← België

ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20100201.10

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 01 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20100201.10 Rolnummer: 2009/AR/3057 Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2010-04-23 Raadplegingen: 83 - laatst gezien 2026-07-02 21:19 Fiche Krachtens de artikelen 66.1 en 76 van de Verordening 44/2001 van 22 december 2000, is deze slechts van toepassing op rechtsvorderingen die zijn ingesteld en authentieke akten die zijn verleden na de inwerkingtreding van deze Verordening, zijnde op 1 maart

  1. Voordien waren de art. 5,1° en 17 van het E.E.X.-Verdrag van 27 september 1968 van toepassing. UTU-thesaurus: STRAFRECHT - STRAFRECHT - ALGEMENE BEGINSELEN - Algemeen (strafrecht - algemene beginselen) Vrije woorden: Rechtsmacht Belgische rechter Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 7 de BIS Kamer ________ Terechtzitting van 01-02 2010 Nr. 2009/AR/3057 ------------------------- E.E.X.-Verdrag verstek t.a.v. geïntimeerde in de zaak van : R... W....., handelsagent, wonende te 9080 ..........en met ondernemingsnummer ........., appellant, hebbende als raadsman mr. Bart Raes, advocaat met kantoor te 9080 Lochristi, Beukendreef 26, tegen S.V.V. SALZBURGER VIEH UND FLEISCHVERMARKTUNGS GMBH, vennootschap naar Oostenrijks recht (Gerichtsstand Salzburg DVR 0071838 - ATU 43716608), met maatschappelijke zetel te 5101 Salzburg - Bergheim (Oostenrijk), Seilerstrasse 2, die woonstkeuze doet bij haar raadsman mr. Francis Schroeder, rue des Augustins 26 te 4000 Luik, welke laatste bij brief neergelegd ter griffie op 15.12.2009 verklaart "voor wat ons betreft, wij niet meer voor het vervolg van dit dossier zullen ingrijpen", geïntimeerde, welke niet verschijnt ter terechtzitting van 11 januari 2010, noch iemand voor haar, velt het Hof volgend arrest : Geïntimeerde is niet verschenen op de inleidingszitting. Appellant vordert arrest bij verstek. Appellant werd gehoord ter openbare terechtzitting in zijn middelen, alsook werden zijn stukken ingezien.
  2. Bij verzoekschrift, neergelegd op 1 december 2009, tekende appellant hoger beroep aan tegen het vonnis van 11 juni 2009 op tegenspraak gewezen door de 6de kamer van de rechtbank van koophandel te Gent (A/08/00117). Een exploot van betekening ligt niet voor. Feiten en procedure in eerste aanleg
  3. Sinds 1998 werkten R.... W........(hierna: "appellant") en de vennootschap naar Oostenrijks recht S.V.V. SALZBURGER VIEH UND FLEISCHVERMARKTUNGS GmbH (hierna: "geïntimeerde") samen in het kader van een handelsagentuurovereenkomst (kwalificatie door appellant), waarbij appellant vleesproducten van geïntimeerde verkocht binnen een contractueel omschreven territorium. Op 4 mei 2000 bracht geïntimeerde de toegepaste commissie van 1% terug op 0,4%, waarvan 0,2% dadelijk zou worden uitbetaald en 0,2% zou worden ingehouden als waarborg voor het openstaand saldo van een klant P........ Bij aangetekende brief van 8 mei 2000 protesteerde appellant tegen deze gang van zaken. Partijen konden niet tot een vergelijk komen. Op 8 augustus 2000 stelde appellant dat geïntimeerde een contractuele wanprestatie had gepleegd door eenzijdige wijziging van de contract-voorwaarden en maakte hij aanspraak op een schadevergoeding van 82.305,74 DEM, berekend volgens de Belgische wet op de handels-agentuur (Wet van 13 april 1995). Ook factureerde appellant nog voor 1.520,58 DEM. Geïntimeerde betwistte op 13 september 2000 alle aanspraken, stellende dat de overeenkomst (volgens haar géén handelsagentuur die valt onder de Belgische wet) was beëindigd in gemeen overleg, alsook verwees ze naar een aantal tekortkomingen in hoofde van appellant. Bij dagvaarding, betekend op 12 januari 2001, vorderde appellant lastens geïntimeerde:

