← België

ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20100203.10

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van beroep van Gent Vonnis/arrest van 03 februari 2010 ECLI nr: ECLI:BE:HBGNT:2010:ARR.20100203.10 Rolnummer: 2008/AR/0683 Rechtsgebied: Financieel recht Invoerdatum: 2010-04-23 Raadplegingen: 110 - laatst gezien 2026-07-02 21:20 Fiche Een zorgvuldig bankier dient, alvorens een krediet toe te kennen, nauwgezet te informeren naar de financiële, vermogensrechtelijke en economische situatie en de perspectieven van zijn potentiële contractant. Om te toetsen of de bankier de algemene zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden, moet het criterium van de normaal zorgvuldige en redelijke bankier, geplaatst in dezelfde omstandigheden, worden gehanteerd . De toets van de rechter is steeds marginaal, dit wil zeggen dat de aansprakelijkheid van de bankier enkel kan worden weerhouden wanneer hij kennelijk onredelijk heeft gehandeld . De loutere omstandigheid dat de bank een vergissing heeft begaan bij de beoordeling van de succeskansen van een onderneming, vormt op zich geen fout, voor zover de bank geen onredelijke risico's heeft genomen . De verantwoordelijkheid voor de toekenning van het krediet dient beoordeeld te worden, rekening houdend met alle externe omstandig-heden en gegevens waarvan de bank kennis had of moest hebben op het ogenblik van de beslissing om het krediet toe te kennen. Gebeurtenissen, die zich nadien hebben voorgedaan en die niet konden voorzien worden op het ogenblik van het toestaan van het krediet kunnen niet in aanmerking worden genomen. De bankactiviteit gaat noodzakelijk gepaard met risico's, zodat de realisatie van zulke risico's op zich niet volstaat om een fout ten laste van de kredietinstelling te weerhouden. Wanneer de bankier aan de hand van zijn onderzoek bij de kredietaanvraag vaststelt dat de kredietnemer de verbintenissen uit de aangevraagde kredieten redelijkerwijze niet zal kunnen naleven, gedraagt hij zich onrechtmatig door niettemin het krediet toch toe te kennen, zelfs wanneer hij over voldoende zekerheden beschikt. Een krediet mag niet toegekend worden louter op grond van verleende zekerheden. Doch de enkele omstandigheid dat de kredietinstelling ernaar streeft om haar kredietrisico op afdoende wijze af te dekken door middel van zekerheden, kan op zich niet als een fout worden bestempeld . Wie beweert dat een krediet ten onrechte werd toegekend, dient de fout van de bank te bewijzen. UTU-thesaurus: HANDELS-, ECONOMISCH EN FINANCIEEL RECHT - BANK - EN KREDIETWEZEN - Algemeen (bank- en kredietwezen) Vrije woorden: Krediet - aansprakelijkheid kredietverstrekker - toekenning krediet - informatieplicht banken. Tekst van de beslissing Hof van beroep te Gent 12 Kamer ________ Terechtzitting van 03 februari 2010 TUSSENARREST- t.a.v. appellanten en 1e geïntimeerde - heropening der debattendd. 19-5-2010 om 15.30 h. - In de zaak met het rolnummer 2008/AR/683 van:

  1. D.. C..... B......., technisch bediende, geboren te ................, en zijn echtgenote
  2. V.... W................ E................, huisvrouw, geboren te ........................., beiden wonende te ................................ appellanten tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op tegenspraak gewezen door de 13e kamer dd. 11-6-2003, oorspronkelijk verweerders, hebbende als raadsman mr. HEYNDERICKX Eliane, advocaat te 9100 St.-Niklaas, Mgr. Stillemansstr. 61 bus 6 tegen :
  3. cvba ONDERLING BEROEPSKREDIET, met zetel te 9000 Gent, Graaf Van Vlaanderenplein 19, met ondernemingsnr. 0400.040.668, eerste geïntimeerde, oorspronkelijk eiseres, hebbende als raadsman mr. HEERMAN Ali, advocaat te 9700 Oudenaarde, Einestraat 34
  4. V..... V........... P..............., wonende te ..........................., tweede geïntimeerde, - TER TERECHTZITTING NIET VERSCHIJNEND -, oorspronkelijk verweerder, velt het hof het volgend arrest. Het hof heeft de partijen cvba Onderling Beroepskrediet en de heer B........... D........ C........... en mevrouw E......... V........ W................ in openbare terechtzitting gehoord en kennis genomen van hun stukken en conclusies. Het hoger beroep tegen het vonnis op tegenspraak van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, dertiende kamer, van 11 juni 2003 (AR nr. 02/3619/A) werd ingesteld bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof op 10 september
  5. Het is regelmatig naar de vorm. Het is eveneens tijdig aangezien er geen betekeningsakte wordt voorgelegd en door geen van de partijen beweerd wordt dat het vonnis betekend is. Door geen van de partijen wordt beweerd dat het hoger beroep onontvankelijk is, terwijl het hof evenmin redenen van onontvankelijkheid vaststelt. Het hoger beroep is bijgevolg ontvankelijk. Antecedenten
  6. Bij brief van 31 juli 1998 van de cvba Onderling Beroepskrediet (hierna in het kort "OBK" genoemd) werd aan de heer B........... D........ C.......... en mevrouw E.... V... W........... (hierna samen "de appellanten" genoemd) een kredietopening van 3.500.000 BEF toegestaan, te gebruiken in de vorm van voorschotten op bepaalde termijn, voor een duur van 10 jaar. Het doel van het krediet bestond in een kapitaalsverhoging van de nv Cyclops Industries (hierna "Cyclops" genoemd). Volgens de appellanten werd dit geld gebruikt om personeel te betalen. Bij brief van 12.3.1999 stond OBK aan Cyclops een kredietopening toe van 5.000.000 BEF, te gebruiken in de vorm van voorschotten op bepaalde termijn voor een periode van 10 jaar. Er werd bepaald dat het krediet beschikbaar zou zijn, na de vestiging van een aantal waarborgen, namelijk: - de inpandstelling van het handelsfonds in tweede rang voor 5.000.000 BEF na eerste rang van 6.000.000 BEF in het voordeel van de Generale Bankmaatschappij; - de hoofdelijke en ondeelbare borgstelling van de appellanten, met hypotheek in tweede rang voor 5.000.000 BEF na eerste rang van 3.500.000 BEF in het voordeel van OBK op een eigendom, gelegen te Kruibeke, Molenstraat 45; - de hoofdelijke en ondeelbare borgstelling met ondertekening van een akte van afstand van loon en schuldvordering door de heer P...... V..... V....