. De eerste rechter heeft de datum der feiten (1.10.2008) op een correcte wijze verbeterd. De verjaring van de strafvordering is op heden niet ingetreden. II. Ontvankelijkheid van de strafvordering De beklaagde baseert zich op het ne bis in idem beginsel en betoogt dat hij geen twee keer kan vervolgd (en veroordeeld) worden voor feiten waaromtrent hij reeds in de gevangenis een tuchtmaatregel ( 1 maand strikt individueel regime) opliep en hij besluit dan ook dat de strafvordering ingevolge deze tuchtsanctie vervallen is, daarbij verwijzende naar de door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens gehanteerde criteria om na te gaan of onder een administratieve sanctie geen strafvervolging schuilgaat. De door de beklaagde ter terechtzitting van het Hof op 1 december 2009 neergelegde besluiten zijn terzake een letterlijke herhaling als deze die werden neergelegd ter terechtzitting van de eerste rechter op 11 augustus 2009.waarop door de eerste rechter op een adequate wijze werd geantwoord. De Basiswet van 12 januari 2005 (B.S. 1 februari 2005) betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden voorziet dat ook tijdens de vrijheidsbeneming de orde en de veiligheid binnen de gevangenis dient te worden gevrijwaard. Het tuchtregime strekt ertoe de orde en de veiligheid te vrijwaren met eerbiediging van de waardigheid, het zelfrespect en de individuele en sociale verantwoordelijkheid van de gedetineerden. De integrale inwerkingtreding van Titel VII van de Basiswet betreffende het tuchtregime is nog niet mogelijk daar de gevangenissen nog niet beschikken over een huishoudelijk reglement dat in overeenstemming is met de Basiswet. Sinds 1 juni 2005 is wel de ministeriële omzendbrief betreffende de tuchtprocedure ten aanzien van gedetineerden, die geïnspireerd is op de in de basiswet opgenomen principes, van toepassing (Ministeriële omzendbrief nr. 1777 van 2 mei 2005). De binnen de gevangenis opgelegde interne tuchtmaatregel heeft op geen enkele wijze enig impact gehad op de vrijheidsberoving zélf of op de duur ervan, doch enkel op de modaliteit van de detentietoestand. Daarenboven zat de beklaagde op het ogenblik dat hem de bijkomende tuchtmaatregel tengevolge van het incident op 1 oktober 2008 werd opgelegd reeds op een strikt individueel regime tengevolge van een eerdere opgelopen tuchtsanctie ( 13.9.2008 tot 13.10.2008). De motivering van de tuchtsanctie vermeldt onder meer ; "Dat de disciplinaire antecedenten van betrokkene (tuchtrapporten) een dergelijke straf rechtvaardigen". De tuchtmaatregel was aldus niet uitsluitend het gevolg van de feiten op 1 oktober 2008 doch tevens de resultante van verschillende opgestelde tuchtrapporten met als orgelpunt de feiten van 1 oktober
- Deze tuchtmaatregel staat dan ook volledig los van onderhavige strafprocedure en kan dan ook niet beschouwd worden als een strafsanctie voor dezelfde feiten zodat het non bis in idem beginsel geenszins van toepassing is. III. Beoordeling - straftoemeting Deze zaak is voor het Hof enkel aanhangig voor wat betreft de feiten, voorwerp van de tenlastelegging I in hoofde van de beklaagde. De beklaagde betwist de hem ten laste gelegde feiten. Ook wat betreft de grond van de zaak zijn de door de beklaagde ter terechtzitting van het Hof op 1 december 2009 neergelegde besluiten een letterlijke herhaling als deze die werden neergelegd ter terechtzitting van de eerste rechter op 11 augustus 2009, waarop door de eerste rechter op een adequate wijze werd geantwoord. De beklaagde kan de hem ten laste gelegde feiten niet op ernstige wijze betwisten. Op 1 oktober 2008 werd hij in de gevangenis te Dendermonde door een penitentiair beambte op heterdaad betrapt toen hij een omslag inhoudende 0,76 gram heroïne onder de gesloten celdeur schoof van een medegedetineerde. Uit de beoordelingsgegevens van het strafdossier en uit het onderzoek ter terechtzitting alhier door het Hof, is de hierboven vermelde tenlastelegging I zoals omschreven