(1)veroordeling tot betaling van 82.305,74 DEM of de tegenwaarde in BEF aan de hoogste koers van de DEM in de periode tussen april 2000 en de volledige betaling, méér de verwijlrente vanaf 8 augustus 2000 tot betaling, méér de gedingkosten ;
(2)voorbehoud tot het vorderen van een schadevergoeding conform art. 21 van de Wet van 13 april 1995. Bij syntheseconclusie, neergelegd op 30 oktober 2008, vorderde appellant lastens geïntimeerde:
(1)veroordeling tot betaling van 42.082,26 EUR, méér de wettelijke verwijlrente vanaf 8 augustus 2000 tot 12 januari 2001, méér de gerechtelijke rente, méér de gedingkosten ;
(2)voorbehoud tot het vorderen van een schadevergoeding conform art. 21 van de Wet van 13 april
  1. Geïntimeerde betwistte in hoofdorde en in limine litis de rechtsmacht van de Belgische rechter. Ze stelde verder dat het Oostenrijks recht van toe-passing is op hun contractuele relatie. In ondergeschikte orde vorderde ze ten gronde bij tegenvordering veroordeling van appellant tot betaling van een provisie van 51.300,00 EUR, méér de gedingkosten. Bij vonnis a quo van 11 juni 2009 verklaarde de eerste rechter zich zonder rechtsmacht om kennis te nemen van de zaak. Procedure in hoger beroep
  2. Voor een uiteenzetting van de grieven en de middelen van appellant, kan verwezen worden naar zijn beroepsakte. Beoordeling
  3. Krachtens artikel 66.1 van de Verordening 44/2001 van 22 december 2000, is deze slechts van toepassing op rechtsvorderingen die zijn ingesteld en authentieke akten die zijn verleden nà de inwerkingtreding van deze Verordening. Artikel 76 van de Verordening 44/2001 van 22 december 2000 bepaalt dat deze in werking treedt op 1 maart
  4. De oorspronkelijke vordering van appellant werd ingesteld bij dagvaarding, betekend op 12 januari
  5. In casu is de Verordening 44/2001 van 22 december 2000 dan ook niet van toepassing.
  6. Inzake internationale rechtsmacht moet vervolgens in casu het (vóór 01/03/2002 geldend) E.E.X.-Verdrag van 27 september 1968 worden onderzocht. Door België werd dit Europees Executieverdrag goedgekeurd bij Wet van 13 januari 1971 (B.S. 31 maart 1971) en Oostenrijk is toege-treden tot het Verdrag op 29 november 1996, zodat het E.E.X.-Verdrag van 27 september 1968 tussen beide lidstaten van toepassing is.
  7. Geïntimeerde is een Oostenrijkse vennootschap met zetel te 5101 Salzburg-Bergheim, Seilerstrasse
  8. Als uitgangspunt geldt dat het E.E.X.-Verdrag van 27 september 1968 voorrang heeft op de nationale wet. Art. 2 bepaalt het principe van dit Verdrag: bevoegdheid van de rechtbank van de woonplaats van de verwerende partij. Wanneer niet gedaagd wordt in het land van de woonplaats van de verweerster (art. 2), kan een Belgisch rechtscollege enkel internationaal rechtsmacht hebben op basis van een specifieke rechtsgrond. In casu kunnen enkel in aanmerking komen: het forum tussen partijen overeengekomen volgens art. 17 E.E.X. én het forum van de plaats van uitvoering van de contractuele verbintenis volgens art. 5,1° E.E.X. (zie noot J. ERAUW onder Kh. Turnhout, 11 oktober 1993, T.B.H. 1994, 734 e.v.). 6.