(hierna "V.... V....." genoemd); - tussenkomst van het Waarborgfonds ten belope van 75 %. De notariële akte betreffende de kredietopening van 5.000.000 BEF werd op 15.6.1999 verleden voor notaris V............... te B........, waarbij de appellanten, in hun verhouding ten opzichte van OBK niet optraden als borgstellers, maar wel als kredietnemers, samen met Cyclops. De akte bevatte volgende clausule: "er wordt overeengekomen onder de personen, die in onderhavige akte onder de benaming "kredietnemer" verschijnen, dat alleen de NV CYCLOPS INDUSTRIES tot de uitvoering der genomen verbintenissen gehouden is, en, onder meer, tot de terugbetaling van het krediet en van de bijkomende kosten alsmede tot de betaling van de intresten en commissielonen, daar de heer en mevrouw D...C...... B...... - V.... W.......... E..... eenvoudig als borg dienen beschouwd te worden. Deze overeenkomst kan in geen geval ingeroepen worden tegen de kredietgeefster, tegenover wie al onder de benaming "kredietnemer" verschijnende personen hoofdelijk en ondeelbaar gehouden zijn alle verbintenissen uit te voeren welke uit onderhavige akte en zijn uitwerking voortvloeien." (art. 6bis). Bij "akte van hoofdelijke en ondeelbare borgstelling" dd. 15.9.1999 stelde V....Vl...... zich hoofdelijk en ondeelbaar borg jegens OBK voor alle bedragen, verschuldigd of die mochten verschuldigd zijn door Cyclops ten belope van een bedrag van 5.000.000 BEF, meer intresten, alle om het even welke onkosten en bijhorigheden. Op 5.12.2000 werd Cyclops failliet verklaard. Met aangetekende brieven van 8.12.2000, gericht enerzijds aan Cyclops en anderzijds aan de appellanten en V..... V...... "in uw hoedanigheid van hoofdelijke borg", deelde OBK mee dat zij een einde stelde aan het krediet van 5.000.000 BEF en stelde zij hen in gebreke tot betaling van 4.701.565 BEF, meer de intresten vanaf 9.12.2000, alle andere onkosten en bijhorigheden evenals de contractueel voorziene schadevergoeding van 218.063 BEF. Er werd vervolgens een afbetalingsplan ten bedrage van 70.000 BEF per maand overeengekomen, dat evenwel niet lang heeft stand gehouden, vermits OBK de appellanten met brieven van 16.11.2001 en 18.1.2002 in gebreke diende te stellen wegens achterstand.
  7. Met dagvaarding van 5.9.2002 vorderde OBK de veroordeling van V.... V...... en de appellanten, "solidair, minstens de ene bij gebreke aan de andere", tot betaling van 115.714,64 EUR, meer de "de conventionele rentevoet op deze hoofdsom, dit vanaf 30.6.2002 tot de datum van betaling, zijnde de veranderlijke basisrentevoet van de voorschotten in rekening-courant, heden 8 %, te vermeerderen met 3 %" en te zeggen voor recht dat de intresten jaarlijks zullen worden gekapitaliseerd. Deze vordering had betrekking op het krediet van 5.000.000 BEF. OBK vroeg verder voorbehoud te verlenen tot het verder opvorderen van de wederbeleggingsvergoeding en vorderde ten slotte de veroordeling van de gedaagden tot de gerechtskosten. Zij vroeg dit alles bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande elk verhaal, zonder borgstelling, noch kantonnement.
  8. De appellanten vroegen aanvankelijk in hun eerste besluiten akte te verlenen van hun voorbehoud om alle excepties in rechte in te roepen, ook de exceptie van territoriale onbevoegdheid van de rechtbank omdat zij van oordeel waren dat de bedingen, die betrekking hebben op de bevoegdheid, nietig waren en zij enkel konden worden gedagvaard voor de rechtbank van hun woonplaats. V.... Vl..... en de appellanten betwistten de vordering omdat OBK ten onrechte het krediet had toegekend, aangezien OBK op het ogenblik van de kredietverlening wist, minstens moest weten dat Cyclops nooit in de mogelijkheid zou zijn om het krediet terug te betalen. De appellanten hielden daarbij voor dat zij niet als kredietnemers optraden, maar wel als borgen. Zij meenden dat het krediet nietig was, minstens de akte van borgstelling, en dat zij bevrijd waren op grond van artikel 2037 B.W.. Bovendien was V.... V...... van oordeel dat, indien er een verschoonbaarheidsverklaring van de vennootschap was geweest voor de inwerkingtreding van de gewijzigde faillissementswet van 4.9.2002, hij in zijn hoedanigheid van kosteloze natuurlijke borgsteller, ingevolge de uitwerking van het arrest van 28.3.2002 van het Arbitragehof, volledig ontslagen was van zijn verbintenissen. Indien het faillissement nog niet gesloten was voor de inwerkingtreding van de wet, vroeg hij een prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof, luidende in welke mate art. 27 van de wet de artikels 10 en 11 van de Grondwet schond doordat het artikel 81 van de faillissementswet van 8.8.1997 in die zin wijzigde dat nog enkel een gefailleerde natuurlijke persoon verschoonbaar kon worden verklaard. Ondergeschikt stelde hij dat de vordering "in belangrijke mate" diende te worden afgewezen omdat de bankschuld in de eerste plaats voor 75 % door het Waarborgfonds gewaarborgd was, zodat OBK zich voor een bedrag van 92.960,07 EUR diende te richten tot het Waarborgfonds. V...V..... stelde een tusseneis in voor het geval de vordering geheel of gedeeltelijk gegrond zou worden verklaard. Bij toepassing van artikel 2032 B.W. vorderde hij de veroordeling van de appellanten "voor alle veroordelingen dewelke opzichtens hem zouden worden uitgesproken, zowel in hoofdsom als kosten". In ondergeschikte orde vorderde hij, bij toepassing van artikel 2033 B.W., voor recht te zeggen dat hij de bedragen, dewelke hij eventueel zou moeten betalen, voor twee/derde van de appellanten kon recupereren. Hij vroeg OBK, ondergeschikt de appellanten te veroordelen tot de gerechtskosten. De appellanten meenden ook dat zij op basis van artikel 82 van de wet van 4.9.2002 bevrijd waren.
