id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 22 januari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20100122.5 Rolnummer: 1999/AR/1039 Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2010-05-28 Raadplegingen: 117 - laatst gezien 2026-07-02 21:17 Fiche Aannemingsovereenkomst is nietig appellante beschikte op het ogenblik van het afsluiten van het contract over geen geldig vestigingsattest (wet 15/12/1970) (bepalingen betreffende de vestigingswetgeving raken de openbare orde) UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - VESTIGING Vrije woorden: Aannemingscontract - vestigingswetgeving Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 9e kamer ________ terechtzitting van 22-01-2010 1999/AR/1039 in de zaak van: N.V. BOUWONDERNEMING VANCRAEYNEST (elders ook geschreven ... V.....C................), met vennootschapszetel te 8450 Bredene, Brugsesteenweg 47 C, KBO nr. 0418.972.001, In staat van faillissement verklaard bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Brugge, Afdeling Oostende d.d. 20 maart 2001 voor wie het geding werd verder gezet door DEKEYZER Hugo, advocaat met kantoor te 8210 Zedelgem/Veldegem, aan de Torhoutsesteenweg 266, in zijn hoedanigheid van curator over het faillissement, appellant q.q., tegen:
- P........... J.........-P............, bediende, wonende te .........................
- P.......... N............., gemeentebeambte wonende te ..........................., geïntimeerden, hebbende als raadsman mr. GORIS Karin, advocaat te 2800 MECHELEN, Nekkerspoelstraat 61
- D......... P........... G.........t, (elders geschreven D................) aannemer, wonende te ............................, ingeschreven met KBO nr. ............... geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. VANLERBERGHE Kurt, advocaat te 8600 DIKSMUIDE, Woumenweg 109 velt het Hof het volgend arrest: Het hof heeft kennis genomen van het bestreden vonnis van 26 februari 1999 van de 5e kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge waartegen nv BOUWONDERNEMING VAN CRAEYNEST (hierna, tenzij nadere precisering is vereist, kortweg V.... C............) tijdig en regelmatig naar de vorm, hoger beroep heeft ingesteld bij beroepsverzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 10 mei 1999 en waartegen enerzijds P.............. J.......-P....... en P........ N....... (hierna kortweg de consorten ......... en anderzijds D... P........ G........(hierna kortweg D.... P.....) elk incidenteel beroep hebben ingesteld. Het hof heeft de curator van het inmiddels failliete VAN CRAEYNEST en de respectieve raadslieden van de overige partijen gehoord in openbare terechtzitting en in het Nederlands; zowel de neergelegde conclusies als de overgelegde stukken werden ingezien. 1.
- De consorten P............hebben aan V......C................ verbouwing/herinrichtingswerken toevertrouwd, uit te voeren in hun eigendom, ........., gelegen te ............... en waarin twee wooneenheden zouden worden gecreëerd waaromtrent door hen een prijsofferte van 22 juli 1996 van V....... ..........C. 1.
- De gedinginleidende dagvaarding werd betekend op 10 februari 1997 ten verzoeke van de consorten P......... lastens (toen nog) de nv HOUTHANDEL VAN CRAEYNEST, die op 19 december 1997 een naamswijziging onderging naar nv BOUWONDERNEMING VAN CRAEYNEST. De gedinginleidende dagvaarding strekte tot betaling van een provisie van 300.000 BEF, thans euro 7.436,81 en tot het aanstellen van een gerechtsdeskundige-architect alvorens recht te doen. Op 27 augustus 1998 liet V...... C.......... dagvaarding in tussenkomst en vrijwaring betekenen lastens D.... P.......(onderaannemer van V..... C....... voor wat betreft de elektriciteitswerken). Er was toen al bij niet bestreden tussenvonnis van 28 februari 1997 een gerechtsdeskundige aangesteld in de persoon van arch. E..... D..... uit Brugge met welomschreven onderzoeksopdracht. In deze expertise is D.... P..... op verzoek van V.... C.........T vrijwillig tussengekomen. Deze gerechtsdeskundige heeft zijn ondertekende en van de wettelijke eed voorziene eindverslag neergelegd ter griffie op 31 december
- Na expertise preciseerden de consorten P..... hun vordering en eisten lastens V..... ......... - het afleveren van een kredietnota van 389.513 BEF, thans euro 9.655,78 binnen de 48 uur na betekening van het tussen te komen vonnis; - dezes veroordeling tot betaling aan hen van 225.252 BEF, thans euro 5.583,85, te vermeerderen met de verwijlrente op 112.252 BEF, thans euro 2.782,65, vanaf de datum van aanmaning of 13 december 1996 en te vermeerderen met de verwijlrente op 113.000 BEF, thans euro 2.801,20, vanaf een gemiddelde datum van 1 maart 1997 en te vermeerderen met de gerechtelijke rente. V..... C...............stelde bij conclusie in de eerste aanleg een tegenvordering lastens de consorten P............ in betaling van een openstaand, gefactureerd saldo van 130.042 BEF, thans euro 3.223,66, te vermeerderen met de conventionele intrest van 9%/j vanaf de ingebrekestelling van 30 januari 1997 tot de dag der algehele betaling. 1.