in de dagvaarding in hoofde van de beklaagde evenwel bewezen gebleven. Het Hof herneemt voor het overige integraal de motieven van de eerste rechter omtrent de gegrondheid van de strafvordering, die het bijtreedt en tot de zijne maakt. In graad van hoger beroep brengt de beklaagde geen (nieuwe) argumenten aan die het Hof tot een andere beslissing dan deze van de eerste rechter kunnen brengen met betrekking tot de schuld aan de feiten die hem ten laste worden gelegd. Alle overige feitelijke beschouwingen en argumentaties van de beklaagde, zoals verwoord in besluiten neergelegd voor het Hof ter terechtzitting van 1 december 2009 kunnen het Hof niet tot een andere beslissing brengen met betrekking tot de schuld van de beklaagde aan de hem ten laste gelegde feiten. De eerste rechter heeft de bewezen verklaarde tenlastelegging, rekening houdende met de staat van bijzondere en wettelijke herhaling beteugeld met een gevangenisstraf van drie maanden en met een geldboete van 1.000 euro (x 5,5), gebracht op 5.500 euro of een vervangende gevangenisstraf van drie maanden. Nu het misdrijf gepleegd werd ná 1 maart 2004 werd de geldboete terecht, bij toepassing van art. 1 van de wet van 5 maart 1952, zoals laatst gewijzigd door art.36 van de wet van 7 februari 2003, verhoogd met 45 opdecimes. Het Openbaar Ministerie vorderde een strafverzwaring naar een hoofdgevangenisstraf van 6 maanden met behoud van de geldboete van 1.000 euro. De motieven waarop de eerste rechter zich gesteund heeft bij de straftoemeting dienen te worden bijgetreden. Samen met de eerste rechter tilt het Hof zwaar aan de bewezen verklaarde feiten, temeer de beklaagde zélfs in de gevangenis zijn ongeoorloofde activiteiten inzake drughandel verder zette en aldus derden van deze producten bleef afhankelijk maken. Zelf gebruiker zijnde kende de beklaagde bovendien zeer goed de nefaste gevolgen van druggebruik, zowel op fysiek als psychisch vlak. De volksgezondheid wordt manifest in gevaar gebracht door het leveren van gevaarlijke harddrugs, te meer nu het om heroïne gaat. De door de eerste rechter opgelegde strafmaat is wetmatig en passend voor de bewezen gebleven feiten, voorwerp van de enige tenlastelegging. De beklaagde verkeert in staat van wettelijke en bijzondere herhaling en het Hof is van oordeel dat aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 9 van de Drugwet niet is voldaan nu de drugs niet werden afgeleverd met het oog op eigen gebruik doch wel met het oog om andere medegedetineerden te bevoorraden. VI. Nopens het overtuigingsstuk, de gerechtskosten, de solidariteitsbijdrage en bijzondere vergoeding Het Hof is niet gevat om uitspraak te doen over het overtuigingsstuk 5470/
- Wat betreft de gerechtskosten, de solidariteitsbijdrage en de vergoeding voor de kostprijs van de strafprocedure werd door de eerste rechter correct geoordeeld. De beklaagde dient te worden veroordeeld tot de kosten in hoger beroep, deze aan de zijde van het Openbaar Ministerie ten bate van de Staat in hun geheel begroot op 95,70 euro. OP DEZE GRONDEN HET HOF, rechtdoende op tegenspraak Gelet op de artikelen : -door de eerste rechter aangehaald; - 162, 185, 189, 190, 194, 195 , 210, 211 Sv. - 24 van de wet van 15 juni 1935; Al deze wetsbepalingen aangehaald op de terechtzitting van heden; Verklaart elk hoger beroep regelmatig naar tijd en vorm, derhalve ontvankelijk en erover beslissend : Bevestigt het bestreden vonnis. Veroordeelt de beklaagde tot alle kosten in hoger beroep gevallen, deze gevallen aan de zijde van het Openbaar Ministerie ten bate van de Staat begroot op 95,70 euro. Aldus uitgesproken in openbare terechtzitting van ZES JANUARI TWEEDUIZEND EN TIEN waarbij de voorschriften van artikel 195 van het wetboek van Strafvordering werden nageleefd. Aanwezig : I. Mallems, wnd. voorzitter, F. De Tandt en M. De Busscher, raadsheren, P. Clauw substituut-procureur-generaal, L. Van Isterdael, griffier, Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div