  9. OBK merkte op dat de onbevoegdheid van de rechtbank niet in limine litis was opgeworpen en dat hoe dan ook de rechtbank bevoegd was op grond van artikel 9 van de algemene bepalingen van de kredietopeningen. Ten gronde betwistte OBK het krediet lichtzinnig te hebben toegekend. Rekening houdend met de toen bestaande wetgeving, waren de borgen niet bevrijd en achtte zij een prejudiciële vraagstelling overbodig aangezien de appellanten toch niet als kosteloze borgen konden beschouwd worden. Bovendien merkte zij op dat de appellanten geen borgen maar wel kredietnemers waren. Van een voorafgaandelijk uitwinnen van het Waarborgfonds kon geen sprake zijn, volgens OBK, omdat de tussenkomst van dit fonds noch een wettelijke, noch een conventionele subrogatie tot gevolg heeft, het fonds enkel een eigen schuld voldoet en het niet als een echte borg in de zin van het burgerlijk wetboek optreedt.
  10. Bij vonnis van 11.6.2003 veroordeelde de eerste rechter V.... V.... en de appellanten "solidair, minstens de ene bij gebreke aan de andere, tot betaling aan de eiseres van de som van 115.714,64 EUR, te vermeerderen met de conventionele rentevoet op deze hoofdsom vanaf 30.6.2002 tot de datum van betaling, zijnde de veranderlijke basisrentevoet van de voorschotten in rekening-courant ten bedrage van 8 %, te vermeerderen met 3 %, conform de algemene bepalingen van de kredietopeningen". Hij zegde voor recht dat de intresten jaarlijks in toepassing van artikel 1154 B.W. zullen worden gekapitaliseerd en verleende aan OBK akte van haar voorbehoud voor het verder opvorderen van een wederbeleggingsvergoeding in geval van vervroegde terugbetaling. Hij verklaarde de tussenvordering van V.... V.... ontvankelijk en gegrond voor zover gesteund op artikel 2032, 1° B.W. en veroordeelde de appellanten tot vrijwaring van V.... V..... voor alle sommen, die deze wegens onderhavige procedure nog dient te betalen aan OBK. Hij verwees de appellanten en V...V..... solidair tot de kosten van het geding. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De eerste rechter kwam tot het besluit dat OBK geen fout had begaan bij de toekenning van het krediet en dat de appellanten niet als borgen maar wel als kredietnemers gehouden waren, zodat ook niet kon ingegaan worden op hun vraag in verband met de verschoonbaarheid van de gefailleerde en het hieraan gekoppelde gevolg van bevrijding van de borg. Inzake het verzoek van V....V... een prejudiciële vraag te stellen, merkte de eerste rechter op dat niet bleek dat het faillissement van Cyclops reeds gesloten was en dat in dit geval de nieuwe wetgeving van 4.9.2002 van toepassing was, zodat er geen verschoonbaarheid van de rechtspersoon kon worden uitgesproken. Hij achtte de prejudiciële vraag niet onontbeerlijk om uitspraak te doen over het geschil, omdat er geen ongelijkheid is in de positie van de borg ten aanzien van een niet-verschoonbare natuurlijke persoon of rechtspersoon. Inzake de waarborg van het Waarborgfonds volgde de eerste rechter het standpunt van OBK. Voor zover gesteund op artikel 2032, 1° B.W., achtte de eerste rechter de tussenvordering van V.... V..... gegrond, doch, aangezien de appellanten geen borgen doch kredietnemers waren, was de tussenvordering op grond van artikel 2033 B.W. ongegrond. De eerste rechter stelde ten slotte vast dat er cijfermatig geen betwisting was.