- De eerste rechter heeft in het bestreden vonnis, bij verstek (art. 803 Ger.W.) ten aanzien van D..... P.....en op tegenspraak jegens de andere partijen: recht doende op de hoofdvordering, deze ontvankelijk en als volgt gegrond verklaard dat V....C.......... werd veroordeeld tot: - de afgifte binnen de 48 uur na betekening van het vonnis aan de consorten P..... van een kredietnota op hun naam t.b.v. 389.513 BEF, thans euro 9.655,78; - de betaling van de som van 112.251 BEF, thans euro 2.782,63, te vermeerderen met de moratoire rente vanaf 13 december 1996 en met de gerechtelijke rente vanaf 10 februari 1997; - de betaling van de som van 84.000 BEF, thans euro 2.082,31, te vermeerderen met de gerechtelijke rente vanaf 1 maart 1997; - de betaling van de aan de zijde van de consorten P....... nader begrote gedingkosten; recht doende op de vordering in gedwongen tussenkomst en vrijwaring, deze ontvankelijk en als volgt gegrond verklaard dat D.... P...... werd veroordeeld tot: - gedeeltelijke vrijwaring van V.... C....... met betrekking tot de tegen deze laatste uitgesproken veroordeling, zo in hoofdsom, intresten als kosten en eveneens tot het haar terugbetalen van de bedragen die zij aan de consorten P.......zou hebben betaald krachtens het uitgesproken vonnis, maar beperkt tot een maximum van 84.000 BEF, thans euro 2.082,31, te vermeerderen met de gerechtelijke rente vanaf 1 maart 1997; - de betaling van de aan de zijde van V.... C....... nader begrote gedingkosten. recht doende op de tegenvordering: deze impliciet ontvankelijk verklaard en afgewezen als ongegrond. 1.
- Met het hoger beroep en in de beroepsconclusies beoogt V.... C....... (bij het instellen van het hoger beroep was zij reeds nv BOUWONDERNEMING V.... C.....) dat het hof : - de initiële hoofdvordering als ongegrond zou afwijzen; - haar tegenvordering zou inwilligen waarvan zij de hoofdsom (cf. supra 1.2.) in deze instantie wil vermeerderd zien met een conventioneel schadebeding t.b.v. 13.004 BEF, thans euro 322,36, waarna zij eveneens vermeerdering vordert met de gerechtelijke rente op 143.046 BEF, thans euro 3.546,02 aan het conventioneel tarief van 12 % /j.; - minstens haar vordering in gedwongen tussenkomst en vrijwaring lastens D... P..... zou inwilligen; bijgevolg deze laatste zou veroordelen tot alle bedragen waartoe zij zou worden veroordeeld om aan de consorten P..... te betalen betrekkelijk de door D... P..... in onderaanneming uitgevoerde werken. V.... C....... werd in staat van faillissement verklaard door de rechtbank van koophandel te Brugge, Afdeling Oostende d.d. 20 maart
- De curator advocaat D.... K....... H....... q.q. heeft in conclusies neergelegd ter griffie van het hof op 17 juli 2002 het geding verder gezet. 1.
- De consorten P..... vorderen in deze instantie dat het hof: - het hoger beroep als ontvankelijk maar ongegrond zou afwijzen en dienvolgens het bestreden vonnis zou bevestigen; - recht doende op hun incidenteel beroep: - in hoofdorde hun initiële vordering integraal zou inwilligen; - subsidiair, voor zover het hof de nietigheid van de overeenkomst zou uitspreken, de curator q.q. zou veroordelen tot terugbetaling (sic) aan hen van de som van euro 23.401,15 evenals tot betaling (sic) aan hen van het oorspronkelijk door hen reeds gevorderde, met zijn verwijzing q.q. in de gedingkosten van de beide instanties. 1.
- D.....P...... vordert in deze instantie dat het hof: - het hoofdberoep en het incidenteel beroep ontvankelijk zou verklaren; - het bestreden vonnis zou teniet doen en opnieuw recht doende de vordering in gedwongen tussenkomst en vrijwaring van het failliete V...... C.......tegen hem zou afwijzen als ongegrond (waarbij hij derhalve impliciet de inwilliging van een eigen incidenteel beroep nastreeft met de afwijzing als ongegrond van het hoofdberoep alsmede van het incidenteel beroep van de consorten P......). 2.
- Er zijn door de partijen geen onontvankelijkheden opgeworpen en evenmin zijn er onontvankelijkheden ambtshalve in te roepen door het hof. 2.
