← België

ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20100108.9

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 08 januari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20100108.9 Rolnummer: 2005/AR/2298 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2010-03-11 Raadplegingen: 102 - laatst gezien 2026-07-02 21:11 Fiche De Staat en de overheidsinstellingen zijn eveneens onderworpen aan de rechtsregels. In casu heeft de gemeente een fout begaan bij het verlenen van een vergunning tot wijziging van de verkavelingsvergunning. UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RUIMTELIJKE ORDENING Vrije woorden: Appellant vordert een schadevergoeding wegens een fout van de gemeente, nl. de wijziging van de verkavelingsvergunning Een nieuw argument kan steeds worden opgeworpen, ook in hoger beroep - ten deze schending art. 3 MB van 6/2/1971. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 9ter Kamer ________ Terechtzitting van 08 januari 2010 ________ 2005/AR/2298 - In de zaak van: A. F., wonende te ..................... appellant, hebbende als raadsman mr. DE MUYNCK Kristof, advocaat te 9000 GENT, Antwerpenplein 13-14 tegen : GEMEENTE SINT-MARTENS-LATEM, vertegenwoordigd door haar college van Burgemeester en Schepenen, te 9830 SINT-MARTENS-LATEM, Dorp 1, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. GOEMINNE Didier, advocaat te 9000 GENT, Coupure 224 velt het hof het volgend arrest: 1. Procedure Het hof heeft kennis genomen van het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, eerste kamer, van 8 juni 2005 inzake AR. nr. 03/3133/A. Tegen dit vonnis werd hoger beroep en incidenteel beroep ingesteld. De raadslieden van partijen werden op de terechtzitting van 3 april 2009 gehoord in openbare terechtzitting en in het Nederlands. Zowel de door hen regelmatig neergelegde conclusies als de overgelegde stukken werden ingezien. Bij tussenarrest van 8 mei 2009 werd het debat heropend. De zaak werd op de terechtzitting van 18 december 2009 hernomen voor de onderhavige anders samengestelde zetel. 2. De betwisting 2.1. De zaak betreft de door de heer F. A. lastens de .......... gevorderde schadevergoeding, voorhoudende dat het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente ...... op 29 augustus 1985 fouten heeft begaan in de zin van artikel 1382 BW bij het verlenen aan de heer F. A. van een vergunning tot wijziging van de verkavelingvergunning van 10 januari 1985 voor gronden gelegen te ............., er blijkbaar op het kadaster gekend onder sectie B, delen van nummers 717b, 717c, 718b en 718e, vernietigd door de Raad van State bij arrest nummer 43.176 van 3 juni 1993. 2.2. De eerste betwisting betrof aanvankelijk de toelaatbaarheid van de door de heer F. A. gestelde vordering, waaromtrent het debat werd heropend. Ter terechtzitting van 18 december 2009 deelt de .......... mee dat zij na kennisname van de stukken afstand doet van haar exceptie van niet ontvankelijkheid. Gelet op de stukken van het dossier, is deze afstand terecht. De heer F. A. heeft wel degelijk belang en hoedanigheid in de zin van de artikelen 17 en 18 Ger. W. om in casu in rechte op te treden. 