← België

ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20100129.8

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 29 januari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20100129.8 Rolnummer: 2007/AR/2440 Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2010-05-31 Raadplegingen: 140 - laatst gezien 2026-07-02 21:18 Fiche UTU-thesaurus: BURGERLIJK RECHT - ZEKERHEDEN - Zakelijke zekerheid - Eigendomsvoorbehoud Vrije woorden: Aansprakelijkheid voor dieren - eigendomsoverdracht Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 9ter Kamer ________ terechtzitting van 29 januari 2010 ________ TA AANSTEL DESK + BR deskundige: Dr Y.A............. evaluatie desk.: 10.09.2010 - 12u00 2007/AR/2440 in de zaak van: 1. D........R..........M........, landbouwster, wonende te ................, in haar hoedanigheid van echtgenote van wijlen de heer O....... M........., overleden op 1 september 2002 appellante, 2. G.......... S............ , zelfstandige, wonende te ......................, appellant, 3. M........... G.................. , helpster, wonende te ........................, appellante, 2° en 3° appellant(

  1. e)in hun hoedanigheid van schoonzoon/dochter van wijlen de heer O....... M...... en in hun hoedanigheid q.q. de kinderen G......... G........... en G............ A....... 4. G............. G.............., wonende te ......................, gedurende de procedure meerderjarig geworden, die de procedure in eigen naam verderzet appellant, gedinghervattende partij 5. M.....T..... , bediende, wonende te ........................................., appellant, 6. S....... K............... , lerares, wonende te ..............................., appellante, 5° en 6° appellant(
  2. e)in hun hoedanigheid van zoon/schoondochter van wijlen de heer O....... M................. en in hun hoedanigheid q.q. de kinderen M..... J........, M....... I....... en M......... N......... 7. M............ J............., wonende te ..............................., gedurende de procedure meerderjarig geworden, die de procedure in eigen naam verderzet appellant, gedinghervattende partij 8. M....... F............ , bediende, wonende te ........................., appellant, 9. H............ H.............., wonende te .........................., appellante, 8° en 9° appellant(
  3. e)in hun hoedanigheid van schoon/schoondochter van wijlen de heer O.............. M................ en in hun hoedanigheid q.q. kind M......... M............. 10. M........ B.............., wonende te ......................., appellant, in zijn hoedanigheid van kleinzoon van wijlen de heer O............... M............. 11. M.......... J............., wonende te ..................., appellant, in zijn hoedanigheid van kleinzoon van wijlen de heer O....... M............ 12. M................. E............. , bediende, wonende te ......................., appellant, 13. V...... A............... K................ , bediende, wonende te .........................., appellante, 12° en 13° appellant(
  4. e)in hun hoedanigheid van zoon/schoondochter van wijlen de heer O...... M............. en in hun hoedanigheid q.q. hun kind M............. J............. 14. M.......... K............. , bediende, wonende te ........................, appellant, 15. P........ C.................. zelfstandige, wonende te ............................, appellante, 14° en 15° appellant(