- in verband met de huurderving toegekend door de eerste rechter: Er werd door de partijen geen einddatum van de werken vooropgesteld noch overeengekomen. De consorten P...... kunnen naderhand de tussen hen gesloten overeenkomst niet zomaar als zijnde gewijzigd voorhouden, dit louter door aan te voeren dat hun aannemer V.... C....... de opeenvolgend door hen (na het contracteren) in briefwisseling en in aanmaningen eenzijdig vooropgestelde einddata zou moeten geacht worden te hebben aanvaard bij ontstentenis van (voldoende) reactie op deze einddata. De eerste rechter heeft aangenomen dat de werken eerst ten volle konden worden aangevat rond 13 september
- Er blijkt alvast niet op afdoende wijze naar recht dat er reeds op 31 oktober 1996 een oplevering zou hebben plaats gehad van de werken: het hof vindt daar niet voldoende aanwijzingen voor. Volgens de gerechtsdeskundige arch. E.....D.....zou het zijn gegaan om een ‘mondelinge' oplevering waarbij volgens de consorten P..... er opmerkingen zouden zijn geformuleerd (welke opmerkingen dan wel blijft een vraag). Volgens V... C......die de voorgehouden oplevering in conclusies tegenspreekt zijn er alleszins door de consorten P..... op 31 oktober 1996 ook geen opmerkingen geformuleerd (cf. d.v. p. 3). Het hof vindt geen voldoende indicaties dat de werken rond 31 oktober 1996 reeds als voldoende voltooid voor (voorlopige) oplevering konden worden beschouwd. Zeker wat betreft de elektriciteitswerken, een belangrijk onderdeel van de werken, die V.... C...... aan onderaannemer D... P...... had toevertrouwd, was er op 31 oktober 1996 kennelijk nog geen sprake van voltooiing in die mate dat een voorlopige oplevering desbetreffend mogelijk zou zijn geweest. Er blijkt evenmin afdoende naar recht dat de consorten P..... op 31 oktober 1996 zelf reeds verzochten om de elektrische installatie te laten keuren (Het tegendeel wordt waarschijnlijk gelet op hun infra aangehaalde fax van 18 november 1996 aan V....C...... met de vraag tot wijziging van het concept van de elektrische installatie. V.... C...... en D... P...... spreken tegen dat zij alsdan dergelijk verzoek tot keuring van de elektrische installatie zouden hebben ontvangen van de consorten P......). Het bestreden vonnis werd zoals gezegd bij verstek gewezen ten aanzien van D... ..... die uitlegt in conclusies waarom dat het geval is geweest. D...P..... legt uit dat hij elektriciteit diende te leggen in de keuken en badkamer die werden ingericht op de zolderverdieping van de woning in kwestie en dat zich daarbij de vraag stelde of met de bestaande (enigszins verouderde elektriciteit) aansluiting zou worden gewerkt teneinde de zolderverdieping van elektriciteit te voorzien, dan wel of een volledig nieuwe aansluiting met officiële teller voor de zolderverdieping moest geplaatst worden. D... P..........stelt dat hij de eerste (goedkopere) oplossing diende uit te voeren en derhalve gebruik diende te maken van de bestaande aansluiting als gevolg waarvan de elektriciteit voor de zolderverdieping werd afgenomen op het gelijkvloers, bij de bestaande installatie, waarbij echter om de veiligheid maximaal te garanderen deze afname gebeurde op de compteur (teller) van de eerste verdieping omdat daar reeds een verlies- stroomschakelaar aanwezig was. Op 18 november 1996 faxten de consorten P...... aan hoofdaannemer V.... C...... (stuk 14/P...........): "- de electrische aansluiting van de kookplaat van het 2e verdiep is gebeurd op de conteur van het 1°verdiep (links) Aan W...... werd opdracht gegeven dit te wijzigen naar de conteur van het gelijkvloers of indien mogelijk een onderzoek doen de electriciteitstoevoer van het 2° verdiep om een afzonderlijke conteur te plaatsen." Hieruit blijkt dat de consorten P....... de uitvoeringswijze waartoe zij niet tegenspreken eerst opdracht te hebben gegeven, alsdan mogelijkerwijze wilden veranderen. Daarop heeft V.......C........ geantwoord bij fax van 27 november 1996, gedagtekend op 25 november 1996 (stuk 15/P........) als volgt: "Elektriciteit Het is beter de kabel aangesloten te laten op het 2e verdiep daar de voedingskabel daar zwaarder is en er nu al problemen waren met de zekeringkast op het gelijkvloers. Wij hebben dit in de tijd overgeschakeld daar de kast te warm kwam. Het is natuurlijk altijd mogelijk een aparte teller te plaatsen boven. De voedingskabel die wij gelegd hebben is zwaar genoeg en moet niet verzwaard worden indien beneden een tussenkomst komt (teller maatschappij). Nu staat de volledige keuken al op deze leiding. Het totaal overschakelen van de bovenverdieping zal veel werk inhouden: ombouwen bestaande