2.3. De GEMEENTE SINT-MARTENS-LATEM stelt nog dat de heer F.A. op niet ontvankelijke wijze de oorzaak, zijnde de rechtsfeiten /rechtshandelingen die ten grondslag lagen van zijn vordering, wijzigt : het zich beroepen op de schending van artikel 3 MB van 6 februari 1971 zou nieuw zijn. De gemeente kan niet worden gevolgd. In de gedinginleidende akte voor de eerste rechter vorderde de heer F.A. een schadevergoeding wegens de fout van de gemeente die erin bestaat ten onrechte een wijziging tot verkavelingsvergunning toe te staan aan de heer F. A.. Het artikel 807 Ger. W. bepaalt : "Een vordering die voor de rechter aanhangig is, kan uitgebreid of gewijzigd worden, indien de nieuwe, op tegenspraak genomen conclusies, berusten op een feit of op een akte in de dagvaarding aangevoerd, zelfs indien hun juridische omschrijving verschillend is." Het voorwerp van de vordering is hetgeen de eiser vordert, het economische, sociale of morele voordeel dat hij nastreeft, het doel dat hij voor ogen heeft, zoals de nietigverklaring van een titel. De oorzaak van de vordering is het geheel van de (rechts)feiten en/of (rechts)handelingen die het voorliggende geschil hebben uitgelokt en die de eiser aanvoert tot staving van het recht waarvan hij de erkenning of bescherming vraagt, meer algemeen tot staving van het gevorderde (S. MOSSELMANS, "De aanpassing van de vordering in de zin van artikel 807 Ger. W.", in Goed procesrecht - Goed procederen, Cyclus Willy Delva 2002-2003, Mechelen, Kluwer, 2004, 313-314). Voorwerp en oorzaak mogen na het inleiden van de vordering niet gewijzigd worden, tenzij binnen de perken van voormeld artikel 807 Ger. W.. De oorzaak van de vordering van de heer F. A. in casu is de ten onrechte toegekende wijziging tot verkavelingsvergunning, zijnde het rechtsfeit dat aan de betwisting ten grondslag ligt. Deze oorzaak is niet gewijzigd. Het voorwerp van de vordering van de heer F. A.is de gevorderde schadevergoeding. Een nieuw argument of middel (zoals in casu tevens de schending van artikel 3 MB van 6 februari 1971) ter staving van zijn oorspronkelijke vordering (gebaseerd op de ten onrechte toekenning van de litigieuze gewijzigde verkavelingsvergunning) kan door appellant in latere conclusies (ook in graad van beroep overeenkomstig het samenlezen van de artikelen 807 en 1042 Ger. W., zie terzake : Cass. 3 november 1972, Arr. Cass., 1973, 219 en Pas., 1973, 1973, I, 216; Cass. 4 maart 1988, Arr. Cass., 1987-88, 874 en Pas., 1988, I, 804) nog steeds worden opgeworpen. 2.4. De beoordeling van de concrete aansprakelijkheid in casu 2.4.1. De Staat en de overheidsinstellingen zijn, zoals de burgers, onderworpen aan de rechtsregels, inzonderheid die welke betrekking hebben op de vergoeding van schade ten gevolge fouten waardoor de subjectieve rechten en de wettige belangen van personen worden aangetast (Cass., 19 december 1991, Arr. Cass., 1991-92, 364, J.T., 1992, 142). Geen enkele grondwettelijke of wettelijke bepaling of algemeen beginsel stelt de administratieve overheid in de uitoefening van haar bevoegdheid vrij van de verplichting ex de artikelen 1382 en 1383 BW inclusief de daar opgelegde zorgvuldigheidsplicht (Cass. , 20 juni 1997, Arr. Cass., 1997, II, 677 en R.W., 1998-99, 1491, noot A. VAN OEVELEN). De fout waarvoor een schadeverwekker op basis van de artikelen 1382 en 1383 BW aansprakelijk kan zijn, bestaat, naast de hypothese van een inbreuk op een specifieke norm, "in de regel in een gedraging die neerkomt op een verkeerd optreden dat moet worden beoordeeld naar de maatstaf van de normaal, zorgvuldige en omzichtige persoon, die in dezelfde omstandigheden verkeert" (Cass., 8 december 1994, Arr. Cass., 1994, 1074). Een fout dient als oorzaak van een schadegeval te worden beschouwd, zodra dit schadegeval, zoals het zich in concreto voordeed, zou zijn uitgebleven wanneer de fout niet was gepleegd (resp. wanneer het tot aansprakelijkheid aanleiding gevend feit niet had plaats gevonden). Opdat m.a.w. een fout tot aansprakelijkheid aanleiding zou geven, is noodzakelijk dat deze fout