  11. De appellanten vragen het bestreden vonnis te vernietigen en opnieuw recht doende: - de oorspronkelijke vordering van OBK als ongegrond af te wijzen; - de tussenvordering van V....V..... ongegrond te verklaren; - OBK dan wel V.... V... solidair, minstens in solidum, de ene bij gebrek aan de andere te veroordelen tot de gerechtskosten. Zij volharden in hun standpunt dat het krediet lichtzinnig was toegekend en dat zij niet als kredietnemers maar wel als borgen zijn te beschouwen. Aangezien OBK ten onrechte het krediet had toegekend, menen zij als borgen bevrijd te zijn. Wat de tussenvordering van V... V..... betreft, argumenteren de appellanten dat deze ongegrond is, aangezien zij niet kunnen worden aangemerkt als kredietnemers maar slechts als borgen en een borg slechts een verhaalsrecht heeft tegen de hoofddebiteur, zijnde Cyclops. Zeer ondergeschikt betwistten zij de intresten voor de periode tussen 10.9.2003 en 1.1.2008 gedurende dewelke OBK nagelaten heeft de procedure te benaarstigen. OBK vraagt het hoger beroep ongegrond te verklaren en de appellanten te veroordelen tot de gerechtskosten. Zij betwist een fout inzake de kredietverlening begaan te hebben en stelt dat de appellanten geen borgen, maar wel kredietnemers waren. Volgens haar zijn er geen redenen om de intresten te beperken. V....V..... heeft geen conclusies in hoger beroep neergelegd. Beoordeling Vooraf Bij beschikking van 23.4.2008 werden conclusietermijnen bepaald, alsmede rechtsdag op 6.1.
  12. Deze beschikking werd op regelmatige wijze ter kennis gebracht van V.... .... die evenwel niet verschenen is op de zitting van 6.1.
  13. Er werd bijgevolg door de raadsman van OBK arrest op tegenspraak gevraagd ten aanzien van V..... V...... Op dit verzoek kan worden ingegaan, zodat huidig arrest tevens op tegenspraak wordt gewezen ten aanzien van V... V....... I. Vordering van OBK tegen de appellanten
  14. De vordering van OBK strekt ertoe de appellanten te veroordelen tot betaling van het openstaand saldo ingevolge een krediet, toegestaan bij authentieke akte van 15.6.
  15. Het verweer van de appellanten bestaat erin dat dit krediet niet had mogen worden toegekend, zodat zij, die enkel als borgen waren opgetreden, bevrijd zijn van hun verbintenissen. Zij verwijten OBK dit krediet op onprofessionele wijze te hebben toegekend.
  16. Bij notariële akte van 15.6.1999 werd door OBK aan Cyclops een krediet toegestaan van 5.000.000 BEF. Omtrent de betrokkenheid van de appellanten in dit krediet bestaat betwisting: volgens de appellanten traden zij enkel op als borgen, terwijl OBK stelt dat zij, naast Cyclops, eveneens kredietnemers waren. Hoe dan ook bestaat er geen betwisting over dat het geld aan Cyclops ter beschikking werd gesteld. Met aangetekende brieven van 8.12.2000 zegde OBK het krediet op. Er bestaat evenmin betwisting over dat de openstaande schuld op 30.6.2002 115.714,64 EUR bedroeg.
  17. De appellanten verwijten OBK het krediet lichtzinnig te hebben toegekend. Een zorgvuldig bankier dient, alvorens een krediet toe te kennen, nauwgezet te informeren naar de financiële, vermogensrechtelijke en economische situatie en de perspectieven van zijn potentiële contractant. Om te toetsen of de bankier de algemene zorgvuldigheidsnorm heeft geschonden, moet het criterium van de normaal zorgvuldige en redelijke bankier, geplaatst in dezelfde omstandigheden, worden gehanteerd (vgl. CORNELIS, L., "De aansprakelijkheid van de bankier bij kredietverlening", T.P.R., 1986, p. 349, nr. 19). De toets van de rechter is steeds marginaal, dit wil zeggen dat de aansprakelijkheid van de bankier enkel kan worden weerhouden wanneer hij kennelijk onredelijk heeft gehandeld (vgl. BRACKE, D. en BLOMMAERT, D., "De aansprakelijkheid van de kredietinstelling als kredietverlener in het kader van de relatie met haar contractant", RABG, 2009/15, p. 1044). De loutere omstandigheid dat de bank een vergissing heeft begaan bij de beoordeling van de succeskansen van een onderneming, vormt op zich geen fout, voor zover de bank geen onredelijke risico's heeft genomen (vgl. WYMEERSCH, E., STEENNOT, R., en TISON, M., "Overzicht van rechtspraak. Privaat bankrecht 1999-2007", TPR, 2008, p. 1057) De verantwoordelijkheid voor de toekenning van het krediet dient beoordeeld te worden, rekening houdend met alle externe omstandig-heden en gegevens waarvan de bank kennis had of moest hebben op het ogenblik van de beslissing om het krediet toe te kennen. Gebeurtenissen, die zich nadien hebben voorgedaan en die niet konden voorzien worden op het ogenblik van het toestaan van het krediet kunnen niet in aanmerking worden genomen. De bankactiviteit gaat noodzakelijk gepaard met risico's, zodat de realisatie van zulke risico's op zich niet volstaat om een fout ten laste van de kredietinstelling te weerhouden. Wanneer de bankier aan de hand van zijn onderzoek bij de kredietaanvraag vaststelt dat de kredietnemer de verbintenissen uit de aangevraagde kredieten redelijkerwijze niet zal kunnen naleven, gedraagt hij zich onrechtmatig door niettemin het krediet toch toe te kennen, zelfs wanneer hij over voldoende zekerheden beschikt. Een krediet mag niet toegekend worden louter op grond van verleende zekerheden. Doch de enkele omstandigheid dat de kredietinstelling ernaar streeft om haar kredietrisico op afdoende wijze af te dekken door middel van zekerheden, kan op zich niet als een fout worden bestempeld (WYMEERSCH, E., STEENNOT, R., en TISON, M., a.w., TPR 2008, p. 1053). Wie beweert dat een krediet ten onrechte werd toegekend, dient de fout van de bank te bewijzen.
