id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 29 januari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20100129.6 Rolnummer: 2008/AR/0684 Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2010-03-08 Raadplegingen: 94 - laatst gezien 2026-07-02 21:18 Fiche UTU-thesaurus: GERECHTELIJK RECHT - BIJZONDERE RECHTSPLEGINGEN (BURGERLIJKE ZAKEN) - Echtscheiding (rechtspleging) - Onderlinge toestemming Vrije woorden: Vordering appellante t.a.v. 1ste geiïntimeerde is ongegrond gelet op de akte echtscheiding door onderlinge toestemming van 16/10/1991 dit zegt o.a. dat na de uitspraak van de echtscheiding het bestuur over de persoon van de minderjarige alleen door de moeder, 2 de geïntimeerde, wordt uitgeoefend. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 16 kamer ________ Terechtzitting van 29 januari 2010 ________ ZAAK 2001/AR/2207 TERUG OP ROL NA AMBTSHALVE WEGLATING DD 6.12.2005 2008/AR/684 in de zaak van: HET UNIVERSITAIR ZIEKENHUIS GENT, met zetel te 9000 Gent, De Pintelaan 185, optredend voor zichzelf in haar hoedanigheid van openbare instelling met rechtspersoonlijkheid, zoals bepaald bij artikel 1 van het K.B. nr. 542 van 31.03.1987 (B.S. 16.04.1987) als voor het eigen vermogen van de R.U.G., waarvan ze de ziekenhuisactiviteit heeft overgenomen en waarmee een verrekeningsakkoord bestaat krachtens de artikelen 15 en 17 van voormeld K.B. appellante, hebbende als raadsman Meester Eva BRAL, advocaat te 9000 Gent, Henleykaai 3R. tegen:
- J. R., zonder gekend beroep, wonende te .............. geïntimeerde, hebbende als raadsman Meester Michiel VAN DAELE en Meester Koen Gobin, beiden advocaat te 8700 Tielt, Kasteelstraat
- M. V.,zonder gekend beroep, wonende te ................. geïntimeerde, ter terechtzitting dd 15.01.2010 noch verschenen noch vertegenwoordigd zijnde. Wijst het Hof volgend arrest : Het hof heeft kennis genomen van het vonnis gewezen op 27 juni 2001 door de rechtbank van eerste aanleg te Gent, dertiende kamer. Tegen dit vonnis werd tijdig en geldig hoger beroep ingesteld. De partijen werden, bij monde van hun raadslieden gehoord in openbare terechtzitting en in het Nederlands. Zowel de door hen regelmatig neergelegde conclusies als de overgelegde stukken werden ingezien.
- De primordiale betwisting tussen partijen is en blijft de gehoudenheid van J. R. als vader van het minderjarig kind Hannes dat in de periode van 27 augustus 1998 tot en met 11 september 1998 in het UNIVERSITAIR ZIEKENHUIS GENT werd opgenomen voor medische verzorging en behandeling. Het UNIVERSITAIR ZIEKENHUIS GENT stelt dat zij een vordering kan instellen op grond van artikel 203 B.W., minstens op grond van de leer van het opgewekt vertrouwen (de zogenaamde "schijnleer") terwijl J. R. voorhoudt dat de hoofdelijke gehoudenheid was komen te vervallen ingevolge de echtscheiding door onderlinge toestemming. M. V. werd in haar hoedanigheid van moeder door de eerste rechter veroordeeld, zij heeft geen beroep ingesteld noch zich gericht zich tegen haar voormalige echtgenoot, J.R., en in graad van hoger beroep, ondanks behoorlijk opgeroepen in toepassing van artikel 747§2 Ger.W., laat zij verstek.