een in concreto noodzakelijke voorwaarde uitmaakte voor het schadegebeuren. Maar, zodra dit inderdaad het geval is, is de fout steeds, onvermijdelijk, de oorzaak van het schadegebeuren, hoe onwaarschijnlijk, onrechtstreeks of uitzonderlijk de feitelijke gang van zaken die tot het schadegebeuren (en tot de eruit voortvloeiende schadelijke gevolgen) leidde, ook moge zijn. Noodzakelijk EN voldoende voor de oorzakelijkheid van een fout is dus haar conditio sine qua non - karakter (G. VINEY, La responsabilité : conditions, (in J. GHESTIN, Traité de droit civil, IV), Parijs, 1982, 411, nr. 339; M. VANDEWEERDT, "Wanneer is een plotselinge gebeurtenis een "oorzaak" ?", T.S.R., 1999, 113-163 (126-162)). 2.4.2. Wanneer een gewone rechtbank rechtsgeldig kennis neemt van een aansprakelijkheidsvordering op grond van een door de administratieve overheid gepleegde machtsoverschrijding die geleid heeft tot de vernietiging van de administratieve handeling door de Raad van State, moet de gewone rechter - gelet op de beslissing tot nietigverklaring welke erga omnes gezag van gewijsde heeft - noodzakelijk beslissen dat de administratieve overheid een fout heeft begaan. Die fout kan echter enkel tot herstel aanleiding geven indien het oorzakelijk verband tussen de machtsoverschrijding of machtsafwending en de schade bewezen is (Cass., 21 juni 1990, Arr. Cass., 1989-90, 1353; Luik, l6 januari 1986, Ann. Dr. Liege, 1986, 240, noot Lewalle, P.; Luik, 12 oktober 1989, T. Aann., 1990, 319; Rb. Verviers, 10 september 1985, R.G.A.R., 1987, nr. 11.220; D'Hooge, D., De gunning van overheidsopdrachten en overheidsopdrachten en het toezicht door de raad van state en de gewone rechtbanken, Brugge, Die Keure, 1993, nr. 1360). Dergelijk oorzakelijk verband ontbreekt wanneer, ongeacht de nietigverklaring, de gestelde aanspraak niet kan gelden (zie ook : Rb. Verviers, 10 september 1985, R.G.A.R., 1987, nr. 11.220). 2.4.3. Gelet op wat voorafgaat, stelt de eerste rechter in casu terecht dat de GEMEENTE SINT-MARTENS-LATEM een fout heeft begaan. 2.4.3.1. De Raad van State vernietigde immers de wijzigende verkavelingsvergunning van 29 augustus 1985 (wegens miskenning van artikel 1b MB van 6 februari 1971). 2.4.3.2. Ook stelt de heer F. A. met reden dat de gemeente het dossier ten onrechte heeft volledig verklaard, daar waar zij hem de kans had moeten geven het dossier aan te vullen. De gemeente heeft in deze niet gehandeld als ieder ander redelijk en voorzichtig bestuur in dezelfde omstandigheden. 2.4.3.3. Ten onrechte stelt daarbij de gemeente ................. dat de heer F.A. het risico zou hebben aanvaard door te bouwen, ondanks het feit dat er een annulatieberoep was ingesteld. De gemeente kan hierin niet worden gevolgd. De eenzijdige beslissing van een administratief orgaan wordt immers geacht gelijkvormig te zijn met het recht en dit vermoeden geldt zonder dat het bestuur vooraf een beroep moet doen op de rechter, zoals de particulier wiens schuldvordering door zijn schuldenaar wordt betwist (dit is het zgn. "privilège du préalable"). Het vermoeden van overeenstemming met het recht kan wel voor de rechter worden bestreden. De rechtsonderhorige kan dit doen, hetzij door een exceptie (artikel 159 Grondwet), hetzij door een rechtstreekse vordering voor de gewone of administratieve rechter. Deze ingestelde vordering zal evenwel in beginsel (d.i. tenzij de wet er anders over beslist, wat in casu niet het geval