  18. Rekening houdend met de door OBK voorgelegde stukken, is het hof van oordeel dat OBK bijzonder zorgvuldig is geweest bij de toekenning van het krediet en, anders dan de appellanten voorhouden, daarbij in de eerste plaats rekening gehouden met de terugbetalingsmogelijk-heden van Cyclops, waarbij het natuurlijk tot de economische logica behoort dat de bank zich door middel van voldoende zekerheden wenste in te dekken, wanneer er toch terugbetalingsmoeilijkheden zouden ontstaan. De bank heeft talrijke malen om inlichtingen gevraagd, heeft voorstellen gedaan om de kapitaalstructuur en het bestuur van de vennootschap te versterken, heeft zich geïnformeerd omtrent de beroepsbekwaamheid van de bestuurders, heeft de jaarrekeningen ingezien en is op basis daarvan uiteindelijk, na een aanvankelijk ongunstig advies, tot een gunstig advies gekomen. Een overzicht van de feiten, die aan de kredietverlening voorafgingen, tonen dit duidelijk aan. 4.1 Na een aantal officiële documenten in verband met de vennootschap Cyclops te hebben overgemaakt, deelde V...V.... per fax van 13.5.1998 mee dat B.... D... C....., wiens beroeps-bekwaamheid nooit in vraag werd gesteld en wiens betrokkenheid door de bank noodzakelijk werd geacht voor het succes van de vennootschap, nieuwe bestuurder van de vennootschap was geworden. 4.
  19. Eveneens met fax van 13.5.1998 deelden V... V.... en D... C..... mee dat zij geen persoonlijke schulden hadden en geen persoonlijk krediet hadden lopen, een spaarrekening met een positief saldo hadden en dat de waarde van de eigendom van D... C......7.000.000 BEF bedroeg. 4.
  20. Diezelfde dag vroeg OBK een aantal bijkomende gegevens, waaronder de eigendomsakte van het in pand te geven huis, de samenstelling van de vennoten, een financieel plan voor de komende twee jaar, een verklaring in verband met de lijst van de verkopen, de btw-aangifte en de loonkost en de vermogenstoestand van de vennoten. 4.
  21. Op 14.5.1998 deelde V.... V..... mee dat de aandelen voor honderd procent in zijn handen waren. 4.
  22. Op 20.5.1998 vroeg OBK opnieuw naar een aantal bijkomende gegevens, waaronder deze, reeds opgesomd in de fax van 13.5.1998, nl. de verdeling van de aandelen in de vennootschap, een overzicht van de leningen en hun modaliteiten, een detail van de schulden, een detail van de overlopende rekeningen, een kopie van de eigendomstitel van de in pand te geven eigendom en een financieel plan voor de komende twee jaar; waar de gevraagde informatie over de eigendom betrekking had op de te stellen zekerheid, betrof de andere gevraagde informatie louter de kredietwaardigheid van de vennootschap en beoogde dit een onderzoek naar de terug-betalingscapaciteiten van de vennootschap. 4.
  23. Met brief van 25.5.1998 beantwoordde V..... V...... de gestelde vragen en bezorgde hij de gevraagde informatie. 4.
  24. Met fax van 5.6.1998 deelde OBK mee dat het dossier, zoals het momenteel was voorgelegd, niet haalbaar was, tenzij: - indien de financiële en aandeelhoudersstructuur van de vennootschap werd gewijzigd, nl. 50 % van de aandelen in handen van V.... V....en 50 % van de aandelen in handen van D...C.....; - de gedane voorschotten door V.... V..... worden omgezet in kapitaal; - inbreng van D....C..... door een krediet op persoonlijke naam van 3.500.000 BEF met een hypothecaire inschrijving in eerste rang op zijn eigendom, zodat er geen krediet meer noodzakelijk was op naam van de vennootschap voor de betaling van de lonen; - een aantal zekerheden in verband met het krediet voor de aankoop van materiaal ten bedrage van 5.000.000 BEF. 4.
  25. Met fax van 12.6.1998 vroeg OBK opnieuw een aantal bijkomende gegevens, zoals omtrent de vraag waarop het financieel plan gesteund was, een detail van de exploitatiekosten, een tussentijdse resultatenrekening, een definitieve balans- en resultaten-rekening, een detail van de rekening-courant van de vennoten, het huidige huurcontract en informatie over het faillissement van de nv Expansia. 4.
  26. In een buitengewone algemene vergadering van 9 september 1998 werd D....C..... aangeduid als bestuurder voor een periode van 6 jaar en werd een bedrag van 3.500.000 BEF, ingevolge de door D....C..... zelf aangegane lening, ingebracht in de vennootschap; als vergoeding hiervoor werden aan D...C...... 3.500 aandelen toegekend; in dezelfde vergadering werd beslist nogmaals het kapitaal te verhogen met een bedrag van 1.346.000 BEF door inbreng in natura van ditzelfde bedrag van de rekening-courant; aldus werd voldaan aan de vragen van OBK ter versterking van de kapitaalstructuur en van het bestuur van de vennootschap, teneinde de leefbaarheid ervan te bevorderen en de terugbetalings-mogelijkheden van een eventueel krediet te versterken. 4.