  5. e)in hun hoedanigheid van zoon/schoondochter van wijlen de heer O............. M............. en in hun hoedanigheid q.q. hun kind M.............B................. 1° tot en met 15° appellanten allen hebbende als raadsman mr. DE CEUSTER Robert, advocaat te 9120 BEVEREN-WAAS, Grote Markt 9/3 15. LANDSBOND DER CHRISTELIJKE MUTUALITEITEN, met maatschappelijke zetel te 1031 BRUSSEL, Haachtsesteenweg 579 postbus 40, ingeschreven met KBO-nummer 0411.702.543, appellante, hebbende als raadsman mr. HEYVAERT Jacques, advocaat te 9200 DENDERMONDE, Gentsesteenweg 2 tegen: 1. V............ L................... E.............., dierenkoopman, voorheen wonende te ......................, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. BLOMME August, advocaat te 9000 GENT, Casinoplein 19 2. V.... L......................... G.............., arbeider wonende te ................................, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. APPELMANS Maurice, advocaat te 1080 BRUSSEL, Schoonslaapsterstraat 29/1 en mr. MERTENS André, advocaat te 9200 DENDERMONDE, Kerkstraat 92 Wijst het hof het volgend arrest: 1. de procedure Het hof heeft kennis genomen van het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde van 27 juli 2007,6° kamer inzake AR. nr. 04/1385/A. Tegen dit vonnis werd hoger beroep ingesteld. De raadslieden van partijen werden gehoord in openbare terechtzitting en in het Nederlands. Zowel de door hen regelmatig neergelegde conclusies als de overgelegde stukken werden ingezien. 2. De niet betwiste feiten Op 31 augustus 2002 deed zich een schadegeval voor waarbij wijlen de heer O........ M............... ernstig werd verwond. Op 1 september 2002 overleed hij aan zijn verwondingen. Het ongeval deed zich voor toen de heer E..... V...... L............. een of meerdere paarden kwam ophalen bij wijlen de heer O..... M............ Bij manipulatie van het paard door de heer E..... V..... L............... met de hulp van de heer G...... V..... L................ heeft het paard zich losgerukt en liep het wijlen de heer O........ M.............. omver, welke laatste op de grond viel, in coma geraakte en overleed daags nadien. 3 . bespreking 3.1. Overeenkomstig artikel 1385 BW is de eigenaar van een dier, of, terwijl hij het in gebruik heeft, degene die zich ervan bedient, aansprakelijk voor de schade die door het dier is veroorzaakt, hetzij het onder zijn bewaring stond, dan wel verdwaald of ontsnapt was. Het betreft een alternatieve en geen cumulatieve aansprakelijkheid (zie ook : R.O. D........., Traité de responsabilité civile, I, Brussel, Larcier, 1967, p. 694, nr. 2189; R. ULRIX, "Aansprakelijkheid voor dieren", R.W., 1984-85, 2311; Vred. St. Kwintens Lennik, 22 oktober 1984, R.W., 1987-88, 1068; L. CORNELIS, Beginselen van het Belgische buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht, Antwerpen, Maklu, 1989, p. 631, nr. 389; S. COVEMAEKER, "Wie is "bewaarder" van een dier bij medische behandeling : de eigenaar of de dierenarts ?", T.B.B.R., 1999, p. 646, noot onder Rb. Nivelles, 5 december 1997, ibidem, p. 644-646). Op de eigenaar van het dier rust geen aansprakelijkheid ob rem, m.a.w. hij is niet aansprakelijk omdat hij de eigenaar van het dier is, maar wel omdat hij geacht wordt, op grond van een feitelijk vermoeden, "bewaarder" van het dier te zijn. Dit feitelijk vermoeden heeft tot een omkering van de bewijslast ten nadele van de eigenaar geleid (zie ook : R.O. DALCQ, ibidem, p. 693, nr. 2186 en p. 698, nr. 2201; H. DE PAGE, Traité élémentaire de droit civil belge, II, Brussel, Bruylant, 1940, p. 971, nr. 1012; Luik, 28 november 1968, J.L., 1968-69, 289; Brussel, 9 mei 1988, J.L.M.B., 1988, 1386; S. COVEMAEKER, ibidem, p. 647). De bewaarder van het dier is degene die het volledige meesterschap over het dier heeft, dit is de niet-ondergeschikte macht van leiding, toezicht en controle, zonder tussenkomst van de eigenaar (zie ook : o.m. Cass., 5 november 1981, R.C.J.B., 1985, 207, met noot MEINERTZHAGEN-LIMPENS; Cass., 18 november 1993, T.B.B.R., 1995, 91, met noot A. NUYTS; S. COVEMAEKER, ibidem, p. 647). De bewaarder moet aldus over de macht beschikken om het dier te gebruiken al is hij de eigenaar (S. COVEMAEKER, ibidem, p. 647). 3.2. De eerste betwisting betreft in casu de vraag wie op het moment van het ongeval eigenaar was van het litigieuze paard dat op hol sloeg. Het wordt niet betwist dat het litigieuze paard eigendom was van wijlen de heer O....... M........ Dit paard stond in de stal van wijlen de heer O...... M.......... en werd met een vrachtwagen afgehaald door de heer E...... V..... L............. zijn broer .. V..... L.................. De nabestaanden van wijlen de heer O...... M...... stellen dat het opladen op de vrachtwagen de uitvoering was (de "levering") van de kort te voren tot stand gekomen eigendomsoverdracht van het litigieuze dier binnen het kader van een overeenkomst afgesloten met de heer E..... V.... L............... (waarbij deze laatste dus eigenaar werd). Deze laatste betwist dit en spreekt van het meenemen om te proberen van het litigieuze dier met het oog op het eventueel kopen/ruilen van het litigieuze dier. Met de objectieve gegevens van het dossier wordt de eigendomsoverdracht van het litigieuze paard van O....... M..... naar E..... V..... L............. niet bewezen. Het bewijs van enig akkoord omtrent de zaak en de prijs conform artikel 1583 BW wordt niet geleverd. Een geschreven overeenkomst ligt niet voor. De afhaling van gelden is terzake onvoldoende. Het opladen van een paard op een vrachtwagen eveneens. Uit de begeleidende omstandigheden kan in casu geen eigendomsoverdracht worden afgeleid. Het wordt bovendien niet betwist dat het litigieuze paard na het schadegeval door mevrouw D... R....... werd verkocht aan een derde. Dit laatste bewijst eveneens dat er nooit een eigendoms-overdracht heeft plaatsgevonden van het litigieuze paard aan de heer E...... V...... L............. 3.3. Evenmin blijkt uit de feiten dat E...... V...... L.................... op het ogenblik van het ongeval te beschouwen was als bewaarder van het litigieuze dier, in de zin van het hoger vermelde artikel 1385 BW. Zijn aanwezigheid ter plaatse versterkt het vermoeden dat hij als eigenaar te beschouwen was als de bewaarder van het dier. Dit wordt niet ontkracht door het feit dat hij slecht te been was en/of door het feit dat alle manipulaties m.b.t. de afhaling van het paard materieel werden verricht door de heer E.... V..... L................. 3.4. Het vonnis van de eerste rechter dient dan ook bevestigd te worden wat betreft de hoger vermelde appreciatie omtrent wie eigenaar en wie bewaarder was van het litigieuze paard op het ogenblik van het ongeval. De eerste rechter heeft dan ook terecht de vordering van de nabestaanden van de heer O.... M....... afgewezen evenals de vordering van de LANDSBOND DER CHRISTELIJKE MUTUALITEIT. 3.5. De eerste rechter heropende ambtshalve het debat m.b.t. de oorspronkelijke tegenvordering van de heer G..... V.... L................. Ingevolge het hoger beroep is het hof thans gevat van het integrale geschil, inclusief voormelde oorspronkelijke tegenvordering van de heer G..... V..... L............ overeenkomstig artikel 1068 lid 1 Ger. W. Het wordt niet betwist dat de heer G..... V..... L.......................... eveneens lichamelijke schade heeft geleden als gevolg van het litigieuze ongeval. Gelet op wat voorafgaat, dient de aansprakelijkheid van wijlen de heer O...... M....... te worden weerhouden voor de voormelde schade van de heer G..... V..... L................ op basis van artikel 1385 BW. Uit de procedurestukken blijkt dat mevrouw M.............. D... R............. de enige erfgename is van wijlen de heer O........ M...... en dat zij in haar hoedanigheid van erfgename ook in de onderhavige procedure betrokken is, zodat de tegenvordering van G..... V..... L................... t.a.v. haar ontvankelijk is. De door hem gevorderde schadebedragen worden evenwel terecht betwist omdat zij gebaseerd zijn op een eenzijdige expertise. Alvorens verder recht te doen ten gronde, dient dan ook overgegaan te worden tot de onderzoeksmaatregel, zoals hierna bepaald in het beschikkend gedeelte. OM DEZE REDENEN HET HOF, Recht doende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935. Verklaart het hoofdberoep van de nabestaanden van wijlen de heer O..... M......... ontvankelijk doch wijst het af als ongegrond. Stelt vast zelf de bevoegde rechter in hoger beroep te zijn om kennis