  1. is)de gevolgen van de bestreden beslissing niet opschorten (MAST, A., DUJARDIN, J., VANDAMME, M. en VANDE LANOTTE, J., Overzicht van het Belgisch Administratief Recht, Antwerpen, Kluwer, 1999, p. 7, randnr. 8). De heer F.A. beschikte over een hem verleende vergunning tot wijziging van verkavelingsvergunning (op 29 augustus 1985 afgeleverd door de gemeente ................) en over een bouwvergunning (op 14 november 1985 verleend bij beslissing van de Bestendige Deputatie van de Provincie Oost-Vlaanderen). In alle redelijkheid kon van hem niet verwacht worden dat hij zou hebben gewacht met bouwen totdat de Raad van State (met Auditoraatsverslag van 26 maart 1990 en bij arrest van 3 juni 1993) uitspraak zou doen. De gemeente erkent in dat verband trouwens op p. 13 van haar besluiten dat de bouwwerken reeds waren aangevat kort voordat de procedure voor de Raad van State werd ingeleid. 2.4.4. Blijft de vraag of, gelet op wat voorafgaat, de door de GEMEENTE SINT-MARTENS-LATEM begane fouten in oorzakelijk verband staan met de door de heer F.A.beweerde/geleden schade. Zou m.a.w. de schade van de heer F.A.ook zijn ontstaan zonder de fouten van de gemeente ? In casu dient - door het wegdenken van voormelde fouten - ervan uitgegaan te worden dat de aanvraag uitging van de heer F. A. als gevolmachtigde van de consoorten V.V.. dat hij bovendien een zakelijk recht had ingevolge een onderhandse tegenstelbare verkoopsovereenkomst én dat bij het aanvraagdossier de nodige postbewijzen van afgifte der aangetekende zending aan de B.V.B.A. HAECK waren gevoegd. In die omstandigheden dient nagegaan te worden of de heer Filip ADAMS een wettige wijzigende verkavelingsvergunning zou hebben ontvangen én daaropvolgend een wettige bouwvergunning voor de door hem (in de bouwvergunning) aangevraagde discotheek. 2.4.4.1. M.b.t. de voormelde (door de Raad van State vernietigde) wijziging van de verkavelingsvergunning dient te worden opgemerkt dat deze door de gemeente SINT-MARTENS-LATEM werd verleend op 29 augustus 1985 "voor wat betreft het opnemen van lot 2 in de verkaveling en het samenvoegen van loten 2 en 3 met het oog op het uitbaten van een handelsbestemming met niet storend of veilig karakter"(zie stuk 3 van de heer F. A.). 2.4.4.2. M.b.t. de voormelde (door de Raad van State vernietigde) bouwvergunning dient te worden opgemerkt dat deze door de gemeente ................ werd geweigerd op 29 augustus 1985 (zelfde datum als deze van toekenning van de voormelde wijziging aan de verkavelingsvergunning) maar dat deze op 14 november 1985 toch werd verleend bij beslissing van de Bestendige Deputatie van de Provincie Oost-Vlaanderen. De Bestendige Deputatie motiveert haar beslissing o.m. als volgt: "... Overwogen dat het goed waarop de aanvraag betrekking heeft, begrepen is in een verkaveling die vergund werd op 10.1.1985 en gewijzigd op 29.8.1985; dat het schepencollege derhalve bij toepassing van de artikelen 45 en 46 van de stedebouwwet rechtstreeks over de aanvraag kon beslissen; dat de gevraagde vergunning geweigerd werd om volgende redenen: "1. De inplanting zal, gezien de aard en de schaal van de voorziene ontspanningsinrichting met rechtstreekse toegang op Rijksweg 14, in ontoelaatbare mate de veiligheid van c1iënteel en weggebruikers in het gedrang brengen; 2.De inplanting naast een belangrijke residentiële wijk en in een residentiële buurt zal ongeoorloofde hinder en verstoring van de nachtrust meebrengen bij uitbating, geconcentreerd in het weekeinde en ‘s nachts. Uit ervaring blijkt overigens dat rond en tussen handelszaken van dezelfde aard, zelfs van kleinere omvang, een net ontstaat van storend en onveilig nachtelijk gerij dat hele buurten kan terroriseren. Hoe groter de concentratie ontspanningsgelegenheden van grote schaal, hoe