leidingen, uitsplitsen badkamer, keuring (pas op voor afkeuring oude leidingen!), uitbreken + dichten + afwerken, kortom het zal vrij duur uitvallen. (...) Na de beslissing eigenaar zal de elektriciteit aangepast worden, indien dit mag worden uitgevoerd, verzoeken wij U ons het dubbel getekend voor akkoord terug te sturen (..)" (gecursiveerd en aangedikt door het hof, het aangedikte wijst erop dat de consorten P........ werden verwittigd dat er rekening moest worden gehouden met een mogelijke afkeuring wat betreft de oude leidingen waaraan tot dan toe geen ingrijpen was gevraagd). Uit voormelde antwoordfax van V.... C...... blijkt duidelijk dat deze nog eens bepaalde eigenschappen van beide aanvankelijk mogelijke werkwijzen in de verf zette en dat zij van de opdrachtgevers, de consorten P....een beslissing verwachtte van hoe er nu verder diende gewerkt. Mocht de aansluiting op het bestaande systeem blijven, zo nee hoe en waar diende te worden ingegrepen en van werkwijze te worden veranderd? In afwachting van een antwoord van de consorten P...... werd nog niet tot aarding en evenmin tot keuring overgegaan van de elektrische installatie door V.... C..... en haar onderaannemer D.. P...... Het is duidelijk dat V.... C...... met deze fax van 25 november 1996 een standpunt verwacht van de consorten P......(teneinde verdere onnodige kosten zo mogelijk te vermijden), doch deze laatsten hebben geen antwoord gegeven en geen nadere uitleg gevraagd om tot een beslissing te komen. In het verslag van de gerechtsdeskundige, E.... D...... p. 3 wordt vermeld hoe de consorten P..... vervolgens hebben gehandeld: Zij contacteerden een derde aannemer om de elektriciteitswerken te laten keuren, met name dhr. Z.......l.............................. Deze verzocht pas op 12 december 1996 A.... V....... om de keuring te laten uitvoeren en op 13 december 1996 kwam dhr. .... B..... ter plaatse voor een keuring volgens artikel 276 (i.e.: verzwaring). De installatie werd afgekeurd op basis van verzwaring. De keuring werd overigens nog bemoeilijkt aangezien geen schema voorhanden was en dhr. Z........., die de installatie niet had uitgevoerd, moest aanduiden wat bestaand en wat nieuw uitgevoerd was. Dhr. D....e P......merkte op dat op 25 november (cf. supra) nog aan dhr. P....... werd medegedeeld dat de installatie zoals alsdan uitgevoerd voor problemen kon zorgen. Tevens werd voorgehouden dat tijdens de uitvoering aan mevr. N......P...... was medegedeeld dat de elektrische installatie te licht was (wat prompt door dhr. P....... betwist werd). In de plaats van antwoord te geven op de vraag die V...... C.......hen had gesteld en zo tot een oplossing te komen i.v.m. de verdere afwerking van de elektrische installatie deden de consorten P...... echter zomaar beroep op een derde aannemer om, zonder dat aan V.....C...... enig schema werd opgevraagd, tot een welbepaalde keuring te laten overgaan en waarbij de niet-uitvoerder Z............. zonder enig schema dan maar moest kunnen zeggen wat er allemaal was aangepast aan de elektrische installatie en hoe. Uit de voormelde fax, gedagtekend op 25 november 1996, verstuurd op 27 november 1996 blijkt duidelijk dat V.... C........... voorafgaandelijk reeds had gewezen op gevaar van afkeuring (cf. het supra uit deze fax aangehaalde en het daarin in vet gecursiveerde door het hof). Wanneer D... P...... kennis kreeg via V.... C................. van de afkeuring van de elektrische installaties zette hij zijn standpunt desbetreffend uiteen (cf. bijlage aan de brief van 9 januari 1997 van V....C..... aan de consorten P.....(stuk 19/P..... en stukken 9 en 10/V.... C..............)), erop wijzend waarom de (door Z.............) gevraagde soort keuring niet kon lukken onder verwijzing naar de brief van 27 december 1996 (bedoeld wordt vermoedelijk de fax van 27 november 1996) en met de vermelding dat daarin reeds aan de consorten P.......... was gewezen op gevaar voor afkeuring van de sinds vroeger bestaande installatie (installatie waaraan tot alsdan niets gewijzigd diende te worden). Alhoewel op geen enkele wijze blijkt dat de uitvoerder van de elektriciteitswerken, zijnde onderaannemer D......... P..............., de verdere afwerking en keuring zou in de weg gestaan hebben werd hij aanvankelijk en gedurende een hele tijd compleet over het hoofd gezien. In plaats van met V.... C............ en D... P...... te zoeken naar een oplossing lieten de consorten P..... de elektrische installatie, waarvan zij gelet op het voormelde geenszins mochten aannemen dat deze keuringsklaar was, eerst in december 1996 keuren via het inschakelen van een derde