  27. Uiteindelijk werd na nogmaals een aantal gegevens te hebben opgevraagd en een grondig inspectieverslag te hebben opgesteld, op 8.2.1999 een gunstig advies verleend, dat voornamelijk gesteund was op de financiële structuur van de onderneming en de beroepsbekwaamheden van de bestuurders en waarbij er uiteraard ook werd op toegezien dat er voldoende zekerheden voorhanden waren. In dit inspectieverslag komen geen negatieve indiciën naar voor waaruit kon worden afgeleid dat de vennootschap niet zou kunnen voldoen aan de terugbetalingsverbintenissen. Weliswaar werd opgemerkt dat de eigen middelen beperkt waren, doch terzelfder tijd werd eraan toegevoegd dat rekening diende gehouden te worden met het feit dat de vennootschap werkte voor grote firma's, waarvan zeker is dat deze zouden betalen, weliswaar met enkele maanden vertraging, waardoor liquiditeitsproblemen konden ontstaan. Vandaar dat door V..... V..... en D... C...... voor 2.408.000 BEF in de vennootschap werd gepompt, en er bovendien een kapitaalsverhoging van 4.846.000 BEF werd doorgevoerd, dit met eigen middelen van de bestuurders, al dan niet via een persoonlijke lening. Deze inbreng illustreert dat de aandeelhouders en bestuurders V..... V.....en D....C....... zeer sterk geëngageerd waren in de werking van de vennootschap en ten volle geloofden in haar toekomst-mogelijkheden. Het inspectieverslag besloot als volgt: "Beroepsbekwaamheid ruimschoots bewezen. Nu reeds grote activiteit, ondanks het feit dat de chemische reiniging nog in de startblokken staat Reeds grote projecten binnenhaald ondanks de jonge leeftijd van de firma Vennoten staan 200 % achter het project (ook via geldelijke inbreng) 100 % beroepsinvestering Contacten met grote klanten." (letterlijk citaat) 4.
  28. Uit dit alles blijkt dat OBK haar dossier grondig had voorbereid en dat er in de talrijke gegevens, welke haar ter beschikking werden gesteld, geen elementen naar voor waren gekomen, op basis waarvan zij wist of moest weten dat de nv Cyclops Industries niet zou kunnen voldoen aan haar terugbetalings-verplichtingen. Het engagement van de bestuurders en hun inbreng toonden aan dat ook zij zelf sterk geloofden in de toekomst van de vennootschap, en er waren voor OBK geen redenen om uit te gaan van het tegendeel, rekening houdend met de informatie waarover zij beschikte. Terwijl de appellanten voorhouden dat OBK lichtzinnig een krediet zou hebben toegekend, brengen zij geen enkel concreet element aan, op basis waarvan OBK, ten tijde van de toekenning van het krediet, wist of moest weten dat Cyclops niet zou kunnen voldoen aan haar terugbetalingsverplichtingen. Indien deze elementen er waren, dan zouden de appellanten deze zeker kunnen en moeten aanduiden, vermits de heer D....C........ afgevaardigd bestuurder van Cyclops was ten tijde van de toekenning van het krediet. Er is bijgevolg geen enkele fout in hoofde van OBK bewezen bij de toekenning van het krediet ten bedrage van 5.000.000 BEF.
  29. Hieruit volgt dat de discussie tussen partijen of de appellanten nu al dan niet als borgen dan wel als medekredietnemers dienen beschouwd te worden, eerder theoretisch is, vermits, zelfs indien de stelling van de appellanten gevolgd wordt, erin bestaande dat zij enkel als borgen optraden, OBK hen kan aanspreken aangezien Cyclops zelf in gebreke bleef het krediet terug te betalen (art. 2011 B.W. - art. 2021 B.W.). Louter volledigheidshalve merkt het hof op dat de eerste rechter terecht geoordeeld heeft dat de appellanten ten aanzien van OBK dienen beschouwd te worden als kredietnemers en niet als borgen, zoals in de notariële akte van 15.9.1999 opgenomen. De notariële akte laat niets aan duidelijkheid te wensen over. Onder "Van tweede zijde" worden zowel de nv Cyclops Industries als de appellanten vermeld, waaronder wordt gespecificeerd dat zij te beschouwen zijn als "één enkel partij vormend genoemd "DE KREDIETNEMER"". Dat hier enkel "de kredietnemer" in het enkelvoud wordt vermeld, doet niets af aan de duidelijkheid, vermits voormelde personen in de kredietakte als "één enkel partij" worden beschouwd. Ten onrechte verwijzen de appellanten naar artikel 6bis van de notariële akte, dat zij slechts deels citeren. Volledig luidt dit artikel als volgt: "er wordt overeengekomen onder de personen, die in onderhavige akte onder de benaming "kredietnemer" verschijnen, dat alleen de NV CYCLOPS INDUSTRIES tot de uitvoering der genomen verbintenissen gehouden is, en, onder meer, tot de terugbetaling van het krediet en van de bijkomende kosten alsmede tot de betaling van de intresten en commissielonen, daar de heer en mevrouw D.... C.......B...... - V.... W........ E..... eenvoudig als borg dienen beschouwd te worden. Deze overeenkomst kan in geen geval ingeroepen worden tegen de kredietgeefster, tegenover wie al onder de benaming "kredietnemer" verschijnende personen hoofdelijk en ondeelbaar gehouden zijn alle verbintenissen uit te voeren welke uit onderhavige akte en zijn uitwerking voortvloeien." Bijgevolg zijn de appellanten ten aanzien van OBK te beschouwen als volwaardige kredietnemers en niet als borgen. Enkel tussen de kredietnemers zelf werd afgesproken dat Cyclops de volledige last van de lening op zich zou nemen, zodat de appellanten in hun verhouding tot de vennootschap enkel als borg te beschouwen waren. Dit liet hen toe, indien zij door de bank werden aangesproken, een volledig verhaal uit te oefenen tegen de vennootschap voor de bedragen, die zij zouden betalen. Ten onrechte verwijzen de appellanten naar de kredietbrief van 12.3.1999 om te stellen dat zij enkel borgen waren. In deze kredietbrief, gericht aan Cyclops, meldde OBK dat zij het krediet van 5.000.000 BEF toekende en dat dit beschikbaar zou zijn mits een aantal waarborgen, waaronder de hoofdelijke en ondeelbare borgstelling van de appellanten. Deze kredietbrief is door V..... V..... en D..... C........ louter ondertekend als gedelegeerd bestuurders. De ondertekende kredietbrief houdt dus op zich geen borgstelling van de appellanten in. Daar waar het inderdaad oorspronkelijk de bedoeling was dat de appellanten louter als borgen zouden optreden, was er niets dat belette dat zij uiteindelijk kredietnemers, samen met Cyclops, werden, zoals bevestigd in de notariële akte. Eveneens tevergeefs verwijzen de appellanten naar de volmacht, die OBK aan E........ B........ heeft gegeven, om in naam van OBK te verschijnen in de authentieke akte tussen OBK en de gekrediteerde nv Cyclops Industries en de borgen, zijnde de appellanten. Deze volmacht is op dezelfde datum als de authentieke akte gedateerd, nl. 15.6.1999, zodat de aanduiding van de borgen in deze volmacht dient begrepen te worden in de betekenis ervan in de authentieke akte, nl. waar de appellanten enkel in de onderlinge verhouding tussen henzelf en de nv Cyclops te beschouwen zijn als borgen, zonder dat dit tegenstelbaar is aan de kredietverlener. Hoe dan ook, voor zover E..... B........buiten zijn mandaat zou zijn opgetreden, werd dit mandaat in elk geval bekrachtigd door OBK die zich beroept op de notariële akte en de inhoud ervan bevestigt. Aan de duidelijke inhoud van de notariële akte wordt evenmin afbreuk gedaan door het feit dat OBK in het kader van de opzegging van het krediet en erna de appellanten aanschreef in hun hoedanigheid van borgen. Deze hoedanigheid doet niets af aan de rechten die OBK heeft ten aanzien van de appellanten als kredietnemers. Dit heeft evenmin tot gevolg dat de opzegging van het krediet ten aanzien van de appellanten enkel zou gelden in hun hoedanigheid van borgen. Met brieven van 8.12.2000 heeft OBK duidelijk ter kennis gebracht dat het krediet werd opgezegd. Daaraan wordt geen afbreuk gedaan door het feit dat de appellanten als borgen werden aangeschreven.
  30. Inzake de intresten merken de appellanten op dat OBK nalatig is geweest door nagelaten te hebben tussen 10.9.2003 en 1.1.2008 de procedure verder te zetten, zodat OBK geen aanspraak kan maken op intresten betreffende deze periode. Dit verweer kan niet worden aangenomen. De moratoire gerechtelijke rente vergoedt de schade, die de schuldeiser lijdt wegens de vertraging in de betaling door de schuldenaar, tijdens de duur van het geding en tot op het ogenblik van de betaling. Door het geding gedurende kortere of langere tijd niet te activeren, doet de schuldeiser geen afstand van zijn vordering om intresten te verkrijgen en begaat hij geen fout of nalatigheid, die hem het recht op moratoire rente geheel of gedeeltelijk ontneemt. Dat de rente verder blijft lopen, heeft de in gebreke blijvende schuldenaar enkel aan zichzelf te wijten. Hij kan ofwel de schuld betalen ofwel, indien hij een uitspraak wil afwachten, zelf het geding activeren.
  31. Bijgevolg wordt het vonnis bevestigd in zover de appellanten solidair veroordeeld worden tot betaling van 115.714,64 EUR, meer de conventionele rente vanaf 30.6.2002 tot de datum van betaling, aan de conventionele rentevoet, zijnde de veranderlijke basisrentevoet van de voorschotten in rekening-courant ten bedrage van 8 %, te vermeer-deren met 3 % conform de algemene bepalingen van de kredietopeningen. Er worden geen afzonderlijke grieven geformuleerd in zover de eerste rechter aan OBK akte verleende van haar voorbehoud in verband met de wederbeleggingsvergoeding, zodat dit eveneens kan worden bevestigd, aangezien er geen redenen van openbare orde zijn, die zich daartegen verzetten.
  32. OBK vordert de jaarlijkse kapitalisatie van de rente, wat door de eerste rechter op basis van artikel 1154 B.W. werd toegekend bij gebrek aan betwisting. Krachtens artikel 1154 B.W. is kapitalisatie van rente verboden, tenzij wanneer ze vervallen zijn en voor één jaar verschuldigd. Bovendien moet de kapitalisatie bedongen zijn in een bijzondere overeenkomst of in een specifiek op de kapitalisatie gerichte gerechtelijke aanmaning. Deze bijzondere overeenkomst of aanmaning moet vernieuwd worden en betrekking hebben op nieuw vervallen intresten, die ten minste over een jaar verschuldigd zijn (vgl. CASS., 7.9.1978, Arr. Cass., 1978-79, 18; CASS., 28.11.1985, Arr. Cass., 1985-86, 454; CASS., 29.1.1990, Arr. Cass., 1989-90, 698). Artikel 1154 B.W. is van openbare orde (vgl. CASS., 22.12.1938, Pas., 1938, I, 405). Vooraleer uitspraak te doen over de vordering tot kapitalisatie, heropent het hof ambtshalve de debatten, teneinde de appellanten en OBK toe te laten standpunt in te nemen over de vraag of voldaan is aan de voorwaarden van kapitalisatie van intresten. II. Vordering van V..... V..... tegen de appellanten Voor de eerste rechter stelde V.... V...... een vordering in vrijwaring in tegen de appellanten, in hoofdorde op grond van artikel 2032, 1° B.W. en in ondergeschikte orde op grond van artikel 2033 B.W.. De eerste rechter verklaarde de vordering, gesteund op artikel 2032, 1° B.W., gegrond en de vordering op basis van artikel 2033 B.W. ongegrond. Bij "akte van hoofdelijke en ondeelbare borgstelling" van 