groter het gevaar en de hinder."; Overwogen dat appellant in zijn beroepschrift aanvoert dat de verkavelingsvoorschriften gewijzigd werden zodat lot 2 terug opgenomen werd en samengevoegd met lot 3 met het oog op het uitbaten van een handelszaak, aanpassen bouwwijze, aanleggen parkeerzone en groenscherm; dat, gelet op de geplande opening in november 1985, op 12 juli ook reeds de bouwaanvraag ingediend werd, die aan een onnodig openbaar onderzoek onderworpen werd, en waaromtrent door het schepencollege op 29 augustus een weigeringsbeslissing getroffen werd na hem en zijn architekt gehoord te hebben op 8 augustus; dat er nochtans de gewijzigde verkavelingsvoorschriften zijn alsook het gunstig advies van stedebouw, het gunstig advies van Bruggen en Wegen en het gunstig advies van de brandweer; dat de gronden aangekocht werden voor handelsdoeleinden en er daarom een hogere prijs betaald werd dan voor bouwgrond; dat het gebouw bestaat uit twee delen, nl. een taverne-snackbar vooraan en een discotheek zijdelings en achteraan, die zo opgevat werd dat de grootste veiligheidsnormen in acht genomen zijn, waar ook de studiedienst van de meewerkende brouwerij achterstaat; dat het terrein een totale oppervlakte heeft van 3.720 m2, waarvan 2.200 m2 geschikt voor parking, hetzij voor maximum 150 wagens met eenrichtingsverkeer van in- en uitrit rond de gebouwen; dat de zaak zich tot een bepaald publiek zal richten en er bewaking zal zijn; dat de Kortrijksesteenweg gekenmerkt is door handels- en horecazaken en dat de nieuwe zaak geen hinder zal betekenen in de buurt, gelet op de opvatting om lawaai te verhinderen, het groenscherm van 2 m, de verkavelingsvoorschriften die gekend zijn en het bestaande kruispunt waar iedereen vertrouwd is met lawaai; dat het gebouw ge1egen is op 50 tot 125 m voorbij de verkeerslichten aan het kruispunt De Kroon, dat Bruggen en Wegen alsook de brandweer gunstig advies verleenden en dat langsheen dezelfde steenweg talrijke bars, tavernes, restaurants en dansgelegenheden zijn; dat hij, teneinde de zaak uit te baten, een loopbaanonderbreking genomen heeft, aldus sinds juli werkloos is, daarom zo vlug mogelijk wil beginnen te meer daar reeds een grote investering gedaan werd in grond en materialen; dat, gezien de danszaal kleiner is dan 100 m2, er geen uitbatingsvergunning nodig is; dat de gemeente verwittigd werd dat de openbaarmaking onnodig was, en dat daarmee de tijd gegeven werd aan de tegenstanders om protest te laten aantekenen door de omwonenden; Overwogen dat het onderzoek uitgewezen heeft dat door het schepencollege van Sint-Martens-Latem op 10.1.1985 vergunning verleende tot het verkavelen van de gronden gelegen aan de hoek van de Kortrijkse Steenweg of rijksweg nr. 14 en de Moeistraat; dat deze verkaveling 7 loten voorzag voor open bebouwing waarvan 5 langs de rijksweg die dienstig konden zijn voor een handelsbestemming; dat het tevens toegelaten was meerdere loten samen te voegen voor het optrekken van een alleenstaande woning, en dat in de beslissing het reeds bebouwde lot 2 uit de verkaveling gesloten werd; dat het Bestuur der Wegen geen opmerkingen had betreffende de rooi- en bouwlijn, doch bepaalde dat de verkavelaar vooraleer tot de verkoop van kavels over te gaan o.a. tussen de loten 3 en 4 een kollektieve toegang van max. 7 m op zijn kosten diende aan te leggen, alsook de aansluiting met de rijksweg, dit laatste na het bekomen van de overeenkomstige vergunning met uitvoeringsbesluiten; dat op 24.4.1985 een aanvraag ingediend werd tot wijziging van bedoelde verkaveling, nl. opnemen van lot 2, samenvoegen van de loten 2 en 