aannemer Z......................., die de installatie niet eens had geplaatst noch deze blijkbaar had afgewerkt voor keuring. De consorten P............. beslisten zomaar dat een derde aannemer de installatie (die niet af was) zou laten keuren en daarmee werd behoorlijk wat tijd verloren want het liep op een afkeuring uit. Vervolgens gingen de consorten P........... over tot het instellen van een procedure, waarin D......P.............. aanvankelijk in het geheel niet werd betrokken doch waar hij nadien toch op eerste verzoek daartoe van V.........C.............. in de nochtans niet te zijnen aanzien bevolen expertise vrijwillig is tussengekomen. D...... P................. stelt in conclusies in deze instantie dat hij amper enkele dagen na de expertise, meer bepaald op datum van 30 april 1997 reeds al de nodige (aanpassing)werken (vrijwillig) heeft uitgevoerd om de keuring mogelijk te maken van de elektrische installaties (de consorten P............. drongen daarbij niet langer meer aan op de plaatsing van een volledig nieuwe aansluiting met afzonderlijke teller). De (tweede) keuring is volgens D......... P.............. zonder problemen gebeurd op 14 mei
- Dat pas later dan 14 mei 1997 de elektrische installatie zou zijn gekeurd blijkt niet uit de regelmatig neergelegde stukken. De consorten P............ zijn derhalve een procedure begonnen en zij lieten een expert aanstellen daar waar gebleken is dat D....P.............steeds bereid was om vrijwillig de elektrische installatie af te werken voor het bekomen van de keuring en dat hij dat trouwens ook heeft gedaan van zodra hij daartoe ook maar enigszins een ernstige kans kreeg, zijnde weliswaar ettelijke maanden later toen hij daartoe vrijwillig tussenkwam in de expertise. De consorten P............ gaven aan V.... C........... derhalve geen kans om via D.....P............. de elektrische installaties binnen de kortste keren in orde te brengen, waartoe D........ P..............nochtans steeds bereid bleek en wat hij zoals gezegd ook heeft gerealiseerd. In de mening dat hij alles had gedaan wat hij kon doen en wat van hem ook maar enigszins kon worden verwacht is D..... P............. in de eerste aanleg niet (meer) verschenen voor de rechtbank, zozeer was hij ervan overtuigd dat hem niets (meer) ten laste kon worden gelegd, zelfs niettegenstaande hij in gedwongen tussenkomst en vrijwaring was gedagvaard ten verzoeke van V......C.............. Bij verstek werd D... P............... vervolgens veroordeeld tot vrijwaring van V.... C............... voor een som van 84.000 BEF, thans euro 2.082,31 aan huurderving, veroordeling waartegen hij terecht incidenteel beroep heeft ingesteld. Immers, uit hetgeen voorafgaat blijkt, zoals hiervoor reeds aangegeven, dat de consorten P............. zelf verantwoordelijkheid dragen voor de laattijdige afwerking en goedkeuring van de elektrische installaties. Het tijdverlies en de verloren maanden gedurende dewelke de consorten P...........de woongelegenheid niet konden verhuren is derhalve in de eerste plaats aan henzelf en aan de door hen genomen, hiervoor reeds in detail uiteengezette opties te wijten. De consorten P.............. zijn derhalve niet gerechtigd om aanspraak te maken op huurderving, zodat hun incidenteel beroep tot uitbreiding van de vergoeding wegens huurderving eveneens niet gegrond is. D..... P..... is dienvolgens ook niet gehouden om V.....C........te vrijwaren wegens de huurderving waartoe deze laatste niet eens gehouden is ten aanzien van de consorten P............ Buiten de huurderving is ook nog het euvel van de over- en dubbele facturatie van V...... C............. aan de consorten P.................. weerhouden door de gerechtsdeskundige. Er zijn geen aanwijzingen dat deze over en dubbele facturatie verband zou houden met de elektriciteitswerken uitgevoerd door D.... P............, temeer door de gerechtsdeskundige onder de verrekening van de uren en materialen in geen enkele mate melding wordt gemaakt van factuur nr. 2355 d.d. 14 november 1996, die precies betrekking heeft op de door D.... P.............. uitgevoerde elektriciteitswerken (cf. stuk 6 van V.....C.............. met bijgevoegde detail en stuk 8/P..........). Er is derhalve ook betrekkelijk de over- en dubbele facturatie hoe dan ook geen reden waarom D...... P......... V....... C............. nog zou moeten vrijwaren. Ten overvloede wordt hieraan toegevoegd dat er in deze geen discussie over gevoerd wordt dat onderaannemer D.... P....... aan de op hem toepasselijke vereisten van de vestigingswetgeving ter zake de door hem uitgevoerde elektrotechnische werken voldoet. 2.