- De onderhoudsverplichting is gesteund op de afstamming en niet op het huwelijk of het ouderlijk gezag. Ten opzichte van een minderjarig kind is die onderhouds-verplichting ook onvoorwaardelijk. Deze verplichtingen gelden evenwel in de rechtsverhouding tussen de ouders en hun minderjarige kinderen, wat maakt dat een derde-schuldeiser zich niet kan steunen op de artikelen 203 en 203bis B.W. om een schuldvordering in te stellen met betrekking tot het kind. Indien de ouders gehuwd zijn, kan de derde-schuldeiser zich steunen op de artikelen 222, 1408 en 1414 B.W. De situatie is enigszins anders wanneer de ouders niet meer gehuwd zijn, want vanaf dan gelden de voormelde bepalingen evident niet meer. In tegenstelling tot wat HET UNIVERSITAIR ZIEKENHUIS GENT voorhoudt, kan J. R. zich wel degelijk beroepen op de akte echtscheiding door onderlinge toestemming verleden ter studie van notaris C.R.T op 16 oktober
- Artikel 1304 Ger.W. regelt de gevolgen van het vonnis of het arrest waarbij de echtscheiding wordt uitgesproken als volgt : " Het vonnis of het arrest waarbij de echtscheiding wordt uitgesproken, heeft ten aanzien van derden eerst gevolg vanaf de dag waarop het is overgeschreven. Ingeval een van de echtgenoten overlijdt voor de echtscheiding is overgeschreven maar nadat het vonnis waarbij de echtscheiding is uitgesproken in kracht van gewijsde is gegaan, worden de echtgenoten tegenover derden als uit de echt gescheiden beschouwd, onder de opschortende voorwaarde van overschrijving overeenkomstig artikel
- Ten aanzien van de goederen van de echtgenoten heeft de beslissing echter gevolg vanaf het proces-verbaal opgemaakt ter uitvoering van artikel
- Ten aanzien van de persoon van de echtgenoten heeft de echtscheiding gevolg vanaf de dag waarop de beslissing in kracht van gewijsde gaat. " In het kader van hun familierechtelijke overeenkomst waren J. R. en M. V. ondermeer het hiernavolgende overeengekomen : "...Zowel gedurende de proeftijd als na de uitspraak van de echtscheiding zal het bestuur over de persoon van het minderjarige kind H. R. door zijn moeder, mevrouw M.V.alleen uitgeoefend worden. Laatstgenoemde zal terzelfdertijd ook alleen het bestuur en het genot over de goederen van haar kind uitoefenen. ... Onverminderd de rechten aan het kind H. R. door hoofdstuk V, titel V van boek I van het Burgerlijk Wetboek toegekend zijn partijen overeengekomen dat de heer J.R. voornoemd, zowel gedurende de proeftijd als na de overschrijving van de echtscheiding een bijdrage van vierentwintigduizend frank per jaar ( zijnde tweeduizend frank (2.000,-) per maand zal betalen ten titel van tussenkomst in de kosten van onderhoud en opvoeding van zijn kind onafgezien van en boven de kinderbijslag. ... Partijen zijn overeengekomen dat de ouder aan wie het bestuur over de persoon van H.R. toevertrouwd is, persoonlijk de lasten van onderhoud en van opvoeding van het kind te betalen heeft onder voorbehoud van de hiervoor gemelde bijdrage verschuldigd door de heer J. R. voor het onderhoud en de opvoeding van zijn kind. " Partijen hebben eigenlijk door dit op die manier te bedingen en te voorzien, de toepassing en werking van artikel 203bis B.W. ab initio in hun familierechtelijke overeenkomst ingebouwd en dit door de overschrijving van het echtscheidingsvonnis tegenstel-baar gemaakt aan derden, derde-schuldeisers. De oorspronkelijke dagvaarding van het UNIVERSITAIR ZIEKENHUIS GENT was in eerste instantie gericht tegen J.R. in zijn hoedanigheid van wettelijk beheerder over de persoon en de goederen van het minderjarig kind. Nu dit beheer bij akte echtscheiding door onderlinge toestemming op exclusieve wijze was toebedeeld aan M.. kan J. R. onmogelijk in die hoedanigheid worden aangesproken. Terecht heeft de eerste rechter dan ook de vordering niet toelaatbaar verklaard