3 met het oog op het uitbaten van een handelsbestemming, en aanduidingen in verband met afmetingen, bouwdiepten, zijdelingse afstanden, parkeerzone en groenscherm; dat voornoemde handelsbestemming op het bijgevoegd plan nader omschreven werd als snackbar en danszaal; dat, op gunstig advies van de gemachtigde ambtenaar van de administratie voor ruimtelijke ordening en leefmilieu luidens: "mits inachtname van de voorwaarden vermeld in het advies van het kollege van burgemeester en schepenen dd. 25.4.1985", door het schepenkollege op 29.8.1985 tot de wijziging van verkavelingsvergunning besloten werd mits volgende vermelding: "voor wat betreft het opnemen van lot 2 in de verkaveling en het samenvoegen van loten 2 en 3 met het oog op het uitbaten van een handelsbestemming met niet storend of veilig karakter."; Overwogen dat de huidige aanvraag strekt tot het verbouwen en uitbreiden van de bestaande woning op het oorspronkelijk uitgesloten lot 2 tot verwezenlijking van een discotheek en snackbar; dat rechts van deze inrichting op het thans met lot 2 samengevoegde lot 3 evenals op het links gelegen lot 1 parkeergelegenheden gepland worden; dat langsheen de achterste parceelsgrenzen alsook langsheen de zijdelingse perceelsgrenzen (links voor lot 1 en rechts voor lot 3) de aanleg van een groenscherm voorzien wordt; dat de bouwaanvraag voorgelegd werd aan het Bestuur der Wegen, die terzake gunstig advies verleende; dat voor de inrichting van het gebouw zelf, meer bepaald inzake brandveiligheid, voorwaarden opgelegd werden door de brandweerdienst van de Stad Gent; Overwogen dat een verkavelingsvergunning de toekomstige aanleg van de betrokken gronden inhoudt, en bindende en verordenende kracht heeft zowel ten overstaan van de partikulieren als van de overheid; dat dit o.a. betekent dat de overheid m.b.t. een bouwaanvraag voor percelen binnen een verkaveling een gebonden appreciatiebevoegdheid heeft vermits zij de ingediende plannen moet toetsen aan de verkavelingsvoorschriften; dat een aanvraag voor werken en handelingen binnen de omschrijving van een goedgekeurde verkaveling niet dient onderworpen aan een openbaar onderzoek, waar dit hier wel gebeurd is, en dat de beslissing over de aanvraag ook niet kan gesteund zijn op de ingediende bezwaren, zeker niet als deze geen rekening houden met de voorschriften van de verkaveling; dat immers met het toestaan van een verkavelingsvergunning rechten aan derden verleend worden, die naar aanleiding van een bouwaanvraag niet meer kunnen betwist of ontkend worden; Overwogen dat de voorwaarde in de verkavelingsvergunning in verband met het niet storend en veilig karakter van de handelsbestemming zeer algemeen gesteld is en niet afhankelijk gemaakt van bepaalde konkrete faktoren; dat gelet op de aard van de aanvraag, die niet afhankelijk is van een uitbatingsvergunning omdat de dansvloer minder den 100 m2 groot is, het advies van het bestuur der wegen en van de brandweerdienst, er niet kan besloten worden dat de voorgestelde handelsuitbating van snackbar en diskotheek een storend en onveilig karakter zou hebben; (...)" 2.4.5. De gemeente SINT-MARTENS-LATEM betwist enerzijds het oorzakelijk verband tussen haar hoger vermelde fout(