- met betrekking tot de overeenkomst tussen de consorten P.......... en de hoofdaannemer V........ C.............: Indien het weliswaar zo is dat de ontstentenis van inschrijving in het handelsregister (voor wat betreft de activiteit van de onderneming waarin de uitgeoefende vordering kadert) gedekt is wanneer deze niet-ontvankelijkheidexceptie niet in limine litis (dit is in de eerste orde, als eerste verweermiddel) werd ingeroepen (art. 42 van het KB van 20 juli 1964 tot coördinering van de wetten betreffende het handelsregister- nog in voege toen V....... C..........haar oorspronkelijke tegenvordering stelde), dan is dergelijke dekking van de voorziene nietigheidssanctie daarentegen niet voorzien en derhalve niet mogelijk wat betreft inbreuken op de vestigingswetgeving. Met vestigingswetgeving toepasselijk op het tijdstip van de uitvoering van de werken door V........C............. bedoelt het hof de wet op de uitoefening van beroepswerkzaamheden in kleine en middelgrote handels- en ambachtsondernemingen van 15 december 1970, die een vestigingsattest noodzaakt voor het uitoefenen van bepaalde nader bepaalde werkzaamheden. Beschikt de aannemer ten tijde van de uitvoering der werken niet over de door de regelgeving voorziene vestigingsattesten voor de uitgeoefende werkzaamheden, dan dient het aannemingscontract nietig verklaard te worden. Immers, de bepalingen van de vestigingwetgeving raken de openbare orde aangezien de reglementering van de werkzaamheden van een aannemer niet alleen de bescherming van de private belangen van de bouwheer tot doel heeft, maar ook de bescherming van het algemeen belang dat vereist dat de gebouwen waarborgen van stevigheid en van noodzakelijke hygiëne vertonen zodat de eigenaars en het publiek beschermd worden tegen elk risico in dat verband. Afwijkende van en ingaande tegen deze bepalingen van openbare orde inzake de vestigingswetgeving kan er absoluut niet (geldig) gecontracteerd worden en de aldus gesloten contracten zijn derhalve nietig. Het gaat hier om een nietigheid die niet voor dekking vatbaar is. In zoverre het hof de specifieke werkzaamheden van V......... C........... in de kwestieuze woning kan nagaan stelt het vast dat V.... C.................. geen enkel vestigingsattest weet voor te leggen daar waar ondermeer de hiernavolgende door haar in deze woning uitgeoefende werkzaamheden toch gereglementeerde werkzaamheden betreffen die een vestigingsattest noodzaken; het gaat hier meer bepaald om de werkzaamheden van: - aannemer- schrijnwerker- timmerman (K.B. van 2 december 1960, B.S. 13 december 1960, err. B.S. 8 februari 1961, gewijzigd door latere K.B.'s) - installateur centrale verwarming (K.B. 22 februari 1961, B.S. 11 maart 1961, aangevuld en gewijzigd door latere K.B.'s) - sanitair installateur- loodgieter (K.B. 14 januari 1975, B.S. 7 februari 1975, err. B.S. 2 mei 1974, gewijzigd door 2 latere K.B.'s. Aangezien V..... C..............., hoewel deze daartoe in de gelegenheid werd gesteld, geen enkel vestigingsattest weet over te leggen dient het hof het besluit te trekken dat zij als aannemer alvast niet in orde is met voornoemde vestigingswetgeving en dat haar overeenkomst gesloten met de consorten P................ derhalve van meet af aan (ex tunc) nietig is, want ingaand tegen de van openbare orde zijnde vestigingsbepalingen omdat v....... C............voor de voormelde werken niet over de vereiste vestigingsattesten beschikt. Een ab initio nietige overeenkomst leidt normalerwijze tot het herstel van beide partijen in een toestand alsof er nooit een contract tussen hen ware gesloten. Er dient als gevolg aan de nietigverklaring normalerwijze restitutio in integrum te gebeuren waarbij de partijen in de regel wederzijds aan elkaar dienen terug te geven wat zij uit het nietige contract hebben ontvangen. Het hof kan te dezen echter alleen vaststellen dat: - enerzijds teruggave niet mogelijk is van de door de aannemer reeds geleverde en uitgevoerde werkprestaties. - anderzijds de materialen verwerkt zijn geworden in het gebouw in kwestie en het niet aangewezen is en het ook niet wordt gevraagd door de consorten P.......... dat deze materialen opnieuw zouden uitgebroken om door hen aan V......... C................. teruggegeven te worden; de consorten P.............wensen de in hun opdracht uitgevoerde werken te behouden. Geen der partijen mag zich als gevolg aan het nietige contract verrijken, wat impliceert dat de aannemer V........ C............. op zijn prestaties en materialen niet gerechtigd is een winstmarge te nemen lastens de consorten P............. en dat deze laatsten bijgevolg de waarde van de materialen en van het werk, dat zij wensen te behouden, dienen te vergoeden aan de aannemer V......... C......................, waarop de laatste niet gerechtigd is om winst te nemen. In het expertiseverslag op p. 4 vindt het hof de hiernavolgende gedetailleerde gegevens nopens de facturen van V......... C.................... evenals nopens de op deze facturen uitgevoerde betalingen door de consorten P..........: - totaal der facturen V.......... C................: 1.222.415 BEF, thans euro 30.302,88 - totaal der betalingen van ........... 944.000 BEF, thans euro 23.401,15 - openstaand gefactureerd bedrag: 278.415 BEF, thans euro 6.901,73 Het hof gaat verder uit van de bevindingen van de gerechtsdeskundige die grosso modo een over en dubbel factureren in hoofde van V......... C............heeft vastgesteld van zeker gemiddeld circa 30 %, wat door deze laatste niet wordt weerlegd. Daarbovenop dient nog de in hoofde van de aannemer V....... C............... genomen winstmarge in mindering te worden gebracht op het gefactureerde. Het hof bepaalt in billijkheid (een meer exacte berekening niet haalbaar zijnde) het gedeelte aan over en dubbel factureren vermeerderd met de winstmarge op in totaal gemiddeld 40 %, dit op heden begroot. Meerdere schade uit hoofde van huurderving in hoofde van de consorten P............ is supra onder 2.