- J. R. werd ook in eigen naam gedagvaard en waar hiervoor reeds werd gewezen op de onmogelijkheid om de vordering te steunen op artikel 203 B.W., meent het UNIVERSITAIR ZIEKENHUIS GENT zich dan maar te kunnen beroepen op de leer van het opgewekt vertrouwen. Voorafgaandelijk moet de vraag worden gesteld wat de rechtsverhouding is tussen het UNIVERSITAIR ZIEKENHUIS GENT en J. R.. Deze relatie van zorginstelling en patiënt is in se steeds van contractuele aard, tenzij er een bewijs zou voorliggen van het ontbreken van een vrije en volwaardige toestemming van de patiënt (waardoor de rechtsverhouding extra-contractueel is te benaderen). Naar analogie kan ook worden verwezen naar artikel 12§1 van de Wet Rechten van de Patiënt van 22 augustus 2002 dat bepaalt : "Bij een patiënt die minderjarig is, worden de rechten zoals vastgesteld door deze wet uitgeoefend door de ouders die het gezag over de minderjarige uitoefenen of door zijn voogd. " In aansluiting hiermee komt het dan ook logisch voor dat de plichten, zoals de betaling van de hospitalisatiefactuur, verbonden zijn aan die ouders die met het ouderlijk gezag zijn bekleed. Niet alleen was, zoals hiervoor uiteengezet, enkel M.V.met het exclusief ouderlijk gezag bekleed, zij is ook diegene geweest die H.heeft binnen gebracht voor het toedienen van de nodige medische zorgen. Op het ogenblik dat Hannes werd binnengebracht voor verzorging, ontstond als het ware een stilzwijlgende overeen-komst tussen het ziekenhuis enerzijds en M. V.in haar hoedanigheid van beheerder over de persoon en de goederen van H. anderzijds. Het UNIVERSITAIR ZIEKENHUIS GENT had eigenlijk op dat ogenblik zelf de nodige initiatieven moeten nemen om méér duidelijkheid te krijgen aangaande haar contractspartner en het kwam dan ook haar toe om bij M. V. na te gaan of er al dan niet een vader was, wat de gezinstoestand was en/of zij, als verzorgingsinstelling, haar contractuele rechten al dan niet kon uitbreiden naar de vader toe. Zij heeft nooit de vader aangemaand voor wat dan ook, zij heeft hem ook nooit gecontacteerd en is maar tot dagvaarding overgegaan op het ogenblik dat zij werd geconfronteerd met de financieel erbarmelijke toestand van de moeder, M.V.. De leer van het opgewekt vertrouwen kan dan ook niet door het UNIVERSITAIR ZIEKENHUIS GENT worden ingeroepen nu zij zelf in gebreke was gebleven de nodige informatie te vergaren om haar contractuele aanspraken te verzekeren. M. V. was en is nog steeds bekleed met het exclusief ouderlijk gezag en beheer over de persoon en de goederen van Hannes en heeft dan ook geen enkele fout gemaakt door J. R.niet te vermelden; zij mag in die concrete omstandigheden vermoed worden volkomen te goeder trouw te hebben gehandeld. Er was enkel een overeenkomst met M. V.; J. R. was daar vreemd aan: hij was daarbij niet als contractspartij betrokken. De vordering gericht tegen J.R. in eigen naam is dan ook ongegrond zodat ook op dit punt het eerste vonnis te bevestigen is.
- Vorenstaande overwegingen in acht genomen komt het ten slotte passend voor het UNIVERSITAIR ZIEKENHUIS GENT te veroordelen in de kosten van het hoger beroep. Er is geen reden om een maximum rechtsplegingvergoeding toe te kennen louter en alleen omwille van het stilzitten van het UNIVERSITAIR ZIEKENHUIS gedurende een bepaalde periode. De basisrechtsplegingvergoeding van 900,00 EUR volstaat dan ook.
- Alle anders luidende conclusies worden verworpen als ongegrond, niet dienend en/of irrelevant. OM DEZE REDENEN, HET HOF, Recht doende op tegenspraak tegenover J. R. en geacht op tegenspraak in toepassing van artikel 747§2 Ger.W. tegenover M. V., Met inachtneming van art. 24 van de Wet van 15 juni 1935, Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch wijst het af als zijnde ongegrond; Bevestigt dienvolgens het bestreden vonnis in al haar bestreden beschikkingen, mits de hogere overwegingen; Verwijst het UNIVERSITAIR ZIEKENHUIS GENT in de kosten van het hoger beroep op heden nuttig te bepalen in hoofde van J. R. op 900,00 EUR basisrechtsplegingvergoeding hoger beroep; Aldus gewezen door de ZESTIENDE KAMER van het hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken, samengesteld uit: Luc Thabert, raadsheer - wn. kamervoorzitter Peter Marcoen, raadsheer, Martin Van den Bossche, raadsheer en uitgesproken door de voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting op 29 JANUARI TWEEDUIZEND EN TIEN, bijgestaan door Carine Sonneville, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div