  2. en)en de door de heer F. A. geleden schade, anderzijds verwijst zij naar de fouten die de heer F. A. zelf zou hebben begaan in oorzakelijk verband met zijn schade. 2.4.5.1. Volgens de gemeente SINT-MARTENS-LATEM zou het resultaat, abstractie makend van haar hoger vermelde fout(en), in elk geval hetzelfde geweest zijn. Zij zou niet anders geoordeeld hebben over de aanvraag tot wijziging van de oorspronkelijke verkavelingsvergunning (zie haar besluiten p. 19 en p. 11 en 12): deze zou zij nl. hebben toegekend. Zij zou evenmin anders hebben geoordeeld over de aanvraag tot bouwvergunning: deze zou zij nl. hebben geweigerd (zie haar besluiten p. 11). Zij stelt dat zij nooit de bouw van een discotheek zou goedkeuren, ook al zou deze geënt zijn op een verkavelingswijziging zonder formele gebreken in de aanvraag (zie haar besluiten p. 12). Men kan volgens de gemeente niet rond het feit dat een discotheek niet onder de bestemming "handelsbestemming met veilig en niet-storend karakter" kan vallen. Volgens de gemeente kan de fout van de heer F. A. niet weggecijferd worden waar hij in de wijzigende verkavelingsaanvraag een handelsbestemming aangaf van snackbar en danszaal, terwijl hij zijn bouwaanvraag indiende voor een discotheek (wat volgens de gemeente "duidelijk niet het zelfde is") (p. 12 van haar besluiten). Het hoger vermelde standpunt van de gemeente staat in contrast met het standpunt van de Bestendige Deputatie die de bouwvergunning wél verleende met de motivering hoger geciteerd onder randnr. 2.4.4.2.. Het past dat partijen hieromtrent nog nader standpunt innemen met verwijzing naar eventuele stavende stukken. Hieromtrent dient het debat te worden heropend. 2.4.5.2. Bovendien stelt de gemeente de vraag of de heer F. A. wel enige aanspraak kan laten gelden nu zijn aanspraak onlosmakelijk verbonden is met zijn eigen onrechtmatig, minstens ongeoorloofd gedrag, met name het zelf verkeerdelijk invullen van het aanvraagformulier en het nalaten van het voegen van de nodige postbewijzen. De vraag rijst derhalve in welke mate de heer F. A. zelf een fout heeft begaan in oorzakelijk verband met zijn schade, en zoja, in welke mate er desgevallend sprake zou kunnen zijn van een eventuele verdeling van aansprakelijkheid. Het past dat partijen hieromtrent nog nader standpunt innemen met verwijzing naar eventuele stavende stukken. Hieromtrent dient het debat te worden heropend. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, recht doende op tegenspraak, Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Gelet op de herneming van de zaak voor de anders samengestelde zetel van de 9ter kamer. Alvorens verder recht te doen ten gronde, Stelt vast dat de zaak om de hoger genoemde redenen niet in staat van wijzen is; Heropent het debat teneinde partijen standpunt te laten innemen omtrent de vragen hoger gesteld onder de randnummers 2.4.5.1 en 2.4.5.2; Bepaalt het tijdsverloop van de rechtspleging overeenkomstig art. 747 § 2 Ger.W. als volgt: - tegen uiterlijk 19 maart 2010: door GEMEENTE SINT-MARTENS-LATEM neerlegging en toezending aan de tegenpartij van conclusie en gebeurlijke verdere overtuigingstukken; - tegen uiterlijk 23 april 2010: door F. A. neerlegging en toezending aan de tegenpartij van syntheseconclusie en gebeurlijke verdere overtuigingstukken; - tegen uiterlijk 25 juni 2010: door ............. neerlegging en toezending aan de tegenpartij van syntheseconclusie; Stelt de zaak voor behandeling op de openbare terechtzitting van de 9ter kamer van dit hof in het gerechtsgebouw te Gent, Koophandelsplein nr. 23, zaal 3, op vrijdag 1 oktober 2010 om 12 uur (voorziene pleitduur totaal 30 minuten); Houdt de beslissing over de kosten aan. Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, NEGENDE ter KAMER, zitting houdende in burgerlijke zaken, van 8 januari 2010. Aanwezig: Luc Thabert, Raadsheer wn. Voorzitter Peter Marcoen, Raadsheer Martin Van den Bossche, Raadsheer Kurt Goossens, griffier Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.