- reeds afgewezen. Hetgeen de consorten P........... aan V.......C............. dienen te betalen op het hen gefactureerde bedraagt derhalve 60 % van euro 30.302,88, hetzij euro 18.181,
- De consorten P.............betaalden reeds euro 23.401,15, hetzij euro 5.219,42 (voorheen 210.551 BEF) teveel op het gefactureerde. Aangezien de overeenkomst nietig is kan er geen beroep (meer) gedaan worden op gebeurlijke conventionele bepalingen inzake verhogingsbeding en conventionele rente. Slechts de gerechtelijke rente kan principieel toegekend worden aan het wettelijk tarief en aangezien de begroting op heden in billijkheid is gedaan en de hiernavolgende verrekeningen eveneens op heden gebeuren wordt voor zoveel als nodig gezegd dat de voornoemde gerechtelijke rente aan de wettelijke rentevoet eveneens op heden begint te lopen. Aangezien uit de neergelegde stukken (stuk 28/P............) blijkt dat het bestreden vonnis werd uitgevoerd zal hetgeen reeds in uitvoering van het bestreden vonnis werd betaald door V....... C.............. in mindering moeten worden gebracht op hetgeen waartoe V.........C.............. bij onderhavig arrest nog wordt gehouden te betalen aan de consorten P............. Het gedeelte dat alsdan teveel werd ontvangen door de consorten P............, nadat ook de aan hen lastens V.....C................ toekomende gedingkosten (cf. infra voor detail) en hoofdsom zijn verrekend, zijnde 343.478 BEF, thans euro 8.514,59 - euro 5.219,42 (teveel betaald door consorten P............. op het hen gefactureerde) - euro 1.064,08 (1/2 expertisekosten) - euro 216,14 (dagvaardingskosten) - euro 304,91 rechtsplegingvergoeding ten gronde /eerste aanleg - euro 50,82 (aanvullende rechtsplegingvergoeding deskundigenonderzoek) - euro 17,10 (kosten uitgifte) = euro 1.642,12 dient door de consorten P........... terugbetaald te worden aan de curator q.q., vermeerderd met de gerechtelijke rente aan de wettelijke rentevoet vanaf heden. Wat de gedingkosten in de verhouding tussen de consorten P.......... en V....... C.............. betreft, waarvan onmiddellijk hiervoor reeds sprake, dient gezegd dat rekening gehouden met: - enerzijds het gegeven dat de rechtsplegingvergoeding in de eerste aanleg dient begroot aan het wettelijk tarief dat in voege was op het ogenblik dat de eerste rechter zijn eindbeslissing nam (26 februari 1999), derhalve veel lager ligt dan de huidige tarieven in voege vanaf 1 januari 2008 en vervat in het KB van 26 oktober 2007 (tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingvergoeding bedoeld in art. 1022 Ger.W. en tot vaststelling van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat). Het is verder ook zo dat in de eerste aanleg de consorten P............... grotendeels lastens V....... C.............. in het gelijk werden gesteld zodat de beslissing van de eerste rechter ter zake de kosten te bevestigen is in zoverre de eerste rechter de dagvaardingskosten van 8.719 BEF, thans euro 216,14 evenals de rechtsplegingvergoeding ten gronde van 12.300 BEF, thans euro 304,91 en de aanvullende rechtsplegingvergoeding deskundigenonderzoek van 2.050 BEF, thans euro 50,82, gevallen aan de zijde van de consorten P.........., ten laste van V...... C................ heeft gelegd; - anderzijds is er het gegeven dat de curator, die optrad in instantie van hoger beroep, zijnde te dezen niet bekleed met het mandaat ad litem, zelf geen aanspraak kan maken op toekenning van rechtsplegingvergoeding; - daarenboven wordt erop gewezen dat de consorten P............. in deze instantie zijn overgegaan tot het vorderen, wanneer de aannemingovereenkomst nietig zou blijken, wat het geval is, van de terugbetaling van alles wat zij aan de aannemer reeds hebben betaald, nog vermeerderd met hetgeen zij voorheen in de eerste aanleg reeds vorderden (en wat derhalve grotendeels als ongegrond diende afgewezen te worden) terwijl het hoger beroep van V........ C.......... slechts in geringe mate gegrond is (gezien de vordering van de consorten P............ter zake de huurderving thans is afgewezen). Rekening gehouden met het voornoemde en met al het tussen de consorten P........ en V...... C........... over en weer gevorderde in deze instantie is het hof van oordeel dat rekening gehouden met hun wederzijds gelijk en ongelijk in deze instantie en krachtens art. 1017 lid 4 Ger.W. het aangewezen en billijk voorkomt te zeggen voor recht dat de partijen V......... C................. enerzijds en de consorten P........... anderzijds beiden de door hen uitgezette kosten over deze instantie blijvend zelf dienen te dragen, welke kosten geen nadere begroting behoeven. Wat betreft de eigenlijke expertisekosten die in het geheel 85.850 BEF, thans euro 2.128,17 belopen legt het hof deze voor de helft of euro 1.064,08 ten laste van elk van beiden (enerzijds van de consorten P...........en anderzijds van V........ C............), daarbij aannemend dat, zoals thans blijkt de expertise nagenoeg een gelijk belang heeft gehad voor de beide partijen, zeker nadat de aannemingovereenkomst nietig diende te worden verklaard. Wat betreft de kosten van D... P............ die zich enkel in deze beroepsinstantie heeft laten bijstaan door een raadsman en die zich ook enkel in deze instantie effectief in rechte heeft verweerd en wiens incidenteel beroep werd ingewilligd, worden de kosten, aan zijn zijde begroot op euro 400,