15.6.1999, stelde V..... V...... zich hoofdelijk en ondeelbaar borg jegens OBK "voor alle bedragen, reeds verschuldigd of die mochten verschuldigd worden jegens haar door: Maatschappelijke benaming: CYCLOPS INDUSTRIES NV..." Van de appellanten, als schuldenaars, is in deze borgstellingsakte geen sprake. V..... V...... heeft zich dus enkel borg gesteld voor de schulden van Cyclops, doch niet voor de schulden van de appellanten. Art. 2032, 1° B.W. bepaalt dat de borg, zelfs voordat hij betaald heeft, de schuldenaar in rechte kan aanspreken om door hem schadeloos gesteld te worden, indien hij tot betaling in rechte wordt vervolgd. De vordering op grond van artikel 2032, 1° B.W. kan enkel worden ingesteld tegen de schuldenaar, wiens schuld gewaarborgd wordt. Ze kan niet worden ingesteld tegen een niet-gewaarborgde hoofdschuldenaar, omdat tussen deze laatste en de borg geen rechtsbetrekkingen bestaan, terwijl artikel 2032 B.W. strikt moet worden geïnterpreteerd (vgl. VAN QUICKENBORNE, "Borgtocht", A.P.R., 1999, p. 267, nr. 513). De vordering in vrijwaring van V....V..... tegen de appellanten, gesteund op artikel 2032, 1° B.W., is bijgevolg ongegrond. De eerste rechter heeft verder geoordeeld dat de vordering, in zover gesteund op artikel 2033 B.W., ongegrond is. Er is dienaangaande geen hoger beroep of incidenteel beroep ingesteld door V.... V....., zodat deze beslissing definitief is. III. Gerechtskosten De eerste rechter heeft correct geoordeeld omtrent de gerechtskosten, met dien verstande dat V..... V..... en de appellanten hun eigen gerechtskosten in eerste aanleg dienen te dragen. Gezien de heropening van de debatten, wordt de uitspraak inzake de gerechtskosten in hoger beroep van de vordering van OBK tegen de appellanten aangehouden. Aangezien het beroep van de appellanten, zoals gericht tegen V.... V....., gegrond is, komen de gerechtskosten in verband met de vordering van V.... V..... te zijnen laste. Aangezien de vordering in vrijwaring te beschouwen is als een niet in geld waardeerbare vordering, bedraagt de rechtsplegingsvergoeding in verband met deze vordering 1.200,00 EUR. OP DEZE GRONDEN, HET HOF, Rechtdoende op tegenspraak, Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken; Verklaart het hoger beroep ontvankelijk,
  33. Wat betreft de vordering van de cvba Onderling Beroepskrediet tegen B........ D... C...... en E..... V.... W............, Bevestigt het bestreden vonnis in de mate 1) B........ D.... C......... en E....... V.. W......... solidair veroordeeld worden tot betaling aan de cvba Onderling Beroepskrediet van 115.714,64 EUR, meer de conventionele rente vanaf 30.6.2002 tot de datum van betaling aan de conventionele rentevoet, zijnde de veranderlijke basisrentevoet van de voorschotten in rekening-courant ten bedrage van 8 %, te vermeerderen met 3 % conform de algemene bepalingen van de kredietopeningen, 2) aan de cvba Onderling Beroepskrediet akte werd verleend van haar voorbehoud voor het verder opvorderen van een wederbeleggings-vergoeding ingeval van vervroegde terugbetaling, Alvorens te oordelen over de kapitalisatie van de intresten, heropent ambtshalve de debatten, enkel teneinde de appellanten en de cvba Onderling Beroepskrediet toe te laten daarover standpunt in te nemen; Bepaalt als volgt de termijnen voor het uitwisselen en overhandigen van schriftelijke opmerkingen: - voor de cvba Onderling Beroepskrediet: uiterlijk op 3 maart 2010; - voor de appellanten: uiterlijk op 31 maart 2010; Verzendt de zaak naar de openbare terechtzitting van woensdag 19 mei 2010 te 15.30 uur en bepaalt de duurtijd van de pleidooien op 10 minuten;
  34. Bevestigt het bestreden vonnis in de mate de tussenvordering van P...........V..... V......tegen B........ D... C........ en E....... V......... W................. ontvankelijk werd verklaard, doch doet het teniet in zoverre deze vordering op grond van artikel 2032, 1° B.W. gegrond werd verklaard, en opnieuw recht doende: Verklaart de vordering van P........... V........ V......tegen B........ D.... C............ en E......... V....... W............, in zover gesteund op artikel 2032, 1° B.W., ongegrond;
  35. Bevestigt het bestreden vonnis inzake de gerechtskosten, met dien verstande dat P......... V..... V......, B........ D.... C....... en E..... V..... W.............. zelf hun eigen gerechtskosten in eerste aanleg dienen te dragen; Veroordeelt P........... V....... V............ tot de gerechtskosten in hoger beroep in verband met diens vordering in vrijwaring, aan de zijde van B........... D....... C........... en E.........V........ W................ te begroten op 1.200,00 EUR rechtsplegingsvergoeding; Houdt de beslissing over de gerechtskosten in hoger beroep inzake de vordering van de cvba Onderling Beroepskrediet tegen B......... D....C.......... en E......... V......... W................. aan; Onverminderd de toepassing van artikel 1024 Ger. W.; Aldus gewezen door de twaalfde kamer van het Hof van Beroep te Gent, recht doende in burgerlijke zaken, samengesteld uit: - mevrouw A. Van de Putte, raadsheer, wn. Voorzitter; - de heer E. Dursin, raadsheer; - de heer G. Danneels, raadsheer, die mede over de zaak heeft beraadslaagd maar in de onmogelijkheid verkeert het arrest te ondertekenen (art. 785 Ger.W.), en uitgesproken door de raadsheer wn. Voorzitter van de kamer in openbare terechtzitting van 3-2-2010, bijgestaan door de heer Bart De Wilde, griffier. Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.