te nemen van de tegenvordering van de heer G...... V..... L.................. en trekt aldus de zaak aan zich, in toepassing van artikel 1068 Ger.W.; Verklaart de tegenvordering van de heer G...... V..... L........................ ontvankelijk. Alvorens omtrent deze tegenvordering van de heer G..... V..... L.....................verder recht te doen ten gronde, stelt aan als gerechtsdeskundige, bij gebrek aan partijkeuze, Dr. Y..... A..................... , met werkadres te ....................................... Met als opdracht : de partijen te aanhoren, kennis te nemen van de verklaringen en stavingstukken die partijen hem overeenkomstig artikel 972bis, §1, 2e lid Ger.W. zullen overmaken, alle nodige of nuttige inlichtingen in te winnen, zelfs bij derden; in een gemotiveerd en onder eed bevestigd verslag, neer te leggen ter griffie van dit hof: 1. de heer G......... V..... L........................, arbeider, wonende te ..........................., te onderzoeken en de door hem ten gevolge van het ongeval van 31 augustus 2002 opgelopen letsels te beschrijven; 2. de periodes en de graad van tijdelijke werkongeschiktheid te bepalen, evenals de consolidatiedatum en het percentage van de blijvende invaliditeit en/of werkongeschiktheid, en advies te geven over de esthetische schade; 3. advies te geven over de eventuele meerinspanningen en de eventuele reserves voor de toekomst; 4. alle dienstige vragen van partijen te beantwoorden; 5. na afloop van deze verrichtingen kennis te geven aan de partijen van het voorverslag en navolgend omstandig antwoord te geven op hun dienende opmerkingen, die zij hem laten geworden binnen de 14 dagen na de toezending van het voorverslag; 6. het onder eed bevestigd verslag ter griffie van dit hof in te dienen binnen de 6 maanden na het aanvaarden van de opdracht. Dit alles met inachtneming van de artikelen 962 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek (zoals gewijzigd bij wet van 30 december 2009, B.S. 15 januari 2010, in werking getreden op 25 januari 2010); Verstaat dat de vergadering aanvang van de werkzaamheden zal worden gehouden op de plaats en datum te bepalen door de gerechtsdeskundige, na overleg en afspraak met de partijen; Verstaat dat de gerechtsdeskundige - na de partijen hiervan schriftelijk te hebben verwittigd - betreffende diens werkzaam-heden of bepaalde deelaspecten ervan, nader advies kan inwinnen van speciaal daartoe bevoegde technische raadgevers, adviezen die tegensprekelijk in het deskundig verslag dienen te worden opgenomen; Voorziet dat de gerechtsdeskundige en de partijen of hun raadslieden, in toepassing van artikel 973 §1 Ger. W. op vrijdag 10 september 2010 om 12u00 zullen verschijnen voor de 9ter kamer van het hof, zetelende in raadkamer, teneinde toelichting te verschaffen over het verloop van de deskundige werkzaamheden; Verstaat evenwel dat deze verschijning zal vervallen indien het verslag vóór de gestelde datum wordt neergelegd of indien alle partijen hun schriftelijk akkoord hebben gemeld met een verlenging van de toegestane termijn; Zegt dat mevrouw M..............D... R.......... de kosten en de erelonen van de gerechtsdeskundige zal voorschieten; Bepaalt het voorschot, aldus ter griffie van het hof te consigneren binnen de 8 dagen na de kennisname van onderhavig arrest, op 2.000,00 EUR + 21 % BTW, samen zijnde 2.420,00 EUR; Bepaalt het redelijk deel van het voorschot dat reeds aan de gerechtsdeskundige kan worden vrijgegeven, teneinde de kosten van het onderzoek te kunnen dekken, op 1.000,00 EUR + 21 % BTW, samen zijnde 1.210,00 EUR; Houdt de beslissing over de gedingkosten aan; Verwijst de zaak naar de bijzondere rol van de 9ter kamer van dit hof; Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, NEGENDE ter KAMER, zitting houdende in burgerlijke zaken, van 29 januari 2010 Aanwezig: Martin Van den Bossche, raadsheer wn. voorzitter Carine Sonneville, griffier Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.