- Dit staat gelijk met het basistarief van de rechtsplegingvergoeding van deze instantie betrekkelijk het doen afwijzen van de tegen hem gerichte vordering van 84.000 BEF, thans euro 2.082,31, zoals vervat in het art. 2 van het KB van 26 oktober 2007 (tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingvergoeding bedoeld in art. 1022 Ger.W. en tot vaststelling van inwerkingtreding van de artikelen 1 tot 13 van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van de advocaat), geen wettige redenen aangehaald noch voorhanden zijnde om van dit basistarief af te wijken. Er wordt bepaald dat D.... P........... voor deze kost van euro 400,00 een vordering heeft op het failliete V......... C............, nu V..... C................. hem onterecht in vrijwaring aansprak. Om deze redenen, het hof, recht doende op tegenspraak en met toepassing van art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken. Geeft advocaat H........ D........... akte van het verder zetten van de procedure q.q. curator van het failliete V......... C...............T. Verklaart het hoofdberoep en de incidentele beroepen ontvankelijk. Verklaart het incidenteel beroep van D.... P.........gegrond en doet het bestreden vonnis teniet in zoverre het zijnerzijds uitspraak deed, ook wat de kosten betreft. Opnieuw recht doende wijst de vrijwaringvordering van V..... C............. zijnerzijds af als ongegrond en zegt dat D....... P.............een vordering heeft ten belope van euro 400,00 rechtsplegingvergoeding hoger beroep op het failliete V.... C................en dat hij gemachtigd is om zich te laten opnemen in het passief van de boedel van dit faillissement door de daartoe bevoegde rechtbank van koophandel. Wijst het incidenteel beroep van de consorten P.......... af als ongegrond. Verklaart het hoger beroep van V....... C.............. beperkt gegrond zoals gesteld in punt 2.
- en 2.2 ter zake de afgewezen huurderving van de consorten P................. Doet het bestreden vonnis teniet wat betreft de ten laste legging van de eigenlijke expertisekosten en bevestigt het bestreden vonnis voor het overige, waar het recht deed in de verhouding tussen de consorten P......... en V....C..................T, evenwel met dien verstande dat wordt gezegd voor recht dat: - de aannemingovereenkomst tussen deze partijen nietig is; - het bedrag waarvoor de kredietnota moet worden opgemaakt euro 12.121,15 bedraagt (zijnde euro 30.302,88 - euro 18.181,73); - de consorten P........... euro 5.219,42 teveel betaalden aan V.......C................, som die in dit arrest ten voordele van hen is verrekend geworden; - enerzijds de consorten P..........R en anderzijds V..... C................. beiden de door hen uitgezette kosten over deze instantie blijvend zelf dienen te dragen en dat de expertisekosten, opnieuw recht doende hierover, die in het geheel 85.850 BEF, thans euro 2.128,17 belopen voor de helft of euro 1.064,08 ten laste van elk van beiden (enerzijds van de consorten P............. en anderzijds van V..................... worden gelegd; - hetgeen reeds in uitvoering van het bestreden vonnis werd betaald door V....... C.............. in mindering moet worden gebracht op hetgeen waartoe V..........C.......... bij onderhavig arrest nog wordt gehouden te betalen aan de consorten P.............. en dat het teveel ontvangene, nadat ook de aan de consorten P......... lastens V........C...............toekomende gedingkosten en hoofdsom zijn verrekend, thans bedragende de som van euro 1.642,12, welke som door de consorten P.............dient terugbetaald te worden aan de curator q.q., vermeerderd met de gerechtelijke rente aan de wettelijke rentevoet vanaf heden, en dat de consorten P................ bij onderhavig arrest tot deze terugbetaling worden veroordeeld. Aldus gewezen door de negende kamer van het Hof van beroep te Gent, recht doende in burgerlijke zaken, samengesteld uit: De heer H. Verhaest Kamervoorzitter, Mevrouw M. Beerens Raadsheer, De heer A. Colpaert Raadsheer, en uitgesproken door de Kamervoorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op tweeëntwintig januari tweeduizend en tien, bijgestaan door Mevrouw M. Vercruysse Griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div