  9. Art. 17 E.E.X. bepaalt dat de overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegde rechter moet worden gesloten hetzij bij een schriftelijke overeen-komst, hetzij bij een schriftelijk bevestigde mondelinge overeenkomst, hetzij in de internationale handel, in een vorm die wordt toegelaten door de gebruiken op dit gebied en die de partijen kennen of geacht worden te kennen. Tevergeefs beroept appellant zich in casu op de beweerde stilzwijgende aanvaarding van zijn factuurvoorwaarden (artikel 13): "Alle betwistingen zullen uitsluitend beslecht worden door de rechtbanken te Gent" (stuk II/1 appellant). Opdat factuurvoorwaarden internationaal tegenstelbaar zouden kunnen zijn, moet de geadresseerde er kennis van kunnen nemen op het ogenblik van het sluiten van de overeenkomst. Er moet bewezen worden dat er tussen partijen overeenstemming was om het betrokken bevoegdheids-beding in hun overeenkomst op te nemen (Antwerpen, 3 januari 1995, T.B.H. 1995, 387). Appellant bewijst nergens dat zijn voorwaarden (mondeling) werden over-eengekomen voor of n.a.v. het sluiten van de mondelinge overeenkomst tussen partijen, noch dat hieromtrent achteraf een overeenkomst tussen partijen werd gesloten. De algemene factuurvoorwaarden van appellant zijn niet tegenstelbaar aan geïntimeerde. 6.
  10. Art. 5,1° E.E.X. bepaalt dat de verweerder die woonplaats heeft op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat, in een andere Verdrag-sluitende Staat kan opgeroepen worden, dit m.b.t. verbintenissen uit overeenkomst, voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis, die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd. In casu bestond tussen partijen een contractuele relatie, waarbij appellant als tussenpersoon klanten bij geïntimeerde aanbracht voor vleesleveringen vanuit Oostenrijk. De klanten die appellant prospecteerde en aanbracht zijn practisch uitsluitend gevestigd in Nederland, Duitsland en Rusland (zie facturatie commissielonen door appellant tussen augustus 1998 en april 2000 - bundel II appellant). Er is géén connectie met de Belgische markt. De hoofdeis strekt tot betaling van verbrekingsvergoeding en commissie-lonen. De plaats van de uitvoering van deze verbintenis moet worden bepaald conform de regels van het internationaal privaatrecht van de forumrechter. De verbintenis tot het betalen van een geldsom moet ingevolge artikel 4.2 van het Verdrag van Rome van 19 juni 1980 en conform art. 1247 B.W. uitgevoerd worden ter woonplaats van de schuldenaar, vermits schulden haalbaar zijn. Ook hier is factuurvoorwaarde nr. 9 van appellant ("Alle facturen zijn contant betaalbaar te Lochristi") niet tegenstelbaar aan geïntimeerde (zie boven). De verbintenis tot betaling moet uitgevoerd worden door geïntimeerde in Oostenrijk. Het Hof is aldus van oordeel dat in casu enkel de rechtbanken te Salzburg (Oostenrijk) rechtsmacht bezitten om kennis te nemen van huidige vorderingen, zodat het vonnis a quo moet worden bevestigd. OM D E Z E R E D E N E N H E T H O F: Rechtdoende bij verstek ; Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken ; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond ; Bevestigt het bestreden vonnis ; Veroordeelt appellant tot de gedingkosten van de beroepsprocedure, in hoofde van geïntimeerde vereffend op nihil ; Aldus gewezen door de zevende bis kamer van het Hof van beroep te Gent, zetelende in burgerlijke zaken samengesteld uit Frank Deschoolmeester, alleenrechtsprekend raadsheer bijgestaan door Achiel Ferdinande, griffier en uitgesproken door de alleenrechtsprekend raadsheer in openbare terecht-zitting op één